Schimmel

Toen ze de vergaderstukken op haar bureau smeet, zag ze door de open deur de eerste mensen al in een stoet naar huis vertrekken. Ze trapte hem dicht. Mensen waren wel het laatste waar ze behoefte aan had op dit moment. Eigenlijk zou ze nog wat e-mails moeten schrijven, maar de vergadering die ze zojuist had verlaten, had haar uitgeput.
Oeverloos geouwehoer was het geweest, een voortdurend rondzingen van verschaalde argumenten en geklaag over wat er allemaal mis ging in de branche. Acties werden niet ondernomen. De bespreking daarvan was zoals gebruikelijk uitgesteld naar de volgende vergadering. Ze smeet een stapel papier in haar postbakje. Daar zou ze morgen wel naar kijken.
Haar koffiemok was voor de helft gevuld met koude koffie van die morgen. Eerst maar afwassen, dan had ze tenminste het gevoel dat ze nog iets nuttigs deed vandaag. Van onder de faxtafel nam ze een dienblad en zette de mok erop. Ze opende de kast in de hoek van de kamer. Op één van de dienbladen stonden, slordig opeengestapeld, tientallen bordjes met broodkruimels erop en ernaast. Haar blik viel op een glas met koffie. Ze moest op haar tenen gaan staan om erbij te kunnen. Er dreef een dikke laag schimmel in. Dat glas was daar zeker al enkele weken. Gelukkig keek nooit iemand anders in de kast.
In de gang op weg naar het keukentje, dat de Vereniging deelde met een vijftal andere instellingen, was het schemerig. De beheerder van het gebouw, door haar steevast de hospita genoemd, zag het als zijn belangrijkste taak de beheerskosten zo laag mogelijk te houden. Daarom hingen er 15-watt lampjes in de gang en was het closet in de wc zo zuinig afgesteld dat er te weinig water was om de gemiddelde drol weg te spoelen.
Ze kwam andere mensen tegen die op weg waren naar huis. Bijna allemaal droegen ze korte jacks in sportief bedoelde kleuren.
Naar een enkeling knikte ze. De oude man van de vrijwilligersstichting negeerde ze zoals altijd. Hij deed de hele dag niets anders dan door de gang lopen en schreeuwen. Dat stond haar tegen, ze hield niet van mensen die lawaai maakten.

