De schaduw van de weduwe

Dat er iets grondig mis was, wist ze zeker toen ze de bos grijs haar op de stoep in de tuin zag liggen. Ze bukte. Aan de wortels zat opgedroogd bloed. Het haar moest met kracht uit het hoofd zijn gerukt, maar al een tijdje geleden.
"Rosa!", riep ze.
Rosa kwam aanlopen.
"Jezus!", zei ze, "Waar komt dat nou vandaan?"
"Ik denk van hiernaast."
"Hoezo? Jij denkt geloof ik echt dat hij gek is, hè?" Rosa hurkte naast haar neer, sloeg een arm om de schouder en zoende haar op de wang.
"Je windt je veel te veel op. Je bent een beetje over je toeren door de verhuizing."
"Maar dit is toch wel echt zorgwekkend", zei Aletta, "Wie doet er nou zoiets?" Ze wees naar de stoep. Rosa pakte de bos op en bekeek hem van alle kanten. Aletta rilde van afschuw.
"Vreemd is het wel", gaf Rosa toe, "Maar misschien is het wel iets verklaarbaars, misschien heeft een vogel het laten vallen, had die het meegenomen voor haar nestje."
"In februari?"
Het hoofd van de buurman verscheen boven de schutting.
"Goedemorgen!", zei Rosa, "Heeft u enig idee wat dit is."
Op zijn gezicht verscheen een vals glimlachje. Hij zweeg.
"Misschien kunt u antwoord geven?", vroeg Rosa ongeduldig. Hij verdween naar binnen.

De vorige dag waren er de eerste tekenen geweest dat er iets niet in orde was rondom het huis.
Aletta leunde tegen het aanrecht en hield een mok koffie in haar handen. Nu ze even stilstond na een hele dag sjouwen, voelde ze al haar spieren. Ze rekte zich voorzichtig uit. Morgen zou ze zich nauwelijks kunnen bewegen.
Het huis was nog groter nu bijna alles op zijn plaats stond. De bank, die in hun vorige woonkamer zo'n obstakel was geweest, leek hier wel gekrompen zoals hij tegen de radiator stond weggedrukt. Er zouden nog wat meubels bij moeten, want zo was de kamer wel erg leeg.
Rosa was bezig een doos uit te pakken. Ze nam er steeds een glas uit, wreef dat vervolgens secuur glanzend en zette het dan in de kast.
"Wil je ook koffie?", vroeg Aletta.
"Straks, eerst even dit," antwoordde Rosa zonder op te kijken.
In de tuin zat een kraai in de oude boom. Hij kraste, misschien naar een andere kraai die wel ergens in de buurt zou zitten. De boom moest zeker enkele tientallen jaren oud zijn. De grote takken bedekten bijna de hele breedte van de tuin. In de zomer zou hij veel zon wegnemen. Toch moest ze er niet aan denken dat ze er een zaag in zou zetten. Dat zou voelen als moord.
Ze liep de tuin in, die zo'n dertig meter diep was. Bij het hek stond een oude tafel met twee banken, zoals je die in bossen wel zag. Daar zou ze kunnen werken als het mooi weer was. Ze verheugde zich erop om daar te zitten met haar laptop.
De kraai vloog krassend weg toen ze onder de boom door liep. Het klonk alsof hij haar verweet dat ze op zijn terrein was gekomen.
Ze draaide een shaggie, stak hem op en inhaleerde diep. Dat ontspande haar. De schutting tussen hun tuin en die van de buurman was niet hoger dan een meter zestig. Die zou vervangen moeten worden, want ze wilde niet steeds de buurman in het gezicht kijken. Ze streelde even langs het hout. Dat voelde papperig aan. Het zou waarschijnlijk niet veel moeite kosten hem ervan te overtuigen dat er een nieuwe moest komen.
Haar blik viel op de keukendeur van de buurman. Achter het glas zag ze iets bewegen, even maar, toen was het weer weg. Ze keek nog eens goed. Niets te zien. Toch voelde ze zich begluurd.
Ze ging weer naar binnen en ging naast Rosa op de bank zitten en legde een arm om haar heen. Rosa vlijde zich tegen haar schouder.
"Eindelijk die puinhoop hier weg", verzuchtte ze.
"We zitten hier in ieder geval een stuk beter. Het is de moeite waard", vond Aletta. Ze streelde door Rosa's haar.
Van boven klonk er een klap alsof er iets viel. Gelijktijdig keken ze naar het plafond.
"Was dat hier?", vroeg Rosa.
Aletta haalde haar schouders op.
"Misschien was het bij de buren", zei ze, "Ik weet niet hoe gehorig deze huizen zijn."
Maar ze stond toch op en ging naar boven.
Op de eerste etage stonden dozen die nog moesten worden uitgepakt. Daar zouden ze vandaag niet meer aan toe komen. Het vooruitzicht nog dagenlang bezig te moeten zijn met het inrichten van het huis bedrukte haar. Een huis was om in te wonen, niet om er almaar mee bezig te zijn.
Ze beklom de trap naar zolder. Ook daar stonden wat dozen. Die konden wel wachten. Er was op geen van beide verdiepingen iets te zien dat het vreemde geluid kon verklaren. Het moest bij de buren geweest zijn, besliste ze.

