Rauw vlees

Rauw vlees
Ik werd bezweet wakker. Naast mijn bed lag het laken verkreukeld
als een stuk papier dat in woede was verfrommeld en weggegooid. Op het
rode behang met gouden bloemen liep een brede baan zonlicht. Mijn hoofd
bonkte. De zomer drong verstikkend de kamer in, maar ik kon het raam niet
openen vanwege de herrie op straat die vast dadelijk zou beginnen.
Ik ging rechtop zitten en woelde door mijn haar, dat plakkerig aanvoelde
alsof er een fles limonadesiroop over was gegooid. Tussen de vuile glazen
en aangekoekte borden lag mijn horloge. Ik nam het op en hield het dicht
bij mijn ogen om te kunnen zien hoe laat het was: zeven uur pas. Veel te
vroeg om wakker te zijn. Ik wilde slapen tot het tijd was om weer op stap
te gaan, tot mijn mond niet meer aanvoelde alsof er een prop kranten was
ingestopt, totdat mijn handen niet meer trilden.
Uit mijn leren schoudertas, die ik alleen voor mijn werk gebruikte,
haalde ik het doosje mogadons, dat ik van mijn moeder had gekregen. Zij
voorzag de hele familie van slaaptabletten. De huisarts schreef elk recept
uit waar ze om vroeg. Soms, bij veel slapeloosheid in de familie, moest
ze drie keer in dezelfde week naar de apotheek. Af en toe gebruikte ik
het spul overdag, omdat ik er zo heerlijk relaxed van werd, dat mijn baantje
op de boekhouding van de kappersschool zo vervelend niet meer leek.
Nu slikte ik er drie tabletten weg met een paar slokken jenever.
Een uur of acht zou ik daarmee wel onder zeil zijn. Daarna zou mijn kater
verdwenen zijn en kon ik de volgende weekendavond weer aan.
Ik trok het T-shirt aan dat naast mijn bed lag en ging naar de wc,
die beneden was in het domein van mevrouw Dvorcac, de hospita. Ze stond
altijd laat op en sliep als een blok. Gelukkig maar, want 's nachts liepen
er stoeten minnaars en minnaressen van de kamerbewoonsters over de trap,
ondanks mevrouw Dvorcacs verbod op logés. Zij was niet tegen seks,
maar ze vond dat we dat maar overdag moesten doen, anders zou de buurt
nog gaan denken dat ze een bordeel runde. Ze nam alleen meisjes op kamers,
want die waren netter.
De meisjes die op zolder woonden hadden hun eigen wc. Alleen ik
moest gebruik maken van het sanitair van de familie Dvorcac. Altijd als
ik moest pissen, luisterde ik boven aan de trap of mevrouw Dvorcac in haar
keuken stond. Vaak was dat het geval en dan was het, afhankelijk van de
nood, zaak om even te wachten of om me naar beneden te snellen en de wc
in zien te komen voordat ze wat tegen me zou kunnen zeggen. Als dat al
lukte, stond ze meestal in de gang op me te wachten tot ik de wc uitkwam.
Zodra ze me zag, begon ze te praten. Vaak over meneer Dvorcac die weer
eens niet was thuisgekomen omdat hij zijn nachten liever doorbracht met
vrienden uit zijn vaderland dan met haar, soms over de andere bewoners,
die zich erg bot tegen haar opstelden, vond ze. Geen woord kon er af. Een
enkele keer begon ze over de troep in mijn kamer, die ze van tijd tot tijd
inspecteerde als ik er niet was. Een sleutel van de kamer had ik niet.
Mevrouw Dvorcac vond dat ze elke ruimte in haar huis mocht betreden, ook
al betaalden wij huur.
Ik bleef altijd beleefd en vriendelijk tegen haar, want ik was bang
dat ze me anders het huis uit zou gooien en dat ik terug zou moeten naar
mijn ouders. Ik ging nog liever dood. Dat ik het daar meer dan zeventien
jaar had uitgehouden, was niet minder dan een wonder. Leven bij mensen
die niets anders deden dan wachten op de dood. Hun voornaamste vermaak
was mij het leven zuur maken: waar ga je naar toe, trek toch eens een rok
aan, jij bent altijd al merkwaardig geweest, je moest je niet zoveel verbeelden.
De kust was op dit uur nog veilig. De keuken van mevrouw Dvorcac
zat op slot: zij was bang dat wij 's nachts haar koelkast zouden plunderen.
