DE VAL



Carol vervloekte zichzelf dat ze zich door de taxi had laten afzetten in Chilsworthy om het laatste stukje te kunnen lopen. Het haar gepaster geleken dat ze het huis van haar tante langzaam zou naderen. Het was tenslotte de eerste keer dat ze haar zou zien en er hing een waas van geheimzinnigheid om haar heen. Haar vader had haar vragen over zijn zuster altijd afgemeten beantwoord. Het was duidelijk dat het onderwerp verboden terrein was. De anderhalve kilometer naar de farm leken er wel tien en haar voeten knelden onbehagelijk in haar nieuwe, Italiaanse schoenen.
Toen ze een weiland door moest en wegzakte in modder, kreeg ze de neiging om rechtsomkeer te maken, terug naar Utrecht, waar tenminste fatsoenlijke trottoirs waren. Daar was echter geen denken aan: de reis had haar teveel moeite gekost. Hoewel de afstand tussen Utrecht en Chilsworthy hemelsbreed niet zo groot was, was ze al bijna de hele dag onderweg. Het wachten op vliegvelden en stations gaven haar het gevoel dat ze een wereldreis aan het maken was. Ze hield niet van reizen. Ze meed het zoveel mogelijk, maar aan de uitnodiging van Valerie had ze wel gehoor moeten geven.
Eindelijk zag ze het grote huis in de verte liggen. Ze herkende het van de foto, die Valerie met haar brief had meegestuurd. Een statige boerenhoeve, die trots op een heuvel stond, en was omringd door vele hectares weiland en akkerland. De steeds dreigende verzwikking van haar enkels door al die kuilen in het gras was beter te verdragen, nu het einde van haar marteltocht in zicht was.
Vlak achter het klaphek naar de tuin stond Valerie al te wachten. Ze zag er ouder uit dan haar vijfenvijftig jaar. Haar gezicht was gerimpeld en omlijst door halflang, grijzend haar. Haar ogen stonden dof. Haar rug was ietwat gebogen als door een levenslange last, die eigenlijk altijd te zwaar was geweest. Ze wekte de indruk in een andere tijd te leven. Carol kreeg het gevoel dat het verleden op onverklaarbare wijze in het heden was gedrongen en haar even een blik gunde op wat geweest was. Er ging een dreiging van dat gevoel uit, als het verleden in staat zou zijn haar de regie over haar eigen leven te ontnemen. "Ik zag je al aankomen", verklaarde Valerie haar aanwezigheid. De flauwe glimlach maskeerde de droefheid, die in haar gezicht gebeiteld leek, nauwelijks. Carol overwoog even of ze haar zou omhelzen, maar ze was bang dat Valerie dan zou oplossen, dat ze het produkt van een hallucinatie zou blijken te zijn, dat zou verdwijnen als ze haar zou aanraken. Toen Valerie haar naar de picknicktafel in de tuin geleid had, verdween ze het huis in.
Er was geen teken van leven te bekennen. De tuin leek eerder op zijn plaats achter een grachtenpand, een oase van rust midden in drukte, dan hier achter de boerderij. Hij was geheel omsloten door bomen, die het geluid van de buitenwereld leken tegen te houden. Het gazon was met uiterste precisie gemaaid en de coniferen waren in keurige vormen gesnoeid. Er was alleen het geluid van vogels.
Valerie droeg een dienblad met een pot thee en twee kopjes naar de tafel. Ze nam plaats tegenover Carol en schonk de kopjes vol. Carol dronk gretig van de thee. Sinds ze in Exeter uit de trein was gestapt, had ze niets meer gedronken, maar pas nu merkte ze dat ze dorst had. "Fijn dat je gekomen bent," zei Valerie. Haar stem klonk dof en hol, alsof het geluid van heel ver moest komen en de plaats van bestemming maar ternauwernood wist te bereiken. Carol knikte. Ze dacht aan die ene zin in de uitnodigingsbrief die Valerie haar zo'n maand geleden gestuurd had: "Het is tijd dat ik je iets vertel dat je nu toch moet weten, voordat je het van iemand anders hoort." Het was te vroeg om daarop in te gaan. Na de thee wees Valerie haar haar kamer. Die was groot, had ramen in beide hoekmuren en bood een weids uitzicht over de velden en de verderop gelegen boerderijen. Aan de Oostelijke muur hingen portretten van een man en een vrouw. De foto's waren oud; waarschijnlijk waren ze aan het einde van de negentiende eeuw genomen. Ze keken beiden ernstig en bezorgd de kamer in, ernstiger dan bij hun jeugd paste. Het leek alsof ze haar wilde waarschuwen voor een gevaar dat ze wel kon voelen, maar niet onder woorden kon brengen. Het waren de grootouders van haar vader en tante Valerie. Die hadden voor hen gezorgd nadat hun moeder in het kraambed was overleden, samen met haar derde kind. De vaders van haar kinderen waren onbekend en dat had haar tot een object van spot en minachting gemaakt in het dorp. Haar vader had meermalen verteld hoe hij en Valerie voor hoerenjong werden uitgescholden, toen ze nog klein waren. Hij sprak het scheldwoord moeizaam uit, alsof het hem nog altijd pijn deed.
