Weerzien

Twintig jaar later. Het is warmer dan toen en het gaat weer goed
met de economie. De wereld is een vrijere, maar ook een eenzamere plaats
geworden.
De lucht lijkt van een fletser blauw en ook de andere kleuren lijken
vervaagd alsof de aarde te vaak gewassen is.
Ze staat op het perron en slaat de armen om zich heen. Straks komt
de trein. Zojuist is er omgeroepen dat die twintig minuten vertraging heeft.
Steeds veert ze hoopvol op als in de verte gele lichten opdoemen, om haar
oude positie weer in te nemen als de trein niet afbuigt naar haar perron.
Twintig jaar. Zouden ze elkaar nog herkennen? Zelda zal misschien
dikker zijn geworden, groeven in haar gezicht hebben, haar zwarte dos haar
zal veranderd zijn in dunnig grijs.
Maar ze beseft dat ze Zelda altijd en overal zou herkennen, omdat
die zwarte blik geen moment uit haar gedachten is geweest, niet toen ze
er nog was en ook niet nadat ze voor de laatste keer had gezwaaid op de
hoek van de straat.
Ze kijkt op de stationsklok. Tien voor halfdrie, de trein had een
kwartier geleden al moeten komen. Ze stampt op de grond
Zelda's brief kwam onverwacht. Twintig jaar lang had ze niets van
zich laten horen.
"Verwacht niets meer van mij. Ik ga helemaal en voorgoed weg." En
als Zelda iets zei, meende ze het.
De toon van de brief was die van een uit het oog verloren studiegenoot,
die toevallig weer eens in de stad was.
"Hi Rada, Wat denk je van een reünie op 26 februari? Schrijf
me even of het uitkomt, groetjes, Zelda."
Ze had hem in haar tas gestopt en hem die dag diverse malen tevoorschijn
gehaald. Hetzelfde handschrift als op de boodschappenbriefjes en de korte
berichten dat ze later thuis zou komen of - op het einde - helemaal niet.
Dat was om het kind geweest, ook al had ze dat nooit gezegd.
Het waarschuwingssignaal en weer twee gele lichten. Ditmaal stopt
de trein voor haar perron. De ouderwetse draaideuren worden opengemaakt
en de eerste passagiers stappen uit. Allemaal dragen ze zware koffers en
tassen. Nomaden ingesnoerd door werkweken en staatsgrenzen.
Ze tuurt onrustig de verschillende deuren af en steeds als ze zwart,
golvend haar ziet, slaat haar hart een slag over. Steeds echter is het
gezicht onder de bos haar te bleek of de ogen te uitdrukkingsloos.
Net als ze denkt dat Zelda niet zal komen, dat ze zich heeft bedacht
of de afspraak gewoon vergeten is, wordt haar blik naar de tengere, in
het zwart gehulde gestalte getrokken die aan het begin van de trein uitstapt.
Niemand anders kan met zo'n gebogen houding zo'n ongenaakbaarheid uitstralen.
Niemand anders draagt op een reis van drieduizend kilometer alleen een
handtas.
Rada loopt naar haar toe en verliest haar geen moment uit het oog.
Als ze haar op tien meter is genaderd, kijkt Zelda op. Ze glimlacht, loopt
in haar richting. Ze omhelzen elkaar, alsof het pas gisteren was dat ze
elkaar voor het laatst zagen.
"Your place or mine?", grapt Zelda. Rada lacht, en voelt hoe dik
bloed met moeite door haar aderen wordt gestuwd. Het was het eerste dat
Zelda tegen haar zei, in de nacht dat ze elkaar ontmoetten.
"Je bent helemaal niet veranderd", zegt Zelda, terwijl ze haar van
top tot teen bekijkt, nog even schaamteloos als toen.
"Jij ook niet", zegt Rada. Een seconde lang denkt ze aan de waterdruppels
op Zelda's borsten, op haar schouders, op haar schaamhaar als ze net de
douche is uitgestapt.
In de tram zitten ze tegenover elkaar. Af en toe kijken ze elkaar
aan, maar het is nog te vroeg om de vragen die ze in elkaars ogen lezen
te beantwoorden. Ze kijken van elkaar weg, de tram in, naar buiten.