Ik opende de wc-deur en een zurige stank kwam me tegemoet. Beelden van
de vorige avond drongen zich aan me op. Vannacht had ik Amelie mee naar
huis genomen. In de laatste bar waar we waren geweest, had ze steeds tegen
me aangehangen.
"Weet je dat ik je een stuk vind," lispelde ze.
"Ik voel me vereerd," zei ik. Iedereen vond mij een stuk met mijn
lange, blonde haar en mijn onschuldige meisjesgezicht. Zojuist had Trees
mij nog tegen de muur gedrukt en gesist: "Ik naai je tegen de muur. Ik
word zo geil als een bos uien van je."
"Mag ik met je mee?" vroeg Amelie.
"Nee!"
"Waarom niet? Zeker om Helga. Die moet jou niet. Je kunt beter met
mij mee gaan, dan zal ik je troosten."
Ik haalde mijn schouders op en vroeg of ze nog wat wilde drinken.
Helga had me die avond duidelijk gemaakt dat ze niks in mij zag. Nadat
ik haar had gevraagd of ze met me wilde dansen, zei ze:
"Jij geeft ook niet snel op, hè? Ik heb genoeg van dat geclaim
van jou. Je lijkt wel een loops teefje."
Ik schrok terug en mompelde: "dan niet", maar haar woorden bleven
door mijn hoofd denderen. Aan de bar bestelde ik mijn tiende pilsje van
die avond. Toen ik terugkeerde naar het tafeltje was Helga verdwenen. Trees
was er nog wel. Ze keek lodderig voor zich uit. Alleen Amelie was nog min
of meer wakker.
Toen het COC sloot, was ze met me meegegaan langs de kroegen die
de hele nacht open waren. Kroegen waar potige uitsmijters voor de deur
stonden die je niet binnen lieten als je gezicht hun niet aan stond, waar
tubes glijmiddel achter de bar lagen en waar vluchtig geneukt werd in de
wc, waar het altijd donker was, zodat je de puisten, rimpels, rotte tanden
van de ander niet zag, zodat de ander de gesprongen aderen in je oogwit
niet zag of de blauwe wallen onder je ogen. Helga was nergens. Natuurlijk
niet, ze moest op tijd terug zijn voor de oppas.
"Waarom doe je toch zo stug," zei Amelie in de laatste kroeg die
we aan deden. "Ben je soms verlegen? Je kan met mij mee gaan. Dan slapen
we op de bank. Mijn ouders zijn dit weekend weg."
Ze was klein en gedrongen en ze had rode appelwangetjes. Ze woonde
bij haar ouders terwijl ze al achttien was, dus er moest wel iets mis zijn
met haar.
"Ik peins er niet over," zei ik terwijl ik mijn stem beslist probeerde
te laten klinken.
Desondanks zoende ze me op de mond. Ze had dunne, vochtige lippen.
Ik veegde mijn mond af.
"Toe nou," fleemde ze. "Eén keer maar. Wat is daar nou op
tegen. Anders ben je ook niet zo kieskeurig, je hebt iedereen al gehad."
Ik dacht aan Helga. De trut! Ik zou me niet laten kennen. Als ik
met iemand anders naar bed ging in dezelfde nacht waarin zij mij vernederd
had, zou haar dat nog eens achter de oren doen krabben.
"Nou goed," zei ik. "Eén keer dan en je moet niet denken
dat er daarna iets is tussen ons."
We rekenden af en verlieten de bar.
"Prettige nacht nog, dames," wenste de uitsmijter ons toe nadat
we enkele guldens in haar hand hadden gestopt.
Het was al licht. Vogels floten opgewekt hoewel het niet veel meer
kon worden met deze dag. We fietsten slingerend naar mijn kamer. Bij het
huis zetten we onze fietsen vast aan de regenpijp. We slopen de trap op
naar mijn kamer. Daar kleedde Amelie zich direct uit. Naakt stond ze me
nog meer tegen dan aangekleed: een bonk vlees in een vel geperst als een
te vette worst. Ik kleedde me ook uit, ging boven op haar liggen en schoof
wat heen en weer. Alles wat ik voelde, was haar koude huid tegen de mijne.
Amelie verroerde zich niet. Een tijdje luisterde ik naar de vogels. Toen
viel ik in slaap. Ik werd wakker omdat Amelie onder me vandaan schoof.