Ze ging op bed liggen, vouwde de handen onder het hoofd en liet haar ogen door de kamer glijden. Op een salontafeltje lag een geborduurd kleedje van het soort dat meisjes vroeger gedwongen werden te maken op school. Voor de haard stond een haardscherm, dat was versierd met tropische vogels. De zware eikenhouten tafel werd geflankeerd door twee stoelen. De kamer wekte de indruk van iemand te zijn, die even de deur uit was en zo weer terug zou komen.

Toen er op de deur werd geklopt schrok ze wakker uit een droom waarin ze door grote gebouwen rende, op zoek naar haar eigen kamer, die af en toe verscheen in de verte, maar verdween zodra ze er dichterbij kwam. Even wist ze niet meer waar ze was. De stem van Valerie, die zei dat het eten klaar was, bracht haar weer terug in de werkelijkheid.
In de eetkamer was er gedekt voor twee; Nick, haar oom, zou er dus niet zijn. Op het dressoir stond een foto van John, een jaar of tien oud op dat moment. Hij glimlachte gemaakt, zoals je alleen tegen een fotograaf glimlacht. Zijn wangen bolden rood op. Ze stelde zich de kamer voor zoals die geweest moest zijn toen hij hier opgebaard lag, waarschijnlijk niet zo heel lang nadat de foto genomen was. Het meubilair verwijderd of aan de kant gezet, de kist in het midden, misschien een stoel aan het hoofdeinde. John in zijn kerkkleding, een donker pak met wit overhemd en das, de geel-grauwe bleekheid op zijn gezicht gemaskeerd door vakkundig opgebrachte make-up, de handen voor eeuwig doelloos gevouwen op zijn buik.
Valerie keek haar glimlachend aan. De ogen veranderden niet van uitdrukking; het was alsof ze niet zagen wat er in de eetkamer gebeurde, maar in die andere wereld, die zich onzichtbaar, maar niettemin heel voelbaar, opdrong aan het huis, verbleven. Carol maakte een compliment over de kippensoep, die inderdaad heel goed smaakte.
"Je lijkt zo op hem", zei Valerie met haar holle stem. Carol wist dat ze sprekend op haar vader leek. Iedereen had dat haar hele leven lang tegen haar gezegd.

De pub was schaars verlicht. In het duister was een aantal mensen dat zat te eten te onderscheiden. Carol nam plaats aan de bar. De barvrouw, een knokige vrouw van een jaar of zestig, was te druk in de weer met allerlei borden om haar op te merken. Twee stoelen van haar vandaan zaten een man en een vrouw. Zij was heel klein en mager en zat ineengedoken als een vogeltje, dat schuilt voor een hevige regenbui. Ze dronk gulzig van haar bier. Hij droeg een grijs zomerkostuum, dat hem iets te krap zat. Met zijn beide bevende handen bracht hij zijn glas voorzichtig naar zijn mond.
Eindelijk kreeg ze de kans iets te bestellen. De barvrouw zette de pint Bitter zonder iets te zeggen voor haar neer. Ze voelde zich onwelkom. Uit haar ooghoeken kon ze zien dat het echtpaar haar zat op te nemen. Toen ze hun richting uitkeek, zei de vrouw "Mooi weer, hè?" Carol knikte en pijnigde haar hersenen met het zoeken naar een zin over het weer. "Waar kom je vandaan?" "Uit Nederland". "Nederland, dat moet mooi zijn, met die tulpen". Ze was er allang mee opgehouden om buitenlanders uit te leggen dat het grote moeite zou kosten om in Nederland een tulpenveld te vinden. "En Amsterdam… Mijn dochter is er geweest. Het was er heel leuk, van alles gezien, en ze had niks van al die drugs gemerkt." "Ik geniet erg van de rust hier. Ik ben blij dat ik even uit de drukte weg ben". "Waar logeer je?". "Bij Valerie Bounty, dat is mijn tante". De vrouw keek haar geschrokken aan. Ze fluisterde wat tegen haar man, die Carol vervolgens bekeek alsof ze een monster was, dat even rustig was, maar elk moment zijn vraatzucht met alles wat leefde kon gaan stillen. Even later waren ze druk in gesprek en negeerden ze Carol. Ze probeerde van haar Bitter te genieten, maar haar gevoel van onbehagen nam toe. Al deed ze nog zo haar best het echtpaar niet te zien, haar ogen werden steeds naar die muur van afwijzing toegetrokken.
