Het kwam ineens. In haar hoofd
nestelde zich een doffe leegte, een soort zwart gat, dat haar langzaam
uitholde. Ze stond daar in het warenhuis en het leek onmogelijk om snel
naar de uitgang te lopen en deze stad, die haar toestand leek te verergeren,
te verlaten. Ze moest er weg, maar ze kon niet. Haar benen weigerden hun
normale functie uit te voeren en ook over haar handen had ze geen zeggenschap
meer, zodat ze niet in staat was haar tas, die bij de cd-toren stond, op
te pakken. Zo-even had ze nog met belangstelling de cd's bekeken die daar
stonden. Nu konden ze haar niet meer boeien. Radeloos trachtte ze haar
hulpeloosheid te verbergen voor het overige winkelende publiek, dat links
en rechts langs haar heen schoot. Uiteindelijk, met een vleugje moed dat
zich tot dan toe ergens verscholen had gehouden, greep ze haar tas en liep
ze voetje voor voetje naar de draaideur.
Op straat, waar het plensde,
liepen gelukkig niet veel mensen. De enkeling die ze wel tegenkwam, leek
dwars door haar heen te lopen, alsof ze niet bestond en het gevoel dat
hij op die manier ook nog bezit nam van het weinige dat van haar over was,
was ondragelijk. Ze voelde hoe het harnas, dat haar een aantal jaren geleden
bijna gewurgd had, haar weer begon te omringen. Het zou haar langzaam maar
zeker elke ruimte ontnemen, totdat ze bijna stikte. Bijna, nooit helemaal.
Ze wist wat de nabije toekomst
haar zou brengen: slapeloze nachten, het kussen stevig tegen zich aangedrukt
om de angst die haar vanuit haar borstholte toeschreeuwde te dempen. IJsberend
door haar kamer in de vroege ochtend, bezweringen prevelend om vernietigende
gedachten over daden waarmee ze zich een onvergefelijke schuld op te hals
had gehaald te verdrijven. Als de zon scheen, zou ze alleen de schaduw
zien. De kleurigheid van een mooie dag zou vervagen tot een herinnering
aan een beeld, dat er eens geweest moest zijn, maar nu voorgoed verdwenen
was. Ze wist dat ze dat alles niet nog een keer zou verdragen.
Toen ze het touw aan de balk
op zolder vastmaakte, was het al laat op de avond. Even overwoog ze eerst
te gaan slapen, en morgen te gaan hangen. Ze was namelijk al moe van alle
voorbereidingen en vooral van het nemen van het besluit. Maar wilde doorzetten:
gedaan was tenslotte maar gedaan, dan kon ze weer met schone lei beginnen.
"Met schone lei beginnen?", dacht ze. Over luttele seconden zou ze er helemaal
niet meer zijn; dan hing er een vormeloze zak van huid en bloed met uitpuilende
ogen en een paarse tong op de zolder van een doorsnee huurwoning. Dan was
zij voorgoed voorbij, verdwenen in het grote niets.
Ze ging er even bij zitten.
De kruk wankelde; ook dat nog. Alles in haar leven was kapot of krakkemikkig.
Niets deugde. Goed beschouwd was dit al de grote leegte waar ze straks
naar toe dacht te gaan. Ze had niets te verliezen, alleen maar te winnen.
Maar toch deed ze niet wat zo voor de hand lag: op de kruk stappen, de
strop om haar nek leggen en sterven. Ook het sterven leek plotseling van
elke aantrekkelijkheid ontbloot: het zou haar niet kunnen troosten.
Er was geen andere mogelijkheid
de komende maanden, of misschien wel jaren, door te brengen als een ongewenste
bezoeker op een vreemde planeet.