Driftig trok ze haar kleren aan. Zonder wat te zeggen, smeet ze de kamerdeur
achter zich dicht. Ik zonk even weg in een onrustige slaap.
Nu stond ik voor de ondergekotste plee en wist ik het weer. Vlak
na Amelie's vertrek was ik wakker geworden, naar beneden gerend en had
ik gekotst. Ik moest de smeerboel opruimen voordat mevrouw Dvorcac het
zag. In de keuken op mijn etage zette ik een ketel op. Warm water was daar
niet, dat zou maar tot verspilling leiden volgens mevrouw Dvorcac. Ik leunde
tegen het aanrecht. Alles aan mijn lichaam deed pijn alsof ik drie keer
over de kop was geslagen met mijn fiets. De mogadon begon te werken. Een
aangename loomte trok door me heen en even leek het leven zo kwaad nog
niet.
Ik sopte de wc grondig maar de zurige kotslucht kreeg ik niet weg.
Als de rotzooi maar niet meer zichtbaar was, vertelde ik mezelf, dan kon
het spoor niet naar mij leiden. Nadat ik het sop door de plee had gespoeld,
ging ik weer naar boven.
Daar viel ik al snel in slaap. Twee vrouwen van een jaar of veertig
stonden in een verlichte kring. Ze praatten tegen elkaar, maar ze spraken
te zacht om ze te kunnen verstaan, hoewel het duidelijk was dat ze het
over mij hadden. Hun lange, witte gewaden deinden om hen heen alsof ze
in een lichte bries stonden.
Ineens was ik in een andere ruimte, waar het veel donkerder was.
Aan het einde van een lange gang stond een grote kooi waarin mensen op
elkaar lagen geperst. Ze gromden, hun huid was vochtig en grauw, hun ogen
puilden uit. Er staken armen uit de tralies van de kooi die mij probeerden
te grijpen. In deinsde terug. Ik realiseerde me dat ik droomde maar ik
kon niet wakker worden. De armen bleven naar me reiken. Ik schreeuwde en
viel in een donkere put. Honderden meters zweefde ik naar beneden: wat
was ik licht. Eindelijk werd ik wakker. Mijn hoofdpijn was weg en nu de
zon niet meer op het raam stond, was het veel koeler in de kamer. Weer
dacht ik aan Helga, die mij niet wilde, wat onaanvaardbaar en onbegrijpelijk
was.
Ik kleedde me aan om naar de snackbar te gaan. Het was al te laat
om boodschappen te doen en bovendien hield ik niet van koken. Teveel gedoe.
Als ik uit mijn werk kwam, haalde ik Gado Gado bij de Chinees. Wel saai
vijf keer per week, maar er zaten groenten in dus het was gezond. Bij de
Suma haalde ik dan vier beugelflessen Grolsch. Zo kwam ik de avonden wel
door.
Ik liep naar beneden met een briefje van vijf in mijn zak. Dat moest
voldoende zijn. Ik moest geld overhouden voor nog twee avonden COC met
kroeg na. Op de posttafel lag een brief zonder postzegel voor mij. Ik keek
naar de afzender: Helga! Ik stormde naar boven en scheurde de enveloppe
open: misschien ben ik wat te hard geweest gisterenavond. Ik mag je
echt wel, maar ik zit in zo'n moeilijke positie. Daardoor kom ik soms anders
over dan ik zou willen. Kan je vanavond langskomen? Dan kunnen we praten.
Niet eerder dan een uur of negen want anders zijn de kinderen nog niet
naar bed, liefs Helga.
Het was tien over zes. Bijna drie uur zou ik moeten doorbrengen
in martelende afwachting. Ik besloot een douche te nemen hoewel ik die
week al drie keer was geweest.
"Maximaal twee keer per week douchen," had mevrouw Dvorcac gezegd
toen ik de kamer aanvaardde. "Anders moet je bijbetalen."
In de gang beneden kwam ik haar tegen, wat onvermijdelijk was op
dit tijdstip. Ze droeg twee borden met daarop wat rijst en een roodachtige
saus.
"Heb je overgegeven vannacht?" vroeg ze, terwijl ze me onderzoekend
aankeek. Ik knikte. Ontkennen had geen zin. Wie had het anders kunnen zijn?
Meneer Dvorcac had ze natuurlijk allang aan de tand gevoeld.