Ze hadden er nooit aan moeten beginnen, maar Zelda wilde het. Daarom
was Rada meegegaan naar de voorlichtingsbijeenkomst van de centrale voor
pleegkinderen. Een donderdagavond; het was warm. De ramen van de kleine
vergaderzaal in het congrescentrum stonden open en de consulente kon zich
met moeite verstaanbaar maken boven het geluid van knetterende brommers
en joelende kinderen uit.
Voor pleegkinderen moesten beide partners kiezen, legde ze uit,
want het was een zware opgave, die veel inzet vergde, wilde het een succes
worden. Het ging om gehavende kinderen, aan allemaal mankeerde wel iets,
allemaal hadden ze een verleden dat een fatsoenlijk mens geen kind toewenste.
Het was een kwestie van veel geven en weinig nemen. Moeilijk was ook dat
het kind kon worden teruggeplaatst bij de ouders als die weer tot opvoeden
in staat werden geacht. De consulente wees er nadrukkelijk op: je mocht
je niet al te zeer hechten aan zo'n kind, je moest het kunnen loslaten
als het zover kwam. Soms was adoptie mogelijk, bijvoorbeeld als het gezin
van herkomst uiteen was gevallen of er om andere reden geen hoop meer was
dat de ouders ooit de zorg weer op zich konden nemen. Het was echter een
verkeerde instelling om van die mogelijkheid uit te gaan.
Rada keek af en toe naar Zelda die ingespannen zat te luisteren.
Zou ze wel beseffen waar ze aan wilde beginnen?
Na afloop liepen ze via een omweg, langs de grachten, naar huis.
"Ik wil het", zei Zelda, "We moeten ons opgeven. Ik wil iemand grootbrengen,
het is het enige zinvolle dat ik ooit met mijn leven zal doen."
Rada kon zich het niet voorstellen, een kind in huis. Maar Zelda
was beslist geweest in haar toon. Ze wist niets tegen haar in te brengen.
Het was Zelda en het kind of geen van beiden.
"We kunnen een afspraak maken met de centrale", zei ze, "Om ons
nader te laten informeren."
Zelda kneep haar in de arm.
"Ik wist wel dat je mee zou werken", zei ze.
Als de tram bij het Museumplein stopt, stappen ze uit. Het is nog
kouder geworden. Er is bijna niemand op straat. De paar mensen die ze tegenkomen,
lopen, haastig, diep weggedoken in hun jas.
Bij de ...... slaan ze rechtsaf de....... in.
"Het lijkt wel of ik hier nooit ben weggeweest", zegt Zelda terwijl
ze de trap oploopt naar de eerste verdieping, "Zelfs de kleuren zijn nog
hetzelfde." Met haar vingertoppen betast ze de verf van de voordeur.
Rada is die morgen bezig geweest om alles op te ruimen. Het huis
ziet er netjes uit.
Zelda zet haar tas neer, loopt naar de boekenkast en leest de titels.
Bij het fotolijstje met de foto van hun tweeën bij Artis, dat nog
altijd op dezelfde plaats staat, staat ze even stil, maar ze zegt niets.
"Je smaak is ook niet veranderd", zegt ze, "Nog altijd die zeurwijven,
met hun frustraties. Moet je toch eens zien: Marilyn French, Rita Mae Brown,
Yvonne Keuls... De jaren zeventig zijn hier nog steeds niet voorbij."
Zelda houdt niet van lezen. Af en toe las ze een stukje uit een
boek dat op Rada's nachtkastje lag en legde het dan gierend van de lach
weer weg. "De vrouw moet haar positie hervinden", las ze dan bijvoorbeeld,
"Haar positie hervinden! Nou, daar heb ik nooit moeite mee gehad, met mijn
positie." En ze liet zich achter overvallen, haar benen gespreid in de
lucht.
Rada schenkt wijn in en zet er een schaaltje cashewnoten naast.
Zelda begint gulzig te eten.
"Heb je ooit nog iets van hem gehoord?", vraagt ze plotseling.