In de keuken pakte ze de afwasbak en afwasborstel uit het gootsteenkastje. De zwarte haren van de borstel waren helemaal geplet. Schoon zouden de kopjes en de borden niet worden met dat versleten ding, maar in ieder geval zou het servies er beter uitzien zonder dat aangekoekte vuil.
Plotseling was er een grinnikend gesnuif achter haar. Ze had het kunnen weten: Kees was er nog wel. Ze goot het glas met koffie en schimmel leeg en keek hoe het dikke vel in stukjes uiteenviel en in het gootsteenputje verdween.
Hij giechelde.
"Vies!" Hij wees op de verdwijnende vlokken schimmel. Op zijn gezicht stond de stupide grijns waarmee hij haar altijd tegemoet trad. De rand van zijn witte trui raakte nauwelijks de band van zijn broek. De mouwen reikten slechts tot halverwege zijn onderarmen. Zijn degelijke herenpantalon daarentegen zat hem veel te ruim. Het kruis hing tot halverwege zijn dijen. Hij rook alsof zijn moeder hem net in bad had gedaan en zijn babybilletjes met talkpoeder had bestrooid om luieruitslag te voorkomen.
Hij stapte op het aanrecht af en zette zijn twee mokken erop. Zijn handen zette hij in zijn zij. Afwachtend keek hij haar aan.
Nu zou ik iets moeten zeggen, dacht ze, want dat is sociaal. Ik moet hem het gevoel geven dat hij er bij hoort. Van een van zijn collega's had ze gehoord dat zijn ouders erg blij waren dat hij een baantje had gevonden. Hij was vooruit gegaan door de contacten op zijn werk, naar het scheen.
"Lekker aan het afwassen?" klonk zijn lijzige stem alsof hij teveel gedronken had. Het zouden de medicijnen wel zijn waar zijn tong zo van opzwol.
"Hmmm," deed ze in de hoop dat hij zijn mond zou houden en zou verdwijnen. Hij kwam echter nog dichterbij. Ze kon zijn lichaamswarmte voelen. Driftig schrobde ze de resten van de kwekkeboomkroketten van de bordjes.
"Altijd die afwas," verzuchtte hij. "Ik was ook het kopje van Toos af, want ik vind Toos aardig. De anderen ook wel, hoor. Maar die moeten het zelf maar doen. Dat is beter, ik doe al zoveel."
"Hmmm," deed ze weer. Ze deed een stap opzij. Hij schoof in haar richting.
"Kopiëren, naar de postkamer lopen, setjes nieten. Het houdt maar niet op. Soms kom ik beneden met een stapel kopieën en dan zeggen ze meteen: kan je dit even kopiëren? En dan loopt de machine vast, de machine loopt altijd vast als ik ermee bezig ben."
"Ja, ja," zei ze en ze begon met afdrogen.
"Jouw water is vies!" zei hij verwijtend. "Anders had ik het kunnen gebruiken. Ik heb maar twee kopjes!"
"Je kunt er zo bij. Ik ben bijna klaar."
"Dat is maar goed ook, want het gaat regenen. Wil je weten hoe ik dat weet, dat het gaat regenen?"
Zonder haar antwoord af te wachten tilde hij zijn trui en hemd op en wees op een litteken, dat dwars over zijn maag liep.
"Dan gaat het trekken. Eerlijk waar." Een lach als een rochel klonk van achter uit zijn keel.
Donder toch op, man, dacht ze.
Zijn collega Wiesje verscheen in de deuropening. Snel trok hij zijn trui naar beneden.
"Dag Kees, tot morgen," zei Wiesje. Hij keek op zijn horloge.
"Het is al over vijven!" riep hij uit. Hij verliet de keuken. Zijn onderhemd hing over zijn broek.

