De zaak

Een doffe klap. Daarna enkele seconden waarin ik val. Ik laat mijn
fiets los om de klap met mijn armen te kunnen opvangen.
Even later lig ik op het fietspad met mijn fiets over me heen. Mijn
linkerarm doet een beetje pijn, voor de rest lijkt alles in orde. Ik trek
de fiets, gelukkig een lichtgewicht sportmodel, van me af, sta op en zet
hem tegen een boom. Dan zie ik hem liggen: spijkerbroek, geruit colbertje,
geen jas ondanks de kou. Hij ligt op zijn zij, zijn handen onder zijn hoofd
gevouwen alsof hij slaapt. Er staat een glimlach op zijn gezicht. Op zijn
grijze haar verschijnt een rode vlek die steeds groter wordt.
In de etalage van de ijzerwinkel, waar ik tegenover sta verschijnt,
vlak achter een metalen gereedschapskist die is versierd met een kersttak,
een gezicht. Voordat ik de contouren goed in me heb kunnen opnemen, is
het verdwenen.
Een vrouw in donkerrode winterjas met een grote boodschappentas
aan haar arm loopt rakelings langs de man en kijkt stuurs voor zich uit.
Ook mij ziet ze niet.
Het is vlak voor sluitingstijd en iedereen doet nog snel een laatste
boodschap. Overal lopen mensen kriskras door elkaar heen, maar de man en
ik lijken ons in een vacuüm te bevinden dat ons onzichtbaar maakt
en tegelijkertijd mensen afstoot. Behalve de vrouw komt er niemand in de
buurt.
De schade aan mijn fiets valt mee, alleen het stuur staat scheef.
Met het voorwiel tussen mijn benen zet ik het recht. Ik kijk naar de man,
die in dezelfde houding blijft liggen. Hij ademt, zie ik aan het op en
neer gaan van zijn borst.
Ik wil hem wel overeind helpen, maar het gevoel dat ik onwelkom
ben, is overweldigend en houdt me tegen. Ik stap op mijn fiets en rijd
weg. Als ik linksaf sla, de brug over, begin ik te trillen. Er is iets
onherstelbaars gebeurd en eigenlijk moet ik terug. Maar dat doe ik niet.
Ik kan me niet herinneren dat ik de man heb aangereden. Misschien is er
geen verband tussen de klap en de man op de grond. Misschien was het iets
anders dat mijn val veroorzaakte, een loszittende straattegel, een stuk
karton.
Mijn linkerarm, die ik tegen mijn hoofd houd om de koppijn te verzachten,
schrijnt erger dan zojuist. Toch een flinke schaafwond, mijn jas zal ik
wel kunnen weggooien.
Als ik over de brug ben, hoef ik niet meer te trappen. De afdaling
voert me sneller weg van de plek des onheils.
Thuis zet ik mijn fiets voor de ingang van het flatgebouw, want
ik heb de moed niet om de donkere gang in te gaan waar de boxen zijn. Daar
word ik begluurd tussen de kieren van de latten en als ik goed luister,
hoor ik iemand hijgen in de box naast de mijne. Niet altijd kan ik dat
aan.
In de lift ben ik gelukkig alleen. Er heeft weer iemand staan pissen,
dat gebeurt bijna iedere dag. Het is nog niet zolang geleden, want de pis
is nog niet opgedroogd. Terwijl de lift zich kreunend en zuchtend naar
boven hijst, houd ik mijn adem zoveel mogelijk in. Als de liftdeur eindelijk
opengaat op de achtste verdieping ren ik naar de galerij en adem, leunend
over de reling, diep in en uit. Eén sprong, denk ik, en ik ben van
alles af. Ik kom snel omhoog en loop naar mijn flat.
Daar is het donker en zoals altijd overvalt me dat. Ik zou willen
dat er iemand was die me opwachtte, de verwarming hoog had gezet en de
lichten had aan gedaan. Zo iemand is er niet. Als die er wel was geweest,
had ik niet zo'n koppijn gehad, want die komt natuurlijk omdat Christine
sinds zondagavond niets van zich heeft laten horen. Het is nu echt voorbij
tussen ons. Ik ben voorgoed alleen.
Ik zoek op de tast het lichtknopje en de TL-verlichting in de gang
springt aan. In de woonkamer liggen boeken en kranten op de bank en op
het aanrecht staat de afwas van dagen. In het weekend zal ik gaan opruimen,
nu ben ik daar te beroerd voor. Ik loop naar de telefoon. Er staat niemand
op de voicemail. Dat had ik ook niet verwacht. Toch voel ik me daardoor
nog meer verlaten.
Ik haal een pilsje uit de koelkast. Alcohol helpt tegen hoofdpijn
en anders wel tegen het knijpen in mijn borstholte, dat me het gevoel geeft
dat ik stik. Ik gooi de kranten en boeken van de bank en ga op mijn zij
liggen.
Dan verschijnt de oude man, die ik heb vermoord. Ik ben doorgereden
terwijl ik zijn leven had kunnen redden. Nu is hij doodgegaan aan een hersenletsel.
Misschien laat hij een vrouw achter, die zich geen raad zal weten zonder
haar man met wie ze veertig jaar getrouwd is geweest en kleinkinderen,
die het voortaan zonder opa moeten stellen. Of misschien was hij een actieve
buurtbewoner die zich desnoods aan een hek liet vastketenen om de aanleg
van een snelweg vlak naast de buurt te voorkomen.
