NaNoWri2007, PetraO.
Pallas Vesuvius sjokte naar het buurthuis, waar de eerste
volksrechtzitting van die maand zou plaatsvinden. Ze zag er tegenop en vroeg
zich voor de honderdste keer af waarom ze zich had opgegeven voor dit werk. Het
was waar: je moest wat nuttigs doen met je leven en, belangrijker, een pilsje
kostte er maar een euro, maar was het dit alles waard geweest, zat ze niet
volledig op een verkeerd spoor.
Toen de volksrechtspraak was
ingesteld, had ze al getwijfeld. Weliswaar had geen enkele uitspraak van deze
rechtbank enige bindende kracht. Geen veroordeelde kwam in de gevangenis, geen
hinderlijke buurtgenoot werd uit zijn huis gezet, geen boete werd ooit
uitgedeeld. Maar toch hingen de oordelen zwaar aan haar. Dat zij in dezelfde
buurt woonde als de verdachten die ze wekelijks voor haar tafel kreeg, hielp
daarbij wel. Het viel tenslotte niet mee om de buurman tegen te komen die je
zojuist nog had veroordeeld tot het weghalen van een struik of het opruimen van
de met maden beklede vuilniszakken in zijn tuin.
Echter, bij de instelling van deze
vorm van gedemocratiseerde rechtspraak had Pallas zich in een crisis bevonden,
een existentiële crisis. Haar werk bij de officiële rechtbank, waar wel
moordenaars en andere ordeverstoorders de gevangenis in werden gestuurd,
roestte vast. Ze had niet meer de flair uit haar beginperiode, toen ze vaak –
als het tijdstip daar was voor de uitspraak -
bijna uit puur enthousiasme uit haar stoel gesprongen was en, priemend wijzend
naar de verdachte, haar oordeel uitgesproken had. Tien jaar cel. Tweeënvijftig
weekenden taakstraf. Vrijspraak wegens gebrek aan overtuigend bewijs. Dat
laatste kwam nog het vaakst voor – steeds vaker naarmate de jaren vorderden
- en dat was één van de redenen waarom
haar werk zo moeilijk was geworden. Al die verdachten die door het Openbaar
Ministerie voor het gerecht werden gesleept, soms leek het wel alsof ze
willekeurig wat mensen van straat hadden gehaald. Die zogenaamd hun hele
verpleegafdeling hadden vermoord. Want er waren in de periode dat de verdachte
er werkte zoveel mensen gestorven. Ja, dank je de koekoek, op een afdeling voor
terminale kankerpatiënten! Of een moordwapen, dat als bewijs werd aangevoerd.
Daar was vaak geen bewijs aan te ontdekken. Eén keer had een officier van justitie
een blauwgeblokte theedoek als moordwapen willen inbrengen. Een oude moeder zou
daarmee gewurgd zijn door haar zwakbegaafde dochter, toen zij had geweigerd
deze een lolly te geven. Het had Pallas sterk geleken. Zo had ze dat gezegd,
en, het was al lang na de tijd van haar rillend enthousiaste taakuitoefening,
de verdachte met een vermoeid gebaar de deur gewezen.
Sinds enige jaren zat ze haar
dagen uit. Soms wond ze zich nog op, zoals die keer dat het voltallige kabinet
probeerde aan te tonen dat de Minister van VWS werd bedreigd door een
terrorist, maar steeds vaker liet het haar koud wat er gebeurde. En dat was
geen goede ontwikkeling.
Een paar jaar geleden – Pim
Fortuyn lag nog begraven in Noord-Holland of lag hij toch al in zijn praalgraf
in Italië, ze wist het niet meer – had de kersverse Minister-president, die met
dat brilletje en het gereformeerde kapsel, ze vergat de naam altijd weer,
geopperd dat de mensen meer moesten worden betrokken bij hun omgeving. Hun
gezin natuurlijk, maar ook hun buurt. Ze konden de handen uit de mouwen steken,
door zonodig de buurvrouw een kopje soep te brengen en dan meteen de wc schoon
te maken. Dat bespaarde allemaal geld en het bevorderde de gemeenschapszin.
Daar moest natuurlijk wel iets tegenover staan. Ze moesten meer invloed hebben,
geen echte invloed uiteraard want daar waren de professionals voor en wat moest
je daarmee beginnen als je alles liet bepalen door Jan en Alleman, maar een
raadgevende invloed. Allerijl werden er referenda georganiseerd om het volk te
laten kiezen uit twee burgemeesters die in alle opzichten zo aan elkaar gelijk
waren dat ze voor eeneiige tweelingen konden doorgaan, werden er mensen die
overduidelijk tot het volk behoorden – schreeuwerige truitjes, tatoeages en een
bulkend stemgeluid – in praatprogramma’s uitgenodigd om politici nu eens
precies te vertellen wat er anders moest. Een andere maatregel was het
instellen van volksrechtbanken. Die zetelden in de buurthuizen en behandelden
kwesties en daden die mensen wel degelijk erg dwars konden zitten, maar die
zich niet leenden voor strafrechtelijke vervolging. De volksrechtzaken moesten
wel behandeld worden door echte rechters – je kon het volk niet al te erg
bedotten natuurlijk, door zomaar de slager of de melkboer of, vooruit de filiaalhouder
van Albert Heijn op die stoel te zetten – en er was een dringend beroep gedaan
op alle rechters. Pallas had zich uiteindelijk opgegeven. Tenslotte was het
weer eens wat anders en als ze terugkwam van de echte rechtbank was ze vaak zo
afgemat dat ze met een fles wijn voor zich op de salontafel op de bank
neerplofte en de hele avond niet meer overeind kwam. Het leven moest toch meer
te bieden hebben. Daar kwam bij dat ze weleens met eigen oren wilde horen waar
het volk zich aan stoorde. Ze kon dat zelf best verzinnen, daar ging het niet
om, maar het aanhoren was toch een hele andere zaak.
Toen ze bij het buurthuis kwam,
stonden er bij de ingang al veel mensen te wachten. Meestal liep de halve buurt
uit voor een zaak, maar deze keer leek het of de hele buurt op de been was.
Zelfs bejaarden in rolstoelen en baby’s in kinderwagens waren aanwezig. Dat kon
niet anders betekenen dan een zaak die iedereen aan het hart ging. Dat het laat
zou worden en dat ze de volgende dag door iedereen zou worden nagestaard, welke
uitspraak ze ook zou doen.
Natuurlijk had ze vluchtig gelezen
waar het om ging: een vrouw in één van de betere straten van de wijk – de
straat was aan het verloederen, dat wel, maar toch, het bleef één van de betere
straten – irriteerde steeds meer mensen uit de buurt omdat ze bijna dagelijks
naar de bibliotheek ging, regelmatig boeken bij een internetbedrijf bestelde
die dan bij de buren werden bezorgd omdat ze niet thuis was, klassieke muziek
draaide die soms door het open raam te horen was en zelfs op de fiets naar het
werk ging als het regende. Op zich allemaal geen schokkende feiten, waar je als
buurtgenoot nou van wakker moest gaan liggen, maar alles bij elkaar werd het
teveel. De mensen voelden zich bedreigd. Want wat stond er in al die boeken dat
zo boeiend kon zijn dat de vrouw niet bij de zomerse barbecue aanwezig was
geweest? Een enkele buur die een pakje voor haar in ontvangst had genomen, had
eens gekeken wat er in zat (het papier zat los, vertelde hij, hij hoefde er
maar even met zijn vinger langs of hup, het hele boek lag open en bloot voor
hem) en hij vertelde dat het ging om
een boek waar niet door te komen was. De bladzijden waren op een paar regels na
bijna leeg en die regels waren allemaal onbegrijpelijk. “Als het de
Middeleeuwen waren, had ik gedacht dat ze een heks was,” had hij gezegd. “Maar
ik weet natuurlijk wel beter. Het zijn vreemde codes en ik geloof niks van
voodoo of dat soort rare dingen, maar ik geloof wel dat er iets is.” Pallas had
dit hoogstpersoonlijk aangehoord bij de groenteboer, wat op zich niet vreemd
was, want de man vertelde het verhaal wekenlang aan iedereen die het horen
wilde. En ook aan wie het niet horen wilde.
Het zoemde en het gonsde dus. De
mensen vonden ten langen leste dat de vrouw maar eens moest integreren. Ze
woonde nog niet zo heel lang in de wijk – een jaar of tien – en ze moest zich aanpassen aan de bewoners die
er al helemaal vanaf het begin woonden – als laatste die binnenkwam zeg maar.
Zo ging het, zo was het altijd gegaan en zo moest het nu weer gaan. Die muziek
was raar, niet de smaak van de buurt, buurtvreemd zou je kunnen zeggen. Zij was
de enige, of in ieder geval één van de weinigen geweest die niet in de rij had
gestaan om een kaartje te bemachtigen voor een optreden van Frans Bauer in het
buurthuis, terwijl die toen toch dagelijks op de televisie was, met zijn hele
gezin notabene. En sinds de buurtgenoot een blik op één van haar boeken had
kunnen werpen, waren alle boeken die zij in ontvangst nam verdacht. Wat stonden
daar voor raadsels en recepten voor eenentwintigste tovenarij? Dat wilde men
weleens weten!
Daarom hadden ze haar via het
volksgerichtsecretariaat aangeklaagd. Elke zaak die daar werd aangemeld werd
ontvankelijk verklaard. Immers, wat leefde bij het volk was authentiek en er
moest naar geluisterd worden. Anders gebeurden er rampen en hadden we niet al
lang genoeg de signalen van de man en de vrouw op straat genegeerd? Daarom dus.
Pallas zag een beetje tegen de
zaak op. Ze drong zich door de menigte, die maar langzaam plaats voor haar
maakte en begaf zich naar de bar. De barvrouw schonk direct een pilsje voor
haar in. “Betaal straks maar, rechter,” zei ze. “Want u neemt vast nog wel wat,
is het niet?” Pallas knikte en nam een flinke slok. Eigenlijk hield ze niet van
bier, niet als het niet hoogzomer was tenminste, maar wodka werd hier niet
geschonken. Alleen licht alcoholhoudende dranken. Nou ja, de wodka kon ze
achteraf, als alles achter de rug was, innemen. Ze voorvoelde al dat dat deze
nacht meer dan één glaasje zou worden.
In de rechtszaal – die meestal
functioneerde als trimzaal – nam Pallas plaats achter de tafel die op een
verhoging stond. De stukken lagen voor haar, er stond een karaf water op tafel
en er lag een notitieblok. Ik ben benieuwd wie vandaag de advocaat is, dacht
Pallas. Advocaten hoefden geen echte juristen te zijn. Dat mocht desnoods de
oude grootmoeder van de verdachte zijn, iedereen die een goed woordje kon doen.
De verdachte kon ook zichzelf verdedigen, het was maar net hoe het uitkwam.
Vaak was het de enige huisarts die zowel haar praktijk als haar woning in de
wijk had. Zij kende iedereen tenslotte.
Buiten waren ze nog luidruchtig
geweest, maar nu schuifelden de bezoekers één voor één naar binnen. Degenen die
een hoofddeksel hadden gedragen, hadden dat afgenomen, uit respect voor de
rechtbank. Zo hoorde dat tenslotte. Ze namen aarzelend plaats op de houten
versleten klapstoelen. Het kraakte in de zaal, door de stoeltjes en door de
goede schoenen. De buurtbewoners kleedden zich voor de rechtszaken, iets wat ze
voor de meeste andere gelegenheden niet deden. Pallas zag ze tenminste vaak
genoeg in korte broek en mouwloos shirt bij de Chinees zitten.
Toen – eindelijk, het duurde zeker
een kwartier – iedereen een plaats had gevonden en de rolstoelen vlak voor het
podium waren gereden - nam Pallas de
houten hamer en gaf er een klap mee op tafel.
“De verdachte is er niet,” zei ze.
“Laten we nog een paar minuten wachten, want het spreekt zo rottig recht, zo
zonder verdachte.”
Een geroezemoes dat stilaan steeds
luider werd, drong zich op.
“Stilte! Of ik laat de zaal
ontruimen!” dreigde Pallas. Direct was het doodstil. Na een minuut of wat –
Pallas hield de tijd niet in de gaten, want ze bedacht net dat ze geen wijn
meer in huis had en nog maar weinig wodka, hoe moest dat straks als ze thuis
was – ging de deur open en stapte de verdachte binnen.
“Aha, fijn dat u kon komen,” sprak
Pallas oprecht verheugd. “Zo zonder aangeklaagde is het toch een stuk minder
altijd, vind ik, wat u?” Nogmaals gaf ze een klap op tafel met de hamer die zo
lekker in de hand lag, dat ze weleens had overwogen om hem te stelen en zei:
“We gaan beginnen. Mevrouw, kunt u
uw naam en adres noemen?”
De vrouw haalde haar schouders op
en keek om zich heen met een blik van minachting. Pallas kreeg een idee van wat
de buurtgenoten zo ergerde. “Uw naam graag,” verzocht ze nogmaals.
“Beatrice von Trotta,” sprak de
vrouw. “En ik woon aan het morgaveplein, op nummer 11.”
“Juist, ja. Volgens de stukken
wordt u beschuldigd van asociaal gedrag, zoals het lezen van ontoegankelijke
boeken en het niet verschijnen op barbecues. U onttrekt zich aan het
gemeenschapsleven en u heeft zich nog onvoldoende aangepast. Klopt dat?” Pallas
zette haar bril af om te voorkomen dat ze onbedaarlijk in de lach zou schieten.
“Als je die barbecue bedoelt, dat
vreetfestijn met die teringherrie die ze afgelopen juli hielden, toen ze na
afloop straalbezopen op straat liepen te kotsen en ik nog weken door hun
stinkende braaksel moest baggeren, klopt het. Maar ik zie niet in wat daar
verkeerd aan zou zijn.”
“Daar gaat het niet om. Zoals u
weet,” zei Pallas, die zich er wel van bewust was dat ze de vrouw in deze
omstandigheden niet kon tutoyeren. “Uw buurtgenoten storen zich aan uw gedrag.
En zij willen nu graag vernemen waarom u doet zoals u doet.”
Een oude man sprong op, hees zijn
broek op en zwaaide met zijn vuist: “Ze mot zich aanpassen!” riep hij. “Gewoon
doen als iedereen! Zo gaat het niet langer.”
Pallas dreunde met haar hamer op
tafel. “Stil!” riep ze. “U weet de gevolgen. In een mum van tijd is de zaal
hier ontruimd als we zo tekeer gaan.!” De man ging weer zitten.
Beatrice draaide zich om naar het
publiek. “Vertel mij dan maar eens wat voor last jullie hebben als ik in mijn
kamer een boek zit te lezen, met Bach op de achtergrond.”
“Zie je wel,” gilde een vrouw in
een strakke, roze legging. “Nou doet ze het alweer! Bach, wat is dat voor iets!
Dat zegt ze alleen maar om de gewone man buiten te sluiten!” Pallas zakte
achterover. Eigenlijk zou ze haar dreigement moeten waarmaken en de zaal laten
ontruimen, maar de waarheid was dat ze dat niet aandurfde. Ze zou wekenlang,
misschien wel maandenlang met de nek worden aangekeken als ze dat deed.
Misschien zou ze zelf wel terecht moeten staan. Nog nooit had ze haar publiek
weggestuurd, hoe ze ook tekeer gingen, hoe de gemoederen ook opliepen.
Feilloos, als honden die op mijlen afstand het angstzweet ruiken en dan hun
kans schoon zien om toe te slaan, voelde het publiek aan dat ze hun gang konden
gaan. Zoveel intuïtie was daar trouwens niet voor nodig, want dat konden ze
altijd. De één na de ander stond op. Ze gilden door elkaar heen: de vrijheid
van het woord wordt vermoord door die vreemde boeken, het is teringherrie, ze
bekijkt ons niet want we zijn te min voor haar, moet je die arrogante rotkop zien,
je zou er gewoon op los timmeren als je geen fatsoenlijk mens was, ze moet gewoon meedoen of ze moet
verdwijnen, zo is het nou eenmaal geregeld in deze wereld.
Pallas liet ze praten. De zaak was
nu in de fase dat de harten gelucht werden en soms voorkwam dat erger. Lang
niet altijd, meestal werd Pallas gedwongen om de gedaagde te vragen nederig
haar excuses aan te bieden en de buurtbewoners in ieder geval op een paar
punten tegemoet te komen.
Beatrice stond met haar armen over
elkaar te luisteren. Andere gedaagden wilden weleens geïntimideerd worden, je
zag ze wit wegtrekken of nerveus aan de knopen van hun overhemd van friemelen
tijdens het moment van collectief hart luchten, maar zij bleef er
onverzettelijk uitzien. Ze lustte ze rauw. Pallas mocht dat wel. Ze besloot dat
het publiek zijn gang maar even moest gaan en dacht aan Maria, haar
levensgezellin die er, twee jaar geleden alweer, vandoor was gegaan met een
ander. Omdat Pallas teveel dronk, had ze gezegd nadat ze had meegedeeld dat ze
ging samenwonen met haar yogalerares. Bullshit natuurlijk. Alleen maar een
argument om haar gang te kunnen gaan zonder zich schuldig te voelen. In die
tijd dronk Pallas nooit meer dan een fles wodka per dag en dat had geen invloed
op haar. Niet veel invloed tenminste. Ze werd er slechts wat dromerig en wat
ontspannen van. Maar ja, ze kon Maria niet tegenhouden, toen ze eenmaal haar
zinnen had gezet op de yogalerares, dat snapte ze ook wel. Toch jammer, Maria
was in sommige opzichten een sterke vrouw en zeker heel aantrekkelijk, ook na
een huwelijk van bijna twintig jaar nog. Pallas schrok op uit haar gedachten
toen er een tafel omviel. Aan het kabaal te horen, leek het of er iemand mee
gesmeten had, maar dat had ze niet gezien, dus ze kon niets beginnen tegen de
potentieel schuldige. Dat weerhield haar niet van de enige juiste reactie.
“Godverdomme!” riep ze. “Nou maken jullie het toch echt wel te gek, zeg! Het is
al een lawaai van jewelste, en jullie praten allemaal door elkaar, maar als
jullie nou ook nog gaan gooien en smijten, dan heb ik hier snel genoeg van. Dan
laat ik mevrouw Beatrice gewoon gaan!” Het geschreeuw verstomde. “Ik dacht al,”
zei Beatrice. “Wat is dit voor heksenketel, en wanneer grijpt mevrouw de
rechter nou eens in! Ik heb nog wel wat anders te doen vanavond, dus ik wou dat
u een beetje opschoot.” “Het proces moet zijn beloop hebben,” antwoordde Pallas
afgemeten. “Teveel ingrijpen werkt contraproductief.” “Wel in het Hollands
graag!” riep een man van achteruit de zaal. Een applaus volgde.
“Goed dan,” vervolgde Pallas. “Ik
hoor hier gebrek aan aanpassingsvermogen, gebrek aan integreren, afwijkend
gedrag, maar ik hoor niet waarom dat in dit geval storend zou zijn.”
“Nou, dat lijkt me anders wel
duidelijk!” riep de vrouw in de roze legging. Pallas kende haar van gezicht. Ze
liep vaak in het winkelcentrum, dat als het ware haar woonkamer was. Ze praatte
met iedereen en was van bijna alles wat in de buurt gebeurde op de hoogte.
“Licht dat eens toe,” zei Pallas. “Kom naar voren en licht het toe, want ik snap
het niet. Kijk, die zaak die we vorige week hadden, over meneer de Bruin die
zijn roestbakken overal in de straat parkeerde, daar kon ik nog inkomen, maar
ik begrijp werkelijk niet waarom andere mensen er last van hebben als deze
mevrouw rustig naar Bach zit te luisteren.”
“Ah, je ken er dus naar
luisteren!” riep een oude vrouw. “Vertel dat dan meteen mens, ik zit me suf te
prakkiseren wat je nou doet, met Bach, ik dacht dat het een vreemd smeerseltje
was of zo, waar je verslaafd aan raakt.” Pallas wreef over haar ogen en zei:
“Ja, naar Bach kun je luisteren en, gek als het mag klinken, dat is nog een
aangename bezigheid ook.”
De vrouw in de roze legging stond
inmiddels voor haar tafel en zei: “Ik ben Chantal van de Lindenlaan, iedereen
kent me wel, en ik wil zeggen dat het niet alleen die Bach is maar alles bij
elkaar. Ze doet alsof ze er niet bij hoort, alsof ze ons niet wil kennen. Ze
zet zich tegen ons af, en dat kunnen we niet hebben in deze buurt.”
“Als je maar niet denkt dat ik
naar die zuippartijen van jullie kom,” beet Beatrice van zich af. “Of dat ik ga
staan ouwehoeren in het winkelcentrum. Ik heb wel wat beters te doen!”
Chantal wees naar Beatrice en zei:
“Kijk, dat bedoel ik nou. Ze keert zich willens en wetens van ons af, ze doet
gewoon niet mee en dan heb ik het er niet over dat we elke dag bij elkaar op de
koffie moeten komen, maar als er regelrecht op je neergekeken wordt door die
nieuwelingen, dan is dat toch wel heel zuur.”
“Ik kijk niet op jullie neer, ik
ben niet in jullie geïnteresseerd,” zei Beatrice. “Dat is heel wat anders. Ik
wil gewoon mijn gang gaan en geen gezeik aan mijn kop.”
“Nou, daar zeg je wat! Dat wij
zeiken! Zie je nou wel? Hoe je over ons denkt? En dat voelen we hoor, dat
voelen we heus wel. Vroeger, toen de wijk werd opgeleverd en nog geeneens
helemaal klaar was, was het hier mooi. Iedereen hielp elkaar, altijd was er wel
iemand die je auto door de modder wou duwen of iemand die je hielp met de
schotelantenne op het dak zetten, ja, want je had toen nog geen kabel natuurlijk
en internet al helemaal niet, maar daar blijft steeds minder van over, met van
die types als hier die hun eigen leven maar leven en zich nergens om
bekommeren.”
Pallas stond op, wat voor de rest
van de aanwezigen een signaal was om te gaan zitten. “Genoeg hierover,” zei ze.
“Ik weet genoeg. Beatrice valt niemand lastig, en wil van haar kant door
niemand lastig gevallen worden. Leven en laten leven, dat is mijn motto van
vandaag, en heb het hart niet om haar te sarren. Ze kan gaan. En ik spreek geen
oordeel uit.”
“Dit is gewoon klassenjustitie!”
riep Chantal. “Wij worden nooit gehoord, dat blijkt maar weer! En denk maar
niet dat we het pikken!” “Jullie zullen wel moeten,” verzuchtte Pallas. Ze
verliet de zaal en begaf zich naar de bar. “Doe maar een dubbele pils,” zei ze
tegen de barvrouw. “Ik kan het goed gebruiken vandaag.”
Pallas was net in haar
comfortabele stoel gezakt met het bodempje wodka dat ze nog had aangetroffen
toen de telefoon ging. Elf uur in de avond. Dat kon maar één iemand zijn. Ze
aarzelde of ze zou opnemen. Alleen al het gerinkel van de telefoon maakte haar
weer klein, laat staan als ze haar moeder werkelijk zou spreken. Maar ze
ontkwam er niet aan. Moeder zou weer bellen, vannacht nog, want als ze in haar
hoofd had dat ze Pallas iets moest voorleggen, moest ze daar gehoor aan geven.
Dezelfde dag nog. Zuchtend zette ze haar glas neer en nam de telefoon op:
“Pallas? Ben jij dat?” riep haar
moeder gejaagd door de telefoon.
“Ja, ma, wie anders.”
“Oh, ja, dat leuke meisje is bij
je weggegaan, nou weet ik het weer. Ach kind, de tijd gaat zo snel, je houdt de
dingen gewoon niet meer bij. Maar goed, daarvoor bel ik niet, al wil ik je nog
wel op het hart drukken dat het je eigen schuld is dat ze weggegaan is. Jij
bent te zelfzuchtig, te veel op je eigen status gericht. Rechter, wie van de
Vesuvius’ is ooit rechter geworden. Maar goed, daarvoor bel ik ook niet. Ik bel
om die dochter van je, Afroda, van wie ik vreselijke dingen heb gehoord, heel
erg vreselijke dingen.”
Pallas’ hart sloeg een slag over.
Afroda! Ze had haar een paar weken niet gesproken, maar dat was normaal. Wat
kon er met haar kind gebeurd zijn wat zij nog niet wist.
“Wat dan, moeder? Vertel op! Ik
weet niet beter of het kind is ijverig aan de studie in Amsterdam.”
“Dat weet ik niet, van die studie.
Maar dat mag je hopen, gezien de omstandigheden, dat ze daar nog wat aan doet.
Het is verschrikkelijk, Pallas, dat je niet eens weet wat je eigen kind
uitspookt, dat je dat van je oude moeder moet horen. Die wel geïnteresseerd is
in de wereld om haar heen, en niet helemaal opgaat in haar werk en in de fles.
Van dat laatste mag ik toch ook wel wat zeggen. Maria, zo heette ze toch, heeft
zich er vaak genoeg over beklaagd. En het is zo jammer, Pallas, want een
Vesuvius heeft dat niet nodig.”
“Moeder! Vertel nou zonder al dat
gelul wat er met Afroda is! Ik krijg hier zowat een hartverzakking!”
“Jouw kind, een echte Vesuvius,
heeft zich verloofd!”
“Ga weg! Afroda? Verloofd? Ach,
dat zou ze me toch wel verteld hebben? Heb je niet gedroomd of zo?”
“Nee, zeer zeker niet. Het is geen
droom, het is allemaal echt, ik hoorde het op de schrijfkring. Afroda heeft
zich verloofd. Met een man, nota bene! En jij gaat me vertellen dat je het nog
niet wist?”
Pallas zakte diep weg in een
kussen. Geen Vesuvius was ooit verloofd geweest, laat staan getrouwd. Afroda
zou helemaal tegen de familietraditie ingaan. Geen wonder dat ze niks had
verteld. Het kind schaamde zich dood, natuurlijk. Het kon niet anders of ze
stond onder invloed van verkeerde vrienden.
“Nee,” sprak ze tot haar moeder.
“Ik wist van niets en eigenlijk kan ik het niet geloven. Wat verschrikkelijk!
Ik ga haar meteen bellen. Of nee, misschien is het beter als ik morgen naar
haar toe ga.”
“Ik weet hoe het gesteld is met de
Vesuvius’ ,” waarschuwde haar moeder. “Als ze iets in de kop hebben, hebben ze
het niet in de kont, om de woorden van wijlen je overgrootmoeder maar eens aan
te halen. Je praat haar niet om, vrees ik. Als kind was ze al stronteigenwijs.
En dan nu, zonder te denken aan de familie-eer, een huwelijk. Mijn God, als
wijlen mijn betovergrootmoeder dit geweten had. Het is maar goed dat er geen
geesten rondzweven boven de graven van de doden, want haar geest zou geen rust
vinden.”
“Nou, rustig maar,” zei Pallas,
terwijl ze zelf allesbehalve rustig was. Haar hart sprong wild op en neer in
haar borstkas, zo wild dat ze bang was dat ze een rib zou breken. “Ik ga morgen
wel met haar praten. Misschien is het een kwestie van jeugdige behoefte aan
experiment, net zoiets als toen ik vroeger aan de speed ging, en cokelijntjes
snuiven, dat deed ik ook, maar dat ging gewoon voorbij.”
“Wat zeg je, Pallas? Ben jij aan
de drugs geweest? Daar heb ik nooit iets van geweten. Hoe dan ook, dat van
Afroda moet stoppen. Dat moet eenvoudig, versta je? Ik ben er nooit voor om een
vrouw te remmen in haar ontwikkeling maar zoiets, nou ja, dat kun je
eenvoudigweg niet toestaan. De familie-eer is in gevaar, en Afroda’s eigen
levensgeluk ook.”
Pallas knikte, al wist ze dat haar
moeder haar niet kon zien. Het duizelde haar. Ze had tijd nodig om na te
denken.
“Morgen weer een dag, Moeder.
Misschien ziet het er dan allemaal wat lichter uit. Wie weet is de verloving al
gebroken terwijl we hier zitten te praten.”
“Ik heb er een hard hoofd in. Maar
welterusten, kind. Ik bel je morgen om te horen hoe het afgelopen is. Ik vrees
het ergste, maar ook in tijden van verraad en rampspoed houdt een Vesuvius het
hoofd geheven, onthoud dat goed.”
Pallas
hing op. Het was typisch. Juist op een avond dat ze het zo nodig had,
was er geen tweede fles wodka in huis. Alsof de duvel ermee speelde. Een
ongeluk komt nooit alleen, dacht ze. Haar moeder moest in alle staten zijn. En
als ze haar best niet deed om zich te beheersen, zou ze binnen de kortste keren
zelf op de rand van de waanzin verkeren, of eroverheen.
Haar moeder had gelijk. Nog nooit
was een Vesuvius getrouwd. Sinds 1811, toen de familie haar naam had
afgedwongen, werd er elke generatie één vrouw geboren, die vervolgens weer één
dochter voortbracht. Nooit was de vader bekend en dat was in de lijn van de
traditie. Hun voormoeder, Clarissa Vesuvius, was de dynastie begonnen door het
mes op de keel van de gemeente-klerk te zetten omdat hij van haar eiste dat ze
de naam van haar broer zou aannemen, als haar vader tenminste nog niet dood
was.
“Ik heb geen broer,” siste ze. “En
ik heb al helemaal geen vader. Wat denken jullie wel. En geef me nou maar gauw
mijn naam, want anders snij ik je strot door.” Dat was overtuigend genoeg
geweest. De naam was in het register gezet en Clarissa Vesuvius werd een dynastiestichter.
Ze noteerde dit feit in een grote statenbijbel, die nu bij Pallas’ moeder
stond. Alle namen, geboortedatums, sterfdatums van de familie stonden erin
genoteerd. Veel gegevens waren dat niet, want het ging steeds om één vrouw per
generatie.
Het wonderlijke was, dat elke
Vesuviusvrouw precies één dochter kreeg, nooit een zoon, en dat die ene dochter
altijd in leven bleef. Lang genoeg in ieder geval om zelf een dochter te baren.
Een andere gewoonte was dat de vader van de dochter nooit bekend was, zeker
niet bij de buitenwacht, maar ook niet bij de moeder zelf. Als de tijd gekomen
was om een dochter te baren, zorgde de Vesuvius in kwestie voor een aantal
potentiële donoren die uiteraard niet op de hoogte waren van hun donorschap,
zodat het vaderschap nooit bekend zou worden. Of tenminste, niet duidelijk was.
In het geval van Afroda vermoedde Pallas sterk dat haar vader de melancholieke
trapezewerker van het Russische staatscircus was. Ze had dezelfde
eenzaam-treurige oogopslag als die jongen. Nooit zou ze haar vermoeden hardop
uitspreken. Afroda was er niet mee geholpen om zoiets te weten en Pallas zelf
ook niet. Om over Moeder maar niet te spreken. Die ging er nog altijd prat op
dat een heel bataljon mariniers op verlof onvrijwillig gedoneerd had, voor een
zaak, die ze zelf beslist zouden afkeuren. “Een heel bataljon, Pallas, stel je
voor! Ik had aanvankelijk zo mijn twijfels, want zeg nou zelf, van die jongens
die zich vrijwillig voor hun kop laten schieten verwacht je nou niet direct dat
ze het buskruit uitvinden, of dat nou net weer wel omdat dat al uitgevonden is,
maar, nou ja, je begrijpt me wel. Ik was bang dat mijn dochter de intelligentie
van haar vader zou erven. Maar voor zover ik het kan overzien, is dat niet
gebeurd.” Altijd als ze dit vertelde, glimlachte ze vergenoegd.
Misschien had het daarmee te
maken, bedacht Pallas, met dat eenzame Russische, dat zweverige, want per slot
van rekening stond de jongen niet bepaald met twee benen op de grond, wat
Afroda deed vluchten in de schijnveiligheid, waar ze voortdurend met haar neus
op gedrukt werd. Als ik een buurtgenoot was, daagde ik haar voor het
buurtgerecht, dacht ze. En reken maar dat ik haar zou veroordelen als ik de
rechter was. Is ze nou helemaal bedonderd! Trouwen! Zomaar alles overboord
gooien wat ze in de schoot geworpen had gekregen.
Maar als ze er goed over nadacht,
waren er al eerder tekenen geweest dat het met Afdroda de verkeerde kant op
ging. Zo had ze in de puberteit veel gegiecheld als er zo’n puistenkop in de
buurt kwam en, als ze erover nadacht wist ze het wel zeker, ze had weleens een
vriendje gehad. Nog veel eerder was het begonnen: als kind had ze met poppen
gespeeld. Geen Vesuvius had dat ooit gedaan. Een Vesuvius speelde niet, maar
las. Zij waren dan ook al meestal voor hun tiende bijziend. Dat Afroda op haar
twintigste nog geen bril nodig had, had haar moeten alarmeren. Maar zo ging het
vaak in het leven: de zaken die zich rechtstreeks onder je neus afspeelden, zag
je niet. Jammer, ze had zoveel ellende kunnen voorkomen. Dat het voornemen tot
een huwelijk gestopt moest worden, was zeker. Het was eenvoudig ondenkbaar dat
Afroda in dat opzicht haar gang kon gaan. Stel je voor, straks zat ze in een
Vinexlocatie, samen met de onomstreden vader van haar kind, dat als klap op de
vuurpijl nog een jongen kon zijn ook.
Pallas werd er misselijk van. Ze
prentte zich in dat het geen zin had om van alles in haar hoofd te halen zolang
ze niet wist, wat er echt aan de hand was, zolang ze niet uit Afroda’s mond had
gehoord wat er aan de hand was, zolang ze haar niet op heterdaad had betrapt op
het naaien van haar trouwjurk. Ze nam zich voor om de volgende dag direct naar
haar toe te gaan. Ze zou haar overvallen, dat was in dit geval het beste. Ze
zou doen alsof ze toevallig in de buurt was en even kwam aanwippen. Misschien
trof ze de verloofde dan wel, kon ze meteen proberen te achterhalen hoe hij
haar zo in zijn macht had kunnen krijgen. Van belang was dat dit stopte, en wel
onmiddellijk. Of de volgende dag dan toch, dacht ze, terwijl haar oogleden
zwaar werden. Zonder het licht uit te doen of zich uit te kleden viel ze in een
diepe, droomloze slaap.