Ze droogde haastig verder af want ze wilde weg uit het muffe kantoorgebouw.
Even later gingen de haren in haar nek overeind staan: vlak achter haar was zijn gesnuif, sneller nu dan anders.
Ze draaide zich abrupt om. Kees keek haar aan en likte zijn lippen. Hij had zijn jas aan. In zijn rechterhand hield hij een plastic tas. De knokkels van zijn vuist waren wit. Hij sloot de deur achter zich.
"Ik wil je alles vertellen," sprak hij met hese stem. "Alles van de operatie en wat ik van mama en papa heb gekregen. Dan moet je me zoenen."
Zijn massieve lichaam blokkeerde de weg naar de deur.
"Ik denk er niet over. Laat me gaan."
Hij schudde zijn hoofd. Zijn grijns liep van oor tot oor.
"Eerst vertellen. Jij laat me nooit vertellen. Dat is niet goed. Je moet me laten vertellen."
"Ik moet naar huis, eten. Vooruit, ga aan de kant."
Hij stampvoette.
"Lieg niet! Jouw moeder is dood. Dat heeft Toos me zelf verteld. Waarom zou je naar huis moeten als je geen mama hebt?"
Hij greep haar bij de arm en bracht zijn gezicht vlak bij het hare. Zijn adem rook naar zuurtjes. Op de gang was het doodstil. Iedereen was kennelijk naar huis. Gillen zou geen zin hebben.
"Je doet me pijn!" zei ze.
"Dan moet je maar luisteren." Hij draaide haar arm op haar rug en dwong haar op de grond. In kleermakerszit ging hij tegenover haar zitten. Hij trok zijn jas uit, vouwde die op en legde hem naast zich neer. Weer schoof hij zijn trui omhoog.
"Hierdoor weet ik alles," zei hij terwijl hij op het litteken wees. "Alles voel ik van tevoren en dan gebeurt het echt. Soms trekt hij naar links, soms naar rechts. De pijn kan stekend zijn, en ook wel zeurend, zoals kiespijn."
"Ik wil het niet weten," gromde ze. "Ik wil hier weg."
Hij schudde zijn hoofd en legde zijn vinger op zijn lippen.
"Jij moet luisteren. Weet je wat ik vandaag voelde?"
"Man, hou op met dat gezeik en donder op!" schreeuwde ze.
De grijns verdween van zijn gezicht. Zijn ogen kneep hij toe tot spleetjes.
"Jij moet niet zo brutaal zijn," zei hij. Hij zwaaide met zijn vinger als een ouderwetse dorpsonderwijzer. Hij kwam nog dichterbij.
"Ik voelde dat wij gingen trouwen, jij en ik. Hij trok links opzij met een steek. Daarom wist ik het."
Ze probeerde op te staan, maar vliegensvlug nam hij haar bij de schouders en drukte haar neer.
"Blijf hier! Je zult met me trouwen, want tegen het lot kun je niets ondernemen. Dat zegt mijn moeder altijd."
Het was nog steeds stil op de gang. De schoonmaakploeg zat vast nog te roken in de vestibule. Gewoonlijk zorgde ze er voor dat ze de schoonmakers niet tegenkwam. Nu konden ze wat haar betreft de gang niet snel genoeg vullen met hun rauw gebrul.
De grijns was weer terug.
"Als we getrouwd zijn, moet je wel afwassen. Iedere dag, ook het kopje van Toos." Hij giechelde. "Dat zou mooi zijn! Ik mag dan lekker al naar huis en jij moet eerst afwassen. En daarna koken als je thuiskomt natuurlijk. Ik ga de krant lezen of naar studio sport kijken. Ik houd niet zo van voetbal, maar als we getrouwd zijn wel natuurlijk."
"Ach, hou toch je bek, malloot!" Waarschijnlijk was dit niet de beste manier om hem bij zinnen te krijgen, maar het was eruit voordat ze het wist.
"Ik ben geen malloot!" krijste hij. "Mijn hoofd werkt niet zo snel en daar kan ik niks aan doen. Ik doe juist erg mijn best."
Hij begon te snikken zonder zijn blik van haar af te wenden. Huilend kroop hij naar haar toe en omarmde haar. Het was een knellende greep. Zijn babyzeepgeur was verstikkend.
"Toe Kees, laat me nou los!" smeekte ze.
"Nee!" Hij veegde zijn neus af aan haar trui. Die zou ze meteen weggooien als ze thuis was.
"Je bent gemeen," vervolgde hij. "Je mag niet gemeen zijn tegen je man. Die moet je respecteren."
In de gang klonk een geluid alsof iemand bezig was met een stormram alle deuren in te beuken. Even later ging een radio aan. Keiharde popmuziek denderde door het gebouw. Kees legde zijn hand op haar mond.
"Ze mogen ons niet horen," fluisterde hij. "Anders houden ze ons tegen. Ze mogen ons niet tegenhouden."
Zijn hand klemde haar kaken samen. Ze was bang dat haar tanden zouden knappen. Ze trapte. Aanvankelijk raakte ze hem slechts schampend.
"Niet doen!" siste hij. "Je doet me pijn." Ze trapte harder.
"Au!" schreeuwde hij. Hij liet los en greep naar zijn been.
"Au, dat doet zeer, zo'n zeer," jammerde hij.
Ze sprong op. De deur werd geopend door de schoonmaker die haar kamer altijd deed. Een muizig mannetje met een bleek, pukkelig gezicht.
"Wat is hier aan de hand?" vroeg hij. Hij keek naar Kees die nog steeds op de grond lag met zijn handen om zijn getroffen been. Zijn trui was tot borsthoogte opgekropen.
"Jezus!" riep de schoonmaker uit. Hij blikte loensend naar haar.
"Kun je wel tegen zo'n ongelukkige?" bitste hij haar toe. Ze duwde hem opzij en rende de gang in.
"Zo'n lelijk, oud wijf. Gadverdamme, wat een smerigheid!" riep hij haar na.

© Petra Oomen

oktober 2000

homepage PetraO.