De zaak

Ruud was net wakker toen om elf uur de bel ging. Sinds hij voor zichzelf werkte, lukte het hem niet om op tijd op te staan. Zodra hij zich tegen twaalven achter zijn pc zette, overviel hem een totale moedeloosheid en van het werkplan dat hij moest schrijven, kwam niets terecht. Het aantal opdrachten bleef ver beneden verwachting en dat baarde hem zorgen. Het liefst bleef hij zo lang mogelijk in halfsluimerende toestand, dan kwelden gedachten over zijn mislukking hem minder.
Met tegenzin liep hij naar de voordeur. Gewoontegetrouw keek hij door het spionnetje of er wellicht een opdrachtgever op de stoep stond of iemand anders aan wie hij zich niet kon vertonen in ochtendjas. Hij zag niemand. Belletjetrekkers natuurlijk. Met een ruk opende hij de deur om de kliertjes de huid vol te schelden, maar er was niemand te zien. Hij wilde de deur weer sluiten toen hij een houten mandje op de stoep zag staan. Zeker boodschappen die Masha had besteld. Hij boog zich voorover om in het mandje te kijken en schoot direct overeind. Er lag een baby in. Even dacht hij dat hij werkelijk gek geworden was en last had van een hallucinatie. Dat hoorde je wel vaker van mensen die langdurig aan stress bloot stonden. Hij hurkte en legde zijn hand op het hoofdje. Gelukkig, het was warm, het kind was niet dood. Een moment lang stond hij besluiteloos in de deuropening: hij kon het kind niet aan zijn lot overlaten. Maar als hij het mee naar binnen zou nemen, zou dat zeker een hoop gelazer geven.
Hij moest Masha bellen. Die zou raad weten, die wist altijd wat haar te doen stond. Ze wilde niet gestoord worden op haar werk, maar dit was een uitzondering. Sinds zij kostwinner was, leek het of er een stuk van hem was afgeslagen. Een deel van hem was geamputeerd, voorgoed vernietigd. Hij ging gehandicapt door het leven, al kon je daar aan de buitenkant niets van zien.
Hij nam de mand op en zette hem op de bank in de kamer. Hij haalde de proppen sokken naast het kind weg, die kennelijk waren bedoeld om het lijfje te stabiliseren. De luier moest worden verschoond, rook hij. Daar had hij een hekel aan. Bij Sander, hun jongste kind, had hij het vaak gedaan, maar nooit zonder weerzin tegen de strontlucht die uit de luier opsteeg. Masha eiste echter dat hij zijn aandeel nam in de opvoeding van de kinderen, dat was niet meer dan normaal vond ze. Tenslotte leefden ze niet meer in de jaren vijftig.
Hij belde het nummer van Masha's werk en kreeg haar secretaresse aan de lijn. Masha was zo belangrijk dat ze niet rechtstreeks gebeld kon worden, zelfs niet door haar eigen man.
"Meneer Branco, uw vrouw is in bespreking. Kan ik een boodschap achterlaten?"
"Nee, het is dringen, ik moet haar direct spreken."
"Dat kan echt niet, het spijt me."
Stomme tikgeit! Ongelofelijk, dat er nog van die kantoorautomaten bestonden. Konden niet zelf nadenken, alleen uitvoeren wat de baas hen opdroeg.
"Luister, ik wil haar nu spreken. Direct!" riep hij.
"Een ogenblikje," zei ze afgemeten. Ruggespraak. Het ogenblikje duurde vijf minuten. Ruud wierp af en toe een blik op de baby. Waarom moest die junk van een moeder dat kind uitgerekend bij hem op de stoep dumpen. Ze had het beter op de stoep van het politiebureau kunnen leggen, want daar zou het toch terecht komen. Het zou wel geadopteerd worden, dat bespaarde een onvruchtbaar echtpaar weer een trip naar China.
"Met Masha!" klonk de stem van zijn vrouw niet al te vriendelijk.
"Hallo schat, ik ben het."
"Ja, dat had ik begrepen. Ik hoop dat je een verdomd goede reden hebt om te bellen, want anders ben ik voor niks de bespreking uitgelopen. Is er iets met de kinderen? Kan je nou nooit eens iets zelf oplossen?"
Hij slikte zijn protest in. Een woordenwisseling over wederzijdse verantwoordelijkheden kon hij op dit moment slecht gebruiken.
"Nee, de kinderen zijn veilig op de crèche. Er is hier een baby op de stoep gezet. In een houten mand met handdoeken en sokken erin."