Ik stel me op bij de boom en rook een sigaret. Zo lijkt
het alsof ik op iemand wacht, denk ik. Of ik ben een roker, die uit huis is
gejaagd om aan deze dringende behoefte te voldoen. Auto’s rijden af en aan. Het
is spitsuur, dinsdagmiddag. De mensen komen thuis, zijn moe, vooral omdat ze
nog meer dan een halve werkweek voor de boeg hebben. Mensen houden niet van
werken. Ze willen dat zo kort mogelijk, zo gemakkelijk mogelijk. Ze willen er
het liefst nog voor hun zestigste mee stoppen. Ik ben anders. Ik leef voor mijn
werk. Elke dag, elk uur. Eigenlijk zou ik het liefst nooit meer slapen, en
altijd doorwerken. Nu lig ik vaak ’s nachts wakker, in gespannen afwachting,
tot het de volgende dag is, en ik kan opstaan, en naar kantoor kan rijden. Want
daar leef ik voor. Anderen niet. Ze horen daar niet. Ze moeten verdwijnen. Ze
verstoppen de boel.
Een auto stopt, er stapt iemand
uit. Even kijken. Goed opletten. Ik moet mijn plan foutloos en doelgericht
uitvoeren. Efficiënt, want ik mag geen tijd verliezen door overbodige dingen te
doen. Het is een jonge man. Doet aan sport, zo te zien, want hij is slank. Hij
draagt een kostuum. Helemaal zeker weet ik het niet, want het is te donker,
maar volgens mij is het een duur kostuum. Zo een waar je een paar duizend euro
voor betaald, zo een die je alleen naar je werk draagt en dan nog alleen als er
een belangrijke vergadering is, met mensen die jou moeten zien. Als je er voor
moet zorgen dat je gezien wordt. Ik voel in mijn jaszak. Het mes zit er nog. In
de beschermhoes. Een uur geleden heb ik het geslepen. Vlijmscherp is het, ik
kan er alles mee doorsnijden. Gisteren heb ik het bij de Aldi gekocht. Het is
een jachtmes, voor het afmaken van wilde zwijnen op de Veluwe. Daar mag
iedereen binnenkort op gaan schieten, ook mensen die helemaal niet kunnen
schieten. De Aldi heeft vaker van die leuke aanbiedingen, maar bijna nooit iets
dat me zo goed van pas komt als dit mes. En de volautomatische elektrische
messenslijper, die ik natuurlijk ook heb gekocht. Het hele idee ontstond in
feite toen ik de reclamefolder doornam. Of, beter gezegd, het rijpte tot volle
wasdom, terwijl het eerder een nog vaag idee was geweest, iets voor een
toekomst.
De jonge man neemt zijn tas van de
achterbank, klikt zijn auto dicht met de afstandsbediening en loopt naar een
huis. Daar wordt hij vast opgewacht door een vrouw die trots op hem is. Dat zie
aan zijn pak, en aan zijn auto, want dat is een grote, ik weet het merk niet,
maar ik zie dat hij duur is. Een auto waarmee je kan aankomen bij klanten.
Ik wacht. Het moet lukken vandaag.
Vanaf vandaag minstens één. Of misschien kan ik beter zeggen dat het er precies
één moet zijn. Dat is evenwichtiger, zo’n verdeling. Ik zal wel wat langer werk
hebben, misschien jaren, maar dat geeft niet. Het idee is dat ik er wat aan
doe, dat is beter.
Weer stopt een auto. Een
roestbakje, ditmaal, een oud autootje. Een vrouw van middelbare leeftijd wringt
zich eruit. Zij is te groot en te zwaar voor zo’n klein autootje. Ze opent de
kofferbak en neemt er een overvolle boodschappentas uit. Goedzo. Netjes
boodschappen gedaan zodat ze haar gezin of misschien alleen haar man, misschien
zijn haar kinderen de deur al uit, een fatsoenlijke maaltijd kan voorzetten.
Zulke vrouwen mag ik nou.
Bij de volgende auto die stopt op
het parkeerterreintje ben ik alerter, alsof ik voorvoel dat het op actie zal
aankomen. Het is raak, is zie het meteen. De man die uitstapt is een veertiger,
misschien een vijftiger, dat kan ik niet zo precies opmaken uit wat ik zie. Hij
draagt ook een kostuum, maar van een heel ander soort dan de jonge man die ik
zo-even zag: goedkoop, en als ik het goed heb, is het nog bruin ook. Daar is
hij dan in naar zijn werk geweest! De mensen kennen geen schaamte meer! Zijn
buik hangt zwaar over zijn afzakkende broek, die ver onder de navel gesloten
is. Hij hijgt. Hoewel ik tientallen meters van hem ben verwijderd, kan ik dat
horen.
Ik sluip in zijn richting, terwijl
dat waarschijnlijk niet nodig is. De man reageert nergens op. Hij is
afgestompt, hij is doof voor andere geluiden dan hij wenst te horen, hij is met
zijn gedachten bij zijn luie stoel en zijn pilsje. Als ik bijna achter hem sta,
haal ik het mes tevoorschijn. Ik haal de beschermhoes eraf, neem het stevig in
mijn linkerhand, grijp de man met mijn
rechterarm, en trek hem achterover. Met één haal snijd ik zijn keel door. Een
rochel, dan het gutsen van bloed. Dat komt op mijn kleren en dat is erg jammer.
Want ik heb de was al gedaan deze week, maar nu moet ik het toch echt nog eens
doen.
Ik kijk om me heen. Niemand te
zien. Ik laat de man zakken naast zijn auto. Vanuit de huizen gezien ligt hij
achter het geopende portier van zijn eigen auto. Voorlopig zal hij niet
gevonden worden. Rustig loop ik de straat uit, naar het volgende blok huizen,
waar mijn fiets staat.
Twee dagen na de rechtszaak, of
wat voor een rechtszaak moest doorgaan dan, luisterde Beatrice naar de
cellosuites van Bach. Normaal werkte deze muziek rustgevend op haar, maar nu
was dat niet zo. Weliswaar had ze zich goed verdedigd en had Pallas Vesuvius
haar vrijgesproken, maar dat betekende niet dat ze nu geen zorgen meer had.
Integendeel zelfs, ze was zich meer bewust van haar buren. Het was alsof
iedereen vanachter zijn gordijntje naar haar gluurde als ze op straat liep. Als
ze per ongeluk iemand tegenkwam, draaide die zijn hoofd om, snel, alsof ze iets
vies was, iemand die niet gezien mocht worden. De scheldpartijen, die ze had
verwacht na afloop van de zitting, waren achterwege gebleven. Het was stiller
dan ooit op straat. Stilte voor de storm, noemde ze dat vroeger, als de ganzen
in hun wei met opgeheven hoofd doodstil naar de hemel stonden te kijken. Vlak
daarna barstte dan een donderbui uit. Zoiets verwachtte Beatrice nu ook.
Ze zette de muziek wat harder, om
er van doordrongen te raken, zodat haar onrustgevoelens op de achtergrond
zouden raken, of zouden verdwijnen. Uit alle macht probeerde ze zich te
concentreren, maar het lukte haar niet. Steeds zag ze de verbeten koppen voor
zich, de uit fletse ogen fonkelende haat.
Er werd aangebeld, doordringend,
lang. Ze begaf zich naar de deur. Door het glas zag ze dat het de buurvrouw
was. Ze overwoog te doen alsof ze niet thuis was, maar het was al te laat.
“Kan de muziek wat zachter,”
snerpte de buurvrouw, toen Beatrice de deur op een minimaal noodzakelijke kier
had geopend. “Het komt gewoon door De Gouden Kooi heen en een mens mag toch wel
ongestoord naar de televisie kijken, vindt u ook niet.” De kwabben op het
blauw-bleke gezicht rilden van ongenoegen. Vanachter de brillenglazen priemden
betraande, lichtblauwe ogen. De dunne haren, waardoorheen de schedel glom,
waren geverfd. De vrouw moest al tientallen jaren grijs zijn.
Beatrice had geen zin om gehoor te
geven aan het verzoek. Of bevel, wat het eerder was. Maar ze was haar moed
kwijt, in ieder geval op dat moment. Ze knikte en zei: “Okay, ik zal hem
zachter zetten.” Ze wilde de deur sluiten, maar de buurvrouw had nog wat op
haar lever. “Het is niet dat ik vind dat iemand haar gang niet mag gaan, hoor,
maar als je zelf kiest om af te wijken, dan moet je er toch wel voor zorgen dat
niemand er last van heeft, dat lijkt me toch wel het minste.” “U heeft groot
gelijk, mevrouw, ik zal het goed in mijn oren knopen, maar mag ik nu weer gaan?
Ik moet nog werken.” “U werkt thuis? Wat voor werk doet u dan, dat u dat thuis
kunt doen? Wel lekker gemakkelijk hoor, u zit maar zonder baas uw gang te gaan,
terwijl wij elke dag naar de winkel of naar kantoor moeten. En dat allemaal van
onze belastingcenten!” “Goed, mevrouw, tot ziens, ik ga.” Ze sloot snel de
deur, zich er wel van bewust dat haar onbeschoftheid breed zou worden
uitgemeten door de buurtbewoners. En dat het haar zou worden nagedragen.
Vanaf het Centraal Station nam
Pallas de tram naar Geuzenveld, waar Afroda een appartement deelde met drie
andere studenten. Het was een lange rit, maar ze vond dat ditmaal niet erg want
ze zag op tegen wat ze moest gaan doen. Ze herinnerde zich haar eigen
studententijd, toen ze geen enkele bemoeienis van haar moeder had verdragen.
Hoe zou het dan anders kunnen zijn voor Afroda? Maar ze moest gewoon ingrijpen,
als haar kind zo erg van het rechte pad afdwaalde, als ze op het punt stond om
haar hele leven te vergooien voor een patriarchaal hersenspinsel. Ze had
eenvoudigweg geen keus.
Bij Slotermeer keek ze met extra
aandacht uit het raam. Nog niet zo heel lang geleden waren hier doden gevallen.
De jongen die was neergeschoten door de politie had ze graag voor de rechtbank
gehad. Ze wilde weleens weer een onvervalste messentrekker voor zich zien
staan. Tegenwoordig behandelde ze te weinig moorden, vooral fraudezaken. En dat
werd weleens saai, want meestal interesseerde het haar niet dat een treurige
boekhouder er met een paar ton vandoor was gegaan. Al was ze er altijd weer
verbaasd over hoe lang zoiets verborgen had kunnen blijven. Wat ze wel wist,
was dat de miljoenen overal voor het grijpen lagen.
Een hartstochtelijke moord door
een heethoofd mocht wel weer eens. In haar hart hield ze van mensen die tot het
uiterste gingen, die compromisloos waren zonder aan de gevolgen te denken. Ze
zou eens een balletje opgooien bij de rechtbank, wie weet hielp het. Die
volksrechtbankzaken moest ze opgeven. Het was waar, ze deed nu vrijwilligerswerk
en was daarom een nuttig lid van de samenleving, maar na al die jaren vroeg ze
zich af of ze dat wel wilde zijn. Kon ze er niet gewoon op losleven, zoals ze
altijd had gedaan? Nou ja, altijd, niet toen ze Afroda opvoedde natuurlijk,
toen was ze achttien jaar lang een toegewijde moeder geweest. En kijk, met welk
resultaat, gooide ze zichzelf voor de voeten. Een dochter die ging trouwen!
Moeder had groot gelijk dat ze zich er zorgen over maakte. Het moest voorkomen
worden, tot elke prijs.
Eindelijk stopte de nu bijna lege
tram bij de eindhalte in Geuzenveld. Ook als de zon scheen was het daar donker.
Al die flats wierpen onuitwisbare schaduwen door de straten.
Op de galerij waar haar dochter
woonde, belde ze aan. Diep in haar hart hoopte ze, dat ze niet thuis was. Maar
de deur zwaaide open. “Hallo Mam!” riep Afroda uit. “Wat een verrassing! Had je
hier een rechtszaak?” Pallas schudde
haar hoofd, en stapte naar binnen, de keurig opgeruimde gang in. Geen fietsen, geen
kratten bier. Aan het einde van de gang was de keuken, en Pallas hoefde er niet
te kijken om te weten dat het fornuis en het aanrecht blonken van properheid.
Hoe anders dan haar studentenflat vroeger langs het spoor in Utrecht. Daar
stond de hele gang vol met allerlei huisraad, zoals onuitgepakte dozen met
kinderboeken die een invoelende moeder had meegebracht, fietsen natuurlijk want
die kon je niet buiten laten staan, matrassen voor als er iemand bleef slapen
wat nog wel eens gebeurde, met name in het weekend.
Afroda ging haar voor naar haar
zit-slaapkamer. De meubeltjes, aan de houtsoort – licht grenen en beuken – te
zien afkomstig van Ikea, waren over het algemeen donkerrood van tint, de ene
stoel iets lichter dan de andere. Een bed was niet te zien. Ongetwijfeld was de
smaakvolle, kleine bank een slaapbank. Afroda zou dat elke avond zorgvuldig
open maken.
“Wil je koffie, ma?”
“Nee, dank je. Ik heb niet zo heel
veel tijd. Ik kom om je te spreken over iets dat ik van grootmoeder hoorde,
gisterenavond laat.”
Afroda’s gezicht betrok. “Nou, dan
weet ik wel waarover het gaat,” zei ze.
“Ik kwam haar eergisteren tegen, toen ze uit was met haar filosofenclub, je
weet wel, al die oude dames met wie ze zich wekelijks onderhoudt.”
“Zo, zo, je kwam haar dus tegen,
en waar was dat als ik vragen mag?”
“In
Hotel Americain. Daar vierde ik…” Abrupt zweeg ze. Vorsend keek ze Pallas
aan.
“Je verloving,” zuchtte Pallas. “Je bent verloofd. Dat is
wat grootmoeder me vertelde. Het is schokkend, Afroda. In de eerste plaats
omdat je me het niet hebt verteld, en in de tweede plaats omdat je kennelijk
bent verloofd met het voornemen een huwelijk aan te gaan. Met een man. Nota
bene. Zoals grootmoeder het uitdrukte.”
“Nou en? Het is mijn leven. Ik zou
je het heus wel verteld hebben, en je ook hebben uitgenodigd voor de bruiloft,
maar ik zag er eerlijk gezegd wel een beetje tegenop. Niet zo raar toch? Toen
ik grootmoeder daar zag, snapte ik ook wel dat mijn verloving binnen de kortste
keren in de hele familie bekend zou zijn. Maar, ik kan het net zo goed meteen
zeggen, ik ben van plan mijn eigen leven te gaan leiden. Precies zoals ik het
zelf goed vindt. Ik ga me niet meer richten naar die idiote familietraditie.
Die nog ziekelijk en zondig is ook.”
“Zo, daar krijg ik ineens wel heel
veel naar mijn hoofd. Ziekelijk en zondig, toe maar. Je hebt duidelijk niet
begrepen waar het om gaat. Onze voormoeder Clarissa was een voorvechtster van
de vrouwenrechten, in een tijd dat dat nog helemaal niet kon. Dan kan je niet
doen, alsof je daar niks mee te maken hebt.”
“Onzin. Ik zeg het nu maar hardop,
al heb ik het vaak gedacht, al denk ik al heel lang zo, maar Clarissa was een
hoer, en al haar dochters en kleindochters en achterkleindochters waren dat
ook, en dat alleen maar omdat ze wilden ontkennen wat de ware bestemming is van
de vrouw.”
“En jij weet dat, wat de ware
bestemming is.” Inwendig voelde Pallas de bodem onder zich wegzakken. Onderweg
had ze stiekem gehoopt dat het zo’n vaart niet zou lopen, dat Afroda uit een
soort grap was verloofd, of dat haar moeder het allemaal verkeerd begrepen had.
Maar wat het kind zei, was erg verontrustend. Het kwaad was al veel verder
voortgewoekerd dan ze ooit had kunnen denken.
“Je verloofde,” zei ze schamper.
“Ik neem aan dat hij hier woont? Dat jullie samenwonen in deze piepkleine doch
onberispelijk keurige kamer?”
“Nee, natuurlijk niet! We gaan
samenwonen als we getrouwd zijn. Ik wil maagd blijven tot het huwelijk en
Tobias wil dat ook!”
Pallas voelde het bloed uit haar
gezicht wegtrekken. Dat Afroda zoiets kon zeggen, zonder blikken of blozen. Wat
was er gebeurd met haar kind, waarom had ze het niet eerder gemerkt, hoe kon
haar dit zijn ontgaan?
“Maagd! Geen Vesuvius is ooit
maagd geweest! Het is een aanklacht tegen onze hele familie dat je dit zegt!
Vertel me dat het niet waar is. Vertel me dat het niet zo is dat jij, op je
tweeëntwintigste nog maagd bent!”
Afroda glimlachte.
“Jawel hoor, en ik voel me er heel
goed bij.”
“Dat kan niet, dat maak je jezelf
maar wijs. Wat heb ik verkeerd gedaan? Vertel me wat ik heb gedaan dat je zulke
ideeën kan hebben, dat je zo je leven verpest.”
“Ik verpest mijn leven niet. Ik ga
trouwen, kinderen krijgen en heel gelukkig worden met Tobias en de kids!”
”Ik weet niet wat ik moet zeggen! Het is duidelijk dat ik je dit formeel niet
kan verbieden, maar dan doe ik het nu informeel: ik verbied je te trouwen! Ik
verbied je nog langer maagd te blijven! Ik gelast je je dochter te krijgen en
wel zo snel mogelijk, op de enige manier waarop dat acceptabel is.”
“Hou toch op met die onzin, Ma.
Dat is toch helemaal uit de tijd, zoals jij denkt. Echt jaren zeventig, dat
hebben we nou toch echt weer gehad. Tegenwoordig hechten wij jonge mensen aan
waarden en normen en een ding is dat je een huwelijk aangaat voor het leven, om
jonge kinderen de bescherming te bieden die ze nodig hebben. Zo is het nu
eenmaal. Leg je er dus maar bij neer.”
“Het is gewoon vloeken wat ik hier
hoor, en dan vloeken van de hele verkeerde soort.” Pallas stond op. Ze wist
niet meer wat ze moest doen, ze wist niet meer wat ze moest zeggen en dat was
nog niet vaak voorgekomen in haar leven. Om Afroda’s mond speelde een
glimlachje, dat superioriteit uitstraalde. Hoe lang had het kind al op haar
neer gekeken? Had ze haar verweten dat ze haar vader nooit had gekend, dat
Pallas niet eens wist wie het was? Nooit had ze daar iets over gezegd, hoewel
vriendinnetjes van school vaak vroegen hoe het zat met die vader van haar.
Pallas had altijd aangenomen dat Afroda haar afkomst als vanzelfsprekend
uitgangspunt had genomen voor de inrichting van de rest van haar leven.
“Ik ga,” sprak ze schor. “Ik eis
een gesprek met die Tobias, die jou op het verkeerde pad brengt.”
“Je hebt helemaal niets te eisen.
Maar Tobias wil jou ook leren kennen, dus binnenkort komen we langs. Leg je er
bij neer, ma, en laat me mijn gang gaan.”
Pallas schudde het hoofd. Het kind
haar gang laten gaan: het kon eenvoudig niet, ze kon haar niet willens en
wetens in het ongeluk storten. Wat waren dit toch voor tijden. Waar moest het
naar toe met de wereld.
In de tram op de terugweg staarde
ze somber uit het raam. Ze had hoofdpijn. Die kwam meestal opzetten als ze een
probleem had dat ze niet kon oplossen. De pijn zou erger worden, vreesde ze. Ze
wilde moeder spreken, want ze had dringend behoefte aan een bondgenoot.
Misschien konden ze samen uitstippelen wat de beste manier was om Afroda te
redden van haar ondergang. Ze kon zich niet herinneren dat ze haar moeder ooit
zo hard nodig had gehad.
Toch ging ze er niet meteen heen.
Haar behoefte aan wodka, aan echte, onversneden, koude wodka was zo groot dat
ze vanaf het Centraal Station naar de Zeedijk liep en daar de eerste de beste
kroeg instapte.
Pas heel laat in de avond kwam
Pallas thuis. Dat ze niet in orde was, merkte ze aan haar gewankel en aan de
dubbele beelden die ze overal waarnam. Steeds twee exact dezelfde auto’s die
mistig in elkaar overvloeiden als ze haar blik erop richtte, steeds tweelingen
overal, in precies dezelfde kleren. De Zeedijkkroeg was overvol geweest, en
anders had ze daar een hekel aan. Ze hield niet van gekleef van medemensen, van
gedwongen lichamelijk contact met andere mensen. Maar nu had het haar niet
gestoord. Ze ging zo op in haar zorgen dat ze het geroezemoes niet eens meer
opmerkte na een tijdje. Na haar zoveelste bestelling, ze had niet geteld, ze
wist niet hoeveel glazen ze toen al op had, had de barvrouw de fles naast haar
glas gezet. “Roep me maar alstie leeg is, meid, zo te zien kan je wel wat
gebruiken vanavond.” Pallas had geknikt. Er waren toch nog mensen die zich
bekommerden om de medemens. Steeds weer had ze de jeugd van Afroda door haar
hoofd laten spelen. Net als alle andere jonge kinderen in de familie was ze tot
haar tiende opgevoed door haar grootmoeder, zodat Pallas haar studie kon
afmaken en zich op haar carrière kon richten. Natuurlijk had ze haar dochter
elk weekend opgehaald en had ze de leuke dingen met haar gedaan, zoals samen de
relativiteitstheorie van Einstein bestuderen en de stelling van Fermat proberen
te bewijzen. Haar moeder had Afroda ingewijd in het verhaal van de
Vesuvius-dynasatie. Ze had Afdroda honderden keren verteld hoe Clarissa aan
haar familienaam was gekomen, zoals dat gaat in families. Hoe zou je zoiets
anders kunnen inprenten in het hoofd van een kind. Afroda was op school heel
goed, en de leraren wilde haar regelmatig een klas laten overslaan, omdat ze
hoogbegaafd was. Natuurlijk had Pallas dat niet goedgevonden. Geen Vesuvius
sloeg een klas over. Zij wilden zich
niet buiten de gemeenschap zetten. Een kind moest opgroeien tussen haar leeftijdgenoten,
hoe zou ze anders weerbaar kunnen zijn als ze volwassen was.
Maar in de puberteit was het
misgegaan. Pallas had die signalen genegeerd, besefte ze nu. Ze had moeten
ingrijpen toen duidelijk werd dat Afroda maar al te graag naar die
schoolfeestjes ging, toen ze posters van onbeduidende popsterren en zelfs eens
van een voetbalster op haar kamer ging hangen. Ze had er wel wat van gezegd,
maar haar afkeuring had ze binnengehouden. Geen Vesuvius had zich ooit
overgegeven aan idoolverering. Er was maar een idool en dat was voormoeder
Clarissa. De rest van de mensheid werd met nuchterheid en scepsis bekeken en zo
hoorde het. Pallas had gedacht dat Afroda’s obsessies van voorbijgaande aard
waren, dat ze zich er niet druk om moest maken, ja, zelfs dat ze haar kind haar
ondeugden moest gunnen. Dat had ze verkeerd gedacht, besefte ze nu. Ze kon zich
wel voor de kop slaan. Misschien was alles al verloren, misschien was ze te
laat. Toch zou ze niet opgeven. Volharding was een andere karaktereigenschap
van de Vesuvius. Doorgaan tot het bittere einde. Dat verwachtte Moeder van haar
en ook Clarissa zou dat hebben verwacht.
Terwijl ze haar jas uittrok, viel
haar oog op een brief van het secretariaat volksrechtbanken. Vast de jaarlijkse
uitnodiging voor het uitje van volksrechters. Vorig jaar waren ze met de bus
naar Maastricht en omgeving geweest. Het was pas dragelijk geworden na een
bezoek aan de wijnproeverij. Pallas had het gevoel dat ze zich niet teveel aan
dat soort activiteiten kon onttrekken. Tenslotte had ze ervoor gekozen om meer
deel uit te maken van de gemeenschap en daar hoorden die uitstapjes bij.
De brief ging echter over iets
heel anders:
“Geachte mevrouw Vesuvius,
De Volksrechtbank daagt u vanwege
een aanklacht over uw partijdig rechtspreken van deze week. De aanklacht luidt
dat u niet genoeg naar het volk luistert, en het ten onrechte opneemt voor een
verdachte. De indruk bestaat dat er bij u sprake is van het aanhangen van
klassenjustitie.
U dient zich volgende week
woensdag om 20.00 uur te melden in het buurthuis. Omdat u zelf de volksrechter
van deze wijk bent, zal uw zaak worden behandeld door een plaatsvervanger,
namelijk Jan de Vree.”
Verbouwereerd zakte Pallas op haar
bank. Ze had het kunnen weten. Die uitspraak over de zaak Beatrice werd
natuurlijk niet gepikt. Weer zoiets wat ze over het hoofd had gezien. Ze had
het mens weg moeten sturen met een symbolische straf, dan was iedereen tevreden
geweest. Aan de andere kant, ze kon toch niet alles zomaar laten gebeuren. Die
volksrechtbanken waren waanzin, daar twijfelde ze niet aan, maar dat betekende
niet dat ze onverschillig mocht blijven. Ze had, intuïtief, juist gehandeld.
Woensdag moest ze maar zien hoe het ging. Het was wel tekenend: een ongeluk
komt nooit alleen. Gelukkig had ze morgen een vrije dag, anders had ze ervan
verzekerd kunnen zijn dat er weer iets mis ging, dat ze iemand zou moeten laten
gaan wegens vormfouten of dat het Openbaar Ministerie ging dwarsliggen tegen
een vrijspraak.
Morgen zou alles er helderder
uitzien, hoopte ze. Ze zou beginnen met een bezoek aan Moeder.
Zondagmorgen. Ik stel me op langs een stil pad in het bos
dat ik gisteren nog uitgebreid heb verkend. Hier komt bijna nooit iemand langs,
dus ik kan mijn gang gaan. Over gisteren heb ik nog niks in de krant gelezen.
Misschien houdt de politie het achter, want hij zal toch wel gevonden zijn zo
onderhand. Maar ik moet me helemaal niet bezighouden met dat soort zaken. Ik
heb een missie, een doodernstige missie en die moet ik afmaken voordat het te
laat is. Geen seconde mijn scherpte verliezen, me niet laten afleiden door
angsten voor later. Dat kan ik me allemaal niet permitteren.
Het is inderdaad heel stil. In de
verte hoor ik stemmen. Groepjes mensen in looppas over de paden en de heide.
Dit hier is een park, maar als je er middenin bent, lijkt het net een echt bos.
Er zullen er heel wat van het goede soort langskomen. Het is er echt zo’n dag
voor. De vette pens moet eraf gezweet worden. Niet dat het lukt natuurlijk,
want ze vreten zich ’s middags weer vol van hun overdaad. Overdaad die ze ten
onrechte verkregen hebben. Ten koste van mensen zoals ik. Pas op. Ik moet me
niet te kwaad maken, want dan kan ik fouten maken en dat zou een ramp zijn.
Maar toch, na al die jaren is het niet vreemd, dat ik tril van walging, dat wat
mij is aangedaan me naar de keel grijpt. Ik mag mezelf juist een schouderklopje
geven vanwege mijn grote zelfbeheersing.
Er komt een stel oude vrouwen
langs in sportpak. Loop door, mutsen! Straks gaat alles nog mis, komt de goede
langs en kan ik niks doen, omdat die trutten in de weg lopen. Ze wandelen met
Jordi waling sticks in een slakkentempo, terwijl ze luid keuvelen. Sommigen
knikken beleefd naar me, maar de meeste lopen me straal voorbij. Meestal ben ik
onzichtbaar. Een soort schim, lijkt het wel. Dat komt nu goed uit. Eindelijk
zijn ze weg. Ik hoor ze nog steeds praten en lachen. Wat valt er te lachen? Ze
zouden zich moeten omwentelen in ellende, met hun ellendige bestaan. Wat wacht
ze straks? Koffie en koek, en spierpijn. Weer een zinloze dag voorbij. Maar dat
is hun zaak. Laat ik me weer afleiden. Zo word ik weer te kwaad om te kunnen
handelen. Wacht even, wat zie ik? Daar, er komt een vent aan in zijn eentje.
Kaal zo te zien. En een enorme pens onder een knalrood trainingsjack. Jezus,
hij draagt nog een korte broek ook! Dat zou toch verboden moeten worden voor
zulke mensen. Nu zie ik hem goed. Hij komt steeds dichterbij. Zijn benen zijn
wit, met lange, zwarte haren erop. Hij heeft splinternieuwe sportschoenen aan.
Zeker net gekocht gisteren. Ja, waar moet zo iemand anders zijn onverdiend verkregen
geld laten. En als hij zo doorgaat, als ik hem liet doorgaan, zou hij
binnenkort bezwijken aan een hartinfarct, dat kan niet missen. Eigenlijk help
ik hem, voer ik een soort euthanasie uit. Bijna giechel ik. Wat is er toch met
mij vandaag, dat ik steeds mijn concentratie verlies. Daar is hij. “Meneer,”
roep ik. “Kunt u mij vertellen hoe laat het is?” Hij stopt, vast dankbaar dat ik hem een reden geef om even te
pauzeren. “Natuurlijk,” zegt hij en kijkt op zijn horloge. Op dat moment grijp
ik hem. Binnen de kortste keren gutst het bloed uit zijn keel. Ik sleep hem
tussen de struiken. Zo zal het even duren voordat iemand hem vindt. Kalm wandel
ik het pad af. Mijn fiets heb ik bij het oude station gezet.
Beatrice bekeek de wijkkrant. Vroeger gooide ze die direct
bij het oude papier maar sinds haar rechtszaak voor de volksrechtbank wilde ze
weten wat er speelde in haar buurt. Het was nu zover gekomen dat ze nauwelijks
nog boodschappen durfde te doen. Niemand zei wat tegen haar, maar ze voelde de
ogen in haar rug priemen als ze in de rij stond bij Albert Heijn. Deze week was
ze al een paar keer omgereden om bij de Aldi boodschappen te doen. Wat een
rotwinkel, met al die dozen en onbekende merken. Maar het voordeel was dat ze
er tenminste met rust werd gelaten.
VOLKSRECHTER VOOR VOLKSRECHTBANK. De kop
sloeg in als een bliksem. Snel las ze het bericht. Pallas Vesuvius zou
terechtstaan omdat ze haar had vrijgesproken. Aanstaande woensdag al. Eigenlijk
durfde ze niet, maar ze nam zich voor om te gaan. Op de een of andere manier
had ze het idee dat ze Pallas kon steunen. Hoe dat zou moeten, daarvan had ze
geen idee. Ze had alleen een vaag idee dat ze solidair moest zijn in deze barre
tijden. Daarom kwam het ook in haar op dat ze goed moest eten. Ze begaf zich naar
de keuken, nam de varkenslap uit de koelkast en hakte het aan stukjes met het
mes, dat ze nog niet zolang geleden bij de Aldi had gekocht. Wat sneed dat
soepel, dat mes. Zo kreeg ze hele kleine stukjes vlees, precies goed voor de
bami.
Pallas zat in de ruime woonkamer
van haar moeder. Het uitzicht was als altijd weer prachtig: bossen, meren. Je
waande je in Noord-Zweden in plaats van in een appartementencomplex voor
Senioren in het Gooi. Ze kwam enigszins tot rust en het bonken in haar hoofd
nam wat af.
Haar moeder kwam de keuken uit met
een dienblad met koffie. “Zo, kind,” zei ze. “Koffie. Dat doet altijd goed. Het
is wat, met die kinderen in de moderne tijd, wat jij.”
Pallas knikte afwezig. Haar moeder
probeerde haar gerust te stellen en daar had ze een hekel aan. Zeker nu haar
zorgen zo urgent waren.
Hoewel Pallas’ moeder, Medusa,
tweeëntachtig was, had ze een levendig gezicht met wakkere ogen die
doordringend de wereld inkeken. Als kind was Pallas wel eens bang geweest voor
die ogen, die alles leken te kunnen zien. Nu bewonderde ze haar moeder erom.
Aan de wacht bij de deur naar de
gang hing een portret van Clarissa. Dat dit in 1910 gemaakt was door Verma
Vesuvius, de beroemde schilderes, bijna een eeuw na het stichten van de
dynastie, deed niets af aan de trotse blik waarmee Clarissa de kamer in keek.
Pallas nam het gezicht in haar op. Zo sterk was zij ook geweest, zo sterk moest
ze weer worden, zich niet laten afleiden door tegenslag. Al was het voorgenomen
huwelijk van Afroda wel een erg grote tegenslag, zei het zeurende stemmetje in
haar binnenste. Haar moeder leek haar gedachten te raden.
“Moed houden, kind,” zei ze. “Daar
gaat het om bij dit soort zaken. Al maak ik me wel bezorgd om de mate waarin
Afroda al verdorven is. Ik zag haar met de aanstaande bruidegom in hotel
Americain. Ze leken zo zelfverzekerd, die twee. Afroda keek regelmatig vol
bewondering naar die knul op. Hij is een kop groter dan zij, ik vrees dat hij
aan sport doet, want hij had een atletische gestalte. Ik was diep geschokt,
Pallas. Geen Vesuvius is ooit verloofd geweest, geen Vesuvius heeft ooit
opgekeken tegen een man, al was hij twee koppen groter. Misschien heeft het te
maken met de tijdgeest. Hoewel, ik heb altijd aangenomen dat onze dynastie
daardoor niet werd beïnvloed. Maar misschien heb ik het mis gehad. Misschien
ook zijn de verleidingen sterker geworden. Ik weet het niet.” Medusa zette een kop koffie voor Pallas neer
en stak een sigaret op. Pallas volgde haar voorbeeld. Een tijdlang zwegen beide
vrouwen, maar de stilte was niet pijnlijk.
“We moeten de gangen en de
antecedenten nagaan van deze Tobias,” sprak Medusa na een tijdje. “We moeten
weten met wie we te maken hebben. Wat ik ervan gezien heb, maakt me onrustig.”
“Ze willen binnenkort langskomen,”
antwoordde Pallas. “Meneer Tobias wil kennis met me maken. Ik heb natuurlijk
geen idee wat Afroda over me heeft verteld. Maar veel goeds kan het niet zijn.
Ze noemde onze familietraditie zondig. Zondig! Het woord alleen al! Ik vrees
dat ze nog christelijk geworden is ook.”
Medusa knikte. “Dat zou heel goed
kunnen. Christendom en huwelijk gaan vaak samen, dat is altijd al zo geweest.
Ik ben er zelfs van overtuigd dat dat de reden was waarom Clarissa pertinent
niet wilde trouwen. Maar dat is natuurlijk moeilijk na te gaan na bijna twee
eeuwen. Het is toch bizar, dat die sekte nog altijd bestaat. Met als
belangrijkste symbool iemand die de marteldood aan het sterven is. Je zou toch
denken dat dit soort zwarte magie praktijken alleen maar marginaal en
ondergronds doorwoekert.”