Die avond gingen ze al om tien uur naar bed. Rosa sliep meteen in. Aletta lag op haar rug en luisterde naar de geluiden op straat: voorbijrijdende auto's, dichtslaande portieren, stemmen en voetstappen. Het leek allemaal zoveel dichterbij dan in de flat waar ze op de tiende etage hadden gewoond, ver van de straat.
Het huis zuchtte en kraakte alsof het een schip was dat zich moeizaam door de golven heenploegde.
Plotseling hoorde ze aan de kant van hun hoofdeinde iemand tegen de muur bonzen. In de verte hoorde ze geschreeuw maar ze kon niet verstaan wat hij zei.
Ze voelde iets in haar borststreek klemmen terwijl ze het geluid probeerde te volgen. Het ebde weg. Als dit zich elke nacht zou herhalen, kwam er niet veel van de rust die het oude pand hen beloofde. Het zat haar dwars. Pas tegen de ochtend viel ze in slaap.

De volgende dag besteedden ze aan het inrichten van de eerste verdieping. Zwijgend gingen ze hun eigen gang.
Tegen de middag liep Aletta de tuin in. Ondanks de kou was de frisse lucht aangenaam. In het wolkendek dat al dagen over de stad lag, braken wat stukjes blauwe lucht door. Waarschijnlijk zou het gaan vriezen.
Ze ging naar de schutting. De nieuwe zou minstens twee meter hoog moeten zijn en van massief hout, zodat hij niet te snel zou gaan rotten of omwaaien. Morgen zou ze bij de buurman langsgaan om het te bespreken. Dan kon ze meteen zien wat voor iemand hij was.
Ze wendde haar blik naar het punt waar de schutting aan de muur was bevestigd en keek recht in de ogen van de buurman. Misschien stond hij daar al wel een hele tijd zonder dat zij hem had opgemerkt. Hij had een mager, gelig gezicht. Zijn grijze haar was kort geknipt. In zijn ogen was pure haat te lezen.
"Dag", zei ze. Hij zei niets, maar bleef haar een ogenblik lang vol verachting aanstaren. Daarna verdween hij naar binnen.
Een gevoel van onbehagen bekroop haar. Ze ging na of er iets onvriendelijks was geweest in haar toon, maar er was niets dat hem zou kunnen hebben afgeschrikt. Hij moest gek zijn. Dat zoiets nou uitgerekend naast hen moest wonen. Ze kreeg de pest in: daar zaten ze dan met hun dure grachtenpand in het centrum van de stad.
Ze ging naar binnen, waar Rosa bezig was met het ophangen van een schilderij.
"Hou eens even vast", zei ze.
Aletta ondersteunde de onderkant van de lijst terwijl Rosa hem voorzichtig heen en weer bewoog.
"Is het zo recht?", vroeg Rosa.
"Dat moet je mij niet vragen, want ik zie dat soort dingen nooit."
"Doe niet zo snibbig. Ik vraag je gewoon wat."
"De buurman is mesjogge."
"Hoezo?", vroeg Rosa weinig geïnteresseerd. Ze bleef het frame langs de muur schuiven.
Aletta vertelde haar over zijn gedrag in de tuin.
"Misschien is hij gewoon een beetje dement", zei Rosa, "Hij is al oud tenslotte. Je moet niet overal wat achter zoeken."
"Nog erger", zei Aletta. Ze kreeg visioenen van het buurhuis dat in de fik stond en de buurman die op straat liep met zijn broek op zijn enkels.
"Je moet eens wat toleranter zijn. Kan die man er wat aan doen. Zo, nu is hij recht. Laat maar los."
Aletta ging zitten en keek de krant door. De parlementaire commissie die de Bijlmerramp onderzocht kwam geen steek verder. Ze gooide de krant naast zich neer op de bank. Het kon haar allemaal weinig schelen. Buiten de voordeur hield de wereld op, tenminste, zo zou het moeten zijn. Als die idioot van een buurman er maar niet was.
Er werd aangebeld.
"Daar zul je het hebben. De eerste invasie van de tientallen die er zullen volgen de komende tijd", zuchtte Aletta vermoeid.
"Doe niet zo a-sociaal. Je zou het ook niks vinden als mensen niet kwamen kijken naar ons nieuwe huis.", zei Rosa, die het volgende schilderij had uitgepakt en de lijst glanzend wreef.

