De oude vrouw kreunde. Helma schrok op uit haar sluimeringen. Het
was uitzonderlijk dat er geluid uit het andere bed kwam. De fletse ogen
waren zoals altijd op haar gericht, maar de lippen bewogen nu, al was er
niets te horen. Helma probeerde de woorden van de lippen af te lezen. Ze
herhaalde voortdurend dezelfde zin. "Ze komen me halen", daar leek het
nog het meest op. Helma knikte haar berustend toe, om te laten merken dat
ze het begreep. "Heeft u pijn?", vroeg Helma. Geen reactie. De lippen waren
nu zonder beweging en de vrouw keek naar Helma, zoals ze dat de afgelopen
weken bijna onafgebroken had gedaan.
Een jonge verpleegkundige kwam het infuus verwisselen. Ze ging routinematig
te werk. Helma volgde haar handelingen zoals je een zoemende vlieg op zoek
naar een weg naar buiten gadeslaat. Voordat ze wegging, glimlachte de verpleegster
even.
Helma sloot haar ogen en zeilde weg de donkere ruimte in waar ze
de laatste tijd zoveel tijd had doorgebracht. Het was daar goed toeven.
Beelden uit het verleden dwaalden kalm voor haar ogen. Het waren slechts
flitsen, bescheiden, zonder eisen te stellen. Eindelijk was ze de toeschouwer
geworden die ze altijd had willen zijn.
Ze werd gewekt door het geluid van stemmen en bewegende voeten,
die anders klonken dan de gebruikelijke zakelijke en doelgerichte van haar
verzorgers.
Bij het bed van de vrouw stonden een man en een vrouw van middelbare
leeftijd. Ze probeerden de vrouw aan te kleden. Dat viel niet mee. "Nou
moe, " zei de man luid, "Werk eens een beetje mee. Zo gaat het niet. Waarom
ben je trouwens nog niet aangekleed. Ik heb toch geschreven dat we kwamen."
De oude vrouw zat op het bed en leunde voorover. Haar armen hingen slap
in de klauwen van haar zoon. De vrouw stond gereed met een winterjas. De
man sjorde aan het nachthemd en vorderde niet erg met de ontkleding.
"Voorzichtig, Jan, ", zei de vrouw. "Straks doe je haar nog wat
aan."
"Doe dan eens wat, je ziet toch wel dat ik dit niet in mijn eentje
kan, Truus!"
Truus legde de jas op het voeteneind van Helma's bed en begon mee
te trekken aan het nachthemd.
"Laat dat mens toch rustig doodgaan!" zei Helma. Truus en Jan draaiden
zich verschrikt om. Ze hadden Helma ongetwijfeld voor dood of comateus
gehouden. De oude vrouw viel verder voorover en dreigde van het bed te
vallen. "Let toch een beetje op!", riep Helma. Jan ving de oude vrouw op
en legde haar terug op het bed. Hij trok het nachthemd over haar heen.
"Nou", zei Jan, "Zo gaat het niet natuurlijk. Laten we maar gaan." Truus
knikte. "Als Kees en Marian haar nou maar niet komen halen. Dan kunnen
we er wel naar fluiten.", zei ze bezorgd. "Hou toch je kop!", zei Jan.
Ze namen de jas van het voeteneind en zonder nog een blik op de oude vrouw
te werpen, verdwenen ze.
De oude vrouw draaide zich op haar zij en keek, als vanouds, naar
Helma.
Helma's bonkende hart kwam langzaam tot rust. Ze wilde dat dit sterven
onder de ogen van haar stille kamergenoot, ongestoord door al die mensen
van de andere zijde, eeuwig kon voortduren.
© Petra Oomen
september 1999