"Hoe kan dat nou? Hoe komt dat daar?"
"Weet ik veel! Ineens stond het daar."
"En je weet dus niet waar het vandaan komt? Bel de politie, doe iets, zoek het maar uit en val me niet meer lastig vandaag, want ik heb het druk." Zonder groet hing ze op.
Ruud liep naar de bank en ging naast de mand zitten. Hij streelde het hoofdje. Het kind reageerde met een zacht gemurmel. Toen pas zag hij de enveloppe op het kussen.
"Ruud Branco" stond er, in een zakelijk, hoekig handschrift.
Hij draaide de enveloppe om: geen afzender. Hij haalde het notitievel eruit.
"Nou Ruud," stond er. "Ik heb het drie maanden geprobeerd, maar het moederschap is niet aan mij besteed. Aangezien jouw aandeel in haar ontstaan minstens even groot is als de mijne, vind ik dat jij het nu maar moet proberen. Ze heet Anna. Succes! Tineke."
Tineke. Hij kende geen Tineke. Of, wacht, het zou toch niet die Tineke zijn?
"Mijn God, mijn God," kreunde hij.

Tot maandag 13 december 1999, die datum zou hij nooit vergeten, lag de wereld aan zijn voeten. Tenminste, dat idee had hij.
Het was een rustige werkdag zonder vergaderingen, maar al sinds hij het kantoorgebouw was binnengestapt, was hij onderhevig aan een aangenaam soort spanning. Zijn brief, die een vlammend betoog moest worden over de stelselherzieningsnota van het ministerie, schoot niet op. Maas had hem vrijdag te verstaan gegeven dat hij maandag om elf uur in de directiekamer werd verwacht voor een gesprek over zijn opvolging. Een week eerder had hij in de bestuursvergadering aangekondigd dat hij met vervroegd pensioen zou gaan. Hij zou nog een jaar blijven, daarna wilde hij 'de fakkel overdragen'. De uitnodiging kon niets anders betekenen dan dat Maas hem zou aanwijzen als zijn opvolger. Dat lag voor de hand, want als hoofd van de meest belangrijke afdeling was hij de aangewezen persoon daarvoor. In de twee jaar die hij nu voor het bureau werkte, had hij nauwlettend Maas' managementstijl bestudeerd. In het begin ging hij informeel om met zijn medewerkers, maar hij merkte dat Maas dat niet waardeerde. "Je moet niet vragen, je moet eisen, anders komt er niks van terecht. Het is hier geen academische hobbyclub, " had hij weleens gezegd.
Maas liep als een generaal op inspectie door de kantoorgangen, waar niemand de deur van zijn kamer mocht sluiten, want iedereen moest de hele dag beschikbaar zijn voor zijn vragen en opmerkingen. Zijn bulderende stemgeluid was op de hele etage te horen en deed menigeen ineen krimpen.
Ruud had zich aangeleerd om kortaf te zijn tegen zijn medewerkers, hun brieven totaal te herschrijven in de prikkeldraadstijl die hij van Maas had afgekeken en niet meer in te gaan op vragen over zijn privé-leven. Niet dat er over dat laatste veel bijzonders te vertellen was: hij was getrouwd, had twee kinderen en zijn vrouw was parttime blijven werken. Normaler kon het niet. Toch schiep deze houding de gewenste afstand tussen hem en de medewerkers. Zijn secretaresse benaderde hij met eenlettergrepige opdrachten. Ze moest respect voor hem hebben, voor hem sidderen liefst. Hij ging zelfs zover dat hij, net als Maas, zijn medewerkers tussen elf en twaalf uur 's avonds opbelde om hen te laten merken dat ze hem vierentwintig uur per dag van dienst moesten zijn.
Toen medewerkers hun gesprekken begonnen te onderbreken als hij binnenkwam en wantrouwend zijn kant opkeken, wist hij dat hij op de goede weg zat.
Helemaal niet gek om op zijn vierendertigste directeur te worden.
Tegen elven liep hij naar de secretaresse van Maas om te vragen of hij hem al kon ontvangen.
"Nog niet," zei ze zonder van haar scherm op te kijken. "Hij is nog bezig. Wacht maar in het zitje." Die zou hij nog wat bij moeten brengen als hij directeur was.
Het zitje bestond uit twee stoelen met daartussen een tafeltje waarop een asbak stond, vlak naast Maas' deur.