Op de stoep stond een vrouw van een jaar of vijfenzestig met een grote bos bloemen. Ze had grijs, gepermanent haar en op haar blauwe winterjas droeg ze een speld, die een soort onderscheiding leek.
"Welkom in deze buurt", zei ze en overhandigde Aletta de bloemen.
"Dank u", sprak Aletta verrast. Dit was toch wel erg vriendelijk "Ik zou u wel binnen willen laten, maar het is nog een puinhoop bij ons."
"Oh, dat begrijp ik wel. Dat komt nog wel een keer."
De vrouw deed een stap naar voren nadat ze eerst naar de voordeur van de buurman had gekeken.
"Let u een beetje op Theunissen?" Ze wees met haar hoofd in de richting van de deur "Hij heeft het erg moeilijk met het vertrek van de weduwe."
"De weduwe?"
"Mevrouw Bruinzelaar, die hier voor u woonde."
Aletta en Rosa hadden mevrouw Bruinzelaar nooit gezien. Toen zij de koop sloten met haar zoon, was ze al enige tijd opgenomen in het verpleeghuis. De zoon was een norse vijftiger.
"Ik hoop dat u hier een beetje kunt aarden", had hij gezegd toen het duidelijk was dat zij het huis zouden nemen. "Het is hier namelijk een conservatieve buurt en alternatieve samenlevingsvormen kunnen het hier moeilijk hebben." Hij had veelbetekenend van Rosa naar Aletta gekeken.
"Hij was erg gehecht aan de weduwe, moet u weten." vervolgde de vrouw op fluistertoon, "Zij was de enige die nog contact met hem had na de dood van zijn vrouw."
Ze pauzeerde en keek Aletta doordringend aan.
"Mevrouw Bruinzelaar is altijd weduwe geweest", zei ze, "Niemand heeft haar man gekend, want die is jong gestorven. Ze is er nooit overheen gekomen. Al die tientallen jaren heeft ze in het zwart gelopen. Theunissen leek haar leven een beetje op te fleuren. De eerste man voor wie ze weer kon zorgen."
"Is hij altijd zo nors?", vroeg Aletta, "Hij groette mij niet toen ik hem in de tuin zag."
"Dat gaat wel over. Nu er twee dames naast hem wonen, moet het wel goed komen." De vrouw knipoogde schalks.
"Als u het niet erg vindt, ga ik weer verder."
"Nee, natuurlijk niet. Ik zal u niet verder ophouden." Ze knikte bij wijze van groet, draaide zich om en liep het tuinpad af. Ze liep fier rechtop met haar hoofd iets naar achteren gebogen, alsof ze zojuist een moeilijke missie met succes had volbracht.
Binnen zette Aletta de chrysanten in een vaas en zette die op de salontafel. Het geel stak fel af bij het zwart van het tafelblad.