Er kwam een oude man binnen. Hij leunde zwaar op zijn stok en droeg een zonnehoed, hoewel het al donker was. Hij knikte haar vriendelijk toe, toen hij naast haar aan de bar stond en even voelde ze zich minder vervreemd. Zonder hem iets te vragen of op een bestelling te wachten, zette de barvrouw een glas met een rood vocht voor hem neer. Staande dronk hij het in één teug uit. "Toerist?", vroeg hij haar. Ze schudde haar hoofd. "Familiebezoek". Hij bekeek haar aandachtig. "Van de Bounty's?". "Hoe weet u dat?" "U lijkt op hem, op Jack". "Ja, ik weet het, hij was mijn vader." "Was?" "Een jaar geleden is hij overleden" "Het spijt me dat te horen, in de grond was Jack een goede jongen". De man leek te verzinken in zijn herinneringen. Carol durfde hem niet te vragen wat er dan wel aan haar vader had gemankeerd en wachtte tot hij verder ging: "Het kwam door Valerie, dat hij weg is gegaan. Ze vroeg teveel van hem". Hij tikte drie keer met zijn wandelstok op de vloer en wees de barvrouw, die onmiddellijk reageerde, naar hun glazen. Ze werden in een ommezien gevuld. "U weet er toch van? U kijkt zo verbaasd?" Ze schudde haar hoofd. "Dan had ik er niet over moeten beginnen…Ik nam aan dat.. Iedereen hier weet het, dus ik dacht…Maar u woont natuurlijk in het buitenland, dat had ik moeten bedenken." "Vertelt u het nu toch maar, u heeft me nieuwsgierig gemaakt." "Jack en Valerie", zuchtte hij, "Valerie en Jack. Ze waren onafscheidelijk sinds ze jong waren en helemaal toen hun moeder in het kraambed bleef. Eerst leek het normaal, broer en zus die goed met elkaar kunnen opschieten. Maar later, toen ze vijftien, zestien waren, ging het opvallen dat ze nooit omgingen met andere jongeren. Alleen met elkaar. De geruchtenstroom kwam op gang. Logisch natuurlijk. Hun moeder had al geen beste reputatie in zedelijk opzicht en er werd algemeen aangenomen dat verdorvenheid erfelijk was. Ze moeten er ongetwijfeld van gehoord hebben, maar ze trokken zich er niets van aan. Ze bleven samen, zaten vaak te lezen bij de kerk, liepen door de velden. Toen kwam Monica, uw moeder, naar het dorp. Ze was oogverblindend. Lang, slank, elegant, charmant. Alle jongens in het dorp zaten achter haar aan en veel meisjes ook, al lieten die het minder merken. Behalve Valerie dan. Die trok zich nergens wat van aan. Die zat Monica openlijk aan te staren in opperste vervoering en raakte haar aan als ze even de kans kreeg. Ze volgde haar overal. Jack nam ze mee. Dat was een vergissing, want Monica had haar zinnen op Jack gezet. Dat was duidelijk te merken. Monica luisterde naar niemand, behalve naar Jack. Als hij haar op zijn aarzelende, onwennige manier wat vertelde, was ze één en al aandacht. Uiteindelijk veroverde ze hem. Jack leek een willoos dier in haar handen, terwijl hij verscheurd moet zijn van twijfel, want nu Valerie doorhad, dat ze Monica niet kon krijgen, wilde ze Jack behouden. Ze volgde het tweetal overal, verloor ze geen moment uit het oog. Monica heeft hem uiteindelijk geschaakt.. Midden in de nacht heeft ze een taxi laten komen, Jack het huis uitgelokt en hem meegenomen naar Nederland." De man nam een slok van zijn drankje en keerde weer terug naar zijn herinneringen. Carol dacht aan haar vader, zoals hij vaak in zijn atelier had gestaan. In zichzelf gekeerd en geconcentreerd op het werk, dat hij onder handen had. Hij had geen succes gehad en zijn hele leven geleefd van de bijstand en kunstenaarsregelingen, maar zijn passie voor het schilderen was hij nooit kwijtgeraakt. Daarbuiten was niets belangrijk. "Jack is één keer terug geweest", ging de oude man verder, "Vlak na het vertrek van Monica. En daarna, een maand of negen later, werd John geboren." Hij keek haar veelbetekenend aan. Carol wendde zich van hem af. Niet lang daarna verliet ze de pub.

Toen ze in het huis terugkwam, ging ze direct door naar haar kamer. Ze wilde Valerie niet zien, nu het op het puntje van haar tong lag om een bevestiging te vragen van het verhaal van de man. De uitdrukking van de mensen op de foto's aan de muur leek veranderd, alsof ze wilden zeggen "Nu weet je wat hier heeft plaatsgegrepen."
Ze kleedde zich uit, maar legde haar kleren op het voeteneind, zodat ze bij onraad, dat ze vaag verwachtte, snel zou kunnen vluchten. Ze probeerde te lezen, maar de inhoud van het boek, een detective van P.D. James, drong niet tot haar door. Van buiten hoorde ze het ritselen van bladeren. Er was die avond een zachte zeebries opgestoken.
