Overweg

Zoals elke middag zat Tjeerd voor het raam. Om precies zeven minuten
over drie zou de intercity naar Utrecht langskomen.
Nog vijf minuten: hij schonk zichzelf een kop thee in en nam er
een koekje bij omdat het zondag was. In afwachting van wat er komen ging,
nam hij een hap van het speculaasje, dat zacht was en wat muf smaakte.
Dat viel tegen. Het pak stond al een paar weken open in de kast. Morgen
zou hij zijn maandelijkse tocht naar Putten ondernemen waar hij voor een
maand eten in zou slaan. Hij at niet veel. Meestal een blik bonen met jus
erbij uit een kant-en-klaar pakje. Die jus was belangrijk: zonder dat was
eten geen echt eten. Vlees at hij niet meer sinds Jannie aan een hersenbloeding
was bezweken. Vlak na de begrafenis had hij een gehaktbal voor zichzelf
gemaakt, maar het stuk vlees had hem doen denken aan het rottende lichaam
van Jannie in haar graf. Hij stelde zich voor hoe maden zich een weg baanden
door haar vette buik. Gele botten, dacht hij, meer is er na vijf jaar niet
van haar over. Het maakte hem alleen nog maar vaag treurig.
Het begon hard te regenen. Alsof Hij daarboven per ongeluk een sluis
had opengezet. Maar alles wat Hij deed, had een doel, al was dat nog zo
moeilijk te begrijpen. Het water tikte zo hard op de rails dat hij het
binnen kon horen.
Plotseling kwam het ritmisch gebonk van de intercity boven het getik
van de regendruppels uit. De trein was nog ver weg maar over een paar seconden
zou hij langsrazen.
In gedachten hoorde hij de bellen van de oude overweg die dertig
jaar geleden was gesloten toen een paar kilometer verderop een snelweg
was aangelegd met een brug. Nu ging alles automatisch, heel anders dan
vroeger toen hij de wissel moest omtrekken en er tegelijkertijd op moest
letten dat niemand overstak voordat de trein voorbij was. Nooit was er
een ongeluk gebeurd tijdens zijn dienstverband en nooit was een trein de
verkeerde rails opgereden.
Toen hij op zijn vijfenvijftigste met vervroegd pensioen ging, was
de directeur van de NS naar het wachterhuisje gekomen en had hem toegesproken.
Hij had hem geprezen om zijn accuratesse, en het feit dat hij nog geen
dag, zijn plicht had verzaakt. Naast de enveloppe met het extra maandsalaris
had hij een zilveren penning gekregen met daarop een stoomtrein. Die bewaarde
hij in de bovenste lade van het dressoir. Af en toe nam hij hem eruit en
streelde hij het treintje.
De trein kwam voorbij. Vijf verschillende personen had hij kunnen
onderscheiden, maar degene die hij al veertig jaar verwachtte, was er niet
bij. Vroeger kon hij acht tot tien mensen onderscheiden, maar dat lukte
zelden meer. Hij werd ouder. Vijf was voor zijn vijfentachtig jaar geen
geringe prestatie. Natuurlijk zou hij haar zien als ze in de trein zat.
Zij zou er immers alleen in zitten opdat hij haar in de ogen kon zien en
zo goed kon maken wat hij had gedaan?
Aan de overkant van het spoor stonden een vrouw en een kind. Ze waren
doornat. De vrouw droeg een geel, mouwloos T-shirt en een kort groen rokje.
Dat zo'n vrouw zich niet beter kleedde op zondag, daar kon hij niet bij.
Het meisje had een blouse en een spijkerbroek aan. In haar gezicht zag
hij dezelfde scherpe trekken, maar dan gepolijst, als in het gezicht van
de vrouw. Mannelijk bijna. De vrouw zei wat tegen het meisje en wees in
de richting van zijn huis. Ze zochten natuurlijk een schuilplaats. Hij
moest ze helpen. Hij stond op en liep moeizaam naar de deur. Het zitten
zette zijn ledematen op slot tegenwoordig.
