Froukje parkeerde haar auto naast een grote vrachtwagen op de Aire de Orleans en stapte uit. Ze strekte haar armen boven haar hoofd en geeuwde ongegeneerd. Moest kunnen in de vakantie. Dat verdomde Parijs ook, drie uur lang had ze vastgezeten in de file. Ze was bijna gestikt in de uitlaatgassen en ze zou er lang over doen om de beledigingen te verdringen die motorrijders haar hadden toegevoegd. 'Hoerenjong' was nog het mildste geweest. Er scheen een rare voorrangsregel te zijn in Frankrijk, die toestond dat die lui kriskras door het verkeer zwierden. Zo werd het voor een normaal mens erg moeilijk om fatsoenlijk te blijven.
Wat ze nu nodig had, was een kop sterke koffie. Ze voelde in haar broekzak: genoeg munten tot aan Toulouse. Zoals elk jaar had ze zich degelijk voorbereid. Haar zou niets overkomen.
Ze sloot de auto af en liep naar de shop bij de benzinepompen. Bij de koffieautomaat stond een vrouw in een gebloemde legging met daaronder zwarte pumps. Een man met bierbuik en snor tegen wie ze op hoge toon iets beweerde, leunde vermoeid tegen haar aan alsof hij zonder haar steun zou omvallen. Froukje kon haar niet verstaan, maar er was ongetwijfeld sprake van ruzie. Dat kreeg je als je op vakantie ging met je man of vrouw. Gelukkig had zij er geen. Vrijheid, blijheid, hoewel er tot nog toe alleen van ergernis sprake was geweest, want behalve met agressieve motorrijders had ze te maken gekregen met achterlijke Belgen die het licht 's nachts uit lieten langs de snelwegen. Waarom stonden die lantaarnpalen er eigenlijk? Voor de sier? Ze schudde het hoofd om zoveel onbenul.
Zat ze maar thuis. Lekker op de bank met een boek. Maar ja, vakantie hoorde nu eenmaal. Je vertrok eigenlijk automatisch zodra je een paar weken vrij was. Al in april begonnen de collega's te vragen waar je naar toe ging. Froukje had overwogen om rond te vertellen dat ze naar Kenia zou gaan, daar kon je tenminste mee aankomen. Thuis zou ze dan boeken lezen over dat land. Maar het plan was te gevaarlijk. Je zou zien dat je precies in die weken iemand van het werk tegenkwam in het winkelcentrum. Daarom had ze gekozen voor een huisje in Frankrijk, saai, maar achteraf kon ze vertellen over de mooie omgeving en foto's laten zien. En lezen kon je er ook.
Eindelijk was het echtpaar klaar bij de automaat. Ze was natuurlijk kwaad geworden omdat hij suiker in zijn koffie deed terwijl hij al zo'n dikke pens had. Je zou maar met zo'n man opgescheept zitten, daar hielp niks tegen, elk mooi rokje werd meteen bezoedeld door wat er naast je liep.
Ze gooide een euro in de automaat en drukte op het kopje voor espresso. Een Haags bakkie leek het, maar toen ze de beker net had weggehaald, kletterde er een straal heet water op de grond. Precies over haar nieuwe trainingsbroek. Ze mocht hopen dat er niet teveel kleurstoffen in zaten. In zo'n land als Frankrijk gingen ze heel anders om met het milieu.
Met het gloeiend hete kopje tussen haar vingers liep ze richting uitgang. Nog net kon ze een klein vrouwtje ontwijken waar ze bijna over gestruikeld was. Je merkte meteen dat je in het buitenland was; de mensen zagen er anders uit.
Er stond iemand bij haar auto. Zo snel ze kon zonder de koffie over haar vingers te morsen rende ze ernaartoe.
De jonge vrouw die over de motorkap stond geleund alsof ze elk moment in elkaar kon zakken, keurde haar aanvankelijk geen blik waardig. Zou ze Frans zijn? En wat zei je in zo'n geval? Excusez moi, c'est ma voiture? Of zou 'donder op' volstaan? Eerst maar iets internationaals. Je wist nooit wat voor vlees je in de kuip had.
"Pardon?" begon ze. Dat kwam er veel te vragend uit. Het was toch zeker haar eigen auto? Na de vakantie toch maar eens serieus kijken naar dat aanbod voor de assertiviteitstraining van haar werk. De vrouw draaide haar gezicht langzaam in haar richting. Het leek uitgevlakt met kneedgom. Geen lijntje was er in te bekennen.
"Mag ik met je meerijden?" vroeg ze. Een Nederlandse dus, dat maakte de zaak een stuk eenvoudiger. De vrouw praatte niet, maar zuchtte in min of meer verstaanbare klanken.
"Waar moet je heen?"
"Limoges."
"Daar kom ik langs. Vooruit maar." Was dat ook weer opgelost. Het was een vrouw, wat zou er mis kunnen gaan. Haar moeder zou haar dat vast uit de doeken kunnen doen, want het stond allemaal in haar ochtendblad. Gelukkig zat die nu veilig in haar flatje in Bussum.
Ze nam de kaart van Frankrijk uit het dashboardkastje en spreidde hem uit op de grond.
"Kijk, we zitten nu op de A-10 en we moeten straks over op de A-7, bij Orleans, geloof ik. Ja, bij Orleans." De vrouw haalde haar schouders op.
"Hoe heet je eigenlijk?" vroeg Froukje.
"Wat is in een naam," was het lome antwoord van de spookstem. Wat een aanstelster. Froukje had nu al spijt dat ze had toegestemd haar mee te nemen.