Het was een uur later, ze moest toch zijn ingedommeld, toen ze gekraak op de overloop hoorde. Het klonk ingehouden, alsof iemand probeerde extra zachtjes te doen. Ze hield haar adem in om de richting van de voetstappen te kunnen bepalen. Ze kwamen dichterbij. Plotseling was het stil. De persoon die over de gang liep stond ergens, misschien voor haar deur. Ze overwoog om haar kamerdeur open te doen om te kijken wie het was, maar dat durfde ze niet, al had ze niet onder woorden kunnen brengen wat ze verwachtte te gaan zien. Na wat een eeuwigheid leek te duren, werd er op de deur geklopt. "Ja", zei ze zacht. Ze was bang dat er een geest zou verschijnen, misschien wel één van die twee aan die muur, die voor de gelegenheid tot leven was gekomen, maar het was Valerie die binnenkwam. Ze droeg een dienblad met een glas melk erop. "Ik zag nog licht en ik dacht, je bent nog wakker", zei ze, "Je hebt hier vast wel trek in." Carol nam het glas aan en zette het, zonder er van te drinken, op het nachtkastje. "Heb je een leuke avond gehad?" Ze overwoog om te vertellen wat ze gehoord had van de oude man, maar ze antwoordde alleen "Ja, het was gezellig. De mensen hier zijn erg hartelijk" Zo in haar witte nachtjapon zag Valerie er geruststellend uit, als een echte tante, die blij is dat haar nicht haar saaie leven een beetje komt opfleuren. "Ik heb een idee", zei ze, "Het wordt morgen goed weer. Zullen we een wandeling gaan maken?". "Dat lijkt me heel leuk", antwoordde Carol. "Goed, we vertrekken om negen uur." Valerie nam het dienblad en verliet de kamer.

Het was maar goed, dat ze de volgende morgen vroeg vertrokken, want Valerie had een flinke route uitgezet. Ze zouden naar de kust lopen en weer terug, bij elkaar toch zeker een kilometer of dertig. Het eerste deel van de wandeling spraken ze niet. De wegen, waar ze over moesten lopen, waren smal en de automobilisten hielden daar geen rekening mee. Ze reden minstens 100. Ze moesten regelmatig de berm invluchten om een fatale botsing te vermijden.
Pas toen ze op een voetpad kwamen, konden ze naast elkaar lopen. Valerie staarde in gedachten naar de grond. Bij een houten schuur, die langs het pad stond, hield ze even stil. Ze keek Carol aan en fluisterde: "Hier speelde John vaak". Het dak van de schuur was zwaar beschadigd en het gras eromheen stond hoog. Achter de schuur lag een stuk grond dat er even verwilderd en verlaten uitzag.
"Kom jij weleens in de pub?", vroeg Carol om de stilte te verbreken. Valerie schudde het hoofd. "Allang niet meer, niet meer sinds…" Ze keek Carol vorsend aan, alsof ze wilde bepalen of ze in staat zou zijn om te verwerken wat ze haar ging vertellen. "Niet meer sinds Jack en Monica zijn vertrokken. Daarna werd alles anders. Ik trouwde met Nick, ik had het druk met de boerderij en het huishouden. En de meeste mensen in het dorp negeerden me trouwens, dus ik had niks in die pub te zoeken." "Waarom was dat?". Valerie zuchtte. "Ach, het is hier een kleine gemeenschap, die aan elkaar hangt van de conventies. Er gingen allerlei praatjes over Jack en mij. Smerige praat, dat we geliefden zouden zijn. Dat was natuurlijk niet zo". Ze vervolgde op zachte, bijna onverstaanbare toon, "Toen niet, tenminste" Op gewone geluidssterkte ging ze verder: "Ik hield wel veel van Jack. Hij was een jaar jonger dan ik en zwakker. Hij was niet opgewassen tegen de rechtoe-rechtaan manier waarop de mensen hier met elkaar omgaan. Je hebt ze toch gezien in de pub? Simpele zielen zijn het, die nooit verder komen dan zich halfdood werken voor een schamel inkomen, hard voor zichzelf en hard voor anderen. Nick is precies zo. Jack was anders. Hij las graag, romans, poëzie en daar praatten we dan over. Hij tekende al van jongs af aan. Ik bewonderde hem. Het is jammer dat hij niet erkend is, maar misschien komt dat nog nu hij dood is". Ze lachte kort en bitter. " We hadden eigenlijk alleen elkaar, voelden ons vreemden in ons eigen dorp. Jack werd uitgelachen als hij met een dichtbundel werd gezien. Ik ook wel, maar mij raakte het niet. Hij praatte vaak over weggaan, naar Parijs, om te schilderen. Maar dat was een droom, die hij niet in vervulling kon laten gaan. Hij had geen geld. Wat had hij moeten beginnen in Parijs? Zo leefden wij voort, dromend, lezend, wachtend op iets, dat ons leven een andere wending zou geven. En dat iets gebeurde toen Monica kwam.