Voorzichtig deed hij een stap naar buiten zodat hij onder het afdakje
voor de deur kon blijven schuilen. In het vuile water van het zwembad blies
de wind kleine golfjes. Dat moest hij eens laten dichtgooien. Jaren geleden
had hij het aan laten leggen met het geld van de erfenis van zijn vader.
Jannie trok 's morgens graag een baantje en hij had liever niet dat ze
zo vroeg in haar eentje naar Putten fietste. Hijzelf maakte geen gebruik
van het bad. Nooit zou hij zich buitenshuis begeven met alleen een zwembroek
aan.
Op dat moment sloeg de bliksem in het water. Vlak daarna klonk er
een harde knal. Hij dook ineen, ook al wist hij dat het gevaar al was geweken.
Toen hij opkeek, stonden de vrouw en het meisje nog steeds op dezelfde
plaats, het meisje met een van angst bleek vertrokken gezicht. Hij wenkte.
"Komt u maar binnen schuilen. Klim gewoon over de rails. De volgende
trein komt pas over een paar minuten."
Aarzelend nam de vrouw het kind bij de hand. Samen staken ze voorzichtig
over terwijl ze voortdurend naar links en naar rechts keken.
De vrouw tilde het kind het platform op en liep achter haar aan
het huis in.
"Dit was helemaal niet voorspeld!" zei ze verontwaardigd. "Het zou
de hele dag droog blijven. Droog en zonnig, maar niet te warm. Prima wandelweer."
Ze schudde geïrriteerd het hoofd. Druppels uit haar doorweekte haar
vielen op de vloerbedekking.
"Het weer is nou eenmaal niet te voorspellen," zei Tjeerd. Een volwassen
vrouw die zonder jas de deur uitging, onverantwoordelijk gewoon. En dan
haar kind blootstellen aan een verkoudheid of nog erger, een longontsteking.
Jannie en hij hadden geen kinderen kunnen krijgen, maar hij wist zeker
dat hij veel zorgvuldiger met zijn kinderen zou zijn omgegaan. Een goede
regenjas als ze naar buiten gingen en elke dag levertraan zolang de "r"
in de maand zat.
"Wilt u een kop thee?" vroeg hij, "en de kleine misschien een beker
warme chocolademelk?"
Het kind knikte. De vrouw keek naar buiten met een chagrijnige uitdrukking
op haar gezicht.
"Vooruit dan maar. Voorlopig zal het wel blijven regenen, misschien
nog wel dagen. Damn!"
Ze ging in de oude leunstoel van Jannie zitten. Sinds haar dood
had daar nooit meer iemand gezeten. Tjeerd overwoog een ogenblik of hij
er wat van zou zeggen, maar hij slikte zijn bezwaren weg. Zo'n vreemd mens
zou raar opkijken als hij haar vertelde dat Jannie daar nog altijd zat.
Onstoffelijk weliswaar, maar daarom niet minder aanwezig. Voortdurend liet
zij haar blik op hem rusten en dat kalmeerde hem, haalde de scherpe kantjes
van zijn angst voor de jongste dag. Daar zou de schifting zijn. Hoewel
al voor zijn geboorte was bepaald of hij al dan niet uitverkoren zou zijn,
waren de tekenen van zijn verdoemenis duidelijk. God zou de zonde die hij
had begaan niet toestaan bij zijn uitverkorenen. Die kans was tenminste
klein, al kon een mens het nooit zeker weten. Misschien kwam er een ander
teken, een teken van genade.
In de provisiekast in de keuken vond hij het laatste pak gesteriliseerde
melk. Morgen zou hij er tien kopen in plaats van acht, voor het geval er
nog eens iemand langskwam. Hij zette de melk op een hoog vuur en wachtte
tot ze kookte. Daarna zette hij het gas uit en nam uit het rechterkeukenkastje
de staafmixer, die zat opgeborgen in de doos waarin hij gekocht was. Jannie
was er zo trots op geweest. Hij had hem haar gegeven voor de laatste moederdag
voor haar dood. Ze gaven elkaar altijd wat voor moederdag en vaderdag.