Pallas beaamde dat, hoewel dat
niet nodig was. Ook strikte seculariteit was een kenmerk van de Vesuvius
dynastie. Zo vanzelfsprekend was dat, dat de kinderen niet eens werden ingewijd
in de levensfilosofie van rationalisme en materialisme. Misschien was ze daarmee
de fout ingegaan. Ze had moeten zeggen dat god een uitvinding was van mensen,
en dat mensen de bijbel hadden geschreven en ook Jezus van Nazareth aan het
kruis hadden gehangen. Dat diens lijden helemaal niets had opgeleverd en dat
een mens van nature wel wist wat zondig was en wat niet. Dat mensen dit alles
maar verzonnen hadden om te proberen zin te geven aan een per definitie zinloos
bestaan. Dat die zin er niet was en niet hoefde te zijn. Maar dat had ze
allemaal niet gedaan. Een kruipend schuldgevoel kwam over haar. Het liefst zou
ze in bed kruipen met de dekens over haar hoofd heen, van de wereld weg zijn.
Ze mocht echter niet laf zijn. Ze had nog zoveel voor de boeg.
“Trouwens, wat is er aan de hand
bij jullie in de stad?” vroeg Medusa. “Ik lees hier allerlei vreemde dingen,
zoals een tweetal moorden op hardwerkende huisvaders die vermoedelijk van
dezelfde hand zijn en zelfs dat jij voor die belachelijke volksrechtbank moet
verschijnen.”
“Dat van die moorden wist ik nog
niet, maar dat gebeurt aan de lopende band. Hoewel het alweer een tijdje
geleden is, dat we een seriemoordenaar hadden in de stad. Ik hoop dat ik hem
mag berichten.” Ineens vonkte er een sprankje levenslust in haar borst. “Maar
het klopt dat ik voor die rechtbank moet verschijnen. Omdat ik iemand heb
vrijgesproken, die de euvele moed, de onvergefelijke onbeschoftheid had om naar
Bach te luisteren en poëzie te lezen. Wie weet schrijft ze zelf gedichten, maar
dat heeft niemand nog ontdekt.”
“Tja, het was te verwachten, dat
dat helemaal uit de hand zou lopen. Ik voor mij ben altijd tegen de
volksrechtspraak geweest. Het leidt tot dit soort absurditeiten. Jij had er
niet aan mogen meewerken.”
“Als ik het niet had gedaan, had
een ander het gedaan!” verdedigde Pallas zich.
“Het eeuwige argument van de
bevelopvolgende ambtenaar. Nee, Pallas, je bent verkeerd bezig, geef dat nou
maar toe, dan kun je een schone start maken. Dat Afroda de verkeerde kant
opgaat, is eigenlijk niet zo vreemd, met een moeder die zo inconsequent is.”
Pallas sprong op. Haar hart ging
wild tekeer en het bloed steeg naar haar hoofd!
“Nee, nou wordtie mooi!” riep ze
uit. “Het komt allemaal door mij! Gemakkelijk hoor! Ik heb mijn kind echt niet
ingeprent dat ze in de Here moest geloven en dat ze moest gaan trouwen met een
christelijke atleet.”
“Vast niet, en dat zeg ik ook
niet. Maar je hebt wel een slecht voorbeeld gegeven. Dat valt me erg van je
tegen.”
Zonder nog een woord te zeggen,
stond Pallas op en verliet haastig, alsof de duivel op haar hielen zat, het
appartementencomplex.
Medusa nam haar kopje van het
dienblad en slurpte van haar koffie. Haar hand was mager en rimpelig. Ze was
aan het verdwijnen. Nog even, een jaar, drie jaar, je kon het niet weten, en ze
zou voorgoed verdwenen zijn. Zelf zou ze niet weten dat ze verdwenen was, net
zomin als ze zich nog iets wist te herinneren van voor haar geboorte. Een
vonkje in de eeuwigheid was ze geweest, zo vluchtig, dat het nauwelijks
waargenomen had kunnen worden. Wat had de familietraditie voor zin, in dat
licht bezien. Waarom zou ze zich druk maken om het leven dat Afroda ging
leiden, als ze zich straks nergens meer druk over zou maken en niets nog
betekenis had. Was dood een zwart gat, zoals ze zich die had voorgesteld in
haar jonge jaren? Welnee, hij was helemaal niets en oud als ze was, kon ze daar
nog niet helemaal bij met haar hoofd.
Ze pakte Pallas te hard aan, wist
ze. Dat had ze altijd gedaan, om haar op het rechte pad te houden. Gek, het
kind was inmiddels tweeënvijftig, maar ze bleef haar opvoeden alsof iemand van die
leeftijd nog veranderd kon worden. En waarom zou Pallas moeten veranderen? Was
ze niet precies goed zoals ze was? Mocht ze haar handen niet dichtknijpen met
zo’n dochter? Die altijd volgens de familietraditie had geleefd? Daar had je
het weer, die traditie. Medusa wist dat ze misschien niet zo hoog van de toren
zou blazen als ze niet wist dat ze de traditie zelf met voeten had getreden. Ze
wist wel degelijk wie de vader van Pallas was, al had ze het nooit iemand
verteld en stond het op geen enkel papier. Pallas was geboren in de jaren
vijftig, waarover nu verteld werd dat het doodse, saaie jaren waren, maar
Medusa had daar in ieder geval niets van gemerkt. Ze had jaren in Parijs
gewoond, en daar bijna al haar tijd doorgebracht in cafés met kunstenaars, mensen
die de kunstenaar uithingen, en filosofen. Vaak genoeg had ze zitten babbelen
met Sartre en De Beauvoir. Het waren spannende jaren geweest, vol verwachting
waren ze over de veranderingen die ze teweeg gingen brengen in het naoorlogse
Westen. In één van die cafés, ze was vergeten welke hoewel ze zeker wist dat ze
het zou herkennen als ze er weer voorstond, had ze Burt ontmoet. Hij was een
deserteur uit de Koreaanse oorlog, en zodra ze hem een beetje kende, kon ze
niet geloven dat hij ooit tot het leger was toegelaten. De Amerikanen moesten
wel erg omhoog zitten. Niet gek natuurlijk na alle verliezen die ze al in
voorgaande oorlogen hadden geleden. In ieder geval: Burt was boterzacht en het
absolute tegendeel van een machosoldaat. Hij was fijn gebouwd, aan de korte
kant en pezig van structuur. Hij had een zachte stem en hij praatte weinig,
maar luisterde liever. Hij was bang voor spinnen en voor muizen, wat erg lastig
was omdat die dieren altijd rondliepen in de goedkope, tochtige Parijse
appartementen. Het liefst zat hij ongestoord in zijn kamer, een klein hokje
boven een Russisch restaurant in Quartier Latin, te lezen. Wat hij las,
beroerde hem zichtbaar. Medusa keek graag naar hem, hoe hij de woorden die hij
las voor zich uit prevelde, af en toe de verte in keek als om zich te laten
uitleggen wat in het boek werd beweerd en de bladzijden voorzichtig, alsof hij
de woorden voor eeuwig kon laten verdwijnen als hij het anders deed, omsloeg.
Op koude winteravonden in 1954 en
1955 was ze met hem naar bed geweest. Het waren tedere vrijpartijen, lekker
warm, en zonder emotionele nasleep van eeuwige liefde en voor altijd bij elkaar
blijven. Medusa was ermee gestopt, toen bleek dat ze zwanger was. Ze kon haar
dochter gaan baren, wist ze. Voordat haar zwangerschap zichtbaar was, vertrok
ze naar Nederland. Ze had geen zin om zich aan meer seks met meer mannen over
te geven, en dat deed ze dan ook niet. Tegen haar moeder, Helena, vertelde ze
dat ze, zoals dat hoorde, geen idee had wie de vader was van het kind. Het kon
van de behanger zijn, of van een Franse zanger zijn. Dat het in werkelijkheid
van een zachtaardige Amerikaanse deserteur was, zou niemand ooit van haar
horen.
Ze glimlachte bij de herinnering
aan Burt. Misschien, als ze geen Vesuvius was geweest, was ze met hem getrouwd.
Zo’n zachtaardig iemand had haar bescherming wel kunnen gebruiken. Zou hij nog
leven? Ze dacht van niet, de hobbels die hij in het leven te nemen had, waren
te zwaar voor hem. Ze gokte op een zelfmoord in zijn veertiger jaren. Toch wist
je het maar nooit. Misschien was hij een kranige oude man geworden. Even
bekroop haar de gedachte dat het leuk zou zijn om hem nog eens te zien, maar
snel wuifde ze die gedachte weg. Dat kon nou eenmaal niet.
Maar wat moesten ze toch met
Afroda? Ze besloot haar kleinkind maar eens uit te nodigen. Het was sowieso al
te lang geleden dat ze elkaar onder vier ogen hadden gesproken.
Het was woensdagavond, de avond
dat Pallas gedaagd was voor de Volksrechtbank. Pallas had de pest in. Nog
voelde ze de uitbrander van haar moeder steken in haar hoofd en haar hart. Ze
had natuurlijk gelijk. Pallas had zich nooit moeten bemoeien met dit onzinnige
instituut. Andere rechters ook niet. Nu ze zelf berecht zou worden, kon ze
echter niet wegblijven al had ze dat het liefst gedaan. Het zou laf zijn, en
het zou haar, niet ten onrechte, kwalijk worden genomen.
Ze keek in de spiegel en nadat ze
geconstateerd had dat haar zwarte colbert haar precies de juiste distantie
verleende, begaf ze zich op weg.
Bij het buurthuis was het nog drukker
dan tijdens de berechting van Beatrice. Ze baande zich een weg door de menigte,
die haar toe siste: kijk, daar ga je nou zelf, dat komt er van als je je eigen
soort bevoordeelt, je gerechte straf, ik hoop dat ze je zullen verbannen, je
bent zelf minstens zo erg als die Beatrice.
Pallas deed alsof ze het niet
hoorde en ging naar binnen. In de zaal zat de plaatsvervangend rechter al op
zijn stoel. Toen hij haar zag, stond hij op en kwam haar tegemoet.
“Dag Pallas,” zei hij. “Het is
druk vandaag. Het is goed dat het volk eindelijk zijn zegje kan doen, want dat
hoort zo in een democratische staat, maar ik persoonlijk vind het wel wat ver
gaan dat de rechter beoordeeld kan worden vanwege haar uitspraak. De pressie
van het volk wordt zo wel erg groot.”
“Wat je zegt,” reageerde Pallas,
enigszins opgelucht. Er waren genoeg volksrechters die met hart en ziel
geloofden in de volksrechtbanken. “Het gaat te ver, ze moeten weer verdwijnen,
dat volk buiten denkt dat ze zich alles kunnen permitteren. Ze denken dat ze
hun inconsistente wil aan iedereen moeten kunnen opleggen.”
De plaatsvervangend rechter knikte
bedachtzaam. Hij legde een hand op Pallas’ schouder.
“Toch zal ik je veroordelen,” zei
hij. “Anders is er geen houden meer aan, dan gaan ze de boel afbreken.”
“Dat meen je toch niet! Je kunt
hiervoor toch niet capituleren?”
“Ik heb geen keus, Pallas. De
burgemeester wil dat ik het doe, en de minister-president wil dat ik het doe.
Ze hebben me allebei meerdere keren gebeld.”
“Nou, daar gaat dan de scheiding
der machten. Jezus Christus!” riep Pallas
uit.
“Rustig nou maar. Bekijk het van
onze kant. Een Slotervaart-toestand kunnen we niet hebben, en jij en ik kunnen
die voorkomen. Ik door je de straf op te leggen, Jij door die deemoedig te
aanvaarden.”
“Eigenlijk moet ik je voor je
schijnheilige rotkop slaan!”
“Dan klaag ik je aan bij de
officiële rechtbank, dus je kan kiezen,” fluisterde de plaatsvervangend
rechter, want er druppelden enkele bezoeker de zaal in. Pallas draaide zich om
en nam plaats op de beklaagdenbank.
Nadat de zaal tot de nok toe was
gevuld, en de barvrouw die ook dienst deed als portier en griffier de deur had
gesloten, begon de rechter met het voorlezen van de aanklacht. De woorden
drongen maar nauwelijks tot Pallas door. Dat was ook niet nodig, want ze wist
immers waar het om ging. Vlak achter haar zat Beatrice. Bij haar binnenkomst
had ze haar hartelijk toegeknikt. Ze was bleek, en haar lippen trilden.
De rechter tikte voorzichtig met
zijn hamer op tafel, alsof hij vooral het publiek niet wilde storen. Het was
direct stil.
Nadat Pallas haar naam en haar
adres had genoemd, zei hij:
“We hoeven hier niet veel woorden
aan vuil te maken. Mevrouw Vesuvius heeft zich schuldig gemaakt aan het negeren
van de wensen van het volk door lafhartig en politiekcorrect iemand vrij te
spreken die zich wel degelijk schuldig had gemaakt aan een gebrek aan inzet tot
integratie.” Een staande ovatie volgde. De rechter glom van genoegen. Het zou
ongetwijfeld de enige staande ovatie zijn die hij in zijn leven mee zou maken.
Het applaus bleef maar duren. Het zachte getik met het hamertje op tafel had
geen enkel gevolg. Eindelijk, er was zeker een kwartier verstreken, verstomde
het lawaai en kon de rechter het woord weer nemen.
“De straf is heel passend: vijftig
dagen werkstraf in het verpleeghuis van de wijk. Daar zijn taken genoeg. Ze
gaan morgen meteen in. Mevrouw Vesuvius dient zich om half acht te melden, dan
kan ze beginnen met het helpen met aankleden van de bewoners.”
“Ja, ho even,” Pallas sprong op
vanuit haar stoel. “Hier gaan toch wel een paar dingen mis. Om maar wat te
noemen, ik heb toch wel het recht om me te verdedigen. Zelfs voor een
volksrechtbank. Ik roep maar wat, hoor.”
De rechter bloosde: “Verdedigen,”
sprak hij aarzelend. “Daar zit misschien wat in, ik meende al dat ik iets over
het hoofd zag. Ik ga ermee akkoord als de verdediging maar niet tot gevolg
heeft dat de loop van het recht verstoord wordt.”
“Zo mag ik het horen,” riep een
man uit het publiek. “Dat het niet zo is dat zo’n slimme advocaat een misdadiger
op vrije voeten krijgt! Aan de galg ermee!”
“Jaaaa,” viel een aantal mensen
hem bij.
Beatrice stond op. “Ik ben de
advocaat,” zei ze. “Ik wil mevrouw Vesuvius verdedigen!”
“Nou, ik weet niet of ik dat
zomaar goed kan vinden,” aarzelde de rechter. “U bent tenslotte de onterecht
vrijgelaten verdachte.”
“Ik neem alleen haar als
advocaat,” zei Pallas, terwijl ze haar armen over elkaar legde. “En als dat
wordt afgekeurd, zal ik proberen de rechtbank te wraken.”
“Wijsneus!” riep een vrouw met een
schelle stem. “Al die gestudeerden weten altijd maar weer hun weggetjes om hun
schanddaden ongestraft te laten. Wraken van de rechtbank, heb je ooit gehoord,
een schandaal is het, een grof schandaal!”
De rechter krabde op zijn kalende
hoofd. Natuurlijk besefte hij dat Pallas inderdaad een klacht tegen hem kon
indienen. Er was een toeziend orgaan op de volksrechtbanken. Dat zetelde in Den
Haag en hield kantoor bij het Ministerie van Justitie. Niemand had daar ooit
zijn beklag gedaan, het orgaan had nog nooit een zaak behandeld, maar één keer
kon de eerste zijn. Hij moest niet hebben dat hij nou net de eerste rechter was
tegen wie een aanklacht werd ingediend.
“Ik moet mevrouw haar verdediging
toestaan,” ging de rechter verder. “Het is van groot belang dat we de juiste procedure
volgen, anders wordt de zaak geseponeerd wegens vormfouten.”
“Slappe zak!” zei Pallas
minachtend.
“Nog vijftig dagen erbij wegens
belediging van de rechtbank!” riep de man die al eerder aan het woord was
geweest. De rechter zweeg echter.
Beatrice kwam naar voren en begon
te zeggen dat de waarheid zou vertellen en niets dan de waarheid tot ze besefte
dat ze de advocaat was en dat ze niet noodzakelijk de waarheid hoefde te
vertellen. Ze begon:
“Ik ben terecht vrijgesproken.
Want ik had niets gedaan waarmee ik mijn buren kon ergeren. Ik ging gewoon mijn
eigen gang, en dat is een rustige gang. Mevrouw Vesuvius heeft dat onderkend en
mij terecht vrijgesproken.” Het publiek rees als één man op en begon te gillen
en te schreeuwen.
“Klassenjustitie was het!”
“Ze houden mekaar altijd het hand
boven het hoofd!”
“Moet je die arrogante rotkop zien
van Vesuvius. Ze is gewoon zelf helemaal niet geïntegreerd!”
“Vuile teef met je stomme bril op
je smoelwerk!”
“Zoveel is het toch niet gevraagd,
om je een beetje aan te passen! Je hoeft de oud-woners toch niet voor de kop te
blijven stoten!”
“Ik protesteer, your honour, dit
soort praatjes kan niet door de beugel!”
En zo ging het maar door. Een uur,
twee uur en al die tijd hield de rechter zijn mond evenals Pallas en Beatrice.
Tot Pallas er genoeg van had. Al
dat geschreeuw van het volk, ze was het beu en ze wilde het nooit meer
meemaken.
“En nou houden jullie je
godvergeten stomme rotkoppen!” schreeuwde ze. “Hou toch eens op met die onzin,
stelletje warhoofden! Ontwikkelingsgebieden! Inteeltproducten! Al jaren moeten
we dat gezeik van jullie aanhoren, dat jullie niet worden gehoord, dat het toch
zo erg is allemaal, dat het vrije woord wordt vermoord, gadverdamme! Doodziek
word ik ervan. En het is over! Helemaal over! Ik verdom het om morgen pispotten
te gaan leeggooien in het verpleeghuis. Ik ga al over mijn nek als ik er aan
denk. Het is geweldig dat er mensen zijn die het wel kunnen, maar ik kan het
niet en ik wil het niet. Nog nooit heb ik iemand veroordeeld hier. Ja, hooguit
tot het opruimen van zijn eigen rotzooi, maar meneer hier deelt maar even langs
zijn neus een vrijheidsbeperkende straf op. Dat is geeneens rechtsgeldig,
stelletje kuttekoppen! Dat kunnen jullie ook wel bedenken, lijkt me zo. Wat had
je dan gedacht? Hè? Dat zomaar in het wilde weg de idiootste straffen kunnen
worden opgelegd? Omdat iemand iets doet wat niet geheel naar de smaak is van de
goegemeente? Dat jullie alles kunnen bepalen terwijl je je volzuipt en je vette
pens nog vetter maakt met frikadellen en andere rotzooi, terwijl…”
Pallas voelde iemand aan haar arm
trekken. Ze zweeg en keek. Het was Beatrice. Die zei: “Stop nu maar, Pallas,
het is wel duidelijk, laten we gaan.” Samen liepen ze naar de deur. Er was
alleen nog wat geroezemoes te horen, geen geschreeuw en gegil meer dat
samenbalde tot één vernietigende geluidsstroom. Zonder lastig te worden
gevallen, verlieten ze het pand.
Minister Rita, die geen minister
meer was maar zich wel zo liet noemen door haar secretaresse, boog zich over
haar toetsenbord met het puntje van haar tong uit haar mond. Sinds ze de partij
“Alles is ok, ga met Rita mee” had opgericht, regende het
aanhankelijkheidsbetuigingen. Waren er maar vast verkiezingen, die zou ze zeker
winnen en binnen een mum van tijd zou ze minister-president zijn. Het hele
kabinet zou ze in haar eentje vormen. Oh zeker, ze zou ministers aanstellen,
daar kwam ze niet onderuit, dat wist ze heus wel. Ze had haar kabinet al voor
een deel geformeerd. Op onderwijs kwam haar secretaresse, op justitie de
tuinman, op VWS haar werkster en op economie haar ex-man. Defensie zou ze zelf
doen. In haar dagdromen, die ze zich soms veroorloofde om zich te ontspannen in
deze tijd van hard werken aan haar toekomst, zag ze zichzelf al als
opperbevelhebber van een machtig leger dat heel de Europese Unie veroverde en
vervolgens heel de Europese Unie zuiverde van elementen die er niet
thuishoorden. Ergens anders, misschien, maar niet in het vrije, tolerante,
democratische Westen. Waar zij keizer van zou worden. Dat laatste had ze nog
aan niemand verteld, maar het keizerschap was haar einddoel en, verdomd als het
niet waar was, ze zou het halen.
De kabinetsberaden zouden kort
zijn met zo’n kabinet naar haar hart. Heerlijk, elke vrijdag vrij. Voor de rest
hoefde ze zich ook al niet al te erg in te spannen want ze wist precies wat ze
wilde en ze deed wat ze zei. Glimlachend keek ze naar het portret van Pim
Fortuyn met zijn twee hondjes, dat sinds jaar en dag aan de wand tegenover haar
bureaustoel hing. Haar grote voorbeeld. Gelukkig wijlen, anders zou hij een
bedreiging voor haar positie vormen, maar hij was dood genoeg om zijn dood
ieder jaar luidkeels te betreuren.
Gesterkt typte ze verder: “Het
getuigt van een oud-politieke instelling van deze rechter, dat zij de rechtbank
op deze manier heeft beledigd. Als zij de volksrechtzaal uitloopt, loopt ze in
feite Nederland uit. Eigenlijk zou zij moeten worden uitgewezen en als ik
minister-president ben, zal ik niet aarzelen de wet zo aan te passen dat dit
mogelijk wordt in soortgelijke gevallen. Het is niet meer dan terecht dit soort
mensen hun Nederlanderschap af te nemen. Immers, zij plaatsen zichzelf buiten
het volk en ze hebben hun uitwijzing dan geheel en al aan zichzelf te danken.”
Ze las over wat ze had geschreven en knikte zichzelf tevreden toe in het
handspiegeltje dat ze altijd klaar had liggen op haar bureau. Ze riep haar
secretaresse bij zich. Meteen verscheen de struise, blonde vrouw.
“Persbericht,” zei Rita. “Het moet meteen uit. “Natuurlijk, minister Rita,”
antwoordde de secretaresse en zij spoedde zich naar faxapparaat en
e-mailprogramma.
Aanvankelijk was mijn missie een echte opdracht. Maar ik
begin er plezier in te krijgen. Het begint al met de voorbereiding. Thuis kies
ik met zorg mijn kleren uit. Die moeten onopvallend zijn, dat wil zeggen,
onopvallend in die bepaalde gelegenheid. In het bos kan ik niet aankomen in
mijn kantoorkostuum, terwijl ik op straat beter niet gezien kan worden in
joggingpak. Hoewel, dat valt te bezien. Ik denk echt goed na over de volgende
locatie. Is het een plek waar de vertegenwoordigers van het soort dat ik op het
oog heb, zich regelmatig ophouden? Kan ik, al is het maar een tel, alleen zijn
met mijn kandidaat? Dat vergt overleg. Overleg dat ik alleen in mezelf kan
voeren. Met niemand kan ik dit delen en dat maakt het zo moeilijk. Maar ik mag
geen medelijden met mezelf krijgen. Zelfmedelijden leidt tot zwakte. Zwakte
leidt tot mislukking. En mislukking mag niet, die kan ik me niet veroorloven.
Die kan de wereld zich niet veroorloven.
Vandaag is het een uitdagende dag.
Ik kijk met enige opwinding uit naar het moment waarop ik hem te grazen neem en
zijn keel doorsnijd. Het zachte kraken, het gutsen van het bloed, het komt me
al bijna vertrouwd voor. Al kan ik niet zeggen dat het een routinekarweitje is,
dat zeker niet.
Ik ben al bekend geworden. Of,
beter gezegd, mijn daden zijn bekend geworden. Er wordt over geschreven in de
kranten. Er wordt over gesproken op straat. Niemand weet wie ik ben. Dat moet
zo blijven. In ieder geval tot ik mijn missie heb voltooid. Aan wat er daarna
gebeurt, mag ik niet denken, want ik mag me niet laten afleiden. Ik hoop dat ik
nooit opgepakt word, ik hoop dat het zo perfect blijft gaan als nu. Dan kan ik
incasseren. Maar daar mag ik niet al teveel op hopen, want daar gaat het niet
om. Daar mag het niet om gaan.
Ik heb me nu opgesteld op de
autoboulevard. Daar wandel ik wat heen en weer, kijk naar de tweedehandsauto’s
die overal worden aangeboden en waaraan je ziet dat ze zo in elkaar zakken als
je ermee gaat rijden. Zonde van je geld. Daarom heb ik geen auto. Je geeft je
goede geld er aan uit, en binnen de kortste keren heb je niets meer. Daarom
fiets ik alleen maar. Dan kan er niets misgaan. Sommige collega’s kijken me
meewarig aan als ik aan kom rijden. Ze vinden me een loser. Ze zullen nog eens
beleven wie de losers echt zijn. Maar dat is iets voor later. Ik moet me
blijven concentreren, mijn energie de goede kant opsturen, niet verkwanselen.
Ze lopen hier veel met zijn
tweeën, een man en een vrouw, daar had ik geen rekening mee gehouden. Dan kan
ik niets doen, en dat is jammer, want er zitten zoveel geschikte types tussen.
Ik loop door. Er zitten echte
schroothopen tussen, zeg. Er zal toch zeker niemand zijn die dat blik echt
koopt? Misschien toch wel, ze zijn allemaal gek. Later, misschien maak ik het
zelf niet meer mee, maar later zullen ze me dankbaar zijn voor wat ik heb
gedaan. Ik word helemaal blij van binnen, bij het vooruitzicht. Gek, dat je ook
blij kunt zijn om iets wat je misschien nooit meemaakt.
Kijk, een zijstraat. Misschien is
het daar wat rustiger. Het lijkt de meubelboulevard wel hier met al die
echtparen. Ik dacht dat mannen zelf hun auto’s uit kozen, maar misschien is dat
niet meer zo. Dat zal meer iets van vroeger zijn. Het zal wel.
In de zijstraat is het stil. Ik ga
hier maar wat op en neer lopen, wat etalages bekijken, handen op de rug, ik heb
alle tijd van de wereld, dat is niet zo, maar zo moet ik eruit zien. Rustig en
bedaard, iemand die een auto gaat kopen en zich uitgebreid oriënteert.
Daar komt er een. Een
prachtexemplaar. Hij heeft zijn zaterdagse kleren aan: spijkerbroek die om hem
heen slobbert, een horizontaal gestreepte trui en sportschoenen. Zwarte,
afgetrapte exemplaren dit keer. Ik loop hem tegemoet, terwijl ik om me heen
kijk. In mijn jas brandt mijn mes. Ik betast het als om het duidelijk te maken
dat het zo niet mag falen, dat het in één keer raak moet zijn.
Bijna staat hij tegenover me. Zal
ik iets nieuws proberen? Hem in het hart steken? Nee, teveel risico. Stel dat
het niet lukt, dat mijn mes blijft steken op de ribben, dat kan ik niet hebben.
Ik loop hem één stap voorbij,
draai me vliegensvlug om en grijp hem van achteren. In één haal snij ik zijn
keel door. Ik laat hem vallen terwijl hij sterft. Hij rochelt nog als ik van hem
wegwandel.
Ik hoop niet dat ik gezien ben
vanuit één van de winkels. Ik denk het niet, ze zien eruit alsof ze niet eens
open zijn, maar het zou wel kunnen. Zo donker is het nog niet, misschien had ik
beter even kunnen wachten. Oh God, nu word ik nerveus! Mijn handen trillen en
het zweet breekt me uit. Niet rennen nu, vooral niet rennen. Mijn fiets staat
aan het begin van de boulevard. Ik haal hem van het slot en rijd weg. Met het
gevoel dat het niet helemaal goed is gegaan.
Pallas las de krant. Sinds haar rechtszaak, die ze zo
bruut en kordaat had afgebroken, was er niemand aan haar deur geweest. Ze had
dat wel verwacht. Minstens zou er een buurvrouw komen om haar duidelijk te
maken dat het zo echt niet langer kon, dat ze zich moest aanpassen. Of nee, integreren
natuurlijk, dat was het toverwoord.
Haar oog viel op een kop op de
voorpagina. “Derde moord binnen een week, vermoedelijk door zelfde dader.” Ze
las het bericht helemaal. Er bekroop haar een onbehagelijk gevoel, alsof ze
iets te maken had met deze moorden. Ze bekeek de namen van de slachtoffers nog
eens. Nee, ze kende ze niet. Het vreemde was dat het afrekeningen leken, maar
geen van de slachtoffers was bekend bij de politie. Ze hadden, tenminste zo
leek het op het eerste oog, geen banden met het criminele circuit. Gewone
huisvaders. Met een baan, met doodgewone bezigheden als thuiskomen van het
werk, een auto kopen en hardlopen door het park. Dat laatste vond Pallas al
minder normaal: waarom pijnigden mensen hun lichaam zo onnodig. Hadden ze er eeuwen
over gedaan om van het zware lichamelijke werk af te komen en bleven ze hun
lichaam toch afbeulen. Ze schudde haar hoofd erom. Zuchtend legde ze de krant
aan de kant. Meteen wandelde Afroda in haar gedachten. Het was niet prettig om
aan haar te denken onder de huidige omstandigheden. Vooral niet omdat ze niet
wist wat ze moest doen. Als Afroda voet bij stuk hield, en het huwelijk
doorzette, had ze geen poot om op te staan.
Er belde iemand aan. Pallas had
geen zin om open te doen. Het zou vast wel weer iemand zijn die haar wilde
bekeren tot de Here, of een abonnement voor kabeltelevisie wilde verkopen, of
op een tijdschriftenpakket. Toch stond ze op. Ze was te nieuwsgierig want er
was altijd één kans op de duizend dat het wel iemand was die ze wilde zien.
Toen ze de deur opendeed, keek ze
Beatrice in de melancholieke ogen. “Kom binnen,” zei ze verrast. Het viel haar
op hoe blij ze was haar te zien. Als ze nou maar geen rare dingen ging denken,
dat ze verliefd was of zo, want die tijd had ze toch echt gehad, daar mocht het
niet meer van komen, binnen de kortste keren zou ze het gevoel hebben dat er
een strop om haar nek zat.
“Wil je koffie?” vroeg ze, terwijl
ze een uitnodigend gebaar naar de bank maakte.
“Jawel,” antwoordde Beatrice.
“Maar nog liever heb ik een borrel.”
“Daar kan ik alleen maar begrip
voor opbrengen.” Pallas liep naar de huisbar en schonk twee flinke glazen wodka
in. Wat een aardige meid was het toch, die Beatrice. Dat ze haar nou nooit
eerder had ontmoet terwijl ze toch bijna naast elkaar woonden.
Beiden namen een flinke slok.
Pallas voelde hoe haar aderen werden verwarmd en haar zorgen naar de
achtergrond verdwenen.
“Ze laten het er niet bij zitten,”
begon Beatrijs.
“Nee, vertel mij wat. Dat zullen
ze zeker niet doen. Aan de andere kant kunnen ze ook niet zo heel veel
beginnen, denk ik.”
“Ik ben bang sinds die rechtszaak,
dat is het probleem, ik voel me hier niet meer thuis.”
“Dan hebben ze bijna voor elkaar
wat ze de hele tijd al willen. Ons wegpesten. Ons het leven zo onmogelijk te
maken, dat we zelf vertrekken. Dat moeten we niet doen.”
“Nee, je hebt natuurlijk gelijk,
principieel gesproken, maar ik kan deze druk niet zo heel lang verdragen. Ik
ben best een stoere meid, maar als het allemaal te nabij komt, ben ik maar een
klein muisje in feite.”
“Ach, zijn we dat niet allemaal?
We doen ons toch altijd stoerder voor dan we zijn? Dat moet ook wel, in het
leven buiten. Maar jij moet blijven, als je enigszins kan moet je blijven.”
“Hoe komt het toch dat jij zo
moedig bent,” verzuchtte Beatrice. “Komt dat echt doordat je een Vesuvius bent,
zoals het verhaal gaat?”
Pallas haalde haar schouders op en
stak een sigaret op.
“Ik zou het niet weten. Ik weet
natuurlijk niet hoe het is om geen Vesuvius te zijn, maar ik kan je wel
vertellen, dat het ook een last is.”
Ze borg haar hoofd in haar handen.
Ineens had ze het idee dat ze in huilen zou uitbarsten.
Beatrice legde een arm om haar
heen en zei: “Beatrice, wat zit je zo dwars? Het zijn de buurtgenoten niet, hè?
Ik dacht gisteren al dat je iets heel anders aan je hoofd had, dat je daarom zo
kon uitbarsten tegen die mensen.”
Pallas keek haar aan. Ze voelde
dat de tranen in haar ogen stonden.
“Mijn dochter gaat trouwen!”
snikte ze. “De eerste Vesuvius die zoiets doet. De hele dynastie dondert in
elkaar.”
“Oh, nou, dat ze gaat trouwen, is
toch niet zo erg? Ben je bang dat het een ongelukkig huwelijk wordt?”
“Ach nee, daar denk ik nog niet
eens aan. Het gaat om het blote feit op zich: een Vesuvius die gaat trouwen,
dat kan gewoon niet. Ik heb het gevoel dat alles waar ik voor leef zomaar
overboord gekieperd wordt. Ik heb het gevoel dat ik belachelijk word gemaakt
door mijn eigen dochter, mijn eigen vlees en bloed.”
“Maar zie je dat nu niet een
beetje te star? Ik begrijp uit je woorden dat je tegen het huwelijk bent, in
zijn algemeenheid, maar…”
“Ik ben niet tegen het huwelijk in
zijn algemeenheid,” riep Pallas uit met verscheurde stem. “Ik ben tegen een
huwelijk van welke Vesuvius dan ook, het hoort gewoon niet.”
“Oh, ik had begrepen dat geen
enkele Vesuvius ooit getrouwd was geweest, maar niet dat dat was omdat het niet
zo hoorde. In de wijk zegt men de laatste dagen dat je van de hoeren afstamt.
Zo praten ze er nu over, dat is vast sinds gisteren en het zal wel weer
verdwijnen maar toch.”
“Ik stam niet van de hoeren af,
verdomme!” zei Pallas, terwijl ze haar tranen droogde. “Weet je wel dat Afroda
laatst bijna precies hetzelfde zei? Ze had het over zondigheid en dat we
allemaal hoeren waren geweest en ze meende het. Die zondigheid, die zit me ook
dwars. Het ziet er naar uit dat ze ook nog christen is geworden, en van het
enge soort meteen, dat andere mensen wil voorschrijven hoe zij hun leven moeten
leiden.”
“Nou, dat wil jij toch ook, andere
mensen voorschrijven hoe ze moeten leven?”
Verbouwereerd keek Pallas naar
Beatrice. Zo kon haar zorg om Afroda toch niet bekeken worden? Als je kind aan
de drugs ging, probeerde je het er toch ook van af te helpen?
Ze schudde het hoofd, als om te
zeggen, nee, je hebt het niet begrepen, het gaat om iets heel anders. Haar tong
leek opeens verlamd door alle verwarring.