"Voortaan moet je dat wel opruimen!" zei ze verontwaardigd. Ze verdween
naar haar huiskamer. Met een gevoel van beklemming stapte ik de douche
in waar ik me grondig waste met groene zeep, ook mijn haar.
In mijn klerenkast rook alles muf. De was deed ik op de hand in
een afwasteiltje waardoor niets echt schoon werd. Helemaal in de hoek van
de kast trof ik een witte broek waar tenminste geen vlekken op zaten. Op
de plank lag een gebloemd nachthemd dat ik best als blouse kon dragen.
De broek zat eigenlijk te strak want ik was dikker geworden de afgelopen
maanden. Ik moest de gulp openlaten, maar met het nachthemd er overheen
zag je er niks van.
Ik probeerde me te concentreren op The golden notebook van
Doris Lessing. Mijn gedachten dwaalden echter telkens af naar Helga. Ik
giste naar de reden van haar uitnodiging. Misschien zou ze eindelijk erkennen
dat ze me onweerstaanbaar vond. Dat ze zo afwijzend was, lag natuurlijk
aan haar schroom die weer voortkwam uit haar teleurstellingen: net gescheiden
en alweer gedumpt door de reden voor haar scheiding: Anna. Vanavond zou
alles goed komen, dat kon niet anders.
Precies om negen uur stond ik bij haar voor de deur. Ze glimlachte
verlegen toen ze me binnenliet, een goed teken. Haar woonkamer was gedempt
verlicht. Tegen de muur stonden kratten met speelgoed.
"Ik had er niet echt op gerekend dat je zou komen," zei ze.
"Waarom niet?"
"Om gisterenavond. Ik was zo hard voor je, zo onaardig. Ik wil je
het uitleggen."
Ze kwam naast me zitten en draaide een shaggie.
"Het is zo moeilijk allemaal," verzuchtte ze.
Ze legde een arm om me heen en bracht haar gezicht vlak bij het
mijne. Het nam monsterachtige trekken aan, alsof ik door een masker naar
haar echte gezicht keek, dat oud en verbitterd was. Ze kuste me.
"Daar ben je toch voor gekomen?" fluisterde ze. "Voor een lekkere
vrijpartij? Dat is toch zeker alles wat je wil?"
Ze grinnikte en kuste me nogmaals.
"Je kan blijven slapen maar als je blijft slapen dan slapen we niet
als je begrijpt wat ik bedoel." Eindelijk zou gaan gebeuren waar ik al
zolang op wachtte. Alleen leek het te laat, want een gevoel van verstikking
greep me bij de keel. Ik keek naar de deur alsof ik een vluchtweg zocht.
"Het is jouw keuze," zei ze.
De bel ging. Geschrokken sprong ze op.
"Dat is Wouter," fluisterde ze. Wouter was haar man die zes weken
geleden de echtelijke woning had verlaten. Bijna elke dag kwam hij langs,
had ze me verteld, en dan verweet hij haar dat ze een heel gezin kapot
had gemaakt. Ze liep naar de gang om de deur open te doen. Ik hoorde ze
mompelen. Af en toe verhief Wouter zijn stem en hoorde ik woorden als kut
en hoer. Pas na een half uur kwam ze de kamer weer in nadat ze de deur
achter Wouter had dichtgedaan. Ze was bleek. Ze ging op de stoel tegenover
me zitten en borg haar gezicht in haar handen.
"Hij is helemaal kapot," zei ze. "Ik heb hem kapot gemaakt."
"Wat een onzin," schamperde ik. "Hij moet niet zeuren. Hij is toch
volwassen, net als jij? Hij moet voor zichzelf zorgen."
"En de kinderen missen hem zo," vervolgde ze me alsof ze me niet
gehoord had. "Vooral Evelien, die vraagt steeds wanneer hij weer thuiskomt."
Met tranen in de ogen keek ze me aan.
"Je moet gaan. Ik heb hem beloofd dat ik niet met je naar bed zou
gaan."
"Wat heeft hij daar nou mee te maken!" bracht ik verontwaardigd
uit. "Jullie zijn toch gescheiden?"
Ze staarde zwijgend voor zich uit.
"Als je het zo ziet, ga ik maar." Ik stond op.
"Sorry," snikte ze. Ze liet me niet uit. Buiten schemerde het. Ik
fietste naar het COC. Amelie zat achter de kas. Zonder me aan te kijken,
overhandigde ze me de gevraagde consumptiebonnen. Toen ik verder liep,
riep ze "Trut!"
|