Tenslotte was het niet hun schuld dat ze geen kinderen konden krijgen,
dus ook zij hadden er recht op om eens per jaar in het zonnetje te worden
gezet.
Hij zette de staafmixer in het pannetje en klopte de melk schuimend.
Zo hoorde het, anders kwamen er vellen op. Hij strooide cacao in een beker
en goot daarover de melk. Voor de vrouw schonk hij een kop thee in uit
de pot die er al stond. Weliswaar was de thee een beetje koud geworden
maar ze moest het er maar mee doen. Had ze maar niet zonder jas op pad
moeten gaan.
"Mama, waar ìs mijn vader nou?" vroeg het meisje op drammerige
toon.
"Hou daar nou eens over op!" verzuchtte de vrouw. "Daar zeur je
nou al de hele middag over. Ik weet het niet en ik wil het niet weten!"
Ze had natuurlijk ruzie gehad met haar man, had het kind bij de
arm genomen en was weggelopen. Zonder jas of wat dan ook. Zo ging dat tegenwoordig.
Zo'n vrouw was snel ontevreden, die bleef niet lang als haar iets niet
beviel. Hij moest redden wat er te redden viel. Dat was zijn plicht tegenover
de medemens in nood.
"In elk huwelijk is er wel wat, mevrouw. U moet straks teruggaan
naar uw man en dan met hem praten."
"Ik ben niet getrouwd," zei de vrouw afgemeten. "Nooit geweest.
Gelukkig niet, mag ik wel zeggen."
"Maar een kind moet een vader hebben!" riep Tjeerd geschokt uit.
"U kunt haar niet zomaar een vader onthouden omdat u dat toevallig goed
uitkomt!"
Hij zweeg abrupt. De pot verweet de ketel dat hij zwart zag. Misschien,
dat was zelfs heel waarschijnlijk, liep er door zijn toedoen ook een vaderloos
kind rond. Die zou nu veertig zijn maar dat maakte niet uit. Als je geen
vader had, miste je de helft van je geschiedenis en het was onmogelijk
om daar ooit overheen te komen.
"Daar word ik nou zo moe van," zei de vrouw. "Dat geleuter over
dat een kind een vader nodig heeft. Dat hoor ik nou al vanaf het moment
dat zij geboren werd. Nou, neem maar van mij aan: die vader van haar kan
ze beter kwijt dan rijk zijn, want het was een grote hufter."
Ze deugde niet. Een normale, fatsoenlijke vrouw praatte niet zo.
Nu hij er op lette, zag hij het kwaadaardige in haar houding. Ze was net
een hyena die wachtte op de laatste stuiptrekkingen van haar prooi. Ze
ging vast over lijken. Misschien had ze haar man wel vermoord, daar zou
hij helemaal niet vreemd van opkijken. Deze vrouw was verwekt met duivelszaad,
dat kon je aan alles merken. Haar schaarse kleding, haar vuile praat.
Plotseling brak het zweet hem uit. Hìj had duivelszaad gespoten
veertig jaar geleden! Zwart zaad was het geweest dat voortkwam uit zondige
wellust. Hij had zich geil op de eerste de beste vrouw gestort die zich
aan hem had aangeboden, alsof hij Jannie geen eeuwige trouw had gezworen.
Vaak verscheen ze nog in zijn dromen, de vrouw die op een zonnige
dag in 1960 langs de rails liep. Er was net een trein langsgekomen en omdat
het mooi weer was, slenterde hij nog een stukje in de richting van de bramenbosjes.
De trillende hitte maakte hem jong en hij floot.
Zijn ogen dwaalden langs het spoor en even ergerde hij zich aan
het wc-papier dat tussen de rails lag. Dat ze nou niets anders konden verzinnen
dan zo'n gat in de bodem van de trein. Vlak buiten de rails lag een wit
geval. Hij liep er nieuwsgierig naar toe en raapte het op. Direct gooide
hij het walgend weg. Het was een wc-borstel die eens wit moest zijn geweest,
maar nu plakte er een vettig gele substantie op het plastic. Tussen de
haren zaten stukjes uitwerpselen.