Uiteindelijk bracht ze uit: “Je
bent een vreemd mens, Beatrice, een heel vreemd mens!”
Beatrice knikte. “Dat wordt me
vaker voor de voeten gegooid, de laatste tijd.” Ze glimlachte.
Pallas lachte terug. Voor het eerst
sinds haar problemen begonnen, kon ze lachen. Even werkte het bevrijdend, maar
direct realiseerde ze zich dat het nog niet betekende dat haar zorgen voorbij
waren. Beatrice mocht het misschien niet begrijpen, maar er was nog altijd een
probleem met Afroda. Het was ondenkbaar dat ze haar zomaar haar gang liet gaan.
Er stond teveel op het spel. Maar wat dan, ging het etterige peststemmetje in
haar binnenste zitten sissen. Wat is er zo erg aan? Ja, wat, vroeg Pallas zich
af. Ik heb het altijd geweten maar nu, op dit moment, weet ik het even helemaal
niet meer.
Medusa leunde tegen het aanrecht. Ze moest even bijkomen
van wat ze zojuist had gezien en gehoord in de woonkamer, wat bij haar was
ingeslagen als een bom en afbreuk deed aan alles waarin ze tot nu toe had
geloofd, of nee, geen afbreuk, eerder maakte het bespottelijk waar zij in
geloofde of probeerde het althans. Nou meid, je bent niet over de tachtig
geraakt om je te laten ringeloren door je eigen kleinkind, sprak ze zichzelf
streng toe. Ze haalde diep adem en sloot haar ogen. Ze zag sterren en felrode
strepen. Sterk zijn, Medusa, je hebt voor hetere vuren gestaan. Denk aan de
wapendropping op het strand van Zandvoort in 1944, dat was toch veel
spannender, veel ingrijpender ook dat dit want je had het leven kunnen
verliezen. Ja, maar nu verlies ik het leven ook, als het ware, ging ze tegen
zichzelf in. Het is ongehoord. Dat ik dit nu nog moet meemaken, dat de traditie
na bijna tweehonderd jaar op deze manier verkracht wordt.
Koffie zetten, of thee, dat hielp overal tegen. Bovendien
moest ze haar bezoek voorzien van een kopje koffie. Of thee, zoals Afroda
wenste. Zij was tegen koffie omdat dat een stimulerend middel was en dat was
tegen de wens van God. Je kracht moest je uit jezelf halen, dat was de opdracht.
Dat Tobias wel koffie dronk, zoals hij had gefluisterd, zinde haar dan ook in
het geheel niet. Met een fijn glimlachje had ze gezegd: “Daar help ik hem wel
van af.” Medusa geloofde het. Afroda zou Tobias van alles af helpen, daarvan
was ze overtuigd.
Al toen Medusa de deur geopend had, en de twee op haar
stoep zag staan, wist ze dat het helemaal mis was met haar kleindochter. Die
droeg haar peper&zoutkleurige haar in een knot, had een grijze rok aan die
tot op haar knieën viel met daaronder wollen zwarte kousen. Haar gezicht was
bleek en ingevallen, alsof ze zichzelf uithongerde. De jongen die zich
voorstelde als Tobias, de verloofde, droeg een donkergrijs maatkostuum met
daaronder een spierwit overhemd. Even dacht Medusa dat hij een begrafenisondernemer
was, die zich wat te vroeg bij haar meldde, maar toen herinnerde ze zich zijn
gezicht van hotel Americain, toen ze het stel had betrapt op het houden van een verlovingspartijtje.
“Ik kom om twee zaken door te nemen,” stak Afroda meteen
van wal toen ze was gaan zitten. “Allereerst kom ik natuurlijk Tobias
voorstellen, mijn aanstaande echtgenoot, die mij door mijn leven zal leiden.
Verder wil ik het zondige gedrag van onze familie aan de kaak stellen. Niet
omdat ik me zo graag ergens mee wil bemoeien, maar omdat ik vrees dat het op de
jongste dag verkeerd zal aflopen met jullie allemaal. Dat jullie uit je graven
opstaan en naar de hel worden verwezen door de Here.”
Even was Medusa sprakeloos. Dit soort taal had ze wel eens
gehoord, als ze fietste door dorpen in de Betuwe of een weekje bijkwam op de
Veluwe, maar nog nooit waren dergelijke woorden uitgesproken door een
familielid.
“Wat vertel je me nou voor een onzin, kind, de jongste
dag, de Here, de hel, dat zijn toch allemaal kinderfantasieën van de onderontwikkelden
onder ons..”
Tobias sloeg in afschuw zijn arm voor zijn ogen. “Oh Here,
verlos de verdoemden want ze weten niet wat ze zeggen,” prevelde hij.
“Ik dacht wel dat je zoiets zou zeggen,” vervolgde Afroda. “Dat je zou vasthouden aan
die vastgeroeste ideeën uit de jaren zestig, zeventig. Misschien kunnen jullie
het niet helpen, dat je zo op het verkeerde spoor bent geraakt, want de Boze
heerste in die dagen. Ik zal jullie helpen het rechte pad terug te vinden.”
“Ik ga koffie zetten,” had Medusa gezegd en nadat Afroda
had uitgelegd dat koffie tegen de wens van de Here was, die trouwens zelf nooit
een kopje koffie had gedronken, want die had je nog niet in het jaar 0, had ze
zich naar de keuken gespoed.
Daar stond ze nog steeds, moed te verzamelen om haar
bezoek te weerstaan.
Ze rechtte haar rug, nam het dienblad op en ging naar
binnen.
Afroda stond voor de boekenkast en bekeek hoofdschuddend
de kaften. Ze draaide zich om naar Medusa en zei:
“De schaamte voorbij, De Pest, werken van Sartre,
Plato, verdorven literatuur van die Van der Heijden en, erger nog bijna,
van Wolkers. Nergens de bijbel. Een mens heeft maar één boek nodig, moeder.
Laat je toch niet zo afleiden.”
“Ik heb anders wel degelijk een bijbel,” schoot Medusa in
de verdediging. Direct had ze er spijt van.
“Zeg eens, ik dacht dat ik mijn kleinkind op bezoek had,
die haar verloofde kwam voorstellen, en die ik haar voornemen uit het hoofd zou
gaan praten, maar je lijkt wel een Jehova Getuige die zich naar binnen heeft
gedrongen. Een christenfundamentalist in de familie, wel heb ik ooit!”
Met een felle beweging draaide Afroda zich om in Medusa’s
richting.
“Fundamentalisten heb je alleen onder de Moslims, die
heidenen! Niet onder de Christenen!” riep ze uit met schelle stem. “Vliegen wij
soms torens in, plegen wij bomaanslagen? Nou dan! Wij verkondigen de waarheid!
Het Woord Gods! Wij proberen jullie zondaars te redden nu het nog kan! Terwijl
de jongste dag nog maar even van ons af ligt!”
Het was nog erger dan Medusa had kunnen denken. Was dit het
kind dat ze in haar jonge jaren had opgevoed? Dat nieuwsgierig was geweest en
bij alles wat ze waarnam had gevraagd waarom dit zo was, waarom iets anders dat
was? Het was onvoorstelbaar.
Tobias trilde. Alsof het gesprek hem te zwaar was, alsof
hij voor een strenge sollicitatiecommissie zat, waar de rest van zijn leven van
af hing.
“Ik vind dat Afroda wel gelijk heeft,” fluisterde hij.
“Natuurlijk heeft ze mij verteld van het familieverleden, en ik was erg
geschokt. Hoe jullie de suprematie van de man ontkend hebben door hem
stelselmatig buiten jullie leven te houden. Afroda weet niet eens wie haar
vader is, terwijl dat alleen voorkomt bij hoerenjongen.” Hij legde zijn handen
in de schoot, friemelde wat met zijn vingers en keek Medusa onzeker aan. De
redding ligt bij hem, dacht Medusa, maar ik moet het heel voorzichtig
aanpakken.
Afroda gaf Tobias een tikje op de schouder en zei: “Rustig
maar, Tobias, het is allemaal heel verschrikkelijk maar je weet net zo goed als
ik dat de Here het meest geeft om zijn afgedwaalde schaapjes. Moeder en
grootmoeder maken nog best wel een kans om te worden opgenomen in de
heerlijkheid.”
“Ik hoef die heerlijkheid van jou niet, kind,” zei Medusa,
plotseling geïrriteerd geraakt. “Als er allemaal van die kwezels in die hemel
van jullie zitten, hoef ik er echt niet naar toe. Laat mij maar lekker in de
hel zitten, dat is wel zo aangenaam, lijkt me.”
Tobias sloeg de hand voor de mond. Afroda glimlachte. Het
was een zalvend glimlachje, zoals je lacht als je iemand die niet helemaal goed
bij het hoofd is op haar gemak wilt stellen.
“Arme grootmoeder, je hebt nog zo’n lange weg te gaan,”
zei ze. “Maar vergeet niet dat ik je niet loslaat.”
“Nee, daar was ik al bang voor,” verzuchtte Medusa.
“Nooit, nee nooit, zal ik jullie loslaten. Ik ben zelf
immers gered. Ik heb gedronken, ik heb gehoereerd,” Afroda aarzelde even en
keek vanuit haar ooghoeken naar Tobias. “Bijna gehoereerd dan, ik ben niet
gehuwd dus ik ben maagd gebleven. Dankzij de Here is me bespaard gebleven dat
ik mijn eer te grabbel heb gegooid. Maar ik ben wel in de verleiding geweest!
Omdat ik dacht dat er niets slechts aan was om je over te geven aan lage
lusten, omdat ik dacht dat het zo hoorde! Ik zag niet in dat ik door jullie,
mijn eigen grootmoeder, mijn eigen moeder, op het verkeerde pad was gebracht!
Ik heb dus geslempt en me bijna overgegeven aan hoerengedrag! Ik was lui,
woekerde niet met mijn talenten maar lag te luieren, op stranden en in bed, ik
las de verkeerde boeken, over recht, over rare gedachten van die filosofen, ik
was ledig, Grootmoeder, mijn leven was ijdelheid en najagen van wind, maar dat
is verleden tijd.”
“Ik zou Prediker nog maar eens goed lezen,” zei Medusa.
“Want volgens mij heb je dat boek niet helemaal goed begrepen.”
“Een zondaar gaat mij vertellen hoe ik de Bijbel moet
lezen?” Afroda sprong op en gilde het bijna uit. Tobias trok aan haar arm.
“Rustig nu, Afroda, met drift bereik je niets, dat heeft de meester ons
geleerd.”
“Hmmm, die meester, is dat weer iemand anders dan de Here
die zo jammerlijk aan zijn einde kwam aan dat kruis? Het martelwerktuig dat
jullie kerken nog altijd siert?” vroeg Medusa. Afroda ging weer zitten. “Sorry,
Tobias, ik liet me even gaan. Soms zijn er nog sporen van de oude ik in mij. De
Here blijft me op de proef stellen.”
“Dat blijft Hij doen, mijn lieveling. Dat is om je sterk
te maken en om je sterk te houden.”
“Ik weet het, ik weet het.” Afroda greep haar grootmoeder
bij beide handen en keek haar diep in de ogen.
“Ik heb het beste met je voor, grootmoeder, en ook met
moeder. Vertrouw op mij, ik zal jullie helpen de weg te wijzen, de enige juiste
weg.”
Medusa maakte zich los. Ze wilde niet worden aangeraakt
door deze vrouw, die misschien in de kern haar kleindochter nog was, maar er
helemaal niet op leek.
“Ga nu maar, kind. Ik moet me beraden op alles wat je me
zegt.” Afroda keek verheugd.
“Zie je wel, Tobias, het eerste zaadje is geplant, het
moet nu rijpen, en dan komt alles toch nog goed.”
“Ik zou er niet te hard op rekenen,” zei Medusa. “En ga
nu, voordat ik iets doe waar ik spijt van krijg.”
Afroda verschoot van kleur, nam Tobias bij de arm en
verliet de woning.
Verheugd haalde minister Rita haar
handen van het toetsenbord. De hele ochtend was ze bezig geweest met
brainstorm. Ok, ga met Rita mee, bekte niet lekker volgens Kay, maar hij was
niet met suggesties gekomen. Wat moest je nou met zo’n adviseur! Rita wilde
doen en niet nadenken, daar betaalde ze Kay voor.
Maar de naam van de partij
bepaalde haar toekomst en de toekomst was al begonnen. Ze moest dus snel iets
nieuws verzinnen. Eindelijk, na veel getob en websurfen wist ze het.
Ze reed haar bureau kruk naar
achteren en stevende op de kamer van Bep, haar secretaresse, af. Terwijl ze de
deur openzwaaide, riep ze: “Bep, ik heb het! Het wordt Trots op Rita!”
Beps gezicht betrok een beetje en even meende Rita een zweem van minachting in
het anders zo dienstbare gelaat te bespeuren. Maar dat moest ze zich
verbeelden. Als er iemand reden had om trots te zijn op Rita was het Bep wel.
“Op zich wel leuk,” zei Bep.
“Alleen het rijmt niet. En mensen moeten het ook kunnen zingen. Dan is het
gemakkelijker als het rijmt.”
“Je hebt helemaal gelijk! Wat een
voorrecht om iemand in huis te hebben die meedenkt, die ik kan vertrouwen. Ik
voel me zo rechtdoorzee op dit moment dat ik je wel zou kunnen zoenen.” Ze zag
het afwerende gebaar en zei vlug: “Dat doe ik natuurlijk niet, want zoiets kan
een aanstaande minister-president zich niet permitteren.” Ze sloeg haar armen
over elkaar en tikte met haar voet op de grond. Plotseling riep ze uit: “Ik
weet het! Het wordt: Tjakka! Trots op Rita!”
“Nou, dat lijkt me wel goed,” zei
Bep, die haar blik had gericht op het geïllustreerde tijdschrift dat voor haar
lag. Het was bepaald geen piektijd op het secretariaat.
“Mij ook,” zei Rita. “Zeg, heeft
Nova nog gebeld? Om me uit te nodigen voor commentaar op die toestand met die
volksrechter? Of netwerk? Of één
vandaag?”
Bep schudde het hoofd zonder
minister Rita aan te kijken.
“Dat komt dan vast nog wel,” zei
Rita. “Ze zijn hun strategie aan het bepalen. Ze zullen wel op het laatste
moment gaan bellen. Blijf je wel bij de telefoon vandaag?”
Bep knikte. “Wist jij dat Chantal
Verhegge een vondelingetje was?” vroeg ze op afwezige toon.
Rita gaf geen antwoord en verliet
het secretariaat. Ze moest, als alles op de rails zat, toch eens wat doen aan
de bevlogenheid en het enthousiasme van haar medewerkers, ze kreeg de indruk
dat daar nog wat aan schortte.
Een tijdje nadat Pallas wakker was
geworden, voelde ze een ander been in haar bed. Eerst dacht ze dat er iets mis
wat met haar zintuigen, dat het haar eigen been was dat niet als haar been
aanvoelde. Ze voelde nog eens goed, en moest toen vaststellen dat er wel
degelijk een ander persoon naast haar lag.
Beatrice opende haar ogen en keek
Pallas aan. Nu wist ze het weer: de vorige avond had ze een stevig glas
gedronken met Beatrice en ze kon zich niet herinneren dat ze weggegaan was.
Evenmin kon ze zich voor de geest halen hoe ze samen in bed waren beland.
“Dag schat,” zei Beatrice zacht,
met een verzaligde glimlach om haar mond.
“Goeiemorgen,” zei Pallas,
gealarmeerd. “Hebben wij, uh, je weet wel, vannacht?”
Beatrice knikte enthousiast. “Het
was heerlijk,” sprak ze en ze streelde Pallas door het haar.
Pallas wist er niets van, maar een
deken van doffe paniek viel over haar heen. Misschien was het nog niet te laat,
misschien was de zaak nog te keren.
“We zouden nu kunnen ontbijten, en
dan naar Ikea, om vast de spulletjes uit te zoeken. En zal ik bij jou intrekken
of jij bij mij, wat denk je, wat zou het beste zijn? Mijn huis is wat groter,
maar het nadeel is dat je met die buren zit. Dit is een wat rustiger straat.”
Pallas sprong, klaarwakker
plotseling, uit bed. Haar hart bonsde wild, de enige adequate vluchtreactie,
concludeerde ze. Ren, mens, ren! Sprak ze zichzelf toe. Maar ze bleef staan
waar ze stond en keek neer op Beatrice, die zich als een kat tussen dekens en
lakens had gerold.
“Ik denk dat het voor Ikea nog wat
te vroeg is,” zei Pallas. “Ik bedoel, we kennen elkaar nog te kort.”
Ze was hier niet goed in. Eigenlijk
moest ze zeggen dat het haar sterk leek dat het ooit tot Ikea zou komen, dat
het haar uitgesloten leek. Punt uit. Ontbijten en wegwezen. Vannacht was
voorbij. Ze wilde nog best zeggen dat het zalig was geweest, al kon ze zich er
niets meer van herinneren, maar dan moest het klaar en uit zijn.
Nadat Maria weg was gegaan met
haar yogalerares was het Pallas opgevallen, hoeveel beter ze zich voelde toen
ze alleen was, net alsof ze vanuit een half mens weer een heel mens was
geworden. Natuurlijk had ze Maria nog zeker een jaar bestookt met haatbrieven
omdat ze haar belazerd had, maar dat was meer voor de conventie. Dat hoorde nou
eenmaal zo, dat je je nog enige tijd rancuneus bleef gedragen als je aan de
kant was gezet. Het zou bot zijn om er anders mee om te gaan. Maar in feite had
ze zich steeds beter gevoeld, weer helemaal vrij, weer met lucht om haar heen.
Ze had zich voorgenomen om nooit meer een relatie te beginnen, haar hele leven
niet. Daartoe moest ze elke opmaat tot zo’n toestand vermijden, dat realiseerde
ze zich maar al te goed. Hoe vaak kwam het niet voor dat een als
one-night-stand bedoelde ontmoeting uitliep op een compleet huwelijk en
vervolgens de scheiding? Veel te vaak, bijna altijd ging het zo tussen twee
vrouwen. Ze moest dus, met andere woorden, altijd vermijden dat ze tussen de
lakens terecht kwam met een andere vrouw.
Nu was dat op middelbare leeftijd
een stuk gemakkelijker dan het geweest was toen ze, pakweg, een jaar of twintig
was, dus ze had dat toch vol moeten houden.
En vanochtend moest ze dus
constateren dat het weer was gebeurd, en nu zelfs zonder dat ze het had
gemerkt, of dat er sprake was geweest van elkaar in de ogen kijken, elkaars
levensgeschiedenis vertellen en elkaar steeds beter leren kennen.
Ze wist er eenvoudig helemaal niets
meer van. Ze keek naar beneden, haar lichaam langs. Ze was inderdaad naakt,
zoals gebruikelijk was in dergelijke omstandigheden.
Toen pas zag ze het geschokte
hoofd van Beatrice. Verbijstering vlamde uit haar ogen. Mijn God, ik zal haar
toch niet ten huwelijk hebben gevraagd, ging het door haar heen. Wie weet hoe
ver ze al was gegaan met haar dronken kop. Want de oorzaak was drank, zoveel
was duidelijk.
“Ik dacht dat je zei dat je van me
hield en dat we ons leven samen zouden delen?” zei Beatrice snotterend. “Dat er
weer hoop was in ons leven, en dat het een kroon was op onze ouwe dag dat we
elkaar hadden gevonden. En jij vond die roze Ikea-bedbank toch ook zo leuk?”
“Heb ik dat gezegd?” vroeg Pallas.
Eigenlijk moest alcohol je tong verlammen, net als de rest van je ledematen,
dan gebeurden er tenminste niet zulke ongelukken.
“Ja! Weet je dat niet meer? Hele
verhalen had je, over hoe wij samen door het leven zouden gaan, dat we samen
sterk stonden en niemand ons iets kon maken, dat we een huisje-boompje-beestje
gingen opzetten, dat we voor elkaar geschapen waren, dat het geen toeval kon
zijn dat we elkaar hadden ontmoet.”
“Heb ik dat gezegd?” Vroeg Pallas
nog eens, met stijgende verbazing. Zou het niet zo zijn dat Beatrice haar kans
rook en maar wat uit haar nek lulde?
Beatrice huilde.
“Weer een belofte die niet wordt
waargemaakt,” snikte ze. “Ik kan er niet meer tegen, weet je dat? Het is de
zoveelste teleurstelling in mijn leven. Eerst die buurtgenoten, nu jij weer, ik
kan er niet meer tegen!”
“Ja, maar, ik weet gewoon echt
niet meer dat ik dat allemaal gezegd heb,” zei Pallas. “Dat ik met je in bed
ben beland, dat is ook al zoiets wat ik niet wilde. Het is gebeurd door de
drank, door de toestanden waardoor we in elkaars armen geworpen werden. Het was
gewoonweg mijn bedoeling niet.”
“Nou, daar ben je dan wel laat
mee, om dat te bedenken!” Woedend sprong Beatrice uit bed, trok de kleren aan
die naast haar op de grond lagen en verliet het huis.
Pallas voelde zich eerst
opgelucht, daarna kwam er een gevoel van benauwenis over haar. Het zat haar
dwars dat ze dit soort dingen kon doen zonder het te merken, op de automatische
piloot als het ware. Het zat haar ook dwars dat ze een medestander was verloren
in de strijd tegen de absurde uitspraak van de volksrechtbank. Ze wist niet
welke van de twee het ergste pijn deed.
Toen viel Afroda haar gepijnigde
hoofd in. Ze borg het tussen haar handen, om het te beschermen tegen al die
aanvallen, die toch echt van binnenuit kwamen.
Het is niet voor mijn genoegen. Ik weet het. Maar ik moet
er toch een beetje variatie in aanbrengen, anders verlies ik mijn gedrevenheid.
Dan wordt het routine, dan ga ik fouten maken. En dat mag niet.
Daarom sta ik nu langs de A2, op
donderdagmiddag, bij de oprit vanuit Breukelen. Het is half vijf en het is al
lekker druk. De auto’s tuffen stapvoets over de weg, die wel heel ten onrechte
snelweg heet. Het zijn me toch een stelletje sukkels! Gaan ze in het enige
voertuig zitten dat nauwelijks vooruit komt. Omdat ze snel thuis willen zijn.
Of te beroerd zijn om te bewegen.
Mij komt dat goed uit nu. Ik moet
er voor zorgen dat het niet opvalt, dat ik niet word gezien. De adrenaline
ruist door mijn bloed, mijn ogen schieten van links naar rechts. Daar gaat een
vrachtwagen. Er zit een dikke vent in, die iets zit te vreten en tegelijkertijd
belt hij. Als hij ander werk deed, zou hij een goede kandidaat zijn. Jammer. Ik
kan er trouwens niet bij. Zie me niet zo snel die vrachtwagen opklimmen. Voor
iedereen zichtbaar, dat ook nog.
Veel kleine auto’s. Gek, daar
zitten vaak vrouwen in, alsof die auto niet uit zichzelf vooruitkomt, alsof er
kracht voor nodig is om hem in beweging te krijgen. Natuurlijk ook grote
bakken, glimmend, met een colbertje dat voor het achterportier hangt aan een
haakje en een man erin in hemdsmouwen. Die denkt dat hij het druk heeft, dat
hij het daarom zo warm heeft. Ik weet wel beter. Heeft de hele dag op zijn kont
gezeten in een vergaderzaal en daar wat uit zijn nek gezwamd. Had hij de
stukken gelezen? Nee, natuurlijk, daar had hij geen tijd voor. Heeft hij iets
zinnigs gezegd? Iets dat een werkelijk bestaand probleem heeft opgelost. Het is
onwaarschijnlijk. Hij is zijn dag doorgekomen. En krijgt wat hij helemaal niet
verdient.
Ik laat er een paar passeren, ze
rijden nog net iets te snel. Ze moeten stilstaan, dan weer even optrekken, en
dan weer stilstaan.
Ik wacht tot vijf uur. De kantoren
zijn uit. Die gaan erg vroeg uit. Eigenlijk zouden ze nu allemaal bezig moeten
zijn met het opruimen van hun bureau. Maar nee, ze zijn veel te vroeg vertrokken.
Om de file voor te zijn, zullen ze gezegd hebben. Of nee, ze hoeven dat niet
meer te zeggen, iedereen vindt het gewoon.
Het begint, het stilstaan. Ze
kruipen dicht bij elkaar, elke centimeter is er één dichter bij huis, lijken ze
te denken. Ik let goed op. Op de middenstrook rijdt een vrachtwagen. Jammer dat
die niet op de rechterstrook rijdt. Daar komt er nog één. Timing, daar gaat het
nu om. Precies als een golf wil invoegen, komt er een vrachtwagen met oplegger
voorbij op de rechterstrook. De golf wordt aan het zicht onttrokken.
Vliegensvlug trek ik het rechterportier open en glip naar binnen. Voordat de
man, in confectiepak, zit niet goed, met de over zijn broekriem hangende buik,
van zijn schrik bekomen is, heb ik zijn keel doorgesneden. Ik ben er nu zo
handig in geworden dat ik het ook vanaf opzij kan. Ik trek zijn rechterbeen van
het gaspedaal en stuur de auto over de vluchtstrook tegen de berm aan. Ik zet
het gevarenlicht aan. Dan verlaat ik de auto en loop de invoegstrook af, naar
het begin, waar mijn fiets staat.
In de Prins Willem Alexanderzaal
van het Congresgebouw in Den Haag was het een drukte van jewelste. Als ze niet
had geweten hoeveel aanhang ze had onder de mensen in Nederland, had Rita het
gewoon niet kunnen geloven. Alsof Miles Davis was opgestaan uit zijn graf en
een concert gaf op het North Sea Jazzfestival, zo vol was het in de zaal.
Tevreden stond ze achter de katheder en overzag de dolenthousiaste menigte.
“Tjakka, trots op Rita!” riepen ze allemaal, zij het niet allemaal tegelijk.
Meerstemmig is het eigenlijk, dacht Rita, zo prachtig, Bach kan er bijna niet
aan tippen. Het was opvallend dat veel van haar bewonderaars, haar volgelingen,
ja, ze durfde wel te stellen, haar aanbidders, er zo Aziatisch uitzagen, met
een schuine plooi aan de neuszijde bij hun ogen. Hun oren stonden laag, zag ze
aan een paar aanhangers op de voorste rij. De meeste waren wel blank. Vast
Oost-Europeanen of Russen uit het verre Siberië, die het communisme waren
ontvlucht en nu als volledig geïntegreerde burgers in Nederland woonden.
Natuurlijk mochten ze blijven, nu het zo schandalige systeem was ingestort en
ze eigenlijk weer terug konden naar hun eigen land. Zulke nieuwkomers, al
moesten ze er toch al minstens twintig jaar zijn, kon Nederland goed gebruiken.
Zij wisten waar ze pal voor stonden, namelijk voor de zaak van de enige vrouw
in Nederland die rechtdoorzee was en het daardoor tot Minister-president zou
schoppen.
Ze bleven maar roepen. “Tjakka!
Trots op Rita!” Het viel haar nu op dat de meeste slecht articuleerden. Lag dat
misschien aan de akoestiek? Daar moest ze Bep toch op aanspreken, dat ze ook
daar op moest letten als ze een zaal ging huren.
Bep stond voor de voorste rij en
gebaarde. Ze leek wel een dirigent, of een doventolk. Rita had geen idee wat ze
daar stond te doen, maar zag wel dat haar gebaren aandachtig werden gevolgd
door het publiek. Dat was niet de bedoeling. Ze kwamen voor haar, Rita, de
grote Rita, en niet voor Bep. Ze bracht haar mond naar de microfoon en riep:
“Wat geweldig dat u hier allemaal
bent! Wij weten allemaal waar het om gaat in Nederland, namelijk: ere wie ere
toekomt, dat in de eerste plaats. Er moet harder worden opgetreden en er moeten
duidelijke maatregelen worden genomen tegen al die linkse uitwassen. Weg met de
uitkeringen, weg met de moslims, vooral degenen die weigeren mij de hand te
schudden, weg met de goedgebekte jongens in de Tweede Kamer die denken dat ze
mij aan de kant kunnen schuiven, weg met de files vooral als ik eraan kom. We
gaan ervoor! We zetten ons in voor mij, ik bedoel, voor Nederland, dit land dat
zo prachtig zou kunnen zijn, maar wat het niet helemaal is.” Strijdbaar stak ze
een vuist in de lucht. Bep volgde haar voorbeeld en al snel volgde het publiek
ook.
Er was iets met dit publiek. Rita
kon er de vinger niet opleggen, maar het was anders dan zo’n bijeenkomst als ze
laatst had gehad met de vastgoedjongens. Onprettig anders. Ze besloot deze
gedachte van zich af te schudden en te genieten van haar zege, haar zoveelste
zege op een rij en er zouden er nog zo velen volgen.
“Dan volgt nu een optreden van
Koos Alberts samen met Willeke Alberti,” sprak ze door de microfoon. “We weten
van elkaar wat we willen dus we hoeven het er niet lang over te hebben. Geniet
ervan! En denk aan mij!” Een spontaan gejuich barstte los. Een man op de
voorste rij sprong op, draaide zich naar het publiek toe en maakte gebaren
alsof hij stond te dirigeren. Een beetje houterig was het wel. Hij had een
doorweekte broek. Had hij het in zijn broek gedaan? Dat moest van de emotie
komen. Fijn, dat er zoveel emotie leefde onder haar aanhang. Bijna kreeg ze
tranen in de ogen, maar ze wist zich te bedwingen.
Pallas was bezig met het
schoonmaken van de wc, want haar werkster had ontslag genomen. Vanochtend had
ze gebeld: “Ik wil niks te maken hebben met zo’n wetsovertreder als u, die de
democratie gewoon aan haar laars lapt en haar eigen gang denkt te gaan. Het is
zo jammer dat Pim niet meer leeft, dan zouden we daar korte metten mee maken.
Maar gelukkig hebben we Rita nog, die zal u wel mores leren! Voor zo’n type als
u wil ik niet meer schoonmaken, dan leef ik nog liever alleen van mijn
uitkering, het is moeilijk maar in deze tijden moet je laten zien waar je
staat, iedereen moet offers brengen.” Zonder een antwoord af te wachten, had ze
de verbinding verbroken.
De wc was eigenlijk niet zo
smerig, maar Pallas’ hoofd bonkte en ze was niet in staat om zinnig na te
denken. Het duizelde haar. Er zat haar teveel dwars. Allereerst Beatrice, die
nijdig was weggelopen, maar daarna nog een paar keer had gebeld om te zeggen
dat het geen stijl was zoals ze zich had gedragen. Dat zij niet in haar eentje
kon beslissen dat het niks werd tussen hen, dat zij, Beatrice, daar toch zeker
een net zo belangrijke stem in had, en dat Pallas zich maar te schikken had.
Morgenavond zou ze langskomen. Ze rekende erop dat Pallas haar redelijkheid dan
herwonnen had en dat ze konden gaan afspreken hoe ze samen verder door het
leven konden. Een huwelijksdatum had ze ook al in het hoofd: zo tegen kerstmis,
dat was gemakkelijk voor later, want dan had je alle feestdagen bij elkaar.
Toen ze de derde keer belde, de
vorige avond was dat geweest, had ze alleen door willen geven dat Ikea zondag
geopend was, en dat ze dán konden gaan.
Er dringt niets tot die botte kop
door, dacht Pallas, terwijl ze driftig poetste, hier kom ik niet meer vanaf, ik
moet kan emigreren naar Australië, schapen gaan fokken of zo, of konden schapen
ook zo zeuren. Je wist maar nooit.
De telefoon ging. Pallas schrok.
Het zou toch niet weer Beatrice zijn. Mijn god, misschien heeft ze een
bedovertrekset besteld, of ze heeft de geboortekaartjes voor het nog te
adopteren kind alvast laten drukken.
Met tegenzin nam ze op:
“Met Afroda,” hoorde ze aan de
andere kant. “Ik wil binnenkort langskomen met Tobias, om hem voor te stellen.
Ik hoop alleen dat wij bij jou niet zo’n weerstand ondervinden als bij
grootmoeder. Ze heeft ons erg beledigd, ze toont geen respect voor ons, en ook
niet voor de Here. Dat is nog het ergste.”
“Welke Here?,” vroeg Pallas
afwezig. Met haar hersenen bleef ze hangen bij de naam Tobias, haar aanstaande
schoonzoon.
“Begin jij nu ook al?” voer Afroda
uit. “Grootmoeder is godlasterlijk bezig, terwijl ik alleen maar probeer haar
het goede pad te wijzen. Het is gewoon een schandaal. Jullie weten best dat je
zondig bezig bent. Het is verschrikkelijk dat jij niet eens weet wie mijn vader
is! Dat dat een speld in een wel heel grote hooiberg is. Tobias vindt het ook
heel erg. Vooral voor mij. Want ik heb de leiding van een man gemist, zegt hij,
en daar zal ik mijn hele leven onder leiden. Zeker omdat ik de man in kwestie
nooit zal kunnen vinden.
Maar het is nog niet te laat. Dat
wil zeggen, voor mijn vader wel, natuurlijk, die zal ik niet vinden, maar niet
voor de jongste dag. Jullie kunnen nog tot inkeer komen. De Here zal jullie ter
verantwoording roepen, en je zult heel wat uit te leggen hebben. Maar je bent
op een dwaalspoor gebracht, dat zal de Here ook wel inzien, want Hij is
barmhartig. Je moet nu tot inkeer komen, moeder, nu! Je niet meer overgeven aan
vleselijke lusten zoals met Maria destijds, het is maar goed dat zij is
weggegaan, want ze is verdorven en ze trekt jou mee in je verdorvenheid. Blijf
uit de buurt bij dat soort vrouwen, want de Here zal zijn bliksemschichten over
de stad sturen, net zoals toen met Sodom en Gomorra, als je zo doorgaat. Toen
vroeg hij om slechts één rechtvaardige, moeder, en is het nou teveel gevraagd
dat jij die rechtvaardige zou zijn? En, voordat ik het vergeet, ik wil ook
overleggen wat jij kunt bijdragen aan het huwelijksfeest, want dat is toch
normaal, dat de ouders van de bruid daarin bijdragen en Tobias en ik hebben
niet zo heel veel geld omdat er veel naar de zending gaat, en ook nog naar de
studie, dus is het goed als ik morgenavond langskom?”
“Ik verwacht morgenavond al ander
bezoek,” sprak Pallas. Haar oren tuutten. “Een vriendin.”
“Toch niet zo’n soort vriendin?
Toch niet weer iemand die je tot zonde verleidt?”
“Lieve kind, ik ben te oud om me
ergens toe te laten verleiden, en zonde bestaat niet. Kom zaterdag maar langs,
dan heb ik meer tijd.”
“Ik zal me erbij neer moeten
leggen, al vind ik wel dat je rare prioriteiten stelt,” zei Afroda.