Een beetje lullig van Maas om hem te laten wachten alsof hij de eerste de beste medewerker was. Er zat echter niets op dan plaats te nemen in één van de stoelen. Eindelijk, om kwart over elf, verscheen Maas in de deuropening. Even was Ruud bijna net zo geïmponeerd door zijn rijzige gestalte als tijdens zijn sollicitatiegesprek.
"Ruud, kom binnen!" bulderde Maas. Zijn gezichtsuitdrukking was zoals meestal nors en ondoorgrondelijk. Alleen als hij in de publiciteit kwam, was toonde hij zich wat aangenamer. Als hij op televisie was geweest, straalde hij als een kleine jongen die voor het eerst een doelpunt had gemaakt.
Ruud liep achter hem aan de kamer binnen en wachtte tot Maas zei dat hij kon gaan zitten. Maas zat tegenover hem aan het grote, mahoniehouten bureau en schreef door aan iets dat kennelijk niet kon wachten. Ruud keek om zich heen. De kamer was eigenlijk meer een zaal. Aan de witte muren hing moderne kunst. Er stond een vergadertafel met een lengte van een meter of zes met in het midden een bronzen beeld, dat een vrouw moest voorstellen, of iets anders. In ieder geval leken de twee uitsteeksels boven het bolvormige lichaam op wanhopig in de lucht gestoken armen. Straks zou dit alles van Ruud zijn, ook de imposante bureaustoel van Maas, die zesduizend gulden had gekost. Als hij zeker wist, dat iedereen naar huis was, ging hij er weleens in zitten.
Maas legde zijn pen neer en keek Ruud aan.
"Zo Ruud, welkom," zei hij alsof hij hem nu pas opmerkte.
"Dag Dirk," zei hij. Toen Maas had gevraagd hem bij zijn voornaam te noemen, was hij trots geweest, totdat hij ontdekte dat Maas dat aan iedereen had gevraagd.
Maas vouwde zijn handen en liet er bedachtzaam zijn kin op rusten.
"Ruud, ik moet met je praten over mijn opvolging. Daar moeten we zo onderhand eens werk van gaan maken. Zo'n jaar gaat snel voorbij en het kan wel even duren voordat we een geschikte kandidaat hebben gevonden."
Het bloed trok uit Ruuds gezicht weg.
"Wat kijk je me nou schaapachtig aan," zei Maas geïrriteerd. "Zo ingewikkeld is het toch niet. Oh, wacht even, jij dacht natuurlijk aan een promotie. Tja, dat was even niet bij me opgekomen."
Ruud zweeg. Hij kon moeilijk anders want er zat een dikke prop in zijn keel. Hij zou moeten opstaan, en zeggen dat Maas zijn baan in zijn reet zou kunnen steken, maar hij kon dat niet. Niemand kon zich verroeren zolang Maas' blik op hem rustte.
"Toen je hier pas was, heb ik de mogelijkheid wel overwogen," vervolgde Maas. "Jonge vent met ervaring, die het echte vak nog van mij kon leren. Maar dat idee liet ik snel varen, Ruud. Jij hebt geen persoonlijkheid, jij bent een ambtenaar die goed is in uitvoering en dat zul je altijd blijven. Niet dat dat erg is, die moeten er ook zijn, moet je maar denken. Jij op deze plaats, nee, de sector zou binnen een half jaar op zijn gat liggen met jou aan de leiding. Maar genoeg hierover: nu de werving. Ik verwacht voor vier uur vandaag een profielschets en een paar namen van gerenommeerde wervingsbureaus." Maas boog zich weer over zijn schrijfwerk. Ruud stond op en verliet de kamer. Hij meed de blik van Maas' secretaresse die nieuwsgierig zijn kant opkeek.
In zijn kamer veegde hij de stapel nota's en brieven van zijn bureau en smeet de telefoon op de grond. De impuls om Masha te bellen, onderdrukte hij. In plaats daarvan belde hij zijn secretaresse, zei dat hij dringend weg moest voor een afspraak en droeg haar op dat aan Maas te melden. Hij pakte zijn tas, deed zijn koffiemok erin hij ooit van huis had meegenomen en stapte de gang op. Hij kwam Maas tegen, die dwars door hem heen keek.
Eenmaal op straat voelde hij zich verloren. Hij zou zijn auto kunnen instappen en naar huis rijden, maar zijn auto leek niet meer van hem, nu hij zijn inkomen kwijt zou raken. Het stond vast dat hij niet meer terugging naar zijn werk. Wat zou Masha zeggen? Hij wilde dat nog niet weten. Hij wilde de blik van minachting die hem ongetwijfeld ten deel zou vallen nog niet zien.