's Nachts kon ze weer de slaap niet vatten. Het was alsof ze in een vreemd huis logeerde waar ze op haar hoede moest zijn. Het was al over drieën, zag ze op de wekker. Op straat was het stil. Naast haar lag Rosa licht te snurken.
Ze dacht terug aan de geborgenheid van hun flat. Daar kon ze wegkruipen, daar sloten de muren beschermend om haar heen. De vrouw met de bos bloemen beviel haar net zomin als de buurman. Die zou vast nog wel eens aan de deur staan.
In de kamer achter hun hoofdeinde hoorde ze iemand lopen. Het leek of er met geweld meubels opzij werden gegooid. Er bonkte weer iemand tegen de muur. "Godzalmeliefhebben", fluisterde Aletta tot zichzelf.
Rosa draaide zich om in haar slaap. Aletta ging het bed uit en dronk een glas melk in de keuken. Ze keek de donkere tuin in. De hemel werd verlicht door de maan. Boven de schutting verscheen een hoofd. Ze schrok al begreep ze onmiddellijk dat het Theunissen moest zijn. Hij zwaaide met zijn vuist.
"Verdomde teringhoeren!", schreeuwde hij. Ze ging weg bij het raam. Woede en angst beletten haar zuiver te denken.
Eenmaal binnen besefte ze dat hij haar gehoord moest hebben toen ze opstond en haar naar beneden gevolgd had. Hij hield hen in de gaten, hij volgde alles wat ze deden.
Ze ging terug naar bed. Rosa sliep nog steeds. Ze aarzelde. Het leek overdreven om haar wakker te maken. Ze konden nu niets doen. Het gestommel achter de muur begon weer, maar er werd niet geschreeuwd.

Nadat Theunissen was verdwenen, gingen ze ook naar binnen nadat Rosa de pluk haar in de klikobak had gegooid.
"Merkwaardig", zei Rosa, "Hij was vannacht ook al bezig, zei je?"
"De hele dag eigenlijk al. Het lijkt wel of hij niet wil dat wij hier zijn."
"Hij moet ons niet, dat is wel duidelijk", zei Rosa, "Maar ik wil weten wat het te betekenen heeft. Kom, we gaan naar hem toe."
Ze stond op. Aletta volgde haar. Ze zag tegen het bezoek op, maar afwachten wat er verder zou gebeuren leek erger.
Het duurde lang voordat Theunissen opendeed. Zijn grijns had plaatsgemaakt voor een schaapachtig lachje alsof hij een kleine jongen was die op iets ondeugends werd betrapt.
"We komen even kennismaken", zei Rosa.
"Komt u binnen", zei hij met zachte stem.
Ze volgden hem naar zijn woonkamer, die vol met grote fauteuils, een dressoir, een wandkast en andere pompeuze meubelstukken stond. Overal waren lijsten met foto's van dezelfde oude vrouw, zelfs op de eikenhouten salontafel. Aan de muur hing een foto op posterformaat.
"Uw vrouw?", vroeg Aletta, terwijl ze op de poster wees. Ze kreeg het bijna met hem te doen.
Hij schudde het hoofd.
"De weduwe", zei hij. Hij opende een lade van het dressoir en haalde er een papieren zakdoek uit die in elkaar was gefrommeld. Hij opende de prop.
"Kijk", zei hij. Aletta en Rosa deinsden terug. In de prop lag een pluk haar, ook met bloed aan de wortels.
"De weduwe", fluisterde hij, "Ik heb haar kaalgeplukt. Ze wilde mij verlaten!"
Rosa staarde met afgrijzen naar de prop. Aletta liet haar blik langs de foto's glijden. Vanuit alle hoeken van de kamer glimlachte de weduwe haar toe. Op het eerste gezicht was ze een onopvallende vrouw, maar bij nadere beschouwing was haar koortsachtige blik, alsof ze leed aan een verdriet dat zich diep in haar innerlijk afspeelde, indringend.
"De weduwe is van mij", ging hij verder, "Ze had niet mogen gaan. Ze kon zogenaamd niet meer voor zichzelf zorgen. Het is haar duur komen te staan."
Hij zwaaide met de prop.
"Maar niet duur genoeg! Als een dief in de nacht is ze toch vertrokken."
Hij wees priemend in de richting van Aletta en Rosa.
"En jullie verhinderen haar terug te keren", sprak hij verbeten, "Jullie moeten weg uit haar huis."
"Het huis is van ons, wij hebben het gekocht", zei Aletta. Ze probeerde kalm te blijven, maar haar knieeën trilden.
"Van de zoon van de weduwe hebben jullie het gekocht." Hij lachte luid. "Onze zoon was hij. Niemand wist dat. Hij mocht het huis niet verkopen. Daar zou ze nooit toestemming voor hebben gegeven. Want ze zal terugkeren. Iedere dag schrijf ik haar. Kijk!"
Hij greep in de lade, haalde er een stapel kopieën uit en gooide die in de lucht. Het papier dwarrelde op de grond.
"Elke dag", herhaalde hij, "Daarom moeten jullie zo snel mogelijk weg."
Aletta en Rosa verlieten zijn huis. Buiten hoorden ze nog zijn spookachtige schaterlach.

© Petra Oomen

april 2000

homepage PetraO.