"Gadverdamme, dat mensen zoiets smerigs langs de weg gooien!" riep
hij uit. Natuurlijk was het ding daar neergesmeten door iemand uit het
dorp die niet kon wachten op de wekelijkse vuilophaaldienst.
"Inderdaad, je vraagt je af in wat voor wereld we leven."
Geschrokken, want hij had niemand horen lopen, draaide hij zich
om. Hij keek in de ogen van een vrouw. Ze droeg een donkerblauw mantelpak,
dat wel een soort uniform leek. Haar witte blouse was tot en met de bovenste
knoop gesloten. Ze was struis, bijna dik en ze had blond haar, dat piekerig
tot op haar schouders viel.
"Ik haat vuil," zei ze met een raspende stem. "Vuil en verloedering,
de gesels van deze tijd."
Ze deed een stap in zijn richting.
"Jij bent schoon, een schone man en bovendien in uniform. Waar vind
je die nog tegenwoordig."
Ze kwam nog dichterbij en legde haar hoofd op zijn schouder. Hij
wilde haar van zich afschudden maar het leek of hij door een magneet aan
haar verbonden was. Hij kon zich niet verroeren.
"Bij mij zijn ze altijd in het wit, " fluisterde ze giechelend.
"Saai is dat, wit, jij bent gelukkig niet in het wit."
Haar hand ging over zijn borst via zijn buik naar zijn kruis. Hij
schaamde zich voor zijn erectie. Ze tilde haar rok op. Ze droeg geen onderbroek.
"Kijk, ik ben ook schoon." Weer giechelde ze. Hij liet zich meevoeren
naar de bosjes. De doorns van de bramenstruik prikten in zijn uniformjasje.
Ze ging liggen en dwong hem met zachte hand op zich. Wellust nam bezit
van hem. Ongeduldig stootte hij in haar. Ze kreunde, ze zuchtte, ze klauwde
in zijn rug. Nadat hij was klaargekomen, trok hij zich terug en sloeg de
handen voor zijn gezicht.
"Mijn God, wat heb ik gedaan!" stamelde hij. De vrouw trok haar
rok recht en bleef ontspannen op haar rug liggen.
"Je hebt een kindje gemaakt," zei ze. "Het is goed om een kindje
te maken." Ze wierp haar hoofd achterover en schaterlachte. Schichtig keek
hij om maar Jannie was niet buiten om het huis bezig, zoals hij vreesde.
Hij rende zonder omkijken van de vrouw vandaan. Het duurde weken
voordat hij weer langs de rails durfde te lopen.
Sindsdien had hij onder het juk van wroeging geleefd. Ooit zou zij
terugkomen om hem rekenschap te vragen, dat wist hij zeker. Zij zou met
de trein komen.
Het kon geen toeval zijn dat deze vrouw was verschenen op hetzelfde
tijdstip als de intercity naar Utrecht. Niet zij maar zijn kind was gekomen,
zijn duivelsgebroed. Lopend, net als haar moeder destijds. De vrouw nam
een slok van haar thee.
"Het lijkt me wel eenzaam wonen hier." Daar zou je het hebben. Ze
ging hem uithoren en zodra ze alles van hem wist, zou ze toeslaan met verwijten
waartegen hij geen verweer kon hebben, want hij was schuldig.
"Het gaat wel," mompelde hij. Hij fixeerde haar met zijn blik.
"Iedereen doet in zijn leven wel iets waar hij later berouw van
heeft. Als je berouw toont, maakt dat de zonde toch minder." Het leek wel
of de zondaar in zijn hoofd ineens zelfstandig begon te spreken. De vrouw
keek hem vragend aan. Zijn gezicht werd warm.
"Je lijkt op mij en ook op haar," zei hij. "Dat ik je niet meteen
herkende."
Hij schoof zijn stoel dichter bij de bank en bracht zijn hoofd dichtbij
het hare.
"Je bent gekomen. Al die jaren had ik haar verwacht en niet jou.
