Terras

Terras
Als ik nog eens kijk, zie ik dat hij het wel degelijk is. Ook al
is het tientallen jaren geleden dat ik hem voor het laatst zag, nu hij
twee tafeltjes van mij vandaan zit, voel ik weer de mieren in mijn aderen
kriebelen. Ik word zo langzaam van binnenuit opgevreten dat ik me bewust
ben van elke millimeter die ik verlies.
Hij heeft dezelfde licht gebogen houding alsof hij zich alvast bukt
voor de slagen die zullen gaan komen. Zijn ogen loeren tussen de haren van de slordige blonde kuif door. Zijn handen trillen nog
altijd, zo een bepaalde onderdanigheid veinzend die hij in werkelijkheid
niet bezit. Maar dat weet ik alleen. Of misschien degenen die na mij zijn
gekomen want hij zal het bij mij niet gelaten hebben.
Onwillekeurig duik ik weg in de kraag van mijn jas. Ik probeer de
andere kant op te kijken maar steeds weer wordt mijn blik zijn richting
uitgetrokken.
Hij trekt bedeesd de aandacht van de serveerster en bestelt iets.
Ondanks de geringe afstand kan ik niet verstaan wat. Het zal wel bier zijn.
Als de serveerster zijn bestelling heeft opgenomen en vertrokken is, begint
hij nerveus op het tafeltje te tikken. Een wezel die zo direct vanuit zijn
schuilplaats zijn zwakkere slachtoffer naar de strot zal vliegen en het
met een paar driftige bewegingen van zijn kop zal doden.
Ik dacht dat ik hem vergeten was. Maar nu blijkt dat hij in al mijn
vezels aanwezig is gebleven, dat de herinnering aan hem en aan alles wat
er destijds is gebeurd buiten mijn bewustzijn om in mijn lichaam huist.
Ik heb lang niet over hem gedroomd. De eerste jaren erna werd ik regelmatig
badend in het zweet wakker. Ik was er dan zo van overtuigd dat hij in de
kamer was dat ik nauwelijks durfde ademhalen. Pas na minuten waagde ik
om het licht aan te knippen zodat ik me ervan kon overtuigen dat hij er
niet was.
Hij staat op en gooit daarbij bijna zijn stoel opzij. Hij weet hem
nog net te grijpen en kijkt dan schaapachtig om zich heen met een verontschuldigende
glimlach op zijn gezicht. Minutenlang tuurt hij naar de hoek van de straat
alsof hij verwacht dat daar iemand zal verschijnen. Het zal natuurlijk
een vrouw zijn die zo het terras op zal lopen en hem op beide wangen zal
zoenen. Zij zal hem bezorgd toespreken, misschien moederlijk op zijn schouder
kloppen. Nu zal hij haar niets doen. Zij heeft nog geen idee van wat haar
later zal overkomen.
Even heb ik de neiging om naar de hoek te lopen en haar te waarschuwen.
Dan bedenk ik dat zij mij niet zal geloven. Ik geloofde Julia tenslotte
ook niet. Zij zal denken dat mijn waarschuwing is ingegeven door jaloezie.
Hij is zo'n zachtaardige man, hij kan nog geen vlieg kwaad doen.
Zij zal dus zelf moeten ontdekken wie hij werkelijk is. Lang zal
het niet duren voordat die misleidende pels van hem afvalt en hij al zijn
vernietigingsdrang toont. Ik kan er niets tegen doen.
Van het verleden heeft nog nooit iemand geleerd. Misschien bestaat
het zelfs niet eens, misschien gebeurt alles constant opnieuw, ben ik nu
nog altijd in die straat waaruit ik dacht weggevlucht te zijn.
Hij gaat weer zitten. De serveerster brengt hem bier. Hij knikt
haar vriendelijk toe en neemt een slok. Hij kijkt om zich heen en even
raken onze blikken elkaar. Hij toont echter geen teken van herkenning.
Dat kan nog komen. Eigenlijk zou ik moeten afrekenen en weggaan, maar het
lijkt of ik tien keer zo zwaar ben geworden sinds ik hier ben gaan zitten
zodat ik met geen mogelijkheid kan opstaan. Ik heb dorst maar als ik de
serveerster roep, is de kans dat hij nogmaals naar me kijkt en me dan wel
herkent. Dus houd ik me koest. Destijds heeft dat niet geholpen maar misschien
nu wel.
Er loopt een vrouw het terras op. Met kordate passen loopt ze naar
zijn tafeltje. Hij springt overeind als een soldaat die onverwacht een
generaal tegenkomt. Ze schudden elkaar de hand. Ze gaan zitten. Zij kiest
de stoel tegenover de zijne, niet die naast hem. Ze haalt een dossier uit
haar tas en legt dat voor zich neer. Haar uitdrukking is ernstig. Op zakelijke
toon zegt ze: "Het is niet mooi, wat ik hier heb aangetroffen." Hij knikt
traag alsof de beweging hem zo'n moeite kost, dat hij haar nauwelijks kan
opbrengen. Hij begint weer op het tafeltje te tikken, maar zachter dan
zojuist.
Ongetwijfeld verschijnen nu de eerste tranen in zijn ogen. Zij zal
niet weg willen gaan voordat ze hem getroost heeft. Dat zal niet lukken,
zij zal met hem mee naar huis gaan. De strop om haar nek is dan gelegd.
Het is alleen een kwestie van het touw aantrekken.
Ik sta op en let er op dat ik geen geluid maak. In het café
reken ik af. Als ik weer buiten kom en het terras afloop voel ik zijn ogen
in mijn rug prikken.
Binnenin mij vreet hij verder.
|