Ik kan me die dag dat ze in het dorp verscheen nog zo goed herinneren. Met sommige gebeurtenissen in je leven heb je dat. De meeste vervagen tot een samengebalde tijd, die niet meer te ontrafelen is, maar de komst van Monica zie ik voor me alsof het op dit moment gebeurt.
Het was zomer. Jack en ik zaten elke avond na het werk op de bank bij de kerk. Daar was het koel onder die bomen. We lazen altijd elkaar gedichten voor, zo ook nu. Ik weet nog wat we lazen op dat moment "I am the only being whose doom.." van Emily Bronte. We konden ons zo vinden in die eerste regels: "I am the only being whose doom, no tongue would ask no eye would mourn".
Het zal zo half negen geweest zijn, toen er een taxi stopte. Het was een zeldzaamheid dat iemand ons dorp kwam bezoeken. In die tijd was er nog weinig toerisme. Er stapte een vrouw van onze leeftijd, omstreeks de twintig, uit. Ze was zo mooi! Niet op de klassieke manier. Ik denk niet dat ze mannequin of fotomodel had kunnen worden. Het mooie zat in haar zelfverzekerdheid, waarmee ze de wereld instapte, het open, nieuwsgierige gezicht, de fonkelende blauwe ogen. Ze glimlachte niet, wat ongewoon was voor een vrouw in die tijd, die vooral geacht werd lief en snoezig te zijn. Monica beende de straat door of die van haar was. Ze was net een leeuwin die na een goed maal op haar gemak de savanne doorsjokt. Wij waren de enigen op het plein en ze kwam op ons af. "Weten jullie hier een hotel of zoiets? Dat bouwval waar die chauffeur me naar toe heeft gebracht, wil ik niet in". Haar stem was hoekig en afgemeten, maar tegelijkertijd melodieus. Er gebeurde iets in mij dat ik niet kende: een vreemde tinteling, een aangenaam soort van lichter worden. Ik kon het gevoel helemaal niet plaatsen" Valerie trok haar schouders op en glimlachte zuur, "Ik had echt niets door. In die tijd hoorde je daar niets over, over meisjes die verliefd werden op meisjes. Ik dreef alleen op mijn gevoel van gelukzaligheid. Ook Jack bleef naar haar kijken. Pas later begreep ik dat hij hetzelfde gevoeld moet hebben als ik. "Behalve die herberg bij de pub is hier niets", zei ik, " Je kunt wel bij ons slapen." Ik weet nog niet waar ik het vandaan haalde. Grootvader en grootmoeder waren niet zo erg gastvrij. Ze zagen me aankomen. Anders zou de gedachte aan hun blik alleen al mij weerhouden hebben iemand uit te nodigen, maar nu telde alleen dat ik dicht bij Monica wilde zijn. "Graag!", zei ze. Onderweg naar huis praatte ze honderduit. Dat ze uit Nederland kwam en volgend jaar ging studeren. Dat ze een rondreis aan het maken was, dat was een eindexamencadeautje van haar vader, dat ze de omgeving zo prachtig vond. Jack en ik konden geen woord uitbrengen, maar dat viel helemaal niet op. Bij het huis liet ik haar wachten in de tuin. Ik ging naar grootmoeder, die bezig was met verstelwerk in de kamer die nu de eetkamer is. "Wie is dat daar?", vroeg ze. Ze had haar natuurlijk al zien staan in de tuin. Ze had, wat ik noemde, haar inschikkelijke stem, dus ik hoopte dat ze er niet al teveel toestanden van zou maken. "Een meisje uit Nederland. Zij wil hier blijven slapen. Dat kan toch?". Grootmoeder keek fronsend naar buiten. "Ze deugt niet!", zei ze beslist. Ze had altijd snel een oordeel klaar over andere mensen. Monica zag er anders uit dan de meisjes uit het dorp en dat kon niets anders betekenen dan dat ze slecht was. Ik voelde me gekwetst. "Ik heb het al beloofd." "Dat is dan knap stom, maar woord is woord. Breng haar maar naar de oude woonkamer." De oude woonkamer is de kamer waar jij nu slaapt. Toen werd hij weleens als slaapzaal gebruikt in de oogsttijd voor arbeiders van buiten het dorp. Monica ging naar binnen. Jack en ik gebruikten elke gelegenheid om over de overloop te lopen, maar we vingen geen glimp van Monica op. De volgende dag verliet ze het huis na het ontbijt, alleen. Wij waren beiden onrustig.. Als ik daar nog aan denk…Soms vraag ik me af of dat werkelijk door Monica kwam of meer doordat wij niet vaak vreemde, jonge mensen zagen. En zeker niet uit het buitenland. Jack en ik probeerden die dag te lezen, maar onze gesprekken over "Emily Bronte" haperden. De poëzie kon ons niet boeien. We keken steeds de weg op of Monica er al aan kwam, maar ze kwam pas na achten terug. Haar gezicht was rood door de zon en door de opwinding. "Het is hier énig!", riep ze uit "Zoveel leuke mensen ontmoet. Iedereen is zo aardig. Ik heb gewandeld en vanmiddag de hele middag in de pub gezeten. Wat wonen jullie in een geweldig dorp." Ze stopte met praten toen ze de tekening zag waar Jack mee bezig was, een vrouwelijk naakt. Jack kon dat zonder model. Ze griste de tekening van hem weg en riep uit: "Maar jij hebt talent!". Het klonk verbaasd, alsof dat wel het laatste was dat je kon verwachten in deze uithoek van de wereld, alsof we hier allemaal versimpeld waren tot een dierlijk niveau. Nou ja, zo dacht ik er zelf over. Jack bloosde. Het compliment deed hem duidelijk veel genoegen.