Maar nu ben jij er. Ik zal alles bekennen, alles toegeven. Het was mijn
schuld, al werkte zij niet tegen."
De vrouw deinsde achteruit.
"Mama," fluisterde het kind. "Die meneer is gek."
"Stil maar," antwoordde de vrouw, eveneens fluisterend. "We gaan
zo weg."
Ze dachten zeker dat hij hen niet kon horen. Maar hij zou haar niet
laten vertrekken voordat ze alles gehoord had, voordat hij alles verteld
had zodat ze hem vergiffenis kon schenken.
"Nee, je moet blijven," zei hij. Hij deed de kamerdeur op slot en
stak de sleutel in zijn zak. Het onweer werd steeds heviger, dus er was
weinig kans dat ze zouden vluchten, maar hij kon beter het zekere voor
het onzekere nemen nu het er op aankwam.
De vrouw sprong op en nam het meisje bij de hand.
"Laat me onmiddellijk gaan, of ik roep de politie!"
"Rustig nou," zei Tjeerd. Hij viel op zijn knieën. De pijnscheut
die via zijn benen naar zijn rug trok, moest het begin van loutering zijn.
Zijn lijden duidde erop dat vergiffenis nabij was. "Laat me vertellen wat
er is gebeurd. Ik had je nooit mogen laten stikken, ik had voor je moeder
en jou moeten zorgen. Uiteindelijk zou Jannie me hebben begrepen, me zelfs
hebben gerespecteerd om mijn oprechtheid."
Tranen welden op uit een lang verwaarloosde bron. Hij greep naar
de benen van de vrouw die net op tijd wegsprong. Ze keek op hem neer met
een mengsel van verschrikking en minachting. Het kind klampte zich vast
aan haar rok en rilde.
"Vergeef me, vergeef me toch!" jammerde hij. Hij borg het hoofd
in de handen en snikte onbedaarlijk.
Hij schrok op toen hij een klik hoorde bij het raam. De vrouw was
bezig erdoor te klimmen. Het kostte haar moeite om zich over de hoge vensterbank
te wringen. Haar rok was omhoog gekropen, zodat haar onderbroek zichtbaar
was. Tjeerd probeerde op te staan, maar een hevige pijn in zijn rug weerhield
hem daarvan.
Het lukte de vrouw om naar buiten te komen. Ze trok het kind aan
haar armen door het venster. Tjeerd kroop naar de deur en hees zich op
aan de deurklink. Hij strompelde naar buiten, zijn hand op de pijnlijke
plek op zijn rug.
De vrouw stond met haar rug naar het zwembad.
"Ga weg, monster, of ik zorg ervoor dat je wordt opgesloten!" gilde
ze. Hij deed een stap naar voren. Hij moest haar duidelijk maken dat ze
niets van hem te vrezen had. Integendeel, ze had haar vader gevonden. Haar
leven zou erop vooruitgaan, als ze maar wilde luisteren.
"Blijf uit mijn buurt, griezel!" riep ze.
Ze stapte achteruit en struikelde over de schoenen die op de rand
van het zwembad stonden. Jaren geleden had hij die in de bosjes gevonden.
Maat 46 waren ze. Hij had ze daar neergezet omdat hij hoopte dat inbrekers
en roofovervallers zich wel twee keer zouden bedenken als ze een grote
kerel in het wachterhuisje vermoedden.
Met een plons verdween ze in het water.
"Mama!" gilde het kind.
Tjeerd rende zo goed en zo kwaad als het ging naar het zwembad en
sprong erin. Toen hij boven kwam, was ze het water alweer uit.
"Kom gauw!" riep ze tegen het meisje terwijl ze naar zijn oude fiets
bij de schuur holde. Die had hij al zeker vijftien jaar niet meer gebruikt.
Ze klom er op en met haar linkerarm sleepte ze het kind op het bagagerek.
Ze fietste slingerend weg. De banden stonden al jaren leeg zodat ze op
de velgen moest rijden. Piepend ging de fiets de hoek om in de richting
van de weg.
|