“Zo is het maar net, lieveling,”
antwoordde Pallas en ze hing op.
Ze zag niet uit naar waar ze de
komende dagen doorheen moest.
Hier volgt een mededeling van de
politie, hoorde Pallas uit de televisie, die ze had aangezet om wat normaal
geluid in haar huis te hebben, om het gezoem en gekwetter in haar hoofd te
dempen.
Er verscheen een man in beeld, die
iets ging voorlezen van een papier. “De politie vraagt uw aandacht voor het
volgende. Sinds de afgelopen week zijn er vier lijken gevonden op verschillende
plaatsen in Nederland. Hun keel was van oor tot oor opengesneden en derhalve
sluit de politie een misdrijf niet uit. Een verband tussen de overleden mannen,
allemaal in de veertig, allemaal ongeveer dezelfde corpulente gestalte, is er
niet gevonden. Het laatste slachtoffer werd aangetroffen in zijn automobiel
vlakbij de opslag naar de A2 bij Breukelen. Vlak voor de vondst is een schimmig
figuur op de oprit waargenomen door enkele voorbijgangers, die vastzaten in de
file. Hij, of zij, droeg zwarte kleding, was smal van postuur, maar kan ook
normaal van postuur zijn geweest, had waarschijnlijk een lichte huidskleur hoewel
sommige file-zitters zweerden dat de figuur van Arabische afkomst was en
verliet de oprit in tegenovergestelde richting zodat hij, of zij, een
spookrijder zou zijn geweest als hij, of zij, zich in een automobiel had
voortbewogen. Heeft u iemand gezien die aan dit signalement voldoet en die
gisteren rond de middagspits op de oprit bij Breukelen rondhing, bel dan het
volgende nummer: 06-123457890. U kunt ook met de plaatselijke politie bellen.”
Een gek, dacht Pallas, als ze hem
pakken, gaat hij een verpleeginrichting in, die krijgen we nooit de bak in.
Weer hoopte ze dat het ervan kwam dat zij hem mocht berechten. Maar dat zou
toeval zijn. Ze wist tenslotte niet eens in welk district hij gepakt zou
worden, als hij al werd opgepakt. Net als een paar dagen geleden bekroop haar
het gevoel dat deze zaak haar aanging, al kon ze nog steeds niet bedenken op
welke manier dat was. Ze besloot de Telegraaf te gaan kopen, daar stonden de
ontwikkelingen vast uitgebreid in te lezen.
Ze ruimde de stofzuiger op en
slaakte een zucht van verlichting. Zo snel mogelijk moest ze iemand vinden om
haar huishouding te doen, want dit hield ze niet vol. Het ene moment was alles
schoon, het volgende moment kon je opnieuw beginnen. Wat een ondankbaar werk.
Het was een wonder dat er mensen op de wereld te vinden waren, die het wilden
doen.
De deurbel rinkelde. Jezus, laten
ze me nou nooit met rust, dacht ze geïrriteerd. Ze stampte naar de deur en
opende die met een zwaai, in de hoop dat degene die het lef had om aan te
bellen naar binnen zou vallen.
“Kindje toch! Rustig aan zeg!” zei
Medusa.
“Moeder! Wat brengt jou hier op
het midden van de dag? Hoe komt het dat je tijd hebt om bij mij koffie te komen
leuten?”
“Ik kom geen koffie leuten, ik kom
een ernstige zaak bespreken,” zei Medusa, terwijl ze naar binnen stapte. Ze
schudde haar paraplu in de gang uit. Bemodderde waterdruppels spatten op het
behang.
“Een ernstige zaak,” verzuchtte
Pallas. “Toe maar, hopelijk geen nieuwe
ernstige zaak want ik heb er al genoeg.”
“Welnee, het is een vervolg, mag
ik hier zitten? Lekker dicht bij de centrale verwarming? Ik heb het snel koud
tegenwoordig, ze zeggen dat dat komt als de dood in je gekropen is, nou, ik zal
hem er nog even uitbranden, want mijn tijd is nog niet gekomen. Eerst moet er
een en ander worden rechtgezet. Kind, geef me eens een borrel.”
“Een borrel? Je bedoelt zo één met
alcohol erin? Jij? Je was toch van de blauwe knoop?”
“Voor de oorlog, kind, voor de
oorlog, nu allang niet meer. Ik gebruik het medicinaal, en geloof me, ik heb nu
een medicijn nodig!”
Pallas bracht haar moeder een glas
wodka en zette de fles naast haar glas. Grondigheid, daar kwam het altijd weer
op aan als je succes wilde hebben in het leven.
“Het gaat om Afroda,” sprak
Medusa. “Ze is niet alleen van het rechte pad afgeweken..” Medusa sloeg een
hand voor de mond.
“Ach, moet je mij toch horen, ik
neem haar jargon al over. Ik bedoel, het is niet alleen dat ze wil gaan
trouwen, ze is ook nog bekeerd, wedergeboren, net als Bush, je weet wel, van
die mensen die de Here op latere leeftijd vinden en dan veel erger zijn dan
mensen die altijd al hebben geloofd. Ze waren laatst bij mij, en ik schrok van
de wartaal die eruit kwam.”
Pallas knikte. “Ja, ik weet ervan.
Ik had haar laatst aan de telefoon, toen merkte ik dat al. Vreemd genoeg was er
nog niks te merken toen ik laatst bij haar op bezoek was. Of misschien was ik
teveel in beslag genomen door mijn eigen zorgen, dat zou best kunnen.”
“Was minister Rita toen al bezig?”
“Nee, ik geloof van niet. Het was
nog voor die rechtszaak tegen mij. Dat is er later ook nog eens bij gekomen,
nee, het ging om mijn zorgen. Ze had het toen trouwens al wel over zondigheid,
en over maagdelijkheid. Dus wat dat betreft waren de signalen er wel.”
Medusa ging verzitten.
Tegenwoordig kon ze er slecht tegen om lang in één houding te zitten. Ze was
aan het doorliggen waar ze bij stond, als het ware.
“Het is duidelijk helemaal mis met
haar. Goed, we zijn geschrokken, we zijn geschokt, we zijn uit het veld
geslagen. En nu is het tijd geworden om onze rug te rechten en de zaak aan te
pakken. Er is namelijk een lichtpuntje: Tobias. Hij is een zwakkeling. Hij zit
helemaal onder de plak, ze heeft hem er volledig onder, al heeft hij het dan
over de suprematie van de man. We moeten zien dat we hem alleen te spreken krijgen,
zonder dat Afroda hem op haar rechte en wel zeer smalle pad kan trekken. We
moeten erachter zien te komen, waar we hem kunnen raken, waar zijn knop zit om
hem uit te zetten, zeg maar.”
“Ambitieus, moeder, maar hoe
krijgen we dat voor elkaar?”
“Ze komen toch bij jou
binnenkort?”
“Ja, zaterdag. Ik krijg er nu al
buikkrampen van.”
“Niet aan denken, kind, een
Vesuvius staat voor haar doel, en, zoals men dat tegenwoordig zo graag
uitdrukt, een Vesuvius gaat ervoor. Zaterdag achterhaal jij waar hij woont, en
ook wanneer Afroda niet bij hem is. Vervolgens gaan wij hem samen een bezoekje
brengen.”
Pallas keek naar het plafond. Daar
moest ze de stof eens afnemen, als het haar niet binnen een paar maanden lukte
om een werkster te vinden.
“Geen idee of het werkt, moeder.
Misschien is die jongen niet zo slap als jij denkt. Afroda lijkt tenminste
geheel in zijn ban.”
“Of in de ban van ene meester,”
sprak Medusa. “Daar had ze het over, over een Meester, en dat is dan weer een
andere dan die van het kruis.”
“Nou, genoeg te doen voorlopig. Ik
wil ook weleens weten wie die meester is, vast zo’n enge sekteleider, die de
boel in de hens zet als hij zijn zin niet krijgt.” Pallas huiverde bij het
idee. Haar kind in de handen van zo’n griezel, nooit had ze gedacht dat dat haar
zou overkomen.
“Eén of andere gek, ja, die denkt
dat hij door God gezonden is, die heb je zoveel tegenwoordig. Dat doet me
denken aan wat anders: heb je al last van Rita gehad?”
Pallas schudde het hoofd.
“Niet meer dan een persbericht op
bladzijde 5 in de krant, het lijkt of zij haar charme verloren heeft voor de
media. Ze is geen nieuws meer. Voor mij is dat gunstig.”
“Ik hoorde laatst zoiets vreemds
bij de filosofenclub. Daar zit Marjan, dat is weer de nicht van Hans Wiegel, je
weet wel, die van de vorige Ritaclub, en die vertelde dat ze laatst in het
congresgebouw was met allemaal zwakbegaafden in het publiek. Ik kan dat
helemaal niet rijmen met Rita. Zou ze dan toch een sociaal kantje hebben?”
“Nee, lijkt me niet, daar zit wat
anders achter. Het levert haar wat op, anders deed ze het niet.”
Pallas stond op en liep naar de
spelletjeskast.
“Zullen we even alles van ons
afzetten en een potje scrabbelen?”
‘Hè, ja!” riep Medusa verheugd
uit. Ze ging rechtop zitten en begon alvast wat woorden met de Q en de Y erin
op te schrijven.
Bep had een rustige dag op het
secretariaat van minister Rita. Nu waren de meeste dagen rustig en dat moest
vooral zo blijven. De bijeenkomst in het Congresgebouw had haar wel wat
hoofdbrekens gekost. Dagenlang had ze gebeld met directies van
Gezinsvervangende Tehuizen en alleen na de toezegging dat ze een flinke donatie
aan het tehuis zou geven uit Minister Rita’s campagnekas, had tien van die
tehuizen over de streep getrokken. Zo had ze op het nippertje de Prins Willem
Alexanderzaal vol gekregen. Het was nog een heel gedoe geweest om alles goed te
repeteren in de twee uur voordat Minister Rita zelf verscheen, maar het was
gelukt. Het had niet eens zo lang geduurd voordat ze de slogan: Tjakka, trots
op Rita, uit hun hoofd kenden. Met opzet had ze de toespraak voor Minister Rita
zo kort en zo nietszeggend mogelijk gehouden, en dat laatste viel niet mee.
Na afloop, bij vertrek van de
congresgangers, had ze de leidsters grote zakken snoep laten uitdelen. Wat
hadden die mensen geglunderd. Bijna had ze zelf zin gekregen om in de
zwakzinnigenzorg te werken.
Maar dat kon niet. Haar huidige
baan was precies belastend genoeg. Als minister Rita in huis was, was het
lastig om haar freelance werk voor een reclamebureau ernaast te doen, want haar
veeleisende baas mocht dat niet weten en ze vroeg nogal eens aandacht, maar
meestal ging het prima. Minister Rita was vaak op pad, of op tournee, zoals ze
het zelf liever noemde. Bep deed haar uiterste best om allerlei afspraken te
regelen: hoe vaker minister Rita de deur uit was, hoe liever het haar was.
Om haar kinderen van acht, zeven
en vijf jaar oud te voorzien van alles wat ze nodig hadden, moest Bep wel twee
banen tegelijk doen. In het begin had het haar een schuldgevoel bezorgd - Ze
had toch een beetje het idee dat ze de zaak bedotte - maar nu had ze daar
steeds geen last meer van. Ze was een vrouw die het hoofd boven water probeerde
te houden en verdomd, ze slaagde daar goed in.
Die eikel van een kerel van haar
bleek ze helemaal niet nodig te hebben. Had ze dat eerder geweten, dan had ze
hem er al jaren geleden uitgeschopt, de bullebak, de debiel, de macho! Als
minister Rita nou maar niet te populair werd, want dan kon het nog wel eens
druk worden. Maar ach, dat zag ze dan wel weer. Ongetwijfeld zou ze het voor
elkaar krijgen een stel uitzendkrachten in te huren, waar zij de baas dan van
was en dan kon ze gewoon haar gang blijven gaan. Eindelijk lachte het leven Bep
toe. Ze blikte nog eens naar de foto op haar bureau van Tess, haar jongste die
stiekem haar lieveling was.
Minister Rita, zoals ze zich
tegenwoordig ook zelf noemde, zat enige dagen na haar speech in het Haagse
Congresgebouw op de reservebank in Galgenwaard in Utrecht. Wat een benauwd
stadion was dit toch: het had geen grandeur, geen grootsheid. Later, als zij
Minister-president was, zou ze het laten afbreken en er iets geheel nieuws voor
in de plaats zetten. Iets met gouden pilaren, met een schuifdak dat open en
dicht ging en grote tribunes. Dan in het midden van de tribune, aan de linkerkant
van het veld, zou een eretribune komen en daar zou zij dan zitten. Haar duim
omlaag betekende dat de partij verloren moest worden, haar duim omhoog dat hij
gewonnen zou worden. Wat zou dat een prachtig spektakel geven. Wat heerlijk dat
ze zo de uitkomst kon bepalen: alle voetballiefhebbers zouden naar haar opzien.
Haar oranje joggingpak zat iets te
strak. Het kwam natuurlijk omdat het
nog nieuw was, dat haar maag boven de broekband blubberde en haar borsten wel
van siliconen leken, zoals ze uit het jasje sprongen. Bep had het gisteren voor
haar gekocht. Het was in de aanbieding, had ze gezegd, en kijk nou eens wat een
mooie aanbieding, je zou toch echt niet zeggen dat het van Zeeman was. We
moeten er wel op letten dat de partijkas niet te snel leeg raakt.
De zilverkleurige schoenen blonken
mooi in de waterige herfstzon. Vanaf het verste plekje op de tribune zou ze te
zien zijn.
Een duw in haar rug. De coach van
het Nederlands elftal, Van Basten heette de jongen meende ze verstaan te
hebben, gaf haar een tikje op de schouder. “Naar de stip,” fluisterde hij. “Ze
komen eraan.”
Rita bedacht zich geen twee keer,
stond op, schudde sportief haar benen bij wijze van warming-up en begaf zich in
looppas naar de middenstip. Vanaf de andere kant van het veld kwamen, rij aan
rij, de spelers van jeugdig Oranje en hun tegenstanders van Dubai Noord op. Ze
waren wel erg jeugdig, zag ze nu. Hooguit zes jaar oud. Daar moest ze toch eens
navraag over doen bij Bep, die dit allemaal had geregeld. Geen politicus
ontkwam meer aan een sportief imago, en dat was ook goed, want sport straalde
daadkracht uit, flinkheid ook, straalde iets uit van mensen die de handen uit
de mouwen weten te steken en de benen uit de broek.
Ruim voordat de spelertjes op de
middenstip arriveerden, had Rita het witte krijt al onder haar zilveren
sportschoenen. Eigenlijk was ze best sportief. Het kwam er weinig meer van,
tegenwoordig, maar vroeger had ze geroeid en getennist. Ze moest dat weer eens
oppakken. Een knulletje, dat nauwelijks boven haar knieën uitkwam, stootte haar
aan en reikte haar een microfoon aan. “U moet iets zeggen tegen de mensen,”
sprak het ventje bedeesd. “Dat u het zo leuk vindt of zo.” Ze gaf meteen gehoor
aan deze overduidelijk uitgesproken wens van het volk.
“Lieve mensen,” zei ze. Ze bedacht
zich. Ze was potjandorie Mies Bouman niet. Ze verzette haar been om zichzelf
meer ruggengraat te geven en riep luid in de telefoon: “Jullie gaan een strijd
aan, en jullie gaan winnen! Ik ga een strijd aan. En ik ga ook winnen! Tjakka!
Trots op Rita!” Een aarzelend gejuich
steeg op. Misschien kwam dat omdat er opvallend veel vrouwen in het publiek
zaten, en van Kay, haar spindoctor en opiniepeiler, wist ze dat ze beter bij
mannen dan bij vrouwen lag. Nogmaals riep ze: “Tjakka! Trots op Rita!” Het
gejuich was nu overtuigender.
Hetzelfde ventje als daarnet trok
haar aan de mouw. “Nu moet u de bal naar de tegenstander trappen, en dan is de
wedstrijd begonnen,” zei hij. “De tegenstander?” antwoordde ze verbouwereerd.
“Je gaat de bal toch niet weggeven? Die tegenstander moet bedwongen worden,
niet geholpen!” Gelach welde op vanaf de tribunes en zong het hele stadion
door. Toen pas merkte ze, dat de microfoon open had gestaan. “Dat is, omdat het
sportief is,” drong het kereltje aan. Rita gooide de microfoon op de grond,
legde de bal die haar door de scheidsrechter, een dikke vrouw die vast de
moeder van één van de spelertjes was, werd aangereikt, op de stip. Ze deed een
paar passen naar achteren, riep nog eens Tjakka! Trots Op Rita!, nam een
aanloop en trapte de bal naar de helft van de tegenstander. Een kluwen
tegenstandertjes rende op de bal af, die binnen de kortste keren geheel aan het
zicht was onttrokken.
De scheidsrechter maakte een
gebaar naar Rita, dat ze het veld moest verlaten.
Met een katterig gevoel verliet
Rita het veld en nam weer plaats op de reservebank. De coach zat naast haar.
Hij keek al kauwgumkauwend naar het spel. “Zeg Marco, wie denk je dat gaat
winnen?” vroeg Rita hem. Hij keek haar aan. “Marco? Ik ben Marco niet, ik ben
Gijs, van het jeugdteam van FC?” zei
hij verbolgen. “Neem me niet kwalijk, mijn voorlichtster vertelde mij dat ik
ontvangen zou worden door de bondscoach.” “Bondscoach me reet!” zei Gijs. “Die
laat zich niet zien hoor, bij deze puppies. Misschien over een jaar of tien,
maar nu niet.”
“Ik moet naar een volgende
afspraak. Ik dank u wel,” zei Rita. Ze stond op en spoedde zich naar de
kleedkamer. Ze nam zich voor om voortaan gedetailleerdere opdrachten aan Bep te
geven. Dat voornemen verlichtte de donderwolk die in haar hoofd was neergedaald
enigszins.
De regen spatte Beatrice in het
gezicht, maar ze merkte het nauwelijks zo woedend was ze. Die Pallas, die
zomaar dacht dat ze haar eigen gang kon gaan, bespottelijk was het gewoon. Het
leek wel alsof ze er zelf helemaal geen stem in had. Terwijl toch duidelijk was
afgesproken dat ze hun leven samen zouden gaan delen, dat had ze toch echt niet
verkeerd verstaan.
Maar nu was Pallas zo afwerend,
dat ze bijna geen zin had om bij haar op bezoek te gaan. Toch zou ze het doen.
Ze ging tot het uiterste als het om haar recht ging. Niemand kon haar zomaar
ergens neer zetten, niemand kon haar in de maling nemen. Wat dacht ze wel,
mevrouw de rechter. Ik heb haar nota bene uit de gevangenis gehouden, of dan
toch van een vernederende uitspraak van de volksrechtbank gered.
Daar zouden ze volksrechtbanken
voor moeten hebben, voor mensen die hun afspraken niet nakwamen, die met je
gingen trouwen en het dan weer niet deden, voor dat soort mensen dat
onbetrouwbaar was, en slap, maar dat zich toch naar voren drong en de beste
plaatsen bezette in de samenleving, ze moesten ze opsluiten, voor
volksrechtbanken brengen die wel bevoegdheden hadden, die zich niet met lullige
zaakjes bezighielden als dat je niet op de barbecue verscheen of te moeilijke
boekjes las, nee, dat het ging over mensen die niet betrouwbaar waren, die wel
van alles beloofden maar het dan toch uiteindelijk niet deden en daar nog mee
wegkwamen ook.
Ze stampte de dorre bladeren de
grond in. Weg, stelletje krengen, jullie zijn dood, ga liggen rotten in de
grond. Een hond sprong tegen haar op, ze trapte hem weg, het beest jankte. De
eigenares wierp haar een vuile blik toe. Hou je hond dan bij je, stom wijf, en
laat mij met rust, hoor je, iedereen moet mij met rust laten.
Ze stopte haar handen dieper in
haar jaszak en banjerde door. Ik moet verhuizen, dat in de eerste plaats, want
als ik die zultkoppen nog eens tegenkom, ga ik over mijn nek, of ik bega een
moord, oeps, wat zeg ik nu, een moord, zulke dingen moet ik niet zeggen, die moet
ik niet eens denken, ik moet alleen denken aan rechtvaardigheid.
Het recht om met rust gelaten te
worden, het recht om niet mee te doen aan straatfeesten, het recht om te eisen
dat iemand haar beloften nakomt, zeker als het een trouwbelofte is.
Een doffe pijn ging door
Beatrice’s lichaam. Het was nog zo kort geleden dat haar leven vredig en stil
was, met haar werk op het bureau, de muziek en de boeken thuis. Ze had gedacht
dat het altijd zo zou blijven, dat er niets tussen zou komen, maar die gedachte
was wreed verstoord toen ze werd opgeroepen om te verschijnen voor de
volksrechtbank. En nog wreder toen ze Pallas ontmoette, al was het begin dan zo
zoet geweest. Bitterzoet, dacht Beatrice, bitterzoet was het.
Ze kwam aan bij een bosvijver. De
plas was groen en er dreven bladeren op. Elk moment kon er een kabouter of een
elf tevoorschijn komen. Oh, om zich hier nu in te laten zakken, haar longen te
laten vollopen met water, en dan alles te vergeten, wat zou dat heerlijk zijn.
Maar ze durfde het niet. Bovendien mocht ze niet weglopen voor de problemen,
die haar plotseling omringden. Ze moest doorgaan, tot het allemaal was
opgelost. Het water bleef lokken. Als ze er nu eens even, tot haar middel in
ging? Niemand die het zag. En het kon geen kwaad, ze zou er zo weer uitstappen.
Steels keek ze om zich heen en snel trok ze haar kleren uit. Ze voelde met haar
teen de temperatuur van het water. Koud! Het leek wel een oceaan, ver van de
kusten, zo koud was het! Zou ze wel verder gaan? Ze deed nog een stap. Meteen
zakte ze de diepte in. IJskoude rillingen overvielen haar, ze raakte tot op het
bod verkleumd. Met alle kracht die ze in zich had, zwom ze naar boven. Zodra
haar hoofd boven water was, greep ze een boomwortel en trok zichzelf op de
kant. Ze hijgde en hapte naar adem. Mijn kleren, waar zijn mijn kleren. Ze
lagen aan de andere kant van de vijver, die ze kennelijk toch helemaal had
overgestoken. Snel liep ze erop af en schoot ze aan. Het hinderde niet, dat
haar trui verkeerd om zat en haar broek achterste voren. Haar leven was
bedreigd, maar ze had het overleefd, dat was een teken dat ze door moest gaan.
Een stuk vastberadener dan een
half uur geleden liep ze het bos uit, naar haar fiets, die bij een wildrooster
stond geparkeerd.
Pallas bleef nog wat liggen. Het
was zo rustig vanmorgen. Bijna leek het de goede oude tijd van een paar weken
geleden. Ze blikte lui in de krant. De economie groeide (deed hij dat niet
altijd?), er was een moord gepleegd, niet door de seriemoordenaar van de stad
maar ergens anders, er was sprake van een familiedrama. Een vrouw had haar man
met een bijl aan stukjes geslagen en zich vervolgens bij de politie gemeld.
Haar motief was onduidelijk, maar het leek iets te maken te hebben met eten of
een gebrek eraan. De politie had inderdaad een koekenpan in haar woning
aangetroffen met stukjes echtgenoot erin. Het vuur was echter niet ontstoken en
het vlees op generlei wijze gaar te noemen, zodat niet gedacht werd dat de
vrouw zich had overgegeven aan kannibalisme. Goddank, volgens de buren, waren haar
kinderen uit logeren bij vriendjes, wie weet wat voor trauma ze anders zouden
hebben opgelopen.
Bijna een standaardzaak, dacht
Pallas. Er stond ook nog een bericht in over de seriemoordenaar. Vandaag had
hij, of zij, nog niet toegeslagen, maar verwacht werd dat het wel gebeurde. Op
het politiebericht waren duizenden tips binnengekomen, maar die hadden nog niet
tot een aanhouding geleid. Een psycholoog had een profielschets gemaakt: het
was een nerveuze man met een extreme vaderbinding die nog niet zolang de
ouderlijke woning had verlaten. Hij zou waarschijnlijk werk doen op het
middenniveau en er weinig bevrediging uithalen. Zijn vader had vermoedelijk een
dikke maag, of hij leefde al niet meer, maar had een dikke buik gehad toen hij
was overleden in zijn veertiger of vijftiger jaren.
Pallas kende dit soort
profielschetsen maar al te goed. De echte dader bleek er meestal nauwelijks op
te lijken. Ze werden kennelijk vooral opgesteld om de politie tevreden te
houden, dan hadden ze wat om naar uit te zien. Wee degene, die aan het profiel
voldeed. Een bewijs was in een handomdraai geleverd door het OM. En zag er dan
maar weer eens uit te komen.
Ze voelde in dit geval dat het
iemand anders was, zonder overleden vader, zonder binding met die dode vader en
waarschijnlijk was de moordenaar totaal niet nerveus. Ik ken hem, dacht ze
ineens. Snel wuifde ze de gedachte weg: dat kon gewoon niet, het kwam door de
spanning, dat ze dit soort dingen ging denken. Ze moest nog maar wat slapen.
Vanavond zou Beatrice op bezoek komen, en dat zou vermoeiend genoeg zijn.
De avond was vroeg ingevallen,
vandaag. Het kwam door het herfstweer die de zon verduisterde en je de indruk
gaf dat je in Noord-Scandinavië woonde in plaats van in Nederland.
Verduisterend werkte ook de aanwezigheid
van Afroda en Tobias. Net als Medusa een paar dagen geleden, was Pallas
geschrokken toen ze binnenkwamen. Afroda in een donkerblauwe rok die tot over
haar knieën kwam, Tobias in een maatkostuum, grijsachtig van kleur, met
daaronder een smetteloos wit overhemd en een zwarte stropdas.
“Je weet waar ik voor kom,
moeder,” zei Afroda nadat ze haar kruidenthee had opgedronken. “Voor je
bijdrage aan het huwelijksfeest. Het wordt een groot feest, want we hebben alle
volgelingen van de meester uitgenodigd. Dat hoort natuurlijk ook. Je kunt geen
deel van een gemeenschap uitmaken en dan vervolgens de belangrijkste dingen die
in je leven gebeuren niet delen. Het zijn er tweeduizend. Het was nog moeilijk
om een locatie te vinden, maar we hebben iets geschikts op het oog in de
jaarbeurs in Utrecht. Een grote zaal, met een mooi podium waar toespraken
gehouden kunnen worden en bediening ook. Natuurlijk zal er geen alcohol worden
geschonken, buiten de wijn dan, waarvan we eerst één fles hebben en later
honderden. Dit is om het wonder dat de Here deed te eren. Verder zal iedereen
brood en vis eten. Dat brood moet wel Turks brood zijn, want al hadden ze dat
nog niet in het jaar 0, het waren wel platte broden die de Here
vermenigvuldigde dankzij zijn Goddelijkheid. En omdat het een christelijke
bruiloft is, mag het brood alleen gebakken worden door een Christelijke Turkse
bakker. Je hebt er geen idee van hoe moeilijk die te vinden zijn. Ze zijn bijna
allemaal Moslim. Kun je je dat voorstellen? In het oude Byzantium, waar de Here
zo vlak bij heeft gewoond? Maar goed, het is niet anders. Verder vind ik dat
ook de kinderen van de gemeenschap moeten worden uitgenodigd, dat zijn er nog
eens zesduizend al zijn ze dan klein, maar die passen gemakkelijk in de zaal
waar wij een optie op hebben genomen. Jij moet natuurlijk naast mij zitten,
naast ons bedoel ik, naast Tobias en mij, want jij bent tenslotte de moeder.
Het is wel heel jammer dat er niet ook een vader is die naast mij kan zitten of
die me kan weggeven als bruid, maar goed, het is niet anders, dat is dan het
kruis dat ik moet dragen. De meester zal optreden als ceremoniemeester, daar is
hij heel goed in, en hij kan dan meteen bewaken of alles christelijk verloopt,
dat er niet teveel wijn wordt gedronken, dat er geen dingen worden gedaan
tussen man en vrouw die niet geoorloofd zijn als ze nog niet zijn gehuwd, want
daar hoor je wel eens van, dat dat gebeurt op bruiloften.
En jij mag gewoon zijn wie je
wilt, moeder, daar hebben Tobias en ik het nog over gehad laatst, dat is een
discussie tot diep in de nacht geworden. Ik bedoel, het is niet erg dat je
homoseksueel geaard bent, want Tobias heeft me er uiteindelijk van overtuigd
dat dat de wil van de Here is, dat dat het kruis is wat jij moet dragen, dat
hij jou uitdaagt om de verleidingen te weerstaan. Want die heb je gevonden op
je pad, en je bent er ook op ingegaan, in ieder geval met Maria dat weet ik
zeker, want dat heb ik zelf gezien, maar wie weet, met nog wel meer vrouwen.
Het gaat erom dat je niet mag praktiseren. Tobias en ik hebben het er ook
langdurig over gehad wat dat dan is, dat praktiseren, ik bedoel, waar ligt de
grens en we zijn tot de conclusie gekomen dat je bijvoorbeeld wel met een vrouw
in één huis mag wonen en de huishouding deelt zolang er niet een man is die je
huisvrouwenschap opeist tenminste, en dat is in jouw geval niet zo, want laten
we eerlijk zijn, zo aantrekkelijk ben je niet voor mannen. Je bent te bits, te
weinig dienstbaar, en daarbij laat je ook nog eens je haar helemaal kort
knippen. Dat zou er op kunnen wijzen dat je je welbewust onaantrekkelijk maakt,
en dat is een gruwel in het oog van de Here, maar dat denk ik toch niet.
Waarschijnlijk weet je niet eens wat je doet. Met de vrouw met wie je
samenwoont, zou je ook nog één bed kunnen delen, als je je pyjama maar
aanhoudt. Een nachtpon zou al te ver gaan, dat spreekt voor zich, want dan zijn
je benen bloot. Maar wat ik dus wil zeggen, is dat je best mag zeggen tegen
leden van de gemeenschap dat je homoseksueel bent, maar het zou fijn zijn dat
je er dan ook bij vertelt dat je niet praktiseert en dat je alleen door het
leven gaat, dat je gezondigd hebt, maar dat je daar spijt van hebt. Je ziet
maar, we zijn heel ruimdenkend bij de gemeenschap en het zou zo fijn zijn als
jij ook zou toetreden. Ik weet wel dat het nu nog een grote stap is, maar het
kan nog, moeder, de jongste dag is aanstaande, maar nog is het niet te laat.
Wees die rechtvaardige die de Here zo moeilijk kan vinden, moeder, het zou zo
fijn zijn.”
Afroda pakte de handen van Pallas
en keek haar diep in de ogen. Koude rillingen liepen Pallas over de rug. Tobias
had al die tijd bevestigend zitten knikken, hij was het er helemaal mee eens.
Wat trilde die jongen toch. Hij
leek bloednerveus, alsof hij ergens bang voor was. Nu ja, vreemd was het natuurlijk
niet met zo’n verloofde als Afroda, daar wilde je wel nerveus van worden. Ze
maakte zich los van Afroda’s greep en hief haar hand op.
“Fijn dat ik er even tussen mag
komen, kind. Ik hoor dat je het allemaal al geregeld hebt, maar stel dat ik ja
zeg, dat ik me bereid verklaar om de kosten te dragen voor je huwelijkspartij,
aan welk bedrag zou ik dan moeten denken?”
“Nou, eens rekenen, toch wel een
duizend of vijftig, denk ik, of misschien een ton. Ik huw maar één keer, en dan
wil ik het toch grondig aanpakken.”
Pallas knikte. Het kind was elk
gevoel voor verhoudingen verloren. Als ze een beklaagde was geweest, had ze
haar dwangverpleging opgelegd.
“Dat heb ik niet elke dag in mijn
portemonnee, Afroda, een ton,” sprak Pallas bedachtzaam. “Er zijn zelfs veel
dagen dat ik het niet in mijn portemonnee heb.”
“Nou, dat mag toch geen probleem zijn,” zei Afroda kordaat. “Er zal nog wel wat op
de bank staan want tenslotte heb je een hoog salaris en ik neem toch aan dat je
daar wel wat aan overhoudt, dat je niet alles uitgeeft aan wereldse genoegens,
zoals drank,” hierbij keek ze met een kritische blik naar de fles wodka die
naast Pallas’ glas stond, “wulpse kleding en meer van dat soort overbodigheden.
Ik bedoel, je zult er toch wel rekening mee hebben gehouden dat ik ooit zou
trouwen en dat jij, als ouder, als enige ouder maar dat is nu eenmaal de
consequentie van je keuze, zou moeten bijdragen aan de kosten van mijn
trouwerij.”
“Nou, kind, nee, daar heb ik
bepaald geen rekening mee gehouden. Het lijkt wel of je vergeten bent uit welke
familie je komt. Van de Vesuvius’ dus, en weet je nog wat dat inhoudt? Dat je
deel uit maakt van een dynastie van louter vrouwen.”
Afroda sloeg haar handen tegen
haar oren. “Stop! Stop!” riep ze. “Ik
wil dit niet meer horen! Ik wil dit vergeten! Het zijn zondige hersenspinsels
van grootmoeder en jou.”
“Sinds Clarissa de naam aanvroeg,
gaat het al zo,” sprak Pallas bedaard.
Nu ze zo werd aangevallen, zag ze alle reden om de familietraditie te
verdedigen.
“Clarissa, Clarissa…Heeft die
vrouw wel ooit bestaan? Het is toch onmogelijk dat zoveel verdorvenheid zoveel
eeuwen kan voortduren? Dat kan toch helemaal niet? Ik geloof het gewoon niet
meer.”
Pallas stond op en liep naar de
secretaire die ze van haar grootmoeder had geërfd. Het was een eikenhouten
geval, veel te zwaar eigenlijk voor deze woonkamer met licht, maar ze hechtte
eraan, omdat ze voor zich zag hoe haar grootmoeder met haar pezige handen de
klep had geopend, de ganzenveer had opgenomen en was gaan schrijven aan haar dochter.
Uit de secretaire haalde ze een lijvig boekwerk, waarin de familiestamboom
stond beschreven. Ze reikte het Afroda aan. Die bladerde het door, terwijl
Tobias over haar schouder mee keek. Al snel klapte ze het dicht.
“Zegt niks,” zei ze. “Dat kan
allemaal wel verzonnen zijn. In ieder geval, het doet er ook niet toe, het gaat
erom dat jullie zondig bezig zijn geweest en dat jullie tot inkeer moeten
komen.”
“Ja, dat heb je al een paar keer
gezegd,” zei Pallas. “En ik word het een beetje zat, om dit steeds te moeten
aanhoren. Leven en laten leven, zeg ik maar, mijn kind, alhoewel ik moeite heb
om jou het leven dat je nu leidt te laten leiden. Het lijkt wel of je bevangen
bent door een soort waanzin.”