Vanaf dat moment was ze steeds bij Jack in de buurt. Ik was ziedend van jaloezie. Om beiden, in feite. Ik was Jack kwijt en kreeg van Monica niet de aandacht die ik verlangde. Het maakte me zo triest en zo verloren. Ik had het gevoel dat ik alles kwijt was geraakt en dat dat Monica's schuld was. Ik wilde wraak en tegelijkertijd wilde ik opgenomen worden in ons kleine kringetje. Ik wilde niet het derde, weggeworpen wiel aan een wagen zijn, ik wilde gerespecteerd worden, en bemind. Al deze gevoelens hebben mij gebracht tot een daad, waar ik mijn leven lang spijt van heb gehad.
Ze zweeg abrupt en keek Carol onzeker aan. Ze stapte langzaam en beheerst over het modderige pad, alsof het lopen een uiterste concentratie van haar vergde. Het duurde even voor ze verder ging: "Jack en Monica waren steeds vaker samen. En ik volgde hen zoveel ik kon. Op een dag zag ik ze naar de pub lopen, hand in hand, zo ver was het dus al gekomen. Ik liep ze achterna en hoewel ze dat wel gemerkt moeten hebben, deden ze net of ze niks in de gaten hadden. Ik zie nog het knalgele overhemd van Monica voor me uit waaieren, als een vlag die me de weg wees naar een plaats waar ik eigenlijk niet hoorde.
In de pub werden ze door iedereen enthousiast begroet. Daar stonden ze dan met hun grove boerenkoppen. Rode William, die zoop als een tempelier en elke zaterdagavond een vechtpartij veroorzaakte, Eddy, die kleine rat, die op school niets liever had gedaan dan smerige dingen, stront, dode dieren, in mijn tafelkast gooien, Sally, met haar afkeurende pruimenmondje. Allemaal! Een stuk of twaalf wel. Het moest wel door Monica komen, want ik kon me niet voorstellen dat zij hun mening over Jack hadden herzien. Monica had het hoogste woord en iedereen hing aan haar lippen. Jack keek zo trots… Het deed me pijn. Het maakte me woedend om te zien hoe Jack zich het gewauwel en de aandacht liet aanleunen, terwijl hij, net als ik, niets dan minachting koesterde voor dat stelletje rauwe analfabeten. Ik voelde me machteloos. Ik wilde ze beiden uit die groep trekken, maar er was geen manier om dat te doen. Ik voelde me verlaten en verraden. Na een kwartier of zo, waarin ik me steeds ellendiger was gaan voelen, drong ik me tussen het groepje en schreeuwde het eerste dat in me opkwam "Jack is van mij! Zij pakt hem van me af!" Ik liep op hem toe en gaf hem een tongzoen. Hij was te verbouwereerd om zich te verzetten. Er viel een doodse stilte. Toen ik weer opkeek, stonden al die mensen ons aan te gapen. Verbaasd, verbijsterd, nieuwsgierig. Enkele vettige, triomfantelijke knipogen: "Zie je nou wel?". Monica's ogen waren zwart geworden. Ze gaf me een klap in het gezicht en sleurde me naar buiten. "Zie je nu wat je gedaan hebt?", viel ze uit, "Trut die je bent! Je hebt nu bevestigd, wat iedereen allang dacht en je hebt Jack's leven hier onmogelijk gemaakt. Het jouwe trouwens ook, maar dat is dan tenminste je verdiende loon!". Ze schudde me door elkaar. Ik liet het gebeuren, het was alsof ik leeggelopen was, alsof ik nooit meer tot handelen in staat zou zijn. "Het was het eerste dat ze me vertelden: Jack en Valerie, broer en zus, houden het met elkaar…Ik heb er niks van geloofd, maar daarnet twijfelde ik even. Nou, je kan er van verzekerd zijn; die daarbinnen twijfelen niet meer." Ze bracht haar hoofd dicht bij het mijne en beet me toe: "En nee, ik hou niet van je. Sterker nog, ik moet je niet. Ik vind je arrogant, betweterig, pedant!". Ik draaide me om en liep naar huis. Ik liep in de donkere, ijskoude wolk, die zojuist op me neergedaald was. Ik sloot me op in mijn kamer. Op de gang hoorde ik af en toe Monica of Jack lopen, maar ik heb hen niet meer gezien. Drie dagen later zijn ze naar Amsterdam vertrokken. Jack zou proberen om op de kunstacademie te worden toegelaten en Monica ging studeren. Pedagogie of iets dergelijks". Voor hen doemde de oceaan op. "Wat prachtig", verzuchtte Valerie, "Ik zal nooit aan dat blauw gewend raken. Iedere keer overweldigt het me weer, die belofte van oneindige vrijheid en die ruimte." Carol bleef muisstil, omdat ze bang was het verhaal van Valerie te onderbreken. "Maar dat was nog niet alles, deze vernedering," ging Valerie verder, "Na die gebeurtenis