Lusteloos wandelde hij naar het enige café dat het dorp rijk was. Mensen van kantoor kwamen daar weleens om hun roddels na werktijd voort te zetten, maar op dit tijdstip was het onwaarschijnlijk dat hij collega's zou tegenkomen.
De café-eigenaar keek verstoord op toen hij binnenkwam. Behalve een vrouw van een jaar of dertig, die aan de wijn zat, was er niemand en de kroegbaas wilde dat kennelijk graag zo houden.
"Een oude," zei Ruud toen de man zijn bestelling kwam opnemen. Hij dronk het glas in één teug leeg en hield het omhoog ten teken dat hij het gevuld wilde hebben.
"Zo vroeg al aan de drank," zei de vrouw. Hij knikte in haar richting en probeerde te glimlachen. Hij had het idee dat hem dat niet al te best afging.
"Zeker wat te vergeten," ging ze verder. "Nou, ik ook. Waarom zouden we anders zitten te zuipen op een maandagochtend? Dat is toch geen middag om te drinken? Dan moet er gewerkt worden! Mouwen opstropen en presteren!"
Ze lachte zuur. Ze droeg een zwarte broek met daarop een groen colbert. Haar bruine haar was opgestoken. Ze was opgemaakt maar niet al te opvallend. Naast haar tafeltje stond een bruinleren aktetas. Geen kroegdel. Die waren er niet in dit dorp, waar het café het domein van boeren uit de omgeving was.
"Een ochtend om te werken, inderdaad," zei hij. "Maar u doet het ook niet. We hebben iets gemeen!" Hij stond op en ging aan haar tafeltje zitten. Hij wenkte de waard om hen nogmaals bij te schenken.
Ze glimlachte en vertelde dat ze zou worden ontslagen vanwege een reorganisatie. Ze baalde er zo van, dat ze het niet meer had uitgehouden op het werk.
"Dan kunnen we elkaar de hand schudden," zei hij en vertelde haar zijn verhaal.
"We hebben zeker iets gemeen," zei ze. "Laat ik beginnen: tyfuszooi!"
"Opgeblazen zakkenvullers!" antwoordde hij.
"Gore kutstreken!"
"Megalomane zwakzinnigen!"
"Volgevreten varkens met een minderwaardigheidscomplex!"
"Afgeschreven wandelende lijken!"
Ze schoten allebei in de lach. Ruud ving de blik van de waard, die argwanend hun kant uitkeek. Dat maakte hem bijna vrolijk.
"Ik mag jou wel," zei de vrouw. "Jij past wel in mijn netwerkje." Ze haalde een visitekaartje uit haar binnenzak en overhandigde het hem. Hij opende zijn portemonnee en gaf haar het zijne. Misschien werd het toch nog wat met deze dag.
De vrouw, die volgens haar kaartje Tineke heette, boog zich naar hem toe en fluisterde:
"Weet je waar ik nu zomaar ineens zin in heb? Om te neuken. Met jou! Dat is niet mijn gewoonte, hoor, ik ben meestal een oppassend meisje, maar het past gewoon bij deze klotedag."
Ruud deinsde achteruit. Zoiets kon toch niet! Aan de andere kant, het was een rare dag, dit kon er ook nog wel bij. Masha zou hem de deur uitschoppen als ze het wist maar hij hoefde het haar natuurlijk niet te vertellen.
"Waar?" zei hij, eveneens fluisterend.
Ze wenkte met haar hoofd in de richting van de deur die naar de wc's leidde en zei:
"Gewoon in de plee, dat kan zo helemaal niet, daarom wil ik het. Kom op!"
Hij volgde haar naar de deur en voelde de ogen van de waard in zijn rug branden. Die wist natuurlijk wat ze gingen doen. Hij schudde het laatste restje gevoel voor decorum van zich af. Voordat hij de deur van het damestoilet achter zich sloot, keek hij of er niemand in de gang liep. Tineke schopte haar schoenen uit, trok haar broek en slipje uit, leunde tegen de muur en spreidde haar benen.
"Laat je broek zakken," zei ze. "Tot op je enkels. Vulgairder kan het niet, jammer dat het niet gefilmd wordt, want onze moeders geloven het niet als we dit vertellen."
Hij deed wat hem gezegd werd en drong zich in haar. Het ging hem opmerkelijk gemakkelijk af, alsof hij dagelijks vreemde vrouwen neukte in café-plees.