Ze stapten in.
"Doe je gordel om. Ze rijden hier als gekken."
"Gordels zijn als ketenen en beperken niet alleen het lichaam maar ook de geest."
Limoges was nog erg ver. Froukje volgde het bord "A-10 vers Toulouse". Eenmaal op de snelweg trapte ze op de gaspedaal tot de kilometerteller op 150 stond.
De vrouw zat verstijfd naast haar en staarde onafgebroken door de voorruit. Het werk van een moderne beeldhouwer, daar deed ze nog het meest aan denken. Iets dat een mens moest voorstellen, maar tegelijkertijd de verschrikkelijke verdorvenheid van deze diersoort moest uitstralen. Goed geslaagd in dat opzicht. Ze wekte een vreemd soort angst op. Froukje was niet bang voor beroving met geweld, want daarvoor zag ze er te teer uit. Een wapen kon ze niet bij zich hebben. Ze had niets bij zich en onder haar kleren kon niets zitten, want die zaten zo strak dat ze met haar lichaam verkleefd leken. Toch ging er een onmiskenbare dreiging van haar uit.
Ondanks alles probeerde Froukje van het landschap te genieten. Voor haar zag ze echter een transparante projectie van de vrouw naast haar. Na een tijdje begon ze te vrezen dat het mens tot in lengte van dagen voor haar ogen zou blijven zweven.
Uur na uur ging het zo door. Alsof de tijd stilstond en er geen afstand werd overbrugd. Alsof de glooiingen van het landschap steeds hetzelfde bleven, een herhaling van almaar hetzelfde moment. De vrouw bewoog alleen af en toe haar handen alsof ze tekens gaf aan iemand die een meter of honderd verderop stond.
Ik had meteen al kunnen zien dat ze niet lekker is, bedacht Froukje. Moet je dat sjofele roze vestje zien, en het is veel te klein ook nog.
"In het zuiden ontmoet ik de dood," zuchtte de stem ineens. Het zou het beste zijn deze opmerking te negeren, maar de vrouw klopte luid op het dashboard.
"Hoor je me? In het zuiden ontmoet ik de dood. En jij ook."
Van schrik rukte Froukje aan het stuur, waardoor de auto even over de weg slingerde. Gewoon doen alsof dit gesprek normaal is, vertelde ze zichzelf, dat is de beste strategie.
"Goh, hoezo?". Ze lette erop voldoende neutrale belangstelling in haar stem te leggen.
"Ik had een droom," vertelde de vrouw. "Een droom over een Frans tankstation. Het was donker, alleen rondom de shop was het verlicht. Een vrachtwagen, zo eentje met olie erin, of gas, reed recht op de shop waar wij stonden af en verpletterde ons."
Zo wordt het toch nog gezellig, dacht Froukje, zichzelf vervloekend dat ze die nacht in de auto was gestapt. Thuis was alles veel overzichtelijker. Voorspellende dromen bestaan niet, hield ze zichzelf voor. Bovendien was het pas drie uur dus voor het donker waren ze in Limoges. Ze keek opzij: voor iemand die ten prooi was gevallen aan psychotische waanvoorstellingen zat de vrouw er kalm bij. Dat stelde Froukje niet gerust. Een bord met "Aire de Vierzon" dook op. Daar was haar redding. Ze wist niet hoe, maar zeker was dat op die parkeerplaats alles ten goede zou keren.
"Ik moet even naar de wc," zei Froukje voordat ze te snel de scherpe bocht nam naar de parkeerplaats. Daar stopte ze voor de shop.
"Ik heb liever dat jij ook uitstapt," zei ze tegen de vrouw. "Niet dat ik je niet vertrouw, maar ik ben liever voorzichtig." Altijd die excuses, dat moest ze eens afleren. Het was toch een doodnormaal verzoek. Je kon toch van niemand verlangen om een wildvreemde achter te laten in je eigen auto.
De vrouw haalde haar schouders op en toverde een zwakke glimlach op haar gezicht. Ze stapte uit en liet haar sjaal op de passagiersstoel liggen.
Voordat ze de shop binnenstapte, keek Froukje over haar schouder naar het aankomende verkeer. Dwaas, vermaande ze zichzelf, je lijkt wel een kind dat zich van alles laat wijsmaken. De vrouw bleef vlak voor de auto staan, haar armen over elkaar geslagen, als een wassen beeld dat bij volle maan tot leven zou worden gewekt.
Binnen verschool Froukje zich achter een pilaar in de buurt van de toiletten. Voortdurend keek ze naar buiten of de vrouw bij haar auto wegging, maar ze bleef staan. Steeds meer raakte Froukje ervan overtuigd dat ze alles kon doen, behalve teruggaan naar haar auto. Het zweet brak haar uit bij de gedachte alleen al. Daar maar in de buurt komen betekende haar dood. Een gekozen dood, zelfmoord, daar zou het op neer komen.
Het werd tijd dat ze zelf de koers van haar leven bepaalde. Ze kon zich toch niet de stuipen op het lijf laten jagen door de eerste beste gek?
Opgelucht over haar plotselinge vastberadenheid liep ze de achteruitgang uit en de loopbrug over naar de andere kant van de weg. Ze voelde in haar zak: haar huissleutel zat nog op zijn plaats. Het was jammer van de auto en de bagage maar de verzekering zou het wel vergoeden.
Ze stak haar duim omhoog: met al die Nederlanders op de weg moest ze zo een lift naar Amsterdam hebben.