was ik lamgeslagen. Ik voelde niks meer, leefde als een machine. Ik deed mijn werk mechanisch. Monica had gelijk gehad: niemand wilde meer met me te maken hebben. Behalve Nick. Een paar weken na die gebeurtenis kwam hij aan de deur. Grootmoeder riep mij van mijn kamer, waarin ik me het grootste deel van de tijd opsloot. Het was de eerste keer dat ze tegen me sprak nadat ze, diezelfde dag natuurlijk nog, op de hoogte was gesteld van het voorval. Natuurlijk kende ik Nick; hij woonde in het dorp. Het was een stugge jongen, niet al te aantrekkelijk, niet al te snugger, maar eigenlijk stak hij nog niet eens zo ongunstig af bij de rest. Hij had wel iets goedmoedigs over zich. Grootmoeder had ons alleen gelaten in de kamer, waar we thee dronken. Hij vroeg me zonder enige inleiding ten huwelijk. Hij had haast, want hij wilde een eigen bedrijf beginnen en dat kon niet zonder vrouw. Ik was tenslotte in de aanbieding en dat bespaarde een lange verlovingstijd. Hij maakte het niet mooier dan het was; hij zei zonder omhaal dat hij me nodig had en dat hij dacht dat ik wel beschikbaar zou zijn. Ik zag geen andere uitweg. En misschien wilde ik mezelf straffen, wie zal het zeggen. In ieder geval stemde ik in met het huwelijk en een paar weken later waren we getrouwd. Als een robot leefde ik verder. Ik deed mijn werk, kookte stevige kost voor Nick en vervulde mijn echtelijke plichten zonder enthousiasme. Ik had net zo goed dood kunnen zijn. Na een jaar of twee overleden grootvader en grootmoeder kort na elkaar. Nick en ik hadden het huis voortaan voor ons alleen. Het was heel prettig om zoveel ruimte te hebben, want ik kon mijn omgang met hem nu tot een minimum beperken.
Ik hoorde niet veel van Jack en Monica. Ze stuurden nog wel een kaartje toen jij geboren werd. Zo kabbelde alles voort en misschien was ik zo wel blijven leven als, na drie jaar, Jack niet ineens voor mijn neus had gestaan. Hij zag er belabberd uit: slecht verzorgd, lang haar, een vuile, witte zomerbroek en krap hemdje. Hij leek wel twintig jaar ouder. We keken elkaar aan of we vreemden voor elkaar waren en eigenlijk was dat ook zo na alles wat er gebeurd was. Plotseling echter omhelsde hij mij en ik ontdooide. Voor het eerst in al die tijd voelde ik weer iets. Het leek of ik mezelf weer was, zo vertrouwd was het. We lang zo staan in die hartelijke omhelzing en het kon me helemaal niet schelen wie ons zag.
Toen we binnen waren, verborg Jack zijn hoofd in zijn handen. "Wat is er?", vroeg ik bezorgd. Even was hij weer de jongere broer, die ik moest beschermen tegen de hardheid van het echte leven. Hij huilde. "Monica is vertrokken", snikte hij, "Zomaar ineens. Ze heeft een briefje achtergelaten, dat ze er een punt achter wilde zetten, dat ze verder wilde met haar leven" "En Carol?" "Die heeft ze bij mij gelaten. Ze vond achteraf gezien dat zij niet zo'n beste moeder was en dat het moederschap bovendien niet in het leven paste dat zij nu ging leiden". Ik legde mijn arm om hem heen om hem te troosten. Nick kwam de kamer binnen. Hij keek met zoveel minachting en kilte naar ons dat de rillingen me over de rug liepen. Hij verdween naar de pub om niet meer terug te keren voor de volgende ochtend, straallazerus. Toen hij thuiskwam, zijn dronken gestommel maakte me wakker, lag ik naast Jack, in de logeerkamer. We hadden de liefde bedreven." De laatste zin sprak ze haastig uit." Schandelijk. Niet goed te praten. Maar het ging vanzelf. Ik was bij Jack gekropen om hem te troosten en vanzelf begonnen we te vrijen. Er was geen hartstocht, alleen vertrouwdheid, vriendelijkheid." Valerie keek Carol aan. "Je hebt dat natuurlijk al wel vermoed? Walg je van mij? En van je vader?". Carol haalde haar schouders op. Ze wist het niet. "Nick heeft niks gemerkt. Hij was met zijn zatte kop in slaap gevallen in de keuken. De volgende morgen was er een grote spanning tussen Jack en mij. We zaten aan het ontbijt en durfden elkaar niet aan te kijken. Er was een ijzige stilte in die kamer. Ik durfde me nauwelijks te bewegen, want het leek alsof elk geluid de demonen die onze schande zouden komen bespotten en bestraffen los kon doen breken. Diezelfde dag nog vertrok Jack en ik heb hem nooit terug gezien.