Als ik gewoon in de drogisterij was gebleven, en een aspirientje
had geslikt zoals Rogier me aanraadde, was er niets gebeurd. Dan waren
de winkels al gesloten geweest, dan had hij niet door de Leklaan gelopen,
dan was ik met een frisse kop rechtstreeks naar huis gereden.
Maar nee, Madeleine wilde geen aspirientje want daar kreeg ze maagpijn
van. Net of ik geen maagpijn krijg van iemand doodrijden.
Ik ga zitten en drink het flesje bier leeg. Het heeft nauwelijks
effect: mijn hoofd blijft bonken en ik blijf de man op de stoep voor me
zien.
Omdat ik niet weet wat ik anders moet beginnen, ga ik vroeg naar
bed en lig vervolgens uren naar het plafond te staren. Pas tegen de ochtend
val ik in slaap en het eerste waar ik aan denk als de wekker gaat, is de
man op de stoep. Eigenlijk wil ik niet naar mijn werk, want ik wil niet
in de buurt komen van de Leklaan. Maar het is vrijdag, en de laatste dag
voor kerstmis, dus het zal druk zijn. Ik kan Rogier niet aan zijn lot overlaten
vandaag.
Ik neem een andere route. Als ik de Leklaan voorbij fiets, blijf
ik voor me uitkijken. Ik probeer niet aan de man te denken. Zolang ik er
niet aan denk, is het niet gebeurd. Als ik het wel is gebeurd, zal ik geen
leven meer hebben.
Mechanisch doe ik mijn werk en pak honderden flesjes parfum in,
allemaal met een minuscuul dennentakje erop en een rood lintje. Rogier
vraagt af en toe bezorgd hoe het met me gaat en ik mompel "goed." De hele
dag zie ik op tegen de tocht naar huis, omdat ik langs de Leklaan kom en
dan weer zal weten dat ik het recht om te leven heb verspeeld.
Als om vijf uur de winkel sluit, mag ik naar huis van Rogier. Hij
zal zelf opruimen en het geld tellen.
"Prettige kerstdagen," zegt hij bij de deur. "Eensgelijks," antwoord
ik en ik stap op mijn fiets.
De Leklaan is uitgestorven. De man op de stoep ligt er niet meer.
Natuurlijk niet, wat had ik dan gedacht? Dat niemand de moeite zou nemen
om hem naar het ziekenhuis te brengen? Misschien is hij al begraven, want
anders moeten ze wachten tot na de kerst. Of misschien is hij nog niet
dood maar ligt hij op de intensive care.
De kerstdagen zijn een verschrikking, vooral de eerste. De stoep,
de rode vlek op het hoofd van de man en het schimmige gezicht in de ruit
van de etalage zie ik almaar voor me. Het maakt niet uit of ik mijn ogen
sluit of juist opengesperd houd. Meer en meer raak ik ervan overtuigd dat
ik opgepakt zal worden en dat ik dat heb verdiend. Binnenkort zal ik door
de politie ondervraagd worden, net zolang tot ik zal toegeven dat ik nooit
op die fiets had mogen zitten. Ik zal veroordeeld worden tot gevangenisstraf,
dood door schuld, daar staat negen maanden voor. De andere gevangenen zullen
me negeren, of treiteren, want voor diefstal en moord, daar kunnen ze nog
begrip voor opbrengen, maar niet voor het lafhartig doden van een weerloze,
oude man.
Op tweede kerstdag belt Christine.
"Sorry," zegt ze. "Ik ben weer wat opvliegend geweest."
"Geeft niet," zeg ik.
"Kan ik woensdagavond langskomen?" Waarom woensdag, denk ik, waarom
niet meteen, maar ik zeg het niet.
"Tuurlijk, leuk, tot dan." Ik moet op mijn lippen bijten om te voorkomen
dat ik het hele verhaal ga vertellen, maar ze mag het niet weten. Nog niet.
De maandag sleep ik me uitgeput naar de drogisterij. Het is gelukkig
niet druk in de winkel. Ik tril over mijn hele lichaam en kan slechts met
moeite mijn handen stilhouden.
Een bejaarde dame komt een doosje paracetamol kopen en vraagt me
fluisterend of ik iets heb tegen slapeloosheid. Zij is de weduwe van de
man die ik heb doodgereden, schiet door me heen. Ze is gek van verdriet,
daarom kan ze niet slapen. Ik toon haar een flesje van dr. Vogel en zeg:
"Deze druppeltjes helpen vaak wel, en anders moet u naar uw huisarts."
Ze kijkt me dankbaar aan en schuifelt de winkel uit met het flesje
in haar handen.
De rest van de dag maak ik fouten bij het afrekenen en één
keer moet Rogier me te hulp schieten als een klant bij hoog en bij laag
blijft beweren dat hij me vijftig gulden heeft gegeven terwijl ik zeker
weet dat het er vijfentwintig waren. Rogier trekt de geldla open en wijst
naar het briefje van vijftig dat bovenop ligt. Duizend excuses. De klant
loopt met een kop als een donderwolk weg.
Als het zes uur is, mag ik weer weg van Rogier. Mijn besluit staat
vast: ik zal door de Leklaan rijden.
Ik fiets er langzaam naar toe en aarzel even als ik rechtsaf de
Leklaan in moet. Ik bijt door.
Ik werp een blik in de etalage van de ijzerwarenwinkel. De kersttak
en de gereedschapskist zijn verdwenen. Dan zie ik vanuit mijn rechterooghoek
iemand het fietspad op springen en bijna val ik als ik hard in mijn remmen
knijp. Vlak voor me steekt de oude man over. Op zijn hoofd is een rode
vlek.
|