Sterven

De oude vrouw in het bed naast haar praatte nooit, hoewel ze dat volgens de verpleegkundigen wel kon. Ze kreeg geen bezoek. Ze lag op haar zij en keek voortdurend naar Helma. Soms glimlachte ze, maar meestal stond haar gezicht strak en ondoorgrondelijk. Helma probeerde haar te negeren, maar het gerimpelde hoofd bleef haar aandacht trekken. Af en toe bestudeerde ze de groeven, die als drooggevallen rivieren op de wangen stonden en uitliepen naar het losse vel van de nek. Haar hoofd vertoonde kale plekken, omdat het grijze haar aan het uitvallen was. Elke ochtend lag er weer een pluk op het kussen. Met haar linkerhand ondersteunde de vrouw haar hoofd, de rechter hing over haar lichaam. Af en toe vroeg Helma: "Gaat het?" Ze kreeg nooit antwoord en dat verwachtte ze na verloop van tijd ook niet meer.
"Wat heeft zij?", fluisterde Helma's bezoek soms. Zij, die aan de goede kant van de scheiding tussen ziek en gezond stonden, verkneukelden zich bij het zien van de ellende in het ziekenhuis. "Wacht maar tot ze jullie te pakken krijgen", dacht Helma, als ze die blikken vol verlangen naar onaanraakbaar lijden zag. Haar bezoek bestond uit geliefden en familie en was samengeklonterd tot een gemeenschap, waar de individuen niet te meer onderscheiden waren. Zij maakte geen deel uit van die gemeenschap. Over Helma's ziekte praatten ze alleen in termen als: "Volhouden, meid, je komt er wel doorheen".
Het was opmerkelijk hoe haar omgeving vervaagde tot een onbelangrijk decor. Haar stervende lichaam in dit bed werd steeds meer de kern waar het allemaal om draaide. Wie daar omheen zwierf, stond ten dienste van die kern. Mensen waren instrumenten geworden, waarmee zij haar toekomst in kaart kon brengen. Zo verrieden de artsen en verpleegkundigen hun inschatting van haar toestand door hun manier van glimlachen. De laatste dagen was die opvallend vriendelijk. Het zou dus niet zo lang meer duren.

De oude vrouw kreunde. Helma schrok op uit haar sluimeringen. Het was uitzonderlijk dat er geluid uit het andere bed kwam. De fletse ogen waren zoals altijd op haar gericht, maar de lippen bewogen nu, al was er niets te horen. Helma probeerde de woorden van de lippen af te lezen. Ze herhaalde voortdurend dezelfde zin. "Ze komen me halen", daar leek het nog het meest op. Helma knikte haar berustend toe, om te laten merken dat ze het begreep. "Heeft u pijn?", vroeg Helma. Geen reactie. De lippen waren nu zonder beweging en de vrouw keek naar Helma, zoals ze dat de afgelopen weken bijna onafgebroken had gedaan.
Een jonge verpleegkundige kwam het infuus verwisselen. Ze ging routinematig te werk. Helma volgde haar handelingen zoals je een zoemende vlieg op zoek naar een weg naar buiten gadeslaat. Voordat ze wegging, glimlachte de verpleegster even.
Helma sloot haar ogen en zeilde weg de donkere ruimte in waar ze de laatste tijd zoveel tijd had doorgebracht. Het was daar goed toeven. Beelden uit het verleden dwaalden kalm voor haar ogen. Het waren slechts flitsen, bescheiden, zonder eisen te stellen. Eindelijk was ze de toeschouwer geworden die ze altijd had willen zijn.
Ze werd gewekt door het geluid van stemmen en bewegende voeten, die anders klonken dan de gebruikelijke zakelijke en doelgerichte van haar verzorgers.
Bij het bed van de vrouw stonden een man en een vrouw van middelbare leeftijd. Ze probeerden de vrouw aan te kleden. Dat viel niet mee. "Nou moe, " zei de man luid, "Werk eens een beetje mee. Zo gaat het niet. Waarom ben je trouwens nog niet aangekleed. Ik heb toch geschreven dat we kwamen." De oude vrouw zat op het bed en leunde voorover. Haar armen hingen slap in de klauwen van haar zoon. De vrouw stond gereed met een winterjas. De man sjorde aan het nachthemd en vorderde niet erg met de ontkleding.
"Voorzichtig, Jan, ", zei de vrouw. "Straks doe je haar nog wat aan."
"Doe dan eens wat, je ziet toch wel dat ik dit niet in mijn eentje kan, Truus!"
Truus legde de jas op het voeteneind van Helma's bed en begon mee te trekken aan het nachthemd.
"Laat dat mens toch rustig doodgaan!" zei Helma. Truus en Jan draaiden zich verschrikt om. Ze hadden Helma ongetwijfeld voor dood of comateus gehouden. De oude vrouw viel verder voorover en dreigde van het bed te vallen. "Let toch een beetje op!", riep Helma. Jan ving de oude vrouw op en legde haar terug op het bed. Hij trok het nachthemd over haar heen. "Nou", zei Jan, "Zo gaat het niet natuurlijk. Laten we maar gaan." Truus knikte. "Als Kees en Marian haar nou maar niet komen halen. Dan kunnen we er wel naar fluiten.", zei ze bezorgd. "Hou toch je kop!", zei Jan. Ze namen de jas van het voeteneind en zonder nog een blik op de oude vrouw te werpen, verdwenen ze.
De oude vrouw draaide zich op haar zij en keek, als vanouds, naar Helma.
Helma's bonkende hart kwam langzaam tot rust. Ze wilde dat dit sterven onder de ogen van haar stille kamergenoot, ongestoord door al die mensen van de andere zijde, eeuwig kon voortduren.

© Petra Oomen

september 1999