Tobias sprong op. Nu pas viel het
Pallas op hoe mager hij was. Zijn pak zat wel goed, maar toch wekte hij de
indruk dat er onder de dure stof alleen botten te zien waren. Hij wees naar
Pallas en sprak: “Jij hoer! Jij durft de rechtvaardigen aan te vallen! Jij
durft het werk van de Here naar beneden te halen! Je bent nog erger dan ik had
begrepen van Afroda!” Hij trilde steeds heviger. “Ga zitten, lieverd,” zei
Afroda. “Straks ben je helemaal buiten adem en duurt het weer dagen voor je
bent bijgekomen.” Tobias volgde haar raad op en plofte neer op de bank. Een tijdlang
zat hij wezenloos voor zich uit te staren.
Pallas vond het zo’n
onwaarschijnlijke vertoning, dat ze dacht dat het allemaal niet echt was, dat
ze in een nachtmerrie zat en er niet uit kon komen. Ze zweeg en bekeek het
tweetal. Ze moesten gered worden van zichzelf. En van de meester, wie dat ook
mocht zijn. Alleen had ze geen idee hoe. In haar werk had ze vaak te maken
gehad met wanhopige ouders die hun aan drugs verslaafde en crimineel geworden
kind terug wilden. Pas nu kon ze hun wanhoop invoelen en begreep ze wat ze
bedoelden als ze zeiden dat ze hun kind terugwilden.
Ze schraapte haar keel en zei:
“Geen denken aan dat ik die
bruiloft ga betalen. In de eerste plaats blijf ik me ertegen verzetten dat je
zo breekt met de familietraditie, in de tweede plaats ga ik geen feest geven
voor achtduizend gehersenspoelden. Wie is die meester van jullie eigenlijk?”
Afroda en Tobias keken elkaar aan.
“De meester wijst ons de weg over
het smalle pad,” zei Afroda. “Hij is door God gezonden, al is hij zelf geen
God. Hij bereidt de tweede komst voor, de jongste dag die aanstaande is. En met
al jouw schelden en jouw minachting voor ons, de rechtvaardigen, krijg je ons
niet weg.” Ze aarzelde even, en trok Tobias aan zijn mouw van de bank af.
“Kom, Tobias, voorlopig hebben we
hier niets te zoeken. Mijn moeder ontzegt mij mijn levensgeluk, voor de
bruiloft verzinnen we wel een andere oplossing.” Ze draaide haar hoofd naar
Pallas. “Zolang je volhardt in je zondige en afwijzende houding, kun je jezelf
als niet uitgenodigd beschouwen. Ik heb geen moeder meer! Ik ben nu wees!”
Snikkend rende ze met Tobias in haar kielzog naar de deur en verdween.
Ik ben gezien. Dat had niet mogen gebeuren. Ik heb
gefaald en dat vind ik heel erg. Ik heb gefaald omdat ik de spanning op zocht,
uit louter zucht naar bevrediging en eigenwaan. Ik dacht dat ik ongezien zou
wegkomen, ook al was het langs de drukke snelweg. Ze hebben een signalement
gegeven, al was het dan een vaag signalement. Een schraal figuur. Ik zou mezelf
eerder slank noemen, zonder overbodig vet, precies zoals het moet. Economisch
ingericht, geen gram teveel, en ook geen gram te weinig.
Ze hebben ook een profielschets
gemaakt. Daar lijk ik helemaal niet op, gelukkig. Natuurlijk niet, niemand kan
uit mijn daden opmaken wie ik ben. Ik kan iedereen zijn, ik ben iedereen want
ik werk voor het algemeen belang. Nu gaan ze op me jagen. Ze jagen de verkeerde
paden, op het verkeerde slachtoffer, dat weet ik wel, maar toch zit het me niet
lekker. Zal ik het kunnen afmaken? Dat wordt nu toch wat onzekerder. Ik moet me
aan mijn plan houden, en aan mijn schema, koelbloedig zijn, zoals ik eigenlijk
ben. Ik moet slagen, ik zal slagen omdat ik wil slagen.
Voor deze keer heb ik een veiliger
plek opgezocht. Het is donker, ik draag donkere kleding, grijs en bruin, geen
zwart, want zwart valt juist op in het donker, dan zou ik een vlek zijn waar
het oog van elke willekeurige voorbijganger naartoe wordt getrokken. Ik heb me
voorbereid, en dat is maar goed ook. Natuurlijk kan ik niet van de samenleving
verwachten dat ze mijn goede bedoelingen doorziet, dat zou teveel gevraagd
zijn, dus ik kan ze niet kwalijk nemen dat ze me proberen te stoppen. Ik moet
ze tegen zichzelf beschermen. Door me onzichtbaar te maken. Door mijn werk af
te maken, ook al willen ze het niet.
Ik houd me op op de afwerkplaats.
Ook hier is het druk maar niemand heeft oog voor een willekeurige voorbijganger
als ik. Ze kijken allemaal naar de dames die op de stoep lopen te heupwiegen en
te lonken. Nog niet een heeft er naar mij gelonkt, ze zien me niet, ze zien
alleen de vetten, met de vette portemonnees en de rusteloze geilheid. Ik wandel
wat op en neer, van de rotonde naar de benzinepomp en weer terug. Ik kijk niet
wat zich achter de schotten afspeelt. Dat wil ik niet weten, al weet ik het
wel. Ik moet de goede gelegenheid afwachten. Er komen hier veel auto’s voorbij
maar af en toe is het ineens stil. Ik weet niet hoe het komt, misschien door de
stoplichten verderop, die de hoerenlopers allemaal tegelijk deze kant opstuwen
en ze verder door de straten trekken als ze aan hun gerief zijn gekomen, ze
versnippert door de stad, zodat ze niet meer opvallen, niemand weet wat ze
hebben gedaan.
Nu is er zo’n stilte. De
afwerkplaatsen zijn allemaal bezet, de straat is leeg en er komt mij een man
tegemoet. Een goede. Sjofel type, dat hij niet met de auto is. Misschien is hij
bang dat zijn auto herkend wordt, en dat zijn vrouw zal weten dat hij hier is.
Mij komt het goed uit, wat de reden van zijn wandeling ook mag zijn. Ik loop
hem tegemoet, in wandeltempo, alsof ik door deze straat moet om mijn doel te
bereiken. Ik kijk niet naar links, waar de afwerkplekken zijn en waar elk
moment een van de dames tevoorschijn kan komen, op zoek naar een nieuwe klant.
Er is nu niemand, ik moet nu toeslaan. Als ik hem tot op een paar meter ben
genaderd, grijp ik mijn mes en hou het verborgen in mijn jaszak. Zodra ik hem
voorbij ben gelopen, pak ik hem met mijn rechterarm van achteren en haal met
mijn linkerarm zijn keel open. Het gaat snel, hij geeft geen kik. Ik kijk om me
heen, er is nog steeds niemand, maar lang kan het niet duren voor er iemand
verschijnt. Ik sleep het lichaam de bosjes in. Het zal nog even duren voordat
iemand hem vindt, misschien pas morgenochtend. Dat is mooi, hoe langer het
duurt, hoe minder sporen er zijn.
Opgelucht omdat het zo goed is
gegaan, wandel ik naar mijn fiets, die ik bij de benzinepomp heb neergezet.
Medusa en Pallas stonden bij de studentenflat. Het was
kil, regenachtig weer en het gebouw, dat toch al verveloos was, zag er somber
en verwaarloosd uit. Het adres van Tobias had Pallas weten te achterhalen door
stiekem in de Gemeentelijke Basisadministratie te kijken toen ze op het
politiebureau moest zijn om een zaak door te nemen. Op de een of andere manier
was deze sobere, bijna armoedige omgeving niet te rijmen met Tobias, tenminste,
niet met de Tobias zoals zij hem kenden.
“Hij moet nu toch eens naar buiten
komen,” fluisterde Medusa. “De colleges zullen toch beginnen om een uur of
negen.”
“Misschien gaat hij niet,”
antwoordde Pallas. “Misschien zijn ze niet verplicht, die colleges, dat had je
bij ons vroeger ook, dan ging je alleen tegen de tijd dat je weer een tentamen
had.”
“Destijds vertelde je mij hele
andere dingen. Ik moest geloven dat er voor jou nooit een ijveriger student was
geweest en dat er na jou nooit meer zo een kwam, of het zou je eigen dochter
moeten zijn.” Medusa keek haar geamuseerd aan.
“Als moeder hoor je te weten dat
je belazerd wordt door je kind. Dat hoort bij
het losmakingproces,” zei
Pallas. “Kijk, daar komen de eersten.”
Een paar jongens en meisjes liepen
het gebouw uit. Ze waren bleek, zagen er slaperig uit. Waarschijnlijk kwamen ze
rechtstreeks uit hun bed. Pallas dacht aan haar eigen studententijd. Wat was
het heerlijk geweest, al die vrije dagen, al die discussies die tot diep in de
nacht duurden en de enige zorg af en toe een tentamen dat ze toch gemakkelijk
haalde. Ze zuchtte. Iedereen werd ouder, en volwassen. Jammer, maar er was
niets aan te doen.
Medusa stootte haar aan. “Kijk,
daar gaat hij.” Ze verborgen zich achter de muur van een snackbar die nog was
gesloten. Tobias liep naar het parkeerterrein, waar hij in een Mercedes stapte.
“Dat deugt van geen kanten,” zei
Pallas. “Ik heb nog nooit een student gezien die zich een Mercedes kon
veroorloven. Het is een crimineel, om dat te weten hoeven we niet eens in te
breken in zijn kamer.”
“Dat weet je nooit,” corrigeerde
Medusa haar. “En dat zou jij als rechter toch moeten weten. Misschien hangt hij
de hoer wel uit, dat brengt ook veel op.”
“Kan, kan, maar dat is dan toch
niet geheel in overeenstemming met zijn geloof, zou ik zo denken.”
“Nee, maar je weet ook dat dat
niet alles zegt. Een mens kan vol overtuiging het ene beweren en het
tegenovergestelde doen. En dat alles zonder een greintje gene of schuldgevoel.”
De Mercedes reed het terrein af,
en kwam daarbij bijna in botsing met twee fietsers, die zeker geraakt zouden
zijn als ze niet snel waren uitgeweken.
“Eikel!” riep een van de fietsers
de automobilist na, maar die hoorde natuurlijk niets.
Medusa
wenkte Pallas. “Kom, we moeten nu gaan, anders zijn we te laat.”
Kalm liepen ze de flat in. Ze
knikten vriendelijk tegen de jongeren die ze tegenkwamen. Die knikten
nauwelijks terug, alsof ze de vrouwen niet zagen.
“We vallen niet op,” zei Pallas
met genoegen. “Misdaden zouden gepleegd moeten worden door vrouwen van
middelbare leeftijd. Al pleeg je een moord onder hun ogen, de mensen zien je
niet.”
“Ik zal het in mijn oren knopen,”
zei Medusa. “Als de AOW verlaagd wordt, heb ik misschien nog een uitwijk.”
“Nummer 627 was het, op deze
galerij.”
Pallas ging Medusa voor naar de
deur waarop nummer 627 stond vermeld. Er hingen acht naambordjes aan de deur.
Op een er van stond Tobias’ naam.
“We zijn goed,” fluisterde Medusa.
“Hij woont hier.”
“Niet fluisteren,” maande Pallas.
“We zijn moeder en grootmoeder die hun kind en kleinkind een bezoek komen
brengen. Ze wees op de sloop met vodden die ze droeg en die moest doorgaan voor
de schone was. Medusa droeg een pan soep. In werkelijkheid zat er een groenige
substantie in, water met waterwerf. Ze had geen tijd gehad om echte soep te
koken.
Pallas belde aan bij een
willekeurige naam. Een meisje in joggingbroek, duidelijk net uit bed, wallen
onder de ogen, contactlenzen nog niet in maar bril op, deed open.
“Hallo, we komen voor Tobias,” zei
Pallas. “Ik ben zijn moeder en deze mevrouw hier is zijn grootmoeder. We hebben
de was bij ons en soep. Dat heeft zo’n jongen alleen nodig, een pan goede soep
op zijn tijd.”
“Jezus!” sprak het meisje. “Heeft
Tobias een moeder? Nooit geweten. Ik dacht dat hij in een fabriek was gemaakt
of zo. Nou, u heeft een erg keurige zoon, mevrouw.”
“Ben jij een vriendin van hem?”
vroeg Pallas.
“Vriendin? Welnee, niemand is
bevriend met die griezel.” Het meisje schrok van haar woorden en zweeg even.
“Nou ja, ik bedoel, uw zoon is een beetje typisch, zit altijd met de bijbel en
de Here enzo, maar dat weet u zelf natuurlijk ook wel.”
“Mijn zoon is een keurige
jongeman!” viel Pallas uit. “Die zijn plicht doet en iets van zijn toekomst
probeert te maken!” Even geloofde ze zelf dat Tobias haar zoon was, en ze
moesten niet aan haar kind komen. “Is hij thuis?” vroeg ze op mildere toon. “We
willen hem graag zijn was en zijn soep brengen.”
Het meisje schudde het hoofd. “Hij
is naar college. Elke dag, stipt om half tien, gaat hij daar naartoe. Hij is
net weg, maar u kunt wel even binnenkomen.” Ze deed een stap op zij en wees
naar een deur. “Daar is zijn kamer. Loopt u maar naar binnen. Als het zijn
moeder en grootmoeder zijn, zal hij het wel niet erg vinden. Anders mag er
nooit iemand binnen, daar.”
Pallas opende de deur en Medusa
volgde haar naar binnen. De kamer was klein, drie bij vier meter. Het raam bood
uitzicht op een groot gedeelte van de stad, dat was een voordeel als je op de
vijftiende verdieping woonde. Voor het raam waren tralies aangebracht, hetgeen
de kamer er uit deed zien als een soort cel. Om zelfmoord te voorkomen, dacht
Pallas. In haar studententijd sprongen er nogal eens wat mensen uit hun raam.
Misschien bestond die neiging nog altijd en kwam ze niet voort uit alle
verwarring die de roerige jaren zeventig brachten.
De kamer was keurig opgeruimd.
Pallas had niet anders verwacht. In de rechterhoek bij het raam stond een smal
eenpersoonsbed. Een wonder als je daarin een nacht kon doorbrengen zonder er
uit te lazeren. Aan de andere kant van de kamer waren boekenkasten. Pallas liep
er naar toe. Veel studieboeken, over chemie, wiskunde, natuurkunde, meetkunde,
allemaal zaken waar zij niet veel van af wist. Ze zou zich er nog eens over
buigen als de gelegenheid kwam.
Haar oog viel op de bovenste plank
van de boekenkast die dicht bij de deur stond, alsof hij aan het zicht moest
worden onttrokken. Hier stond de bijbel, of liever gezegd, meerdere versies van
de bijbel, alle vertalingen, alle hertalingen en ook de commentaren daarop.
Medusa had het ook gezien en
stevende erop af. “Daar zal je het hebben,” zei ze. “De religieuse plank. Kijken of er boeken van de meester bij staan. Die gek
zal vast gepubliceerd hebben, dat doen ze altijd, ijdel als ze zijn.”
Even later nam ze een boek van de
plank. “Hebbes,” zei ze. “De leer van de meester, wat ik je brom. Willibrordus
van Beek, een leven met de Here, of hoe je voor te bereiden op de jongste dag,
hier staat het allemaal in.”
Ze nam plaats op het bed en begon
te lezen. Pallas wachtte af. Ineens was ze moe en wilde ze naar huis, onder de
douche en vervolgens onder een deken op de bank, naar een soap kijken, vergeten
wat ze allemaal te doen had. Ze staarde uit het raam zonder werkelijk wat te
zien en luisterde naar Medusa’s ach en wee-geroep. Kennelijk was het een
schokkend boek, dat ze te pakken had.
Na een half uur sloeg Medusa het
boek met een klap dicht.
“Het is verschrikkelijk,” bracht
ze uit. Ze hield het boek omhoog en zei: “Moet je die foto zien op de
achterflap.” Pallas keek. Er stond een man op van een jaar of zestig met
witgrijs haar en een lange baard. Hij keek streng de wereld in, met blauw-bleke
ogen.
“Het is Mozes zelf,” grapte
Pallas. “Over wederopstanding gesproken.”
“Het is een schizofreen die jij
allang opgesloten had moeten hebben. Moet je luisteren: de mens is niet van
zichzelf, de mens is van God, van de Here, die zijn zoon zond, zijn zoon is,
God en de zoon zijn een, dat is moeilijk te begrijpen, dat is het mysterie dat
ons eens zal worden geopenbaard. De mens is van de Here, zeg ik, zeg het mij
na, ik ben van de Here en niet van mezelf. Alleen uit die gedachte kun je de
goede werken doen, alleen als je die gedachte hebt, weet je dat je een
rechtvaardige bent. De Here heeft mij gezonden, om jullie naar de jongste dag
te leiden, mij alleen, mij alleen moeten jullie volgen, want ik ben gezonden
door het licht en nu ben ik het licht.” Medusa keek op. “Nou, wat vind je
ervan, is dit wartaal of niet?”
“Het lijkt wel of ik Minister Rita
hoor spreken,” zei Medusa. “Die denkt ook dat ze door de Here is gezonden, al
gelooft ze niet in hem. Weet je dat ze weer een artikel over mij heeft
geschreven?”
“Straks, kind, eerst dit. Hoor wat
de meester nog meer zegt: omdat jullie van de Here zijn, zijn jullie van mij.
Alles behoort mij toe; je geld, je kleren, je gedachten, je lichaam. Ik neem
tot mij wat me goeddunkt, want de Here heeft mij verteld dat te doen. Eenmaal
op het smalle pad moeten jullie de richting uit die ik je wijs, er is geen weg
terug, je kunt niet omdraaien, als je dat doet zal ik je met blindheid moeten
slaan, zal ik het gevoel uit je lichaam moeten drijven en het licht uit je
ogen, het geluid uit je oren, zal ik je terug moeten sturen de aarde in, en ik
zal niet aarzelen want ik zal doen zoals de Here mij heeft bevolen. Doe het
goede, doe wat ik je zeg, in dit boek, en op de meetings, en alles zal goed
komen. We hebben een missie, voltrek die missie en leef als een rechtvaardige.”
Medusa keek op. “ Ik dacht dat ze
op de Veluwe erg waren,” zei ze. “Of in Zeeland. Maar dit is allemaal veel
erger. Ik ga verder.” Ze bladerde verder tot ze weer een interessante passage
had gevonden: leef zoals het is bedoeld, zoals het staat beschreven in de
Schrift, ga en vermenigvuldig u, maar niet zonder dat je trouwt, dus eerst
trouwen en dan pas de vermenigvuldiging en niet anders om. Weerhoud andere
mensen van zonden. Al zijn ze al zo goed als verloren, we moeten blijven
proberen ze te redden. Dat is onze opdracht, jullie opdracht, de taak die ik
jullie meegeef, de taak die jullie hebben uit te voeren. Koester verder geen
verlangens. Leef sober. Daarbij help ik jullie, alles wat overbodig is, neem ik
in bewaring. Jullie leven van het hoognodige, sober, zonder warm en slap makend
comfort.”
Weer keek Medusa op. “Volgens mij is
het een gewone oplichter,” zei ze. “Zit die kinderen al hun bezittingen los te
praten. Zou hij al veel hebben van Tobias en Afroda.”
Pallas was bleek geworden onder
het voorlezen. Ze wist dat er mensen waren die dachten dat ze door God waren
gezonden, ze was ze tenslotte vaak genoeg tegengekomen in haar werk, maar nooit
had ze ze betrapt als ze hun tengels uitstaken naar haar kind. Een leeuwin
sprong uit haar borstkas.
“De vuilak!” riep ze. “De gore
gek, de afperser, moet je kijken wat hij van die kinderen maakt! Ik maak hem af
als ik hem in mijn klauwen krijg!”
“Nee, dat doe je niet,” sprak
Medusa kalm maar op vermanende toon. “Daar schiet je namelijk helemaal niks mee
op en bovendien kan ik op mijn oude dag niet
hebben dat mijn enige kind in de gevangenis zit. Je hoeft niet mijn
luiers te komen verschonen, maar een beetje ondersteuning heb ik wel nodig als
het zover met mij komt. Maar goed, het is dus duidelijk waar de kinderen door
zijn aangeraakt. We moeten die gek stoppen, voordat het te laat is. Punt is:
hoe vinden we hem. Ander punt is: hoe weerhouden we hem van zijn misdaden?”
“Ik bedenk ineens iets,” zei
Pallas zonder te reageren. “Misschien is die meester de seriemoordenaar wel!”
“Die van die opengesneden kelen?”
Medusa dacht na. “Lijkt me sterk. Op de een of andere manier krijg ik het idee
dat die veel jonger is. Maar het is wel mogelijk dat hij die moorden laat
uitvoeren. Of dat een van die volgelingen zijn opdrachten wat al te letterlijk
heeft opgevat en de kolder in zijn kop heeft gekregen.”
“Tobias?” Pallas rilde van
afschuw. Haar dochter met een seriemoordenaar als verloofde, dat kon ze er net
bij hebben.
“Ik geef toe, de jongen is wat
eigenaardig, maar om nou meteen te denken dat hij die moorden pleegt, nee, daar
durf ik toch niet aan,” zei Medusa. “Dat voert te ver. Hoewel het natuurlijk
ook weer niet is uit te sluiten.”
“Komen we op ons punt, waar vinden
wij de meester. Die types houden zich meestal goed afgeschermd op. Logisch
natuurlijk, als je bedenkt dat hij al zijn volgelingen leeg steelt.”
“We vinden hem wel,” zei Medusa.
“Niemand kan zich helemaal onzichtbaar houden. We overdenken dat nog. Laten we
nu maar gaan, voorlopig weten we genoeg.”
Ze legde het boek neer waar ze het
had gevonden, streek het bed recht zoals ze het had aangetroffen. Samen
verlieten Medusa en Pallas de studentenflat. Het meisje dat hen had opengedaan,
zagen ze nergens meer. Waarschijnlijk was ze weer teruggegaan naar bed.
Minister Rita zat achter haar PC
in haar hoofdkantoor. Hoofdkantoor noemde ze het, al was er geen bijkantoor.
Dat kwam nog, als haar beweging eenmaal voet aan de grond had, als iedereen
erkende dat ze een grote partij was, en als ze subsidie had losgekregen. Ze
speelde een spelletje patience, dat ontspande haar. Het zat haar niet lekker,
dat de telefoon niet roodgloeiend stond en dat het al dagen geleden was dat er
iemand van de pers had gebeld. Het leek wel alsof ze vergeten was. Dat kon
niet, dat wist ze ook wel. De mensen zat Rita in het bloed, zeker na de laatste
paar jaar.
Ze kon geen kaart meer kwijt,
alweer was het niet gelukt om het spelletje te winnen en dat gaf haar een
onaangenaam gevoel, alsof de pc slimmer was dan zij. Ze opende de
tekstverwerker en schreef verder aan haar artikel over het nut van
volksrechtbanken, dat ze straks naar alle landelijke dagbladen zou sturen. Kay
had gezegd dat het een kwestie van tijd was, dat ze heus weer snel zou stijgen
in de opiniepeilingen, dat ze binnen de kortste keren net zo populair zou zijn
als Pim en misschien wel populairder, want ze had de wind nu eenmaal mee.
“Ik denk wat ik zeg,” had ze
daarop gereageerd, “ Of is het nou eerder dat ik zeg wat ik denk, ja, dat was
het, ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg. At your service!”
“Dat laatste moet je niet
gebruiken,” had Kay met een bezorgd gezicht opgemerkt. “Dat doet teveel aan Pim
denken, dan overdrijf je en dan verlies je aanhang.”
“Jammer, dat hij zoveel gras voor
mijn voeten heeft weggemaaid, die dooie kale nicht,” zei Rita. “Hij is wel mijn
grote voorbeeld, dat kan ik jou wel zeggen want je bent zijn vriend geweest,
maar ik heb het er wel moeilijk mee dat hij zoveel populairder was. Ik zie de
mensen nog niet voor mij de straten uitlopen.”
“Dat was tijdens zijn begrafenis,
Rita, ik denk niet dat je daarin met hem wilt wedijveren.”
Rita haalde haar schouders op
alsof ze iets van zich af wilde schudden.
“Doe iets met die rechter, die is
weggelopen uit de zitting van de volksrechtbank,” had Kay opgemerkt.
Daarom zat Rita nu te zwoegen op
haar artikel. Ze had Bep gevraagd dat te doen, maar die had geantwoord dat zij als eenvoudig
secretaresse nooit zo’n ingewikkeld stuk kon schrijven. En dat was natuurlijk
ook zo. Het werd tijd dat Rita over een wetenschappelijk onderlegde staf kon
beschikken.
“Het is een schande dat oud-links
zich zo aan de democratie wil ontrekken,” schreef ze. “De kogel kwam van links,
en de pijlen op onze rechtstaat worden nog steeds vanuit links gericht. En
vanuit de Islam, natuurlijk. Anders dan in de jaren zeventig worden we nu van
twee kanten aangevallen. Beide bedreigingen moeten we afzweren, en dat kan als
ik maar rechtdoorzee blijf en jullie mij volgen. Tjakka! Trots op Rita!” Kort
maar krachtig, dat waren speeches waar ze van hield. Ze printte het uit en liep
naar de kamer van Bep, die ijverig zat te tikken. Misschien de ledenlijst wel.
Sinds gisteren konden mensen zich inschrijven als lid zonder stemrecht, en je
zou zien, het zou storm lopen.
“Ik heb hier een artikel, dat op
de voorpagina’s van alle dagbladen moet verschijnen,” zei Rita. “Doe je best,
Bep, morgen verwacht ik de telefoon roodgloeiend en een optreden in Nova!”
Vastberaden draaide ze zich om, nam haar mantel van de kapstok en liep naar
buiten, naar haar auto. Ze moest naar Amsterdam. Haar volgend project was het
asfalteren van heel Nederland, want er was gewoon teveel bos in dit land, dat
zat de wegen maar in de weg.
Ik ben de weg en het
lot, ik wijs ze naar de plaats, de plaats waar het allemaal zal gaan gebeuren,
de plaats die het midden is van de wereld, een kuil diep genoeg om alle mensen
op aarde te omvatten en ook de mensen die al in hun graven rusten als het
moment daar is, ik ben de spiegel waar iedereen doorheen kijkt totdat het licht
wordt gezien, ik ben het licht, het gegeven licht, het doorgegeven licht, ik ga
voor naar het moment, dat aanstaande is en nabij, niemand kan voor mij gaan,
want ik ben de eerste, en deze eerste zal niet de laatste zijn, ik ben
opgenomen en zal opnieuw worden opgenomen in de heerlijkheid.
Het was al laat toen de telefoon
ging. Pallas was juist bezig zich gereed te maken voor de nacht. Met tegenzin
nam ze op. Het was Medusa, die na haar groet meteen begon te spreken:
“Ik heb op internet gekeken, en ik
heb van alles over die gek gevonden, je weet wel, de meester, van wie ik zo
leuk heb voorgelezen laatst. Wist je dat het een internationale sekte is? De
meester is Nederlands, hij heet Wim de Boer en vroeger was hij leraar
scheikunde, maar er zal iets in die potjes zijn gaan schudden, er zal iets naar
boven gekomen zijn, denk ik, want op een gegeven moment werd hij hartstikke gek,
dat maak ik tenminste op uit wat hij sindsdien allemaal heeft uitgehaald. Moet
je horen: hij heeft een villa gekocht in de buurt bij het strand bij Zandvoort,
en daar zijn elk weekend sessies om nieuwelingen te werven, en elk weekend is
het vol, nog steeds, met mensen vanuit het binnen- en het buitenland. Hij noemt
die mensen zijn discipelen en na zo’n weekend worden ze losgelaten om iedereen
te bekeren. Het gekke is, dat ze dat allemaal doen, zonder uitzondering, dat
maak ik op uit de forums waarop gediscussieerd wordt over Wim de Boer, ofwel de
Meester, zoals ze hem steevast noemen. Iedereen die met hem in aanraking is
geweest, is ervan overtuigd dat hij een belangrijke rol speelt bij de jongste
dag, ja, dat hij inderdaad door de Here zelf is gezonden. Vind je dat nou niet
merkwaardig? Ik heb nergens iets kunnen vinden over afvalligen, en dat is toch
heel bijzonder. Als er op internet een geluid is, is er altijd ook een
tegengeluid, dat is zo geweldig van dit medium, daarom alleen al dank ik god op
mijn blote knieën dat dit is uitgevonden, maar goed ik raak afgeleid. Waar het
om gaat, Pallas, is dat ons kleinkind en kind het slachtoffer is geworden van
een sekte. En ze is de bepaald de enige niet. We moeten naar die Wim toe. Ik
heb ons al online ingeschreven voor het komende weekend, waren nog net twee
plaatsen vrij. We gaan eens even aanzien hoe hij dat allemaal doet.”
Pallas moest dit allemaal even
verwerken. Nog niet lang geleden was ze een keurige magistraat geweest, zonder
al teveel zorgen, en nu ineens zat ze met een dochter die gehersenspoeld was
door een sekte, en een moeder die haar hoogstpersoonlijk wilde gaan redden.
“Ik weet het niet, moeder, het
lijkt me niet zo’n goed idee. Wie weet van wat voor middelen hij gebruik maakt,
misschien raken wij ook in de ban, en hebben we het na het weekend over niks
anders meer dan over de Here.”
“Maar we moeten toch wat!”
schreeuwde Medusa. “We kunnen dat kind toch niet onder onze ogen laten
afglijden?”
“Nee, maar we moeten niet
undercover gaan. Daar zijn we te oud voor en ik vertrouw het niet. Als zoveel
normale mensen het slachtoffer zijn geworden, zit het er dik in dat wij dat ook
zouden worden.”
Het bleef even stil aan de andere
kant. Pallas kon Medusa’s hersenen bijna horen knarsen.
Uiteindelijk zei deze:
“Misschien heb je gelijk, maar wat
moeten we dan?” Nooit eerder had Pallas haar moeder zo wanhopig, zo moedeloos
gehoord.
“Ik weet het niet, moeder, we
moeten iets, dat is zeker, maar wat dat zou moeten zijn, dat weet ik niet. Ik
wil gaan slapen, misschien weet ik het morgen.”
“Ik kom morgen bij je langs, dan
kunnen we het er verder over hebben.”
“Goed,” zei Pallas en ze hing op.
Eenmaal in bed kon ze de slaap
niet vatten. Al haar zorgen tolden door haar heen, het leek een onontwarbare
knoop waar ze nooit meer uit zou raken. In de verte hoorde ze auto’s optrekken,
laat dronken gelach en hoe meer ze zich realiseerde dat ze niet kon slapen, hoe
wakkerder ze werd. De Vesuviussen hadden nooit voor een groter crisis gestaan,
dacht ze. Wat een godvergeten puinhoop was het toch. Ze sloot de ogen, ademde
diep in, probeerde haar ledematen gevoelloos te maken door ze niet te bewegen,
maar het lukte niet. Uiteindelijk gaf ze het op. Het was vier uur in de ochtend
toen ze opstond. Omdat ze niet wist waar ze moest beginnen, maar het
ondragelijk was om niets te doen, kleedde ze zich aan en reed na Zandvoort.
De rit duurde niet lang want op
dit tijdstip van de dag waren er nog geen files. In Zandvoort had ze de
kapitale villa van Wim de Boer met al zijn bijgebouwen al snel gevonden. Ze
parkeerde haar auto en bleef erin zitten. Ze keek naar het huis. Het was er
stil en donker, ook van de bijgebouwen kwam geen enkel geluid.
Het zag er zo Hollands uit, dat
huis. Protserige pilaren ondersteunden het dak, er waren gazons en natuurlijk
plantenbakken. Een grindpad dat van het de opening van het hek naar het grote
huis liep, was keurig aangeharkt. Rondom het huis doemden plotseling zwarte
schimmen op. Pallas dook weg. Voorzichtig keek ze ernaar. Het waren grote
honden. Waakhonden waarschijnlijk.
Ze vroeg zich af wat ze hier
eigenlijk kwam doen. Niets wat ze kon doen, zou enig effect hebben op de
toestand van haar dochter. Moest ze Wim de Boer soms vermoorden? Misschien zou
zelfs dat niet helpen. Ineens wist ze wat haar te doen stond: ze moest Afroda
in huis halen. Goedschiks zou dat niet gaan, dus moest het kwaadschiks. Afroda
moest aan elke invloed van die meester en ook van Tobias worden onttrokken. Wat
ze van plan was, leek veel op wederrechterlijke vrijheidsberoving, maar het was
tenslotte voor een goed doel. Wie zou het haar kwalijk kunnen nemen.
Ze startte haar auto en reed met
honderdvijftig kilometer per uur terug naar Amsterdam, regelrecht naar de
studentenflat van Afroda. Ze zou daar alleen zijn, wat een geluk dat ze maagd
wilde blijven, want het zou moeilijk geworden zijn als ze Tobias had
aangetroffen in haar kamer.
Ze parkeerde haar auto vlak voor
de flat en stormde naar boven. Ook hier was diepe rust, hetgeen Pallas niet
verbaasde. Vijf uur in de morgen was het perfecte tijdstip voor misdrijven,
vooral voor die misdrijven die normaal gesproken nogal in het oog liepen, zoals
inbraken en ontvoeringen.
Bij Afroda’s kamer aangekomen
aarzelde ze. Hoe kwam ze binnen? Daar had ze nog niet aan gedacht. Het zou nog
uren duren voordat iemand de flat verliet. Ze rommelde wat in haar broekzak, op
zoek naar iets waarmee ze het slot kon forceren. Was ze nou maar wat ijdeler,
wat vrouwelijker, dan zou ze misschien een haarspeld bij zich hebben gehad, of
een speld.
Ineens dacht ze aan de koevoet in
haar auto. Die had ze ooit gekocht voor je weet maar nooit. Nooit had ze kunnen
bedenken dat het echt nodig zou zijn om een deur te forceren, maar nu was het
dan zo ver. Ze ging huisvredebreuk plegen. En niet zo zuinig ook.
Medusa had een heel vragenformulier moeten invullen
voordat ze werd binnengelaten tot de workshop van Wim de Boer. Je kon het zo
gek niet bedenken of het werd gevraagd: haar lievelingskleur, haar doopdatum,
wat ze zag als ze zich Jezus voorstelde. Die laatste vraag had haar wat
hoofdbrekens gekost, want volgens haar was Jezus een soort Wim de Boer geweest,
iemand die de zin van het bestaan volledig had doorgrond en daarom iedereen
zijn mening opdrong. Hij kon ook een verzetsstrijder zijn geweest, maar om de
een of andere reden geloofde ze daar minder in. Maar zoiets kon ze niet
opschrijven, dus ze had geschreven dat ze een knappe jonge man voor zich zag,
die helaas niet al te oud was geworden, want hij leek haar heel geschikt om op
latere leeftijd mee te trouwen, gesteld dat hij ook in de tachtig was geworden
natuurlijk.