"Lekker wel, ga door," hijgde ze. Hij liet zich meeslepen door haar opwinding en stootte sneller. Het duurde niet lang voor hij klaarkwam. Toen hij uit haar ging, realiseerde hij zich dat het geen moment in hem was opgekomen om een condoom te gebruiken. Die had hij niet bij zich, waarom zou hij? Zelfs in het nachtkastje naast het echtelijke bed lagen ze niet, want Masha gebruikte de pil en binnenkort zou hij zich laten steriliseren omdat hun gezin compleet was met twee kinderen.
"We hebben stom gedaan!" zei hij, terwijl hij zijn broek optrok.
"Dat werd dan eens tijd, " zei Tineke, die zich eveneens aankleedde.
"Ik bedoel, stom, zo zonder condoom."
"Heb jij wat? Heb ik wat? Zien wij eruit alsof we dit dagelijks doen? Kom op, joh, nooit spijt hebben van je daden, dat is mijn motto."
Tineke opende de deur en keek om zich heen of de kust veilig was. Terug aan hun tafeltje dronken ze zwijgend hun glas leeg. Ruud was met zijn gedachten bij zijn naderende ontslag en dat stemde hem somber.
Bij het afrekenen keek de waard hem vernietigend aan.
"U bent hier niet meer welkom en uw vriendin ook niet. U begrijpt wel waarom," siste hij. Ruud gaf hem geen fooi.
Buiten gaf hij Tineke een hand.
"Misschien zie ik je ooit nog weleens," zei hij, maar hij wist dat dat onwaarschijnlijk was.
"Je weet maar nooit," zei ze en terwijl ze met haar rug naar hem toe van hem wegliep, stak ze haar hand op, bij wijze van laatste groet. Hij liep terug naar het parkeerterrein van het kantoor. Voordat hij instapte, verscheurde hij Tineke's visitekaartje en wierp de snippers in de bosjes.

Die avond vertelde hij Masha wat er was gebeurd op kantoor.
"Dan bel je die gek nu op om te zeggen dat je niet meer komt, dat je er genoeg van hebt om je als voetveeg te laten behandelen," zei ze resoluut.
"Waar moeten we dan van leven?" vroeg hij. Zijn vastberadenheid had op weg naar huis behoorlijk aan kracht ingeboet. Misschien kon hij zich schikken in zijn eeuwige rol als afdelingshoofd, had hij gedacht. Hij had tenslotte een gezin te onderhouden, daarvoor moesten offers worden gebracht.
"Heb ik twee linkerhanden," snauwde Masha. "Zie ik er soms uit als een arbeidsongeschikte, of als een verstandelijk minder vermogende? Ze willen me graag fulltime hebben op de zaak. Zal ik morgen meteen even regelen. Jij begint maar voor jezelf, als consultant ofzo, er zijn zoveel bedrijfskundigen die dat doen. Dan werk je vanuit huis, is de kinderopvang ook geen probleem."
Zo werd het geregeld. Maas reageerde lauw toen hij vertelde dat hij ontslag nam met onmiddellijke ingang.
"Je doet maar," zei hij. "Veel succes met je verdere loopbaan."
Nu zat hij dan met de vrucht van van zijn enige onbezonnen daad van de laatste twintig jaar. Zijn dochter. Hij haalde het kind uit het mandje en wiegde het in zijn armen. Ze had zijn ogen, hetzelfde violetblauw. Ze glimlachte naar hem en kraaide.
Ze hoorde bij hem. Masha zou razen en tieren, hem vragen hoe hij het in zijn zotte kop haalde om vreemd te gaan, hem onder de neus wrijven dat ze hadden afgesproken dat ze dat niet zouden doen, niet vanwege zoiets ouderwets als eeuwige trouw, maar om de veiligheid. Ze zou dreigen hem te verlaten, roepen dat hij het zelf maar moest uitzoeken, dat ze zo'n rondneukende lapzwans niet langer zou onderhouden.
Bij dat vooruitzicht werd hij een beetje misselijk. Anne kirde en keek naar hem. Ze leek het naar haar zin te hebben. Zijn kind, net als Sander en Alice. Masha zou zich bij de feiten moeten neerleggen. "Take it or leave it," prevelde hij voor zich uit en hij geloofde zichzelf al half.
"Ik kom zo terug," zei hij tegen het kind en legde haar terug in het mandje. Terwijl hij in de gangkast naar een pak luiers zocht, begon hij te neurieën.

© Petra Oomen

Januari 2001

homepage PetraO.