Negen maanden later werd John geboren. Dat gaf te denken, maar eerlijk gezegd weet ik niet of hij van Jack of Nick was. In stilte hoopte ik dat Jack de vader was, zodat ik toch nog iets van hem had. Iedereen in het dorp nam dat trouwens als vanzelfsprekend aan. Nick had hen die nacht in de pub op de hoogte gesteld van Jacks aanwezigheid; wie weet wat hij er allemaal uit heeft zitten flappen. Het was gedaan met de vreedzame coëxistentie, die we hadden onderhouden. Hij sprak niet meer tegen me. Maar het ergste was dat hij John haatte. Hij heeft nooit zelfs maar in overweging genomen dat John zijn zoon zou kunnen zijn. John heeft het moeilijk gehad met de houding van Nick. Mijn hart draaide om in mijn lijf als ik zag hoe hij zijn best deed om bij Nick in het gevlei te komen. Op zijn onhandige kindermanier probeerde hij hem te helpen bij het werk, maar hij werd alleen afgesnauwd." Valerie liep verder, het hoofd gebogen, de handen diep weggestopt in haar regenjas. "En toen dat ongeluk. De val van de tractor was de schuld van Nick. Die lette niet op hem en zag niet dat hij gevaarlijk aan het spelen was op de rand van de laadbak, terwijl ze over het weiland reden. Hij haalde zijn nek open. Hij zou te redden zijn geweest als Nick hem meteen naar een dokter had gebracht. Maar dat deed hij niet; hij maakte eerst zijn werk af. John bloedde dood."

Aan de grote tafel in de keuken zaten ze uit te rusten van de wandeling. Carol had blaren en ze had het koud. Op de terugweg waren ze overvallen door een regenbui en er was geen gelegenheid geweest om te schuilen. Zie hield haar beide handen om de theekop. Valerie leunde ontspannen tegen de leuning van de keukenstoel. Ze had een stuk appeltaart, die eigenlijk voor het dessert was bedoeld, afgesneden en nam af en toe een klein hapje. Haar haar had ze achter haar oren gekamd. Ze zag er ineens een stuk jonger uit.
De deur ging open en Nick stond binnen. Hij was groot en fors en droeg nog zijn vuile overall. Zonder Carol te groeten, liep hij naar de gootsteen om zijn handen te wassen. Een hele tijd hield hij zijn enorme klauwen onder het koude water. Daarna draaide hij zich om en keek Carol aan. Zijn blik was vol haat. Ze schrok en moest de impuls om van die blik weg te vluchten onderdrukken. Ze voelde iedere vezel zich in haar lichaam spannen. Eindelijk sprak Nick: "Ik wil dat je weggaat, vandaag nog. Je hebt hier niets te zoeken." Ze was sprakeloos. Ze keek naar Valerie om haar steun te vinden. Valerie draaide zich in een driftig gebaar om naar Nick en zei: "Waar bemoei je je mee? Zij is mijn familie!". Hij gnuifde minachtend. "Dat kennen we, die familie van jou. Wie is haar moeder eigenlijk? Jij soms?" "Doe je niet stommer voor dan je toch al bent!" Valerie schreeuwde het uit. "Jij hebt pas echt iets om je voor te schamen. Moordenaar!" Ze ontweek de zwaaiende arm, waarmee hij haar een klap wilde geven. Er brak iets in hem. Plotseling leek hij kleiner. Hij beende de keuken uit, naar buiten.
Carol herademde, nu de dreiging voor het moment was verdwenen. "Waarom ga je niet weg, hier vandaan, weg uit dit gehucht?", vroeg ze. Valerie keek haar verbijsterd aan, alsof ze haar gevraagd had naar een andere planeet te verhuizen. "Ik meen het", ging ze door, "Waarom zou je jezelf nog verder kwellen? Wie heeft daar wat aan?". Valerie stond op en begon af te wassen. De borden smeet ze bijna op het aanrecht. Na een tijdje draaide ze zich om. "Weg? Waar zou ik naar toe moeten. Ik heb niemand". Carol zag hoe het verleden zich als een cocon om haar sloot en haar afschermde van het heden, haar daar zelfs vandaan rukte. Ze verdween terug in de tijd om daar nooit meer vandaan te komen.

Petra Oomen

© juli 1999