Rada schudt haar hoofd. "Hij lijkt van de aardbodem verdwenen",
zegt ze, "Maar misschien is hij daarna gewoon in een ander deel van het
land geplaatst."
Een maand of twee nadat ze zich hadden aangemeld, kwam Bart. Hij
was acht jaar maar zag eruit als zes. Hij hield de hand van de medewerkster
die hem kwam brengen, stevig vast. Zijn knokkels waren wit. Met grote ogen
keek hij Rada aan toen ze de deur open deed.
Hij ging op de bank zitten en dronk niets van de cola die Zelda
hem voorzette. Zijn handen lagen ineengestrengeld in zijn schoot.
"Zo, Bart", zei Zelda opgewekt, "Hier kom je dus te wonen. Ik zal
je straks je kamer laten zien."
Bart knikte bijna onmerkbaar.
"Vind je het hier leuk, Bart?", vroeg de medewerkster. Hij haalde
zijn schouders op. De gespannen, ernstige uitdrukking op zijn gezicht veranderde
niet.
"Bij problemen kunt u ons altijd bellen", zei de medewerkster vlak
voor ze vertrok.
"We redden het wel", zei Zelda.
Bart volgde Zelda naar de kamer, die ze voor hem hadden ingericht.
Ze hadden zich proberen in te leven in de belangstelling van een achtjarige
jongen. Boven het kleine bureau hing een poster van het Nederlands elftal,
ze hadden een spelcomputer voor hem gekocht en op het boekenplankje stonden
boeken van ..........
Hij keek om zich heen en zette zijn tas op het bed. Zelda zette
de computer aan. Hij staarde onafgebroken naar het bewegende beeld terwijl
zijn armen slap langs zijn lichaam hingen.
"Ga maar een tijdje spelen", moedigde Zelda hem aan. Hij ging op
de stoel zitten en startte het spel, waarbij zoveel mogelijk aanvallers
vanuit de ruimte moesten worden neergeschoten.
"We laten je maar even alleen", zei Zelda, "Dan kan je een beetje
wennen." Hij reageerde niet.
"Ik heb er een hard hoofd in", zei Rada toen ze beneden waren. "De
jongen is op zijn minst autistisch."
"Welnee, hij moet gewoon nog wennen. Met wat hij achter de rug heeft,
is het niet zo verwonderlijk dat dat even duurt."
Tegen zessen ging Rada naar zijn kamer om hem te halen voor het eten.
Hij zat nog steeds achter de spelcomputer, maar speelde niet. Hij keek
naar het beeldscherm, waar rode en blauwe flitsen door elkaar heen schoten.
"Vind je het niet leuk?", vroeg Rada. Hij haalde zijn schouders
op, maar keek haar niet aan.
Aan tafel zei hij niets. Hij prikte wat met zijn vork door de patat
en stopte een stukje in zijn mond. Hij kauwde langdurig en slikte het moeizaam
door, alsof het eigenlijk te groot was voor zijn keel.
"Je moet wel eten", zei Zelda, "Anders word je nooit groot en sterk."
In haar toon klonk ongeduld door. Hij knikte traag en stopte nog een stukje
in zijn mond. Daar bleef het bij.
Na het eten staarde hij naar televisie. Het was niet duidelijk of
er iets tot hem doordrong van wat hij zag, want wat er ook te zien was,
zijn gezicht bleef zonder uitdrukking.
Om negen uur zei Zelda tegen hem dat hij naar bed moest en hij ging
gewillig mee.
"Hij slaapt", zei ze, toen ze weer beneden was, "Hij slaapt op commando.
Ik zei dat hij zich moest uitkleden en hij deed het. Ik zei dat hij moest
gaan slapen en hij deed zijn ogen dicht. En hij sliep, echt waar."
Bart wende niet. Hij deed precies wat hem gezegd werd, hij at brood,
hij ging naar zijn kamer, en ging elke ochtend op tijd naar school. Maar
uit zichzelf deed hij niets. Als ze hem zijn gang lieten gaan, bleef hij
gelaten zitten waar hij zat.
