LEZEN EN SCHRIJVEN

Verhalen en gedichten van Petra Oomen

Ding

Het ding dat nog geen naam had, lag midden op de vergadertafel. Het was grillig van vorm, niet hoekig, niet rond, aan de ene kant van een wat drillende substantie en aan de andere kant keihard. De kleur was tussen grijs en blauw, vanaf het raam gezien had het iets geels. Groot was het niet, hoewel niet gezegd kon worden dat het klein was, want dingen zijn immers slechts groot of klein in relatie tot andere dingen met dezelfde naam. In ieder geval was het niet zo dat het de hele tafel in beslag nam. Er was ruimte genoeg voor de vergaderstukken en de mobiele telefoons.
"Laten we allereerst de heer Rozema bedanken voor zijn geweldige vinding," sprak de voorzitter. "Het gebeurt niet elke dag dat we een werkstuk met een dergelijke originaliteit en universaliteit op tafel hebben." Zijn bovenlichaam stak ver boven de tafelrand uit.
Rozema was de Stichtingsuitvinder, hoewel niet alle te bespreken en al besproken dingen van zijn hand waren. Hij bezocht veel congressen in het buitenland en nam een enkele keer een exotisch ding mee. Meestal zwoegde hij echter in zijn werkkamer op ideeën voor volgende dingen. Nu straalde hij. Zijn worstachtige vingers trommelden op zijn schrijfmap. Voor hem lag de werktekening van het ding: een stuk papier dat vol stond met lijnen en allerlei formules.
"Dank u," zei hij bedeesd.
"Mag ik daarbij aansluiten, voorzitter. Werkelijk uniek! Chapeau!" merkte De Groot op. De Groot sloot graag bij iets aan, zeker bij de beweringen van de voorzitter. Hij was een wat muizige man met blond-grijs haar en een bleek gezicht. Ooit was hij eens zonder stropdas ter vergadering verschenen. Bij agendapunt 4, ingekomen stukken en mededelingen, had hij zich uitgeput in verontschuldigingen.
"Echt geweldig," zei de heer Morel. "Een vinding van grote klasse." Hij vouwde zijn armen over elkaar en knikte goedkeurend in de richting van het ding, waarvan de ene kant rilde alsof het koorts had.
De deur werd geopend en mevrouw Vernooy, de secretaresse van de voorzitter, kwam binnen met de koffie. Tijdens vergaderingen waarin niet de naam van een ding aan de orde kwam, verzorgde mevrouw Vernooy naast de koffie de notulen. Maar bij de naamgeving wilden de heren in alle vrijheid brainstormen. De wetenschap dat alles wat zij zeiden, zou worden vastgelegd, zou hen daarin belemmeren.
De heren staakten hun gesprek over het ding en praatten over een vorig ding, dat wel een naam had, verbreedschroef, maar nog geen functie. Mevrouw Vernooy glimlachte elke heer hartelijk toe als zij zijn kopje voor hem neerzette. Ondertussen opperde Rozema met zachte stem dat de verbreedschroef wellicht dwars in een houten balk kon worden geslagen omdat hij daar groot genoeg voor was. De Groot bracht daar tegenin dat hij weliswaar van een afdoende omvang was, maar tegelijkertijd zo zacht van samenstelling, dat penetratie in hard hout onwaarschijnlijk was.
Toen mevrouw Vernooy was vertrokken, zwegen de heren over de verbreedschroef en keken ze naar het ding.
"Maar wat is het?" vroeg Mooiman. De andere heren kijken hem verbijsterd aan. De Groot schraapte luidruchtig zijn keel.
"In dit stadium is een discussie over de functie prematuur, zoals u maar al te goed weet," zei de voorzitter kortaf. "Laten we het over de naam hebben."
"Toch denk ik dat het zou helpen als we ons enigszins een idee konden vormen van waarvoor het ding kan worden gebruikt," hield Mooiman vol. Zijn armen lagen losjes op tafel, alsof hij niet aan een vergadertafel zat, maar thuis uitbuikte na het diner.
"Dat is absoluut tegen de vastgestelde procedure!" riep De Groot uit. "Het is volkomen onzinnig om te spreken over de functie zolang de naam niet bekend is. Voordat je het weet, zit je met iets dat wat doet, maar dat je niet kunt duiden."
"Meneer Rozema, heeft u misschien enig idee wat het ding is," ging Mooiman onverstoorbaar verder. "U heeft er vast wel wat bij gedacht toen u het maakte."
Rozema schudde zijn hoofd.
"Dat zou te beperkend zijn," legde hij uit. "Het ding zou dan geen ander ding meer kunnen zijn, het zou van tevoren al teveel worden vastgepind."
"Zo is het," viel Morel hem bij. "Een concept als dit ligt nog open. Over de invulling behoort consensus te zijn en die kan alleen procesmatig tot stand komen." Hij keek in de richting van de voorzitter, die naar buiten staarde met een gezicht als een donderwolk.
"Het heeft geen zin om de eerder gevoerde discussie weer open te breken," sprak de voorzitter bars. "U neemt een zeer negatieve houding aan, meneer Mooiman. Ik hoop dat u zich in het vervolg wilt bepalen tot de agenda."
Hij keek de kring rond.
"Wie heeft er een voorstel?" vroeg hij.
"Vlootbegrenzer," stelde De Groot voor. Op Mooiman na knikten de heren instemmend.
"Ik verzoek u allen de naam te proeven, te wegen, te voelen zodat we na de pauze tot een beslissing kunnen komen," zei de voorzitter. Hij stond op en verliet de zaal.