Nadat Pallas haar de vorige dag had verteld dat ze voor de
deur had gestaan bij de meester, maar vervolgens niet meer wist wat te doen,
besloot Medusa dat ze zelf actie moest ondernemen. Ze kon niet blijven aanzien
hoe haar kleindochter ten gronde werd gericht. Waar was de daadkracht van haar
dochter gebleven? Kortom, ze moest iets doen: in allerijl had ze zich
ingeschreven voor het weekend Spiritualiteit van Wim de Boer.
De internetsite had er onschuldig uitgezien. Het ging erom
dichter bij jezelf en je mystieke gevoelens te komen in deze drukke tijden,
waarin het moeilijk was rustmomenten te vinden. Er waren verschillende foto’s
te bewonderen van gelukkige mensen, van na het weekend, nam Medusa aan. Wel was
het van meet af aan duidelijk in welke hoek de spiritualiteit werd gezocht,
namelijk in het leven en lijden van de Here Jezus Christus, zoon en vader in
een, en daarom alleen al een wonder. Zo stond het op de site, die verder
natuurlijk alle incidenten van het gebroken brood en het water dat wijn werd
aanhaalde om te onderstrepen om wat voor een bijzonder mens het hier ging.
Nu zat ze in een kring met een
twintigtal andere mannen en vrouwen. Wim de Boer leidde dit weekend persoonlijk
en al bij de ingang was haar duidelijk gemaakt wat een mazzel dat was, want
meestal liet hij dit soort activiteiten over aan een medewerker. Zo af en toe
trad hij echter zelf op, om het contact met zijn volgelingen niet te verliezen.
Tussen de regels door, en soms helemaal niet zo subtiel, werd duidelijk gemaakt
dat Wim de Boer door God en zijn zoon, die een waren, zelf was gezonden. Ga er
maar aanstaan, had Medusa gedacht, zo moest je wel geloven dat die twee gelijk
hadden door de mond van Wim de Boer heen.
Hij droeg een oversized oudroze
hemd op een oude katoenen broek. Speciaal oud gemaakt voor de gelegenheid,
dacht Medusa, want het huis met al zijn bijgebouwen moest een kapitaal waard
zijn, dus hij kon zich betere kleding veroorloven. Zijn lange haar en witte
baard waren wit, als van sinterklaas of de Kerstman. Het kon niet anders of hij
moest ze bijkleuren. Zijn gezicht was bruinverbrand en vertoonde diepe groeven,
als van iemand die een bewogen leven achter de rug had. Alleen die ogen, die
kleine, valse varkensoogjes, die verrieden hem als charlatan, als oplichter.
“Welkom, beste mensen,” sprak Wim
de Boer met zalvend stemgeluid dat gereformeerde dominees zo eigen is. “Jullie
zijn op een belangrijk kruispunt in jullie leven gekomen. Jullie gaan een
sprong nemen van de afgrond vandaan, jullie zijn de geredden, en misschien de
rechtvaardigen in een wereld vol zondaars, jullie zullen de zonden in jullie
onderdrukken en wegwerpen, jullie zullen fier met je rug naar de hel staan op
de jongste dag, de Boze zal jullie niet te pakken nemen. Gefeliciteerd dat
jullie dit hebben bereikt want dit is lang niet voor iedereen weggelegd. Om
verlichting te bereiken, is het nodig dat jullie je helemaal losmaakt van je
oude zelf, en daar gaan we vanavond meteen mee beginnen. Eerst willen we
natuurlijk van elkaar weten wie we zijn en wat onze gedachte is bij dit
weekend. Daarom doen we een voorstelrondje.” Hij knikte naar een man van een
jaar of dertig, die naast hem zat. “Mag ik bij jou beginnen, Tjerk?” Tjerk
verschoot van kleur en begon met hakkelend zijn naam te zeggen. “Ik zie het
soms gewoon niet meer zitten,” stak hij
van wal. “Ik bedoel, er worden zoveel eisen aan je gesteld, de hele dag, op het
werk en thuis topprestaties leveren, er moet toch meer zijn in dit leven.
Daarom ben ik hier, om daar achter te komen. Ik overweeg soms om weer alleen te
gaan wonen, mijn vrouw en kinderen hebben mij niet meer nodig, die doen het
prima zonder mij, en ik ben er beter aan toe als ik weer alleen ben.”
“Daar kan geen sprake van zijn!”
interrumpeerde Wim hem scherp. “Wat de Here heeft samengevoegd, mag de mens
niet scheiden! Na dit weekend zul je er meer dan ooit van doordrongen zijn wat
je plichten zijn, Tjerk, maar ga door, wat verwacht je.”
Tjerk bloosde nog sterker en
friemelde met zijn vingers in de schoot. Even leek het erop dat hij in huilen
zou uitbarsten, maar hij herstelde zich. “Ik verwacht dat ik er als een beter
mens uitkom,” zei hij. “Meer niet.”
“Dat is te weinig,” sprak Wim
beslist. “Je moet er als rechtvaardige uitkomen, en je zult er als rechtvaardige
uitkomen. Het is nog nooit gebeurd dat iemand het Spiritualiteitweekend op een
andere manier verliet.”
Dan was de vrouw naast Tjerk aan
de beurt. Ze was in haar veertiger of vijftiger jaren, lang en mager. Haar ogen
blonken tranend en somber de kring rond. Wim gebaarde ongeduldig dat ze moest
beginnen.
“Ik ben Diana,” zei ze. “Dat ben
ik altijd geweest, maar toch weet ik eigenlijk niet wie Diana is, als jullie
mij nog kunnen volgen.” Afwachtend keek ze de kring rond. Niemand reageerde.
“Ik bedoel, er zijn zoveel
persoonlijkheden in mij.” Nu wordt het interessant, dacht Medusa, iemand met
een meervoudige persoonlijkheid, ik ben benieuwd wie ze allemaal geweest is.
Diana vervolgde: “Ik kijk in de
spiegel en zie een bleke vrouw zonder dat zij mij zegt wie zij is, de groeven
in het gezicht zijn groeven van de ouderdom, niet van levenservaring. Ik ben
tweeënvijftig en nog altijd weet ik niet wat ik later worden wil.” Hier lachte
ze kort. Niemand lachte met haar mee. “Ik hoop dus dat ik er in dit weekend achterkom
wie ik eigenlijk ben, en dat is alles voor het moment.” Diana keek naar de
grond, alsof ze daar wilde verdwijnen.
Zo ging het de hele kring door, de
ene na de andere onzekerheid en onvrede met het leven werd gedebiteerd. Medusa
werd er een beetje melig van. Zien ze dan godverdomme niet dat we hier in het
paradijs leven, vroeg ze zich af. Ze paste er voor om dit te zeggen, dat zou
haar onderzoek maar bemoeilijken. Wat een ontzettend stelletje zeurkousen bij
elkaar. Hoe kon Afroda hier ooit terecht zijn gekomen. De laatste gedachte
baarde haar toch enige zorgen, want inderdaad, hoe had dat kunnen gebeuren?
Afroda was, met al haar eigenaardigheden, altijd een echte Vesuvius geweest.
Eindelijk was ze zelf aan de beurt.
“Ik ben aan het einde van mijn
leven gekomen,” zei ze. “Ik heb gehoereerd, ik heb geslempt, ik heb levens
genomen die de Here had gegeven, noem maar op, je kan het zo bont niet maken of
ik heb het gedaan. Nu was er meestal een goede reden voor om te doen wat ik
moest doen, daar niet van, maar toch, het hoort eigenlijk niet, zal ik maar
zeggen. In ’40-’45 moest ik regelmatig iemand voor zijn raap schieten, maar dan
ga je je op mijn leeftijd afvragen, had het niet anders gekund, had ik niet een
andere keuze kunnen maken.”
Wim de Boer knikte heftig:
“Goedzo, Medusa, het is al heel goed dat je jezelf die vraag stelt. Aan het
eind van het weekend zal het je duidelijk zijn dat je inderdaad een andere
keuze had kunnen maken. Maar ga verder.”
“Nu goed,” vervolgde Medusa. “Nu
ik dan als het ware voor de poort van de hel sta, ga ik natuurlijk terugkijken
op mijn leven, en dan wil je met bepaalde dingen in het reine komen. Ik voor
mij hoef niet zo nodig de hemel in, want dat lijkt me eerlijk gezegd nogal
saai, maar ook in de hel kijk je wel eens terug op je aardse bestaan, en dan is
het wel zo leuk dat je kan zeggen dat je er wat van gemaakt hebt of niet soms?”
Wim de Boer keek haar eerst verbijsterd en toen vernietigend aan. “Je staat nog
heel ver weg van de Here, Medusa, heel ver,” zei hij. “Als je niet inziet, dat
een leven in de hel een eeuwig leven van lijden is, sta je inderdaad al met een
voet in het vuur.”
“Koude voeten, dat is ook zoiets,”
vertelde Medusa onverstoorbaar. “Dat kan je hele dag verpesten. Gelukkig hadden
ze laatst bij het Kruidvat van die leuke slofjes..” Ze stak haar linkerbeen
omhoog. “Zijn ze niet enig met die Snoopy erop? Ik heb ze meteen gekocht
natuurlijk want ik was er gelijk weg van, en ze zitten heerlijk. Niet alleen
mijn voeten blijven warm, maar mijn hele lichaam. Maar daar ging het nu niet
om, geloof ik. De hemel of de hel, daar ging het om. Ja, Wim, misschien heb ik
nog wat te leren, maar dit oude karkas van botten met droog vel erom neemt nog
slechts moeilijk dingen tot zich, dat kan je wel begrijpen, en anders begrijp je
het binnenkort, want jij bent ook de jongste niet meer. Maar zoals ik al zei,
ik wil met mezelf in het reine komen voor ik sterf en op mijn leeftijd kun je
dan niet meer wachten tot het er eens van komt, want voordat je het weet is het
gebeurd met je. Neem nou mijn moeder, die was dik in de negentig, nooit ziek
geweest, geen centje pijn en op een morgen kwam ik bij haar op bezoek en lag ze
dood in haar bed. Een pracht van een dood natuurlijk, daar niet van, maar je
bent er wel helemaal geweest ineens!”
Ze keek de kring rond, die haar
nieuwsgierig opnam. In de ogen van Wim de Boer broeide iets. Het leek alsof hij
nijdig was. Medusa nam aan dat dat zo was, misschien kwam ze niet hulpeloos
genoeg over. Ze moest niet zo rebbelen. Tenslotte was ze undercover en die
werden geacht niet al te erg op te vallen.
Toen iedereen aan de beurt was
geweest, zei Wim: “We hebben allemaal veel gepraat en veel geluisterd. Het is
nu tijd om wat te drinken. Zoals jullie allemaal wel weten, is alcohol slecht.
Voor jullie zal het na dit weekend niet alleen slecht zijn, maar zelfs
verboden. Niet alleen dat, maar ook koffie is verboden, of pepdrankjes die men
tegenwoordig na het sporten drinkt. Daarom komt nu de kruidenthee rond, dan
kunnen jullie er alvast aan wennen. Zondag krijgen jullie een paar kilo mee
naar huis, ik hoop dat er nog genoeg ruimte is in de koffertjes. In het begin zal het misschien vreemd smaken,
maar dat went wel, en na een paar dagen zal je ernaar smachten. Deze kruidenthee
stelt je open voor mystieke ervaringen, stelt je open voor de jongste dag,
scheidt hoofdzaken van bijzaken, brengt je terug tot de kern waar het allemaal
om draait, namelijk je liefde voor de Vader en de Zoon, die een zijn.”
Die moet ik dus niet drinken,
dacht Medusa, maar hoe krijg ik dat voor elkaar zonder dat het opvalt. Ze had
spijt van haar praatje bij het voorstellen. Had ze nou maar gewoon gezegd dat
ze twijfelde aan wie ze was, dan zou ze minder zijn opgevallen. Ze moest zich
een beetje proberen te beheersen. Het belangrijkste was dat ze achterhaalde wat
er hier gebeurde, hoe mensen werden gehersenspoeld. Die thee zou weleens een
belangrijke factor kunnen zijn.
Er kwamen twee vrouwen binnen met
grote dienbladen waarop mokken met kruidenthee stonden. Ze gingen de kring
rond. Medusa nam een mok van het dienblad en rook aan de thee. Het stonk naar
stront, vond ze, de agrarische stront die je rook als de boeren net hadden
gegierd. Ze warmde haar handen aan de mok en dat was lekker, want het was
ijskoud in deze zaal. Zeker bezuiniging, dacht ze schamper, die vent wil het
onderste uit de kan halen, dat had ik meteen al door.
Iedereen begon van de thee te
drinken en hoewel de gezichten iets anders vertelden, buitelden de mensen over
elkaar heen om te vertellen hoe heerlijk het was. Medusa deed alsof ze dronk.
Steeds liet ze een slokje in haar trui vallen, daar kwam ze wel mee weg dacht
ze, want het was een dikke, Noorse trui en als er vochtplekken te zien zouden
zijn, kon ze altijd zeggen dat ze zo zweette. Een keer keek Wim de Boer haar
kant op. Bijna had hij haar betrapt want ze stond net op het punt om weer een
slok in haar kol te laten verdwijnen. Nog net op tijd kon ze de kom
terugtrekken. “Heerlijk gewoon,” zei ze. “Ik heb nog nooit zulke thee gedronken
en ik voel nu al dat ik helemaal open ga staan.”
“Goedzo, Medusa,” zei Wim. “Je
komt er wel.” Was het achterdocht, dat in zijn blik schemerde, of verbeeldde ze
zich dat maar.
Enige tijd nadat de thee genuttigd
was, werd de zaal verduisterd.
“Jullie krijgen nu een film te
zien, die jullie woedend moet maken,” zei Wim. “De kruisiging van de Here, hoe
hij heeft geleden. De woede zal jullie helpen bij het volbrengen van jullie
taak.”
Medusa ging ervoor zitten.
Heerlijk, een film, dat was gemakkelijk, met alleen kijken kon ze niet door de
mand vallen. Het viel haar op dat haar medecursisten nogal stilletjes waren.
Dat kon van de thee komen, die was verdacht geweest, maar ze kon nog niet met
zekerheid zeggen in welk opzicht, wat het met de mensen deed.
Het was de film “Passion” van “Mel Gibson” Beeld na beeld zag ze Jezus met het kennelijk loodzware kruis
zeulen. Ongetwijfeld eikenhout. Of hadden ze dat niet in het Israel van het
jaar 0. Hij werd geslagen en geschopt en het bloed spatte in het rond. Ze
schudde het hoofd. Dat was wat in die tijd, moest je je eigen executieapparaat
dragen en kreeg je nog op je donder ook als je niet opschoot. Maar wat was het
een slechte film. Toen Jezus voor de zoveelste keer tegen de vlakte ging, had
ze het eigenlijk wel gezien en als ze in een bioscoop had gezeten, was ze zeker
weggelopen. Nu moest ze blijven zitten, tot de vertoning voorbij was. Het
vervelende van de kruisgang in films was dat je altijd al wist hoe het afliep.
De verrassing was er af.
Na de film ging het licht weer
aan. Veel mensen hadden tranen in de ogen. Hoe hadden ze dat nou voor elkaar
gekregen, vroeg Medusa zich af.
“Wat verschrikkelijk,” bracht
Diana uit. “Dat de Here zo geleden heeft, dat wij hem hebben laten lijden.”
Wim de Boer knikte tevreden. “Het
was de bedoeling jullie daarvan te doordringen,” zei hij. “Voor jullie zonden
heeft hij dit allemaal verdragen. Als jullie nooit hadden gezondigd, had hij
dit niet hoeven te doen, was hij veilig bij zijn vader in de hemel gebleven,
was hij nooit van zijn vader gescheiden, want de vader en de zoon zijn een,
zoals we allemaal weten.”
“Was het niet wat prematuur, om
tweeduizend jaar voor dato al te gaan lijden?” vroeg Medusa. Meteen kon ze haar
tong er wel af bijten. Was het nou echt teveel gevraagd om een keertje mee te
spelen? Het ging tenslotte om haar kleindochter, en om de Vesuvius-dynastie.
“Wat ben jij ver van de
verlossing, Medusa!” riep Wim uit. “Ik denk eigenlijk niet dat een training van
een weekend voldoende is voor jou. Kom na afloop maar bij me om te praten over
een verlenging. In heel zeldzame gevallen blijkt dat nodig.
“”Geen punt hoor Wim, ik kom
gewoon net zolang tot ik geheel de uwe ben, want ik heb mijn zinnen nou eenmaal
op die verlossing gezet,” zei Medusa opgewekt. Het werd oppassen met die Wim,
hij ging haar doorkrijgen. Iedereen vertelde wat zij van de film had gevonden,
wat het met haar had gedaan, en toen zij aan de beurt was, zei Medusa op
bedeesde toon, dat zij niets had te zeggen omdat ze te zeer was aangedaan door
wat ze had gezien.
Uren waren inmiddels verstreken op
deze vrijdagavond. Wim stond op en sprak: “Het is genoeg voor vanavond. We
hebben de hele zaterdag en zondag nog voor ons en die worden vermoeiend genoeg.
Ik stel voor dat we onze kamers opzoeken.”
Medusa volgde de anderen naar een
van de bijgebouwen dat dienst deed als hotel. Ze had een kamer voor zichzelf
geboekt, en niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om op een zaal te gaan
overnachten. Ergens hield haar taak op, vond ze, ook als ze aan het werk was,
had ze recht op een beetje ontspanning.
De kamer was klein maar
gerieflijk. Er stond een eenpersoonsbed met een boxspring, dat gaf haar
voldoening. Nu ze in de tachtig was, wilde ze niet meer op veldbedden of
luchtbedden slapen, zoals ze vroeger zo vaak had gedaan. Weer dacht ze aan die
catastrofale nacht in Zandvoort, toen ze de halve nacht in de duinen had
gelegen, wachtend op een konvooi met wapens uit Engeland. Gek, er waren doden
gevallen en het was een wonder dat ze het had overleefd, maar wat ze zich nu
vooral nog voor de geest kon halen, was hoe beroerd ze had gelegen op die
zandbulten. Er kwam maar geen einde aan die nacht, ze kon nog de pijn in haar
gebeukte ribben voelen.
Uit haar kleine koffer nam ze haar
joggingpak, waar ze sinds een jaar of tien in sliep. Het was waar van die
botten en het droge vel. Ze was al half dood, dacht ze wel eens, in ieder geval
werkte haar interne verwarming erg slecht tegenwoordig.
Omdat ze moe was, stapte ze meteen
in bed, zonder nog in haar dagboek te schrijven zoals ze anders altijd deed
voor het slapengaan. Zo glipte het leven niet tussen haar vingers weg. Als ze
het opschreef, bleven de gebeurtenissen behouden en kon ze steeds nagaan dat ze
wel degelijk had geleefd al die tachtig jaren.
Je wordt oud, meid, sprak ze
zichzelf toe, en ik vermoed dat je binnenkort gaat hemelen, of liever, hellen,
in jouw geval. Ze giechelde een beetje voor zich uit.
Net toen ze het licht wilde
uitknippen, werd er luid op haar deur gebonsd. Daar zat ze echt op te wachten,
op een van die malloten die nog wat met haar wilde babbelen over de zin van het
bestaan en alle ellende die dat met zich meebracht. Aan de andere kant, je wist
maar nooit wat je kon ontdekken op die manier.
Onwillig en stram stapte ze het
bed uit en opende de deur. Meteen drong Wim de Boer zich naar binnen. Hij greep
haar bij de keel. Ze deinsde achteruit maar Wim liet niet los.
“Dacht je dat ik je niet door
had?” siste hij. Vol haat keek hij haar aan. “Oud lijk! Jij bent de grootmoeder
van Afroda, zo’n Vesuvius, ik herkende je meteen.”
“Laat me los!” riep Medusa
benauwd.
Wim liet los. Medusa schraapte
haar keel.
“Mij herkennen?” vroeg ze.
“Waarvan dan?”
“Van vroeger,” zei hij. “Van het
Merwedeplein. Jij leefde daar in zonde met Colette, ik was nog maar een kleine
jongen, je was de schande van de straat, vooral toen je een kind kreeg. En
overal rondvertelde dat je niet wist wie de vader was en het ook niet wilde
weten.”
“Jij bent dat kleine etterbuiltje
dat altijd op zalvende toon uit de Bijbel citeerde!” riep Medusa uit. “Dat
rotjong dat ik keer op keer moest wegsturen, vooral omdat je het op mijn Pallas
had voorzien, je joeg dat arme kind de stuipen op het lijf met al die verhalen
over hel en verdoemenis. Ik moet zeggen, je bent wel standvastig, je hebt het
nog altijd over hetzelfde.”
“Toen al wist ik wat de Here van
mij verlangde,” zei Wim. “Dat was mij al vroeg ingegeven, de Here zelf heeft
het mij ingefluisterd. Ik heb zoveel zielen gered, ik heb zoveel mensen
weggesleurd voor de poort van de hel, maar met jou lukte dat niet. Je bleef
maar volharden in je zondige, slonzige viezigheid. Eerst had ik het niet door,
vanavond, maar toen je zo uit je nek ging kletsen, met die olijke blik van je
alsof je overal schijt aan hebt, wist ik het meteen: Het is Medusa Vesuvius.
Trouwens, ook niet erg slim van je om je met je eigen naam in te schrijven. Als
je je normaal had gedragen, had ik nog kunnen denken dat je eindelijk aan
verlossing toe was. Maar die hoop werd meteen de grond ingeboord toen ik zag
dat je de thee in je koltrui gooide. Nog altijd even eigenwijs, nog altijd even
verdorven! Je kleindochter heb ik weten te redden, maar jou, jou laat ik nu
gewoon gaan, het vuur in, de verdoemenis in. Ik heb het helemaal gehad met jou.
En het is de eerste keer dat ik iemand moet opgeven, dat ik iemand verlies aan
de Boze.”
“Ach, Wimpie, doe toch niet zo
rancuneus. Jij was zo’n betweterig ventje toen, en Coletta was gewoon bang voor
je, omdat je haar vaak nariep dat ze een hoer was enzo. Zij was zulke dingen
niet gewend, kwam uit een keurige familie die nooit te maken had gehad met dit
soort dingen. Pallas was ook bang, die dacht dat hij echt bestond, die God van
jou waarvan je toen al beweerde dat hij een was met zijn zoon. Al die
incestueuze praatjes, ik begrijp niet hoe zulke waandenkbeelden al die eeuwen
stand blijven houden, maar goed, je was een rotjong en ik moest je wegmeppen
van mijn levensgezellin en van mijn dochter en zo was het en niet anders.”
Ineens zweeg ze. Nu pas drong het
tot haar door wat hij haar had verteld: hij had zich wel degelijk vergrepen aan
haar kleinkind, aan de bevallige Afroda, de draagster van de dynastie, als ze
tenminste nog tot inkeer zou komen. Buiten zichzelf van woede begon ze op Wim
in te timmeren: “Jij beul! Jij Farizeeër, jij hebt mijn kleindochter naar de
verdommenis geholpen met je waandenkbeelden. Het kind is nog geen schaduw meer
van wie ze is geweest! Ze praat wartaal, ze wil gaan trouwen met een zenuwpees,
ze beweert dat haar familie zondig is en dat ze maagd wil blijven tot haar
huwelijk. Het kind doet niets anders dan raaskallen.”
Wim kon haar slagen gemakkelijk
afweren. Hij pakte haar bij de polsen en wierp haar handen naar beneden.
“Afroda is gered,” zei hij. “Zij
en Tobias wacht een grootse taak. Tobias nog meer dan zij, als ik zo vrij mag
zijn, want die heb ik uitverkoren voor een wel heel speciale taak. Afroda
ondersteunt hem daarbij, al weet ze dat zelf niet, een mens hoeft niet alles te
weten tenslotte. Maar goed, dat is nu niet aan de orde. Jij blijft voorlopig
hier, zodat je geen kwaad kan. Mooie cel toch, deze kamer? Er zijn gevangenen die
er slechter bij zitten, in Thailand bijvoorbeeld, en die hebben minder erge
dingen gedaan dan jij. Ik denk dat ik je maar laat zitten tot de jongste dag.”
Hij keek tevreden om zich heen en sprak: “Eindelijk, eindelijk heb ik je de
mond gesnoerd, ik had niet durven hopen dat dit me nog gegeven zou worden in
mijn leven….” Zonder nog om te kijken, verliet hij de kamer en draaide hem van
de buitenkant op slot. Medusa hoorde dat er een grendel werd verschoven.
Nou, daar zit ik dan, prevelde ze
voor zich uit. Ik zit echt zwaar in de shit, zoals Afroda zou zeggen toen ze
nog normaal was. Maar niet getreurd, ik leef nog, en ik zal er wel wat op
verzinnen.
Het was nog een heel gedoe, om
haar slapende dochter ongezien haar auto in te sleuren. Nu zou het toch wel handig
zijn geweest als ze een Hummer had, dacht Pallas. De chloroform deed zijn werk
goed, het kind was helemaal in de andere wereld, die soms wordt opgevat als het
voorportaal van de dood.
Toen ze de studentenflat verliet,
keek ze om zich heen. Het was doodstil op de parkeerplaats. Geen enkele student
kwam terug van een laat feest. Wat deden die mensen toch tegenwoordig, vroeg ze
zich af.
Snel, veel te snel, hopelijk werd
ze niet aangehouden, scheurde ze naar huis. Ook daar in de buurt was het stil.
Ze kon wel tien dochters ontvoeren zonder dat iemand het opmerkte, een
geruststellend idee onder de huidige omstandigheden.
Ze sleurde haar dochter haar huis
in, naar de logeerkamer die ze snel gereed had gemaakt voor haar verblijf daar.
Voorzichtig legde ze Afroda op bed en dekte haar toe. Ze haatte het dat ze het
moest doen, maar Afroda mocht onder geen beding ontsnappen, dus ze bond haar
vast door een stevig spanlaken om het bed te binden. Arm kind. Maar het was
voor haar eigen bestwil, suste Pallas haar schuldgevoelens.
Beatrice hing lui op de bank in
Pallas’ woonkamer. Ze hadden gegeten en Beatrice had zich opvallend gezellig
gedragen. Ze had gepraat over haar werk, over het belachelijke van het
instituut Volksrechtbanken, en op meer manieren was ze om de hete brij heen
gedanst. Pallas vond dat wel prettig. Ze was moe van alle turbulentie van de
laatste weken. Tegen Beatrice’s bezoek had ze erg opgezien, maar misschien zou
het nu toch nog meevallen, als ze maar niet begon over beloften die moesten
worden ingelost.
Wel was haar opgevallen dat
Beatrice erg veel wijn dronk voor haar doen, drie hele flessen als ze goed had
geteld. Voor Pallas was dat een gebruikelijke dosis bij een etentje, maar ze
wist dat dat lang niet voor iedereen zo was. Bijna vond ze de avond aangenaam.
Maar Beatrice had kennelijk op de goede gelegenheid gewacht om haar zegje te
doen. Ze stak van wal: “Ik vind het gewoon de omgekeerde wereld, Pallas. Je
hebt me zoveel toegezegd in die prachtige nacht, toen wij voor het eerst samen
waren. Gouden bergen, maar dan op liefdesgebied. We zouden gaan samenwonen, we
zouden verre reizen maken als we niet meer hoefden te werken, we zouden ons
opgeven als pleeggrootmoeders, we zouden zij aan zij vechten tegen de idioterie
van dingen als de volksrechtbank. Samen! Zij aan zij! Dat is wat je mij hebt
beloofd. En meteen de volgende morgen al trek je je terug, terwijl we het daar
nog helemaal niet over eens waren. Het is een eenzijdig genomen besluit, geen
gezamenlijk, dat is wat ik er vooral op tegen heb. Ik word gewoon
geconfronteerd met jouw wil, terwijl ik er kennelijk niks tegenin mag brengen.
Nou, zo werkt het dus niet mij. Ik zeg, dat je je toezeggingen moet nakomen,
dat is wat ik eis, dat is waar ik recht op heb!”
Pallas keek naar het luie, ranke
figuur dat daar op de bank lag als een vergeten beddensprei. Wat had ze in
godsnaam allemaal gezegd, die nacht. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit
zulke idiote toezeggingen had gedaan, nu niet, en in het verleden niet, al was
ze nog zo verliefd geweest. Altijd had iets in haar geweten dat zo’n stemming
een toestand van psychotische hysterie was, die weer overging, als je het maar
niet te erg voedde.
“Ik heb je al verteld, dat ik dit
blijkbaar allemaal gezegd heb terwijl ik niet wist waar ik het over had,” zei
Pallas afgemeten. “Ik blijf mezelf echt niet herhalen. Jij en ik samen, daar is
geen denken aan, want punt een wil ik de rest van mijn leven alleen blijven en
punt twee zie ik het sowieso niet zitten met zo’n drammer als jij. Ik moet er
niet aan denken. Ik zou nog geen teen kunnen bewegen zonder dat jij er iets van
vond. Het is dus nee, en het blijft nee, hoe vaak je ook komt vertellen dat dat
niet kan.” Dat moest toch duidelijk genoeg zijn, vond Pallas. Er restte haar
toch niets anders meer dan op te staan en zonder iets te zeggen het pand te
verlaten. Maar zo werkte het niet bij Beatrice. Deze kwam omhoog tot een actief
zittende houding en zei: “Je komt er gewoon niet mee weg! Ik had wel een beetje
verwacht dat je je zo zou opstellen en weet je wat ik zal doen? Ik zal je
aanklagen bij de Volksrechtbank! Ja, ik weet dat het een onzinnig instituut is,
maar ik zou toch wel eens willen horen wat onze buren vinden van deze kwestie.
Ik vind dat duidelijk mag worden dat jij niet te vertrouwen bent, dat er geen afspraken
met jou vallen te maken.” “Nee, nou wordt-ie mooi!” riep Pallas uit. “Moet dat
stelletje idioten zich nu ook al buigen over mijn privéleven? En dat
uitgerekend jij daar een aanklacht neerlegt! Met alles wat ik van jou heb
gezien de afgelopen dagen en waar we het nota bene vanavond nog over hebben
gehad, had ik dat toch echt niet verwacht! Mijn huis uit! En snel een beetje!
Ik wil je nooit meer zien!” Beatrice bleef zitten waar ze zat. Een vals lachje
speelde om haar lippen. Pallas stevende op haar af, greep haar bij de arm en
sleurde haar naar de buitendeur. Daar keilde ze haar op straat en sloeg de deur
keihard achter haar dicht.
Zuchtend leunde ze tegen de muur
in de gang. Ze zag sterretjes. Van de inspanning nam ze aan. Het duurde even
voordat ze bijkwam. Ze liep naar de spion in de deur en tuurde naar buiten.
Beatrice stond druk te praten met een vrouw die ze wel eens bij de
volksrechtbank had gezien. Verdomd als het niet waar was, het was die vrouw met
de grote bek! Wie was hier nu de kameleon? Ineens voelde ze de behoefte om haar
moeder te bellen. Ze keek op haar horloge: het was elf uur. Zou het te laat
zijn om nog te bellen? Ze dacht van niet, moeder was altijd in de weer met het
een of ander en sliep niet veel. Ze zou vast nog wel wakker zijn.
De telefoon bleef overgaan. Ze
stelde zich het lege huis van haar moeder voor. Ze was niet thuis zeker. Nou
ja, je moest het ook maar net treffen, moeder was zo vaak op stap. Toch gaf het
haar een onrustig gevoel dat ze haar niet kon bereiken, al kon ze niet zeggen
waarom. Een gevoel van naderend onheil dat heel vaag was, bekroop haar. Ze
probeerde het van zich af te schudden en het verdween naar de achtergrond.
Ze nam de krant en las de
rampenberichten: ongelukken door te hard rijden hier, een schietpartij daar, en
Rita was weer bezig geweest. Volgens de krant zou ze een onderzoek gaan
instellen naar het gedrag van de volksrechter die van haar eigen zaak was
weggelopen. Pallas haalde de schouders op. Het zou wat, ze zou het wel merken
allemaal. Toen zag ze een bericht dat haar bij lange na niet zo koud liet: de
seriemoordenaar had weer een moord begaan. Hij, of zij, hield zich aan een
strak schema van een moord per dag, de slachtoffers waren allemaal corpulente
mannen in hun veertiger of vijftiger jaren en behalve op de oprit bij Breukelen
had niemand hem, of haar, gezien. Ik weet wie het is, dacht Pallas, en toch
weet ik het ook niet.
Voordat ze naar bed ging, ging ze
kijken in de logeerkamer. Afroda was al een paar keer wakker geweest die dag,
maar nog niet echt bij kennis gekomen. Misschien was Pallas een beetje te
kwistig geweest met de chloroform. Nu keek Afroda haar woedend aan zodra ze de
deur opende. Toch schemerde achter die woede paniek.
“Ik kan me niet bewegen!” riep
Afroda. “Ik wil eruit! Waar ben ik trouwens? Wat doe ik hier?”
Pallas nam plaats op het bed, en
probeerde Afroda’s haar te strelen. Wild rukte Afroda haar hoofd van Pallas’
handen vandaan.
“Ik moet weten wat er met je is
gebeurd, Afroda, zoals je nu bent, kan ik je niet loslaten.” Ze vertelde haar
wat ze te weten was gekomen over Wim de Boer en besloot: “Misschien wil je het
nu nog niet zien, maar het is een gevaarlijke gek. Je bent zo van jezelf
losgeraakt en als iemand dat kan doen met een Vesuvius gaat hij ver, heel ver.”
“Laat me los! Je bent bezeten door
de Boze, je probeert mij mee te trekken naar de hel, en ik ben een
rechtvaardige. Nog geen twintig dwangbuizen voorkomen mijn opname in de
heerlijkheid! Zondares! Hoer!” Toen vertrok Afroda’s gezicht alsof ze pijn had,
erge pijn. “Ik wil de thee,” kreunde ze. “Het is tijd voor de thee.” Pallas
begreep er niets van. Zelf had ze nooit zo’n allesoverheersend verlangen naar
thee gekoesterd. Desondanks begaf ze zich naar de keuken, en zette een kopje
Earl Grey. Teruggekomen in de logeerkamer probeerde ze haar dochter te helpen
bij het drinken. Na de eerste slok spuwde Afroda het vocht walgend uit.
“Gadverdamme!” riep ze uit. “Snap jij nou nooit eens iets uit jezelf? Ik bedoel
De thee, niet deze kattenpis!”
Pas toen begon het Pallas te dagen.
Ze moest Medusa bellen, zodra ze wakker werd de volgende morgen.