Zelda bleef steeds vaker weg. Ze belde vanaf haar werk dat ze ging
eten met een klant, dat ze plotseling een bespreking had, dat ze naar een
receptie moest waar ze zich echt moest laten zien.
"Ga nou even bij hem kijken", zei Rada, als ze tegen middennacht
thuiskwam. Maar Zelda deed dat niet. Ze zei dat ze de jongen niet wakker
wilde maken, dat iemand in zijn toestand zijn slaap hard nodig had, dat
ze moe was en zich wilde voorbereiden op de zware dag van morgen.
Rada was al die maanden in feite alleen met Bart. Zijn zwijgende
aanwezigheid stoorde haar. Hij zat weliswaar vaak op zijn kamer en ze hoorde
hem nooit, maar zijn ogen leken voortdurend door het huis te dwalen en
alles te registreren wat ze deed.
Af en toe sprak ze erover met Zelda.
"Hij blijft hetzelfde", zei ze dan, "Ik krijg geen contact met hem."
"Je moet geduld hebben", zei Zelda en las verder in een vakmagazine
of een rapport dat ze uit haar tas had gehaald.
Na drie maanden kwam de consulente van de centrale voor pleegkinderen
op bezoek.
"Ik weet niet wat ik met hem moet", bekende Rada. Toegeven dat ze
faalde, luchtte haar op.
"Bart lijkt hier niet op zijn plaats", zei de consulente terwijl
ze het dossier doorkeek, "Soms gebeurt dat, niets om u voor te schamen,
alleen jammer voor alle partijen. Er moeten maatregelen worden genomen."
De volgende dag werd Bart opgehaald. Met dezelfde tas waarmee hij
gekomen was, stapte hij in de auto. Hij keek niet eenmaal om toen die wegreed.
Rada ging direct daarna naar zijn kamer, verwijderde de poster van
het Nederlands elftal, stopte de computer in de doos en zette de strijkplank
terug in de kamer.
Zelda gaat op de bank zitten, haar benen onder zich gevouwen. Ze
drinkt van haar wijn en leest ondertussen een reclamefolder. Alsof ze zojuist
uit bed is gestapt op een vrije zaterdag en maar wat aanlummelt.
"En zijn kamer?", vraag ze, "Heb je die nog gebruikt daarna?"
Rada schudt het hoofd. Een week nadat Bart was vertrokken had ze
de strijkplank weer uit zijn kamer gehaald en de deur dichtgedaan. Dat
was de dag nadat Zelda vertrokken was, de dag dat ze was thuisgekomen en
gezegd had dat het genoeg was zo, dat ze elkaar niets meer te zeggen hadden,
de dag waarop ze op de hoek voor de laatste keer had gezwaaid en de dag
waarna Rada nooit meer iets van haar had vernomen.
"Ik had een hekel aan hem zodra ik hem zag", zegt Zelda. Haar stem
is dieper dan anders. Rada kijkt op, wil horen waarom en wil niet weten
waarom.
"Hij stapte de drempel over en ik besefte dat ik met hem niet in
een huis kon leven", vervolgt ze, "Hij was zo lelijk, met dat muizenhaar,
dat grauwe gezicht. Ik wilde niks met hem te maken hebben, maar ja, ik
kon moeilijk zeggen: pak maar weer in, die hoef ik niet. Ik had immers
alles in gang gezet."
Zelda kijkt Rada onderzoekend aan voordat ze verdergaat.
"Het lag aan jouw weerstand", gaat ze verder, "Jij had me erover
heen moeten helpen, maar jij wilde dat kind niet. Je zeurde maar raak.
Je dreef me de gordijnen in. Mijn huis was mijn thuis niet meer. Daarom
heb ik gebeld dat het niet meer ging. Maar toen hij weg was, besefte ik
dat ik jou nooit zou vergeven dat jij me de kans op een kind had ontnomen.
Ik moest dus wel weggaan."
Ze gooit haar handen op in een gebaar van moedeloosheid, alsof ze
wil zeggen: wat kon ik anders doen.
Rada staart haar sprakeloos aan. Het duurt zeker een minuut voordat
ze zegt:
"Ga! En laat je hier nooit meer zien!"
|