"Heb je nu alweer je handschoen verloren!", riep Annie bits toen
ze zijn jas ophing en er maar één aantrof, "Als je maar niet
denkt dat ik nieuwe ga kopen!". Jan zei niets, liep naar de kast onder
de trap en zette daar zijn tas tussen de twee boodschappenkratten, waar
hij volgens Annie hoorde.
"Je bent zo slordig, Jan, altijd maar alles verliezen", mopperde
Annie verder, "Het geld groeit ons niet op de rug. En ik maar sloven. Moet
ik morgen alweer naar de Hema."
Hij zuchtte onhoorbaar. Vanuit de keuken kwam een walm van rodekool
en varkensvlees. Hij had geen trek.
Op het zes uur journaal waren beelden van zojuist ontdekte massagraven
in Kosovo. De lichamen in vuilwitte lakens die uit de kuil omhoog werden
gehesen, deden hem niets. Het geluid van kletterende pannen deed pijn aan
zijn hoofd. Daar zat iets, de laatste dagen, iets ronds waar alles van
buiten op afketste en hem van de wereld buitensloot.
Annie kwam de kamer binnen met de borden en de placemats.
"Zondag gaan we naar Joop", zei ze, terwijl ze de borden op tafel
zette. "Dat wordt wel weer eens tijd. Jij zou hem trouwens best wat vaker
kunnen bellen. Het is gewoon absurd, zoals jullie met elkaar omgaan. Joop
heeft zijn vader nodig."
"Joop is veertig", zei Jan. Hij ging aan tafel zitten en keek naar
de braadworst op zijn bord, die in een dikke laag jus dreef.
"Hij blijft toch je kind", vond Annie, "Ondanks alles"
Hij prikte wat met zijn vork door het eten. De rode kool mengde
zich met aardappelen en jus.
"Wat is er nou weer mis?", vroeg ze, "Het lijkt wel of jij de laatste
tijd overal wat tegen hebt."
Zwijgend at hij zijn bord leeg. Direct daarna stond hij op.
"Ik ga naar de schuur", zei hij.
"Ga je gang", gromde ze. Ze keek hem niet aan.
Het peertje dat aan het plafond van de schuur bungelde, verspreidde
een fel licht over het hout en het gereedschap. De schaduwen op de witgesausde
muren leken op hem neer te willen dalen. Hij pakte de zaag en zette die
op de plank, die vastgeklemd zat in de werkbank. De zagende bewegingen
die hij maakte, waren krachteloze aaien over het hout.
Hij hoorde de keukendeur openslaan en tegen de muur klappen. Hij
zaagde de plank door. Als Annie hoorde, dat hij niets deed, zou ze binnenkomen
en van hem eisen dat hij bij haar kwam zitten. Dat was gezellig, vond ze.
Het deksel van de klikobak klapte dicht en de keukendeur werd weer gesloten.
Hij stopte met zagen.
De komende zondag, als Annie en hij naar Joop zouden gaan, doemde
voor hem op. In de kleine, benauwde portiekwoning, waar Joop sinds een
half jaar huisde, was de rotzooi voor de gelegenheid van hun bezoek naar
de kant geveegd. Het stonk er altijd naar zweet en bedorven eten. Joop
hing lusteloos in zijn stoel en zei geen woord, zat hem alleen aan te staren,
alsof hij een buitenaards wezen was. Annie begon met opruimen, zodra ze
er een voet over de drempel zette. "Jongen toch", zei ze af en toe.
Joop was beter te verteren, toen hij nog aan de heroïne was,
dacht Jan stiekem. In die tijd was er tenminste nog een gedrevenheid in
hem, had hij tenminste ergens belangstelling voor, ook al had die zich
uitsluitend gericht op het vinden van geld voor het volgende shot.
De eerste keer dat Joop zijn portemonnee had gejat, had hij niet
willen geloven dat hij dat gedaan had. Omdat er verder niemand in huis
was geweest, toen de portemonnee verdween, bleef er echter geen andere
mogelijkheid over. Hij vroeg het Joop en kreeg rillingen van de kille grijns,
waarmee die zijn vraag beantwoordde. Daarna raakte hij eraan gewend geld
en verkoopbare spullen te verstoppen als zijn zoon in de buurt was. Joop's
vindingrijkheid om te vinden wat hij zocht, was verbazingwekkend. Er was
altijd wel wat weg, als hij op bezoek was geweest.
Nu was Joop clean en wel in zo'n mate dat er niets van hem was overgebleven.
De junk was verdwenen, maar de vrolijke flierefluiter, die hij vroeger
was geweest, was niet teruggekomen. Hij was slechts een omhulsel, vegeterend
in zijn flat.
Jan sloeg een paar keer met de zaag op het hout en legde de handen
in de schoot. Hij keek naar zijn vingers en telde. Nog drie jaar, dan was
hij vijfenzestig, dan hoefde hij niet meer elke dag op zijn fiets naar
dat kantoor, om daar de hele dag doelloos achter zijn terminal door te
brengen. Drie jaar. Het scheen hem een eeuwigheid toe, een massieve klomp
tijd, waar geen doorkomen aan was. Hij voelde de vermoeidheid in zijn benen
van de honderden keren dat hij de route van huis naar werk en weer terug
nog moest afleggen. Hij zag de cijfers en letters trillend over zijn beeldscherm
rollen, hoorde de grappen, die zijn collega's nog tientallen malen zouden
vertellen en zijn lach als antwoord, een soort rochel uit het achterste
van zijn keel. Hij rook de geur van aardappels, groenten, en vlees, die
hem al die keren in de gang tegemoet zou komen, zag Annie in de keuken
staan met haar schort aan, haar bezorgde blik gericht op de pan met aardappels,
die precies lang genoeg moesten koken.
Het kwam hem plotseling als onmogelijk voor om dat vol te houden.
De tientallen jaren die hij zo had doorgebracht, de ene dag een exacte
kopie van de andere, drukten hem met volle kracht naar beneden. Het was
alsof hij nooit meer op zou kunnen staan van die kruk in de schuur. Door
het raam keek hij naar het huis, dat daar lag als een fort. Onneembaar
en alles uit de omgeving opslokkend tegelijk. Hij wilde lopen, de beweging
voelen van de ene voet die voor de andere werd gezet, en verder niets dan
zo de dagen over hem heen laten komen.
Met moeite stond hij op en verliet de schuur. Het licht liet hij
aan, want straks zou hij weer terugkeren. Annie keek televisie en hoorde
hem niet binnenkomen. Er ging een schok door haar lichaam toen hij zijn
handen in haar nek legde. "Annie, ik ga", zei hij.
"Maar jongen toch." In haar ogen daagde paniek. Hij zei niets meer,
maar knikte langzaam. Daarna liep hij bedaard weg. "En Joop dan?", riep
Annie, toen hij naar buiten stapte. Hij antwoordde niet.
In de schuur pakte hij de rugzak, die al jaren ongebruikt in de
hoek lag en stopte daar wat gereedschap in. Toen hij het tuinhek achter
zich sloot, en de donkere brandgang doorliep, begon hij zacht te fluiten.
© Petra Oomen
oktober 1999