Morel en De Groot stonden met hun rug tegen de muur vlak naast de wc's waar gerookt mocht worden. Ze sabbelden aan hun pijpen, die niet brandden want net als iedereen wisten zij dat roken ongezond was.
"Wat vindt u nu van het ding?" vroeg Morel. Hij monsterde het gezicht van De Groot alsof hij wilde lezen wat deze dacht.
"Een heel open ding is het," zei De Groot. "Echt een vlootbegrenzer. Ik hoop dat mijn suggestie wordt overgenomen."
"Maar is het niet te open?" opperde Morel voorzichtig.
"Te open, te open, daar geloof ik niet zo in," zei De Groot. "Een ding moet juist open zijn, het is een perfect ding."
"Maar zou de heer Rozema niet beter een keuze hebben kunnen maken tussen hard en zacht? Een open keuze uiteraard, zodat wij daarover nog zouden kunnen discussiëren."
"Nu kunnen we zelf kiezen!" bracht De Groot daar tegenin. "De vorm is flexibel, dat vergemakkelijkt onze discussie over de functie."
"Nou ja, misschien heeft u gelijk. In ieder geval gefeliciteerd met de suggestie voor de naam. Ik sta daar in ieder geval achter."
De voorzitter liep op hen toe, zijn handen in de zakken van zijn grijze broek. Er stond een diepe frons op zijn voorhoofd en zijn bril was halverwege zijn neus gezakt.
"Heren, we gaan zo weer beginnen," baste hij. "Ik hoop dat de heer Mooiman zich aan de conventies wil houden, anders wordt het een lastige bespreking."
Morel en De Groot knikten.
"De heer Mooiman verwoordt een uiterst domme visie, onder ons gezegd," ging de voorzitter verder. "Hij wil terug naar af, naar ontwerpen die geen ontwerpen zijn, maar kant-en-klaarproducten! Confectie! Buitengewoon reactionair!"
Hij draaide zich om en liep naar de vergaderzaal. Morel en De Groot volgden hem in zijn kielzog.

"Vlootbegrenzer, zo luidt het voorstel," begon de voorzitter toen het geroezemoes was verstomd. "Ik neem aan dat u tijdens de schorsing tot een oordeel bent gekomen. Ik wil graag uw aller overwegingen horen. Meneer De Groot, wilt u beginnen?"
De Groot verschoof zijn schrijfmap, keek op de display van zijn mobiele telefoon en zei:
"Het is een goede term voor het ding, omdat die zowel dynamiek als rust uitdrukt. Begrenzing aan voortbeweging, zo moet u het zien, heren."
"Mooi gezegd," zei Morel. "Het is prettig als er een grens is aan beweging zonder dat dit direct leidt tot bewegingloosheid.
"Vlootbegrenzer, wat moet ik er me eigenlijk bij voorstellen?" vroeg Mooiman. "Vloot, een stel schepen of een botervloot. Ik bedoel, dat zou je toch moeten weten, want wat zit je nu eigenlijk te begrenzen."
"U stelt zich nu voor de tweede keer uiterst tegendraads op in deze vergadering," zei de voorzitter. In zijn hals klopte een ader, die elk moment leek te kunnen gaan barsten. "Ik verwacht hier constructieve bijdragen, geen eindeloos gesteggel over basisprincipes die al vastliggen. Ik beschouw uw opmerking als niet gemaakt."
Mooiman glimlachte.
"Okay, ik zal de discussie verder zwijgend volgen, al ga ik wel vraagtekens zetten bij de functie van mijn aanwezigheid bij dit overleg. Maar goed, ik heb gelukkig al wel een naam, dus daar kunnen we het later nog weleens over hebben." Zijn bulderende lach deed de overige heren verstoord opkijken.
De voorzitter negeerde hem en zei:
"Er is consensus over de naam en dat is geweldig! Voor ons ligt de vlootbegrenzer. Dit lijkt me het juiste moment om mevrouw Vernooij te roepen!" Hij drukte op een knopje van een klein apparaat dat voor hem lag.
De Groot wrong zijn handen ineen en schikte zijn das. Tegen de wand stond een dienblad met champagneglazen, waar hij verlangend naar keek.
Rozema dook onder tafel. Even later klonk er geritsel, dat minutenlang aanhield. Wat hij zocht, was kennelijk moeilijk te vinden. Eindelijk kwam hij weer boven. Zijn hoofd was rood van de inspanning.
"Ik heb voor u allen een model van het ding, uh, de vlootbegrenzer," stamelde hij. Hij hield een plastic zak met minuscule vlootbegrenzers omhoog. Hij opende de zak en legde voor iedere heer een model-vlootbegrenzer neer.
Morel nam het model op, streek er met zijn vingertoppen langs en zei:
"Een wonder van perfectie, deze vlootbegrenzer."
De Groot kneep licht in zijn model.
"Het voelt ook fijn," zei hij. "Hard en zacht ineen, precies zoals een vlootbegrenzer zou moeten zijn."
Mooiman stond op en trok zijn jasje aan dat over de stoel hing.
"Heren, ik moet gaan. Het spijt mij dat ik het glas niet met u kan heffen," zei hij met een brede grijns. "Het ritueel van handen schudden laat ik achterwege, want anders mis ik de trein." Voor hij de zaal verliet, groette hij door nonchalant zijn hand in de lucht te steken. Zijn model-vlootbegrenzer had hij laten liggen.
Even was het stil. Toen zei de voorzitter:
"De volgende keer spreken we over de samenhang tussen de verschillende dingen. Dit zal veel tijd in beslag nemen. Daarom verzoek ik u uw gedachten over de functies van de verdeelschroef en de vlootbegrenzer op schrift te stellen en dat voor de volgende vergadering rond te zenden."