Rita was toch wel nerveus voor
haar televisieoptreden. Vreemd was dat toch, toen ze nog minister was, had ze
niet anders gedaan dan optreden voor camera’s en uiteindelijk had het haar toen
niets meer gedaan.
Ze keek haar lichaam langs, en in
de spiegel, naar haar outfit: een roze
sportbroek, die om haar benen lubberde en die haar het aanzien gaf van het
Michelin-mannetje, een wit polo-shirt, en een roze haarband. Bep had haar
verzekerd dat dit de juiste kleding was voor het programma ‘Nacht met Christa’,
omdat dat veel over sport ging. Bovendien was het voor haar aanhang belangrijk
dat ze de sport een warm hart toedroeg, volgens Bep. Dat het programma om twee
uur ’s ochtends werd uitgezonden, bepaald geen prime-time, hoefde geen nadeel
te zijn, want Rita’s potentiële achterban zat dan nog voor de televisie.
“Het zijn de inactieven die graag
actief willen worden,” had Bep gezegd. “En ze vertrouwen op jou, dat jij de
belemmeringen wegneemt.”
“Alle illegalen het land uit!” had
Rita uitgeroepen. “En hun helpers naar Westerbork, dat ik opnieuw zal
inrichten….”
“In die geest,” ging Bep verder,
“Maar dan wat genuanceerder, en laat in godsnaam de naam Westerbork niet
vallen, want dat zou wel eens de verkeerde kant op kunnen werken.”
“Al die gevoeligheden over zaken
die al meer dan zestig jaar geleden hebben plaatsgevonden,” verzuchtte Rita.
“Als ik eenmaal Minister-president ben, schaf ik het geschiedenisonderwijs af,
want mensen moeten niet naar het verleden kijken, maar naar de toekomst.
Rechtdoorzee, met Rita mee!” besloot ze en strijdbaar stak ze haar vuist in de
lucht. Bep bekeek haar met minachting en enige walging, maar herstelde zich net
op tijd. “Zo is het maar net, Rita,” zei ze. “Maar niet overdrijven, hè? Je
moet tenslotte de verkiezingen winnen.”
Rita nam de raad van Bep ter
harte. Nog vijf minuten dan moest ze op. Het programma werd live uitgezonden,
ze kon zich geen fouten permitteren. Genuanceerd, dat was het credo, maar hoe
deed je dat als je van jezelf rechtdoorzee was. Ze pepte zichzelf op met de
gedachte dat iemand met haar capaciteiten daar vanzelf wel op zou komen, als
dat nodig was.
Eindelijk kwam de presentatrice
haar halen. Ze was een grote vrouw van zeker 1.90 m. met lang blond haar. Rita
bedacht dat ze liever te maken had gekregen met een wat bescheidener type,
zoals Maartje van Wegen. Ze durfde zich het nauwelijks te bekennen maar ze
voelde zich enigszins geïntimideerd door deze vrouw.
Ze nam plaats op de stoel die
Christa haar aanwees en keek in de camera. “Moet ik glimlachen?” vroeg ze op
fluistertoon. “Of juist niet?” “Het dondert niet, schat,” antwoordde Christa.
“Als je dat kwartier maar vollult! Vooruit, we beginnen, één, twee, drie,
hupsakee!”
“Vertel eens, Rita,” begon Christa.
“Hoe vaak doe jij het per week.”
Rita moest even nadenken. Begreep
ze wel wat Christa bedoelde?
“Hoe vaak doe ik wat?” vroeg ze.
“Ik druk me honderd keer op, op vrijdagmorgen en op zondag loop ik drie rondjes
door het bos…”
“Nee, lieverd, dat bedoel ik
niet.” Christa boog haar hoofd naar dat van Rita. “Ik bedoel de liefde, je man
en jij, in het donker van de slaapkamer.”
“Oh, dat!” riep Rita uit. “Nou,
daar heb ik helemaal geen tijd voor, en dat is trouwens privé. Mijn man is
tegenwoordig mijn ex-man, want hij kon de druk niet aan om getrouwd te zijn met
zo’n veelbezette vrouw als ik, en dan nog al mijn intelligentie, al mijn
scherpte, dat was teveel voor hem. Ik kon me dat wel voorstellen natuurlijk. Ik
was in die tijd zo druk, dat hij al drie maanden weg was voordat ik het
merkte.”
“Zo, zo, dat is nogal een kaal
bestaan, dat jij leidt, kriebelt het nou nooit eens, heb je nooit meer jeuk?”
Het gesprek ging een andere kant
op dan Rita wenste. Ze moest het omkeren, het volk moest vernemen hoe zij over
de heikele kwesties van deze tijd dacht.
“Jeuk, nee, kan ik niet zeggen dat
ik dat heb, maar nu wat anders. Ik vind dat deze regering veel te slap optreedt
tegen alles wat niet deugt. Neem nou de kerken, die gewoon maar illegalen
helpen, die moeten worden bestraft. En wel op duidelijke wijze. Ook die
goedwillende huismoeders, die maar in werkgroepen zitten om deze criminelen,
die onder valse voorwendsels het land zijn binnengekomen, te helpen, moet
duidelijk worden gemaakt dat het niet kan wat ze doen. Daarom wil ik
voorbeelden stellen, kampen inrichten waar deze mensen op hun plaats worden
gezet, en dan niet met dat hotelregime van de andere gevangenissen in dit
verweekte land, oh nee, het moet hard zijn, heel hard, met appel om vijf uur ’s
morgens, harde lichamelijke arbeid en weinig eten! Dat is de enige manier om ze
dingen duidelijk te maken!”
“Ik hoor het al, schat, jij bent
van de SM. Vertel eens, toen je man nog niet weg was, gebruikten jullie toen
vaak de zweep? Of was het meer van het handboeientype?”
Rita hoorde nauwelijks wat Christa
haar vroeg. Ze was lekker op dreef, vond ze. Deze gespierde taal zou haar
stemmen opleveren.
“Ik zeg maar zo,” vervolgde ze.
“Ik ben rechtdoorzee, en ik doe wat ik zeg, of was het nou dat ik zeg wat ik
denk, dat haal ik nou altijd door elkaar. Maar goed, ik denk dat het duidelijk
is wat de mensen hier missen. Er wordt maar gedoogd en gedoogd en op het laatst
denkt iedereen dat hij alles kan maken. Dat moet een halt worden toegeroepen.
We moeten toe naar een natie vol werkende mensen, die vooruit kijkt, alleen
maar vooruit, nooit achterom.”
“Nou, je achterkant is anders niet
mis, Rita, die kan maar weinig mensen ontgaan. Doe jij het ook weleens van
achteren? Op zijn hondjes, zal ik maar zeggen? Veel vrouwen hebben daar plezier
in. Ikzelf ook, als ik eerlijk ben.”
“Op zijn hondjes? Uh, nee, niet
dat ik me kan herinneren. Maar wat ik nog zeggen wilde: toen ik Minister was,
waren we eindelijk op de goede weg. Geen migrant durfde Nederland nog in, geen
Turk of Marokkaan haalde het nog in zijn hoofd om met een zogenaamde
Nederlander te trouwen, en nu is alles weer verpest.”
“Exotische jongens, Turken en
Marokkanen, hebben die ook jouw warme belangstelling, Rita? Dat je zegt, geef
mij maar zo’n jongen tussen de lakens? Bij wijze van afwisseling, zal ik maar
zeggen?”
“Nee, tussen mijn lakens lig
alleen ik, in mijn eentje!” merkte Rita op. “Wat ik wel vind, is dat…”
“En dan gaan we er nu uit voor de
reclame!” riep Christa. “Bedankt, Rita, voor je openhartigheid, en bedankt
kijkers voor het aanhoren, want dat valt lang niet altijd mee.”
Het rode knopje op de camera ging
uit en Rita stond op. Ze wilde Christa de hand schudden, maar die keek haar aan
alsof ze iets vies was, dat ze onderin de vuilnisbak had aangetroffen, en
weigerde haar hand aan te nemen.
Enigszins verontrust reed Rita
naar huis. Zou ze goed zijn overgekomen op de kiezers? Had ze haar bedoelingen
eigenlijk wel duidelijk weten te maken? Ineens trapte ze, midden op de snelweg
maar dat gaf niet want er was toch geen kip, voluit op de rem. Wat bedoelde ze
eigenlijk? Ze was het helemaal kwijt.
Ik word er moe van. Dat komt, de meester zit zo achter
mijn broek, dat ik er nerveus van word. Er zijn nog zoveel misstanden. Na deze
missie komt er een volgende, dat weet ik nu wel. Eerst de goddeloze mannen die
niet verdienen wat ze hebben. Die heb ik zelf uitgekozen, omdat ik zo’n last
van ze heb. Ik ben er trots op, dat de meester het goed vond, dat hij zover met
mij meeging, want meestal bepaalt hij wat je moet doen.
Maar het begint aan me te vreten.
De spanning. Misschien word ik voortijdig ontdekt, en kan ik mijn werk niet
afmaken, misschien maak ik een fout, snijd ik niet scherp genoeg. Vanavond heb
ik mijn mes voor de zekerheid extra geslepen, vlijmscherp is het nu, ik kan wel
drie kelen tegelijk doorsnijden. Maar ik doe er één, vandaag. Alles staat of
valt bij regelmaat en discipline.
Bij de avondwinkel, waar ik nu
sta, komen ze bij bosjes langs, de vertegenwoordigers, de bankemployés, de
afdelingschefs, de autoverkopers. Moe van een lange, frustrerende werkdag, waar
ze niets hebben gepresteerd dat hun salaris rechtvaardigt. Een enkele directeur
zal er bij zien. In die avondwinkel komen ze een drogerende middelen kopen:
bier, wijn, chocola, chips. Werk het vet naar binnen, en gij zult zalig worden,
lijken ze te denken. Oh, wat haat ik ze. Het zal me niet lukken om ze allemaal
op te ruimen, want het zijn er teveel, maar toch zal ik een statement hebben
gemaakt. Dat het zo niet langer kan, dat ze meer moeten doen, dat ze al verdoemd
zijn, dat wil ik ze duidelijk maken. Zoals de meester heeft gezegd.
Het is een uur of elf en ik heb
gelijk. De een na de ander gaat er naar binnen en komt er weer uit met een
grote plastic zak vol rotzooi. Het is moeilijk een keuze te maken. Voorop staat
dat het snel moet gebeuren, en ongezien.
Ik wacht rustig af, grijp alvast
mijn mes, dat in mijn jaszak is verborgen. Daar is een goeie, broek, jasje,
flodderige stropdas, doodse blik. Ik sluip naar hem toe, grijp hem van achteren
zoals ik gewend ben, en haal zijn keel open, ook zoals ik gewend ben. Bijna een
routineklus. Hij valt op de grond terwijl het bloed over straat gutst. Ineens
een ijselijke gil, vanuit de deuropening van de avondwinkel. Ik schrik op, kijk
recht in het gezicht van een vrouw. Eerst heb ik het nog niet eens door, maar
dan besef ik wie het is: mijn aanstaande schoonmoeder. In een reflex gooi ik
mijn mes weg en probeer het op een lopen te zetten. Zij laat zich bovenop mij
vallen en stompt me overal waar ze me raken kan. Vechtend wentelen we ons in
het bloed.
Pallas probeerde haar moeder te bellen, maar voor de
zoveelste keer kreeg ze geen gehoor. Ze was nog in het politiebureau, waar ze
al drie keer dezelfde verklaring had moeten afleggen. Toen ze Tobias had
betrapt op zijn zoveelste moord, was ze niet eens verbaasd geweest. Alles was
ineens op zijn plaats gevallen.
Nadat ze zich op hem had gestort,
had de eigenaar van de avondwinkel, waar ze drie flessen wijn was gaan kopen,
de politie gebeld. In een mum van tijd stonden er allerlei mensen om haar heen:
agenten, rechercheurs, mensen van de forensische dienst en journalisten. Ze zat
onder het bloed van het laatste slachtoffer van Tobias, die zelf wel gevild
leek, zo rood was hij. Toen de politie hem in de boeien sloeg, was hij timide.
Wat een iele, smalle jongen was het toch, helemaal niet het type dat je je bij
een seriemoordenaar voorstelt. Maar uit ervaring wist ze dat dat bijna altijd
zo was.
“Er is wat met mijn moeder,” zei
ze tegen de agente, die bij haar in de wachtruimte zat. “Ze neemt haar telefoon
niet op.”
De agente haalde haar schouders
op. “Het gebeurt wel vaker dat mensen onverwacht een paar dagen niet thuis
zijn.”
“Dat zal best, maar niet met mijn
moeder,” hield Pallas vol. “Dat is gewoon helemaal niets voor haar. Ze belt me
elke dag, hoe druk ze het ook heeft. Ik weet zeker dat er iets met haar is.
Jullie moeten naar haar op zoek.”
“Helaas, daar kunnen we geen
prioriteit aan geven,” vervolgde de agente onverstoorbaar. “Stel je voor dat we
elke moeder die een dag niet opbelt achterna moeten rennen, we zouden nergens
anders meer aan toekomen.”
Dan doe ik het zelf wel, dacht
Pallas. Door de rechercheur die haar ook de eerste keer had ondervraagd, werd
ze naar binnengeroepen.
“Vertel nog eens wat er gebeurde,”
zei hij toen ze tegenover elkaar zaten aan de kale tafel onder het felle
lamplicht.
Vermoeid ging Pallas van start:
“Nou, ik had wat te drinken
gekocht in de avondwinkel…”
“Wat te drinken? Hoeveel te
drinken?”
“Drie flessen wijnen, dat heb ik
al verteld, ik heb trouwens alles verteld. Goed, ik stap dus die zaak uit en ik
zie een bloedende vent op de grond liggen met een jochie daarboven.”
“Hoe wist u dat het een jochie
was? Het had ook een man kunnen zijn. Of een vrouw. Hoe kon u weten wie of wat
het was.”
“Weet ik veel! Zoals je die dingen
invult neem ik aan. Ik dacht dus, het is een jochie, en terwijl ik me bovenop
hem stort, zie ik dat het Tobias is.”
“Uw aanstaande schoonzoon,” knikte
de rechercheur. “Dat vind ik het vreemde in het verhaal. Het bleek uw
aanstaande schoonzoon te zijn, en helemaal toevallig bevond u zich op dezelfde
plek als hij, die een seriemoordenaar is. U bent toch met mij eens, dat dat wel
erg toevallig is.”
“Het was toeval!” riep Pallas,
niet voor de eerste keer, uit. “Ik had allang in de smiezen dat die jongen een
griezel was, maar ik kon er de vinger niet opleggen. Dat ik daar was, had niets
met hem te maken.”
“U neemt nogal veel in, heb ik
begrepen van het secretariaat van de volksrechtbank, die tussen twee haakjes
een aanklacht tegen u aan het voorbereiden is. Kan het zijn dat u bepaalde
dingen vergeten bent? Dat u wel afspraken heeft gemaakt met uw aanstaande
schoonzoon, maar dat u die bent vergeten, bijvoorbeeld? Of dat u al eerder
signalen heeft gehad dat hij niet in de haak was, maar dat u die, uit sympathie
voor de familie-vrede, vergeten bent te melden?”
“Hou toch op met die onzin!” riep
Pallas uit. “Natuurlijk wist ik dat niet, anders had ik hem niet laten gaan…”
“U laat anders weleens vaker
schuldigen lopen. Neem nou die uitspraak die u als rechter van de
volksrechtbank deed, laatst, dat heeft veel onrust veroorzaakt in de
samenleving…”
“Dat kan best, maar dat is nog
iets heel anders dan een moordenaar te laten lopen! Wel allemachtig, het hele
land is gek geworden, geloof ik. Nee, ik wist dus van niks, maar ik vond het
van meet af aan een griezel, dus ik ben blij dat hij is opgepakt.”
“Hmmmm, en waarom vond u hem een
griezel? Hij had u toch niets gedaan? Er was toch niets voorgevallen dat u zou
kunnen verontrusten?”
“En of er iets was voorgevallen! Mijn
dochter was totaal onherkenbaar geworden. Ze braakte allerlei religieuze
vreselijkheden uit, ze wilde ineens gaan trouwen terwijl dat geheel tegen de
familietraditie is, en ze zag eruit als een inwoonster van de Veluwe op
zondagmorgen. Het ging helemaal verkeerd met mijn kind. En daar had hij mee te
maken. Hoe precies, dat wist ik niet, maar hij had ermee te maken!”
De rechercheur knikte en zei in de
microfoon: 2.23 uur, het verhoor wordt beëindigd.
“U kunt gaan,” zei hij tegen
Pallas, “Maar het zou prettig zijn als u zich wel beschikbaar houdt de komende
periode, want we komen ongetwijfeld nog op de kwestie terug.”
Pallas stond op en vertrok zonder
de rechercheur gedag te zeggen. Nog even, en zij zou worden opgesloten in
plaats van Tobias. Ze kende de dwalingen van het OM en haar drijfveren maar al
te goed.
Ze spoedde zich naar huis en rende
naar de logeerkamer. Afroda zat, zo goed en kwaad als dat ging, rechtop in bed.
Ze zag er vermoeid uit.
“De thee,” kreunde ze, zodra ze
Pallas zag. “Ik mis de thee, en alles is zo raar. Alsof ik buiten de wereld
wakker word, alsof ik niet meer op de wereld ben. Er is iets gebeurd, maar ik
weet niet wat…”
“Er is iets gebeurd, lieverd,” zei
Pallas. Ze wist niet goed hoe ze het brengen moest. “Tobias is gearresteerd.
Hij was de seriemoordenaar. Ik heb hem op heterdaad betrapt.”
“Tobias?” vroeg Afroda. Ze dacht
na. “Oh ja, Tobias. Daar was wat mee. Hoe zat het nou ook alweer? Mijn hersens
zijn net pap, ik weet gewoon niet meer wat echt is en wat een droom.”
Pallas maakte het spanlaken los,
het was niet meer nodig. Ze legde een arm om de schouders van Afroda.
“Je hebt je verloofd met Tobias,”
begon ze.
“Verloofd!” riep Afroda uit. “Ga
toch weg! Met die creep? Dat kan toch helemaal niet.” Toen zweeg ze. Nadenkend
zonk ze terug in haar kussens. “Tjezus. Daarvan dacht ik dus dat het een droom
was, maar dat was dus echt? En is dat gedoe met de meester dan ook echt? Die
bijeenkomst die ik daar gehad heb?”
“Ik weet niets van een
bijeenkomst,” zei Pallas. “Maar ik vermoed wel dat er zoiets geweest kan zijn.
Zoiets had grootmoeder tenminste gevonden op de website.”
Afroda knikte. “Ik heb zo’n raar
hoofd,” verzuchtte ze. “Er komen wel flarden van die gebeurtenissen naar boven,
maar het is zo verwarrend allemaal. Ik zie een oude man, ik zie een hel
verlichte ruimte, en ik zie die slijmjurk van een Tobias, maar hoe alles zich
tot elkaar verhoudt, daar ben ik nog niet achter.”
Ze greep Pallas bij haar mouw.
“Moeder, vertel dat het niet waar is, dat ik niet verloofd was, en zeker niet
bij Tobias.”
Even twijfelde Pallas. Zou ze
liegen? Ze wilde haar kind beschermen tegen de pijn die komen ging. Aan de
andere kant: ze zou de waarheid toch wel achterhalen, vroeger of later.
Ze zuchtte. “Het is allemaal waar,
Afroda, alles is echt gebeurd. Maar ik denk niet dat jij daar zelf iets aan kon
doen. Er is iets vreemds misgegaan.”
Afroda borg haar hoofd in haar
handen. Pallas trok haar tegen zich aan en probeerde haar te troosten.
Medusa zat rustig in de enige
stoel in de kleine kamer. Eigenlijk had ze verwacht dat Wim de Boer haar zou
vermoorden, of in ieder geval zou kwellen, maar sinds hij haar had ingesloten,
had zij hem niet meer gezien. Ze moest het zichzelf kwalijk nemen dat ze niet
zo tactisch had gehandeld, maar ze vergaf het zichzelf.
Hoewel Wim zich niet meer liet
zien, werd er wel regelmatig eten gebracht door een jongen, die net zo’n
brandende blik in zijn ogen had als Afroda en Tobias. Hij keek haar steeds
doordringend aan als hij het bord voor haar neerzette, zijn lippen bewogen
trillend, maar hij bleef zwijgen. Het zat in de thee, wist ze nu, dat was de
een of andere drug. Dat moest wel. Het werkte goed, als ze afging op wat er met
Afroda was gebeurd, kon ze dat wel zeggen. Even hoopte ze dat ze Afroda nog te
zien zou krijgen, dat ze voor de een of andere bijeenkomst in het huis zou zijn
en toevallig of minder toevallig op haar zou stuiten, maar die kans was klein.
Wim zou niet vertellen dat Medusa hier zat, en hoe zou het kind het zelf kunnen
uitvinden? Vooral in die gedrogeerde toestand was dat moeilijk voorstelbaar.
Ze zuchtte. De stilte en de warmte
maakten haar loom. Haar oogleden werden zwaar en de sukkelde een beetje weg,
hoewel ze niet echt in slaap viel.
Het beeld van Pallas toen ze nog
klein was kwam haar voor ogen. Hoe ze het kleine meisje had moeten meesleuren
voor haar inentingen bij het consultatiebureau, terwijl ze gilde dat
vaccinaties nergens goed voor waren en zij zich er niet voor wilde lenen.
Glimlachend dacht ze aan het eigenwijze kind, dat op haar tweede Van de koelen meren
des doods zat te lezen en opmerkte dat Hedwig toch wel een erg geval van
hysterie was, die nodig eens een baan zou moeten zoeken, misschien dat ze dan
wat minder aan zoiets onzinnigs als de liefde dacht. Ach ja, voorlijkheid was
een eigenschap van de Vesuviussen, die werd onveranderlijk van generatie op
generatie doorgegeven. Ook Afroda kon lezen toen ze twee was. Bovendien was ze
thuis in de elementaire wis- en natuurkunde. Eigenlijk was het zo gewoon dat
het de Vesuviussen niet opviel voordat de kleuterjuf in paniek op hun stoep
stond, om te vertellen dat er iets heel erg mis was met een kind dat dingen kon
wat kinderen niet hoorden te kunnen, wat juffrouwen niet eens konden, en
meesters al helemaal niet. Waar moest het naar toe met deze wereld als kinderen
niets meer geleerd kon worden. Het had Medusa veel moeite gekost om de juf
ervan te overtuigen dat Pallas een heel gewoon kind was, wie het lezen en
studeren nu eenmaal in het bloed zat. In feite had de juf het nooit geloofd.
Medusa zakte dieper weg, en de
jaren ’40 – ’45 kwamen weer in haar bewustzijn. Het liggen op hobbelig zand op
het strand bij Zandvoort, het gevaar van de wapendroppings, de overvallen op de
bonnenkantoren, de angstige afwachting als je ’s nachts de stampende laarzen op
straat hoorde en toch ook de spanning, die niet alleen maar onaangenaam was.
Voor zichzelf gaf ze toe dat ze de oorlog de eerste jaren soms had gemist. Wat
waren het vreemde jaren geweest. Al in de jaren dertig was het begonnen, met
die Hitler en in Nederland die idiote Mussert. Al die mensen die voor die
gekken stonden te juichen, alsof ze neergedaalde Goden waren. Na ’45 had ze
gedacht dat dit voorgoed voorbij was, dat mensen eindelijk wisten wat ervan
kwam als je ging geloven dat een ander mens de sores voor je zou oplossen, maar
dat bleek helemaal niet zo te zijn. Ze dacht aan Fortuyn en vooral aan zijn
aanhang, even bereid als de aanhangers van de heren uit de eerste helft van de
twintigste eeuw om alles te doen wat hun meester zei. Van dezelfde gekte, en
hij was bepaald niet uniek, ook niet in de jaren na de oorlog. Zeker niet als
je het internationaal bekeek. Zou de mensheid ooit ergens van leren? Medusa
wist nu dat dat niet zo was. Eeuwig zou elke generatie opnieuw haar fouten
maken, en niets te blijken hebben geleerd van de vorige. Nu was Rita er weer.
Medusa glimlachte: arme Rita, ze zou het niet redden. Ze was in de verkeerde
tijd gekomen, dat was alles. Tien jaar vroeger of tien jaar later en ze was een
groot dictator geworden, van een geheel dichtgetimmerd Europa. Ze had het in
zich. Nu zou ze wegzakken in de vergetelheid.
Medusa dacht aan de gelukkige
dagen, als er geen spanning was, maar ongezapige huiselijkheid, zoals in de
tijd van Colette, die in de jaren vijftig bij haar was ingetrokken en in het
begin had meegeholpen met de opvoeding van Pallas. Wat waren de avonden simpel
geweest, toen, met thee op het lichtje en de boeken op tafel, af en toe wat
scheldende opgeschoten jongens op de stoep, die dingen riepen als vieze potten,
maar altijd verdwenen als ze er niet op reageerden. Binnen eindeloze discussies
over wat ze gelezen hadden. Soms, ter ontspanning voor het slapen gaan,
speelden ze een partij schaak. Meestal won Pallas, jong als ze was. Het leek
wel of ze alle partijen die ooit waar ter wereld ook waren gespeeld uit haar
hoofd kende.
Had ze geleden onder de
spruitjessfeer van de jaren vijftig? Helemaal niet. Spruitjeslucht had je
alleen als je ze kookte en hun leven was aangenaam en boeiend. Oh, het dansen
op het Leidseplein op de zaterdagavonden, in het Schellinkje, in de Tabu, het
was eindeloos geweest, tussen de vrouwen. Veel leuker werd het nog in de jaren
die erna kwamen, de jaren zestig, en de jaren zeventig. Medusa was de eerste
geweest die haar BH had verbrand, en ook de eerste die bij Hunkemöller een
nieuwe was gaan kopen, omdat haar borsten zo klapperden als ze hard liep.
Burt, de zeer vermoedelijke vader
van Pallas, kwam in haar gedachten. Zou hij nog leven? Misschien wel, vast al
opa of misschien zelfs overgrootvader. Wat zou hij schrikken als hij te weten
kwam dat hij een dochter als Pallas had. Maar het geheim van zijn vaderschap
zou ze meenemen in haar graf, dat ging niemand wat aan, niemand moest zich druk
hoeven te maken over het verbreken van de familietraditie.
Ze glimlachte. Wat een prachtige
dynastie hadden ze toch, zo netjes in een lijn. Hoe was het toch mogelijk dat
er generatie op generatie een dochter werd geboren, en nooit een zoon of een
tweede dochter. Als ze niet zo materialistisch was, wat levensbeschouwing
betreft, zou ze hebben gedacht dat God het zo gewild had. Maar wat Wim de Boer
en de zijnen ook riepen, er bestond geen God, die was verzonnen door mensen en
het meest verbazingwekkend was, dat diezelfde mensen niet zagen dat zij hem
hadden bedacht. Met heel zijn huid en al zijn haar, met het hele kruis erbij.
Zou die Jezus werkelijk hebben bestaan? En zou hij werkelijk ter dood
veroordeeld zijn? Ze zou het nooit weten. Dat was zo jammer, dat het bestaan zo
begrenst was dat je nooit te weten zou komen wat er was geweest en wat er nog
zou komen.
Ze hoopte dat in ieder geval
Afroda bij zinnen kwam. Ze werd onrustig als ze aan haar kleindochter dacht.
Zou ze nog onder de invloed van Wim de Boer uit kunnen komen? Dat moest ze wel
aannemen. Het kind was tenslotte een Vesuvius. Ze zou echt wel op haar pootjes
terecht komen. Inmiddels zou Pallas haar, Medusa, wel missen. Tenslotte had ze
nu al twee dagen niet kunnen bellen. Het kon niet anders of ze zou op het idee
komen om Wim de Boer nog eens op te zoeken. Als ze maar voorzichtig deed, die
driftkop, en als ze maar niet teveel dronk, want dan zag ze niet altijd alles
scherp meer. Lang kon het niet meer duren voor ze verscheen, dacht ze. Ze kon
niet meer doen dan het vertrouwen hebben dat ze bevrijd werd.
Zo’n Wim de Boer was toch eigenlijk
ook maar een zielig ventje. Kon hij er wat aan doen dat hij op zo’n jonge
leeftijd was geïndoctrineerd, met al die waanvoorstellingen die zijn vader uit
de Bijbel had gehaald? Hij had er gewoonweg geen verweer tegen gehad. Ze vergaf
hem in haar laatste uur, wat werd ze mild. Ineens opende ze haar ogen wijd: wat
dacht ze nu? Haar laatste uur? Even zag ze een hel licht, waarin middenin
Clarissa stond met haar armen naar haar uitgestrekt. Op dat moment begon alles
om haar heen te vervagen en alle beelden in haar hoofd vloeiden samen tot er
geen gedachten meer waren, en geen beelden, ook geen adem meer, of hartslag.
Afroda en Pallas zaten thee te
drinken in de rommelig aandoende woonkamer van Pallas. Pallas had een scheutje
rum in haar thee gedaan, ze had het nodig, had ze tegen Afroda gezegd, die
alleen had geantwoord met een afwezige knik.
“Toch had het wel wat, dat
geloven,” zei Afroda. “Nu het allemaal weer terug komt, begin ik het te missen.
Alles was zo duidelijk: wat de zin van het bestaan was, wat goed was en wat
niet. En ik hoorde echt ergens bij. Ik begrijp al die kerkgangers wel.”
“Dat is volgens mij ook precies de
reden dat mensen er zo moeilijk los van komen,” zei Pallas. “Alles is zinloos,
we zijn hier toevallig, en straks zijn we even toevallig weer weg. Voor de
meeste mensen is dat moeilijk te verdragen, zo moeilijk dat ze zelf maar een
zin verzinnen.”
“Net als grootmoeder en jij, met
die dynastie, bijvoorbeeld,” zei Afroda spottend.
Pallas zette haar kopje neer en
vulde het met nog een scheutje rum.
“Dat is iets heel anders,”
beweerde ze. “Zo’n dynastie, het Vesuvius-verleden moet je zien in de context
van ons aardse, toevallige bestaan.”
“Hou toch op, moeder! Het is
precies hetzelfde als geloven in een God die zich de hele dag druk zit te maken
over wat wij doen en laten!”
Pallas
was perplex. Zo had ze er nog nooit tegenaan gekeken. Integendeel, ze was
trots op de puur vrouwelijke lijn in haar stamboom, trots op de verhalen over
Clarissa en de andere voormoeders. Bijvoorbeeld op Pythia, die bijna de
Nobelprijs had gekregen voor natuurkunde door het bewijs te leveren voor het
bestaan van diverse parallelle universums. Natuurlijk kreeg ze die prijs niet.
Halverwege de negentiende eeuw was het nog slechter gesteld met de positie van
vrouwen dan tegenwoordig en niemand geloofde haar bewijzen, alleen omdat ze van
een vrouw kwamen. Pallas had haar betoog wel geprobeerd te lezen, maar ze moest
toegeven dat het moeilijk te volgen was. Pythia’s beweringen waren op meerdere
manieren te interpreteren, dat vond Pallas tenminste en ze zou vast de enige
niet zijn geweest. Maar trots was ze op deze voormoeder. Ook op haar eigen
moeder, Medusa, die in de tweede wereldoorlog in het verzet had gezeten. Zelf
deed ze er luchtig over, alsof het alleen ongemakkelijk was om ’s nachts buiten
te moeten liggen op het strand, maar Pallas wist dat ze meerdere malen haar
leven op het spel had gezet, en vele mensen van hun ondergang had gered. Daar
sprak ze nooit over, alleen over die godvergeten nacht op het strand in Zandvoort.
“Dus jij wilt het unieke, het
trotse, het geweldige van onze voormoeders ontkennen,” bracht ze eindelijk uit.
Afroda schudde het hoofd. “Dat
niet, alleen is het onzin om je zo vast te houden aan die familietraditie, dat
is wat ik beweer, net zo onzinnig als een boek dat pakweg tweeduizend jaar
geleden geschreven is letterlijk te nemen.”
Langzaam knikte Pallas. “Verdomd,
ik denk dat je gelijk hebt. Alleen is het een afbreuk van alles waar ik tot nog
toe in geloofd heb.”
“Het leven heeft geen zin, Moeder,
dat heb je net zelf gezegd. Wordt het niet eens tijd dat je daaraan went, dat
je dat eindelijk onderkent? Het zou je leven zoveel gemakkelijker maken.”
Op dat moment ging de deurbel.
Zuchtend stond Pallas op om open te doen. Op de stoep stond Beatrice, bijna
onherkenbaar als geheel zelfgebreid wezen.
“Dag Pallas,” sprak ze verheugd.
“Vind je me dit niet leuk staan? Anita, van het buurthuis, je kent haar wel,
doet aan patchwork en soms maakt ze ook kleren. Allemaal biologische wol, en
het zit heel natuurlijk.” Ze spreidde haar armen om haar nieuwe outfit goed te
kunnen tonen.
“Mooi,” zei Pallas gereserveerd.
“Maar waar kom je voor? Toch niet om je nieuwe kleren te laten zien?”
“Ook, want mijn aanstaande moet
van zulke dingen op de hoogte zijn!”
riep Beatrice op schalkse toon uit. “Maar waar ik echt voor kom is dit.”
Ze rommelde wat in een jute zak die kennelijk voor tas doorging en haalde er
een envelop uit.
“Meestal sturen ze dit per post,”
vervolgde ze. “De dagvaarding voor de volksrechtbank. Voor de eerstkomende
zitting. Maar ik vond het erg belangrijk om je het zelf te brengen. Kijk, ik
zal voorlezen waar het om gaat: mevrouw P. Vesuvius, zus en zo geboren, nou ja,
dat geloven we allemaal wel, dient zich aanstaande woensdag te vervoegen in het
buurthuis om de zitting bij de wonen waarbij de volgende aanklachten tegen haar
worden aangediend. 1. Het ongeoorloofd verlaten van de rechtszaal en het
negeren van het vonnis 2. Het openlijk ontrouw zijn door trouwbeloften te
negeren.” Beatrice keek Pallas doordringend aan. “Vooral dat laatste is slecht
gevallen in de buurt. Het is bedreigend, zegt men, als iemand zomaar verbanden
aangaat en die zonder blikken of blozen weer verbreekt. Je kunt het alleen
goedmaken door je aanvankelijke toezeggingen na te komen, dus met mij te gaan
samenwonen en te trouwen. Dat denkt het secretariaat van de rechtbank
tenminste. Dus, wat moet een verstandige vrouw als jij nu doen, Pallas? Dit is
een retorische vraag, hoor, want er is maar één mogelijkheid en daar ben je nu
toch hopelijk wel afdoende van doordrongen. Dus, wat wordt het, zeg het maar.
Volharden in je schandalige weigering, of gewoon doen wat je hebt beloofd en
met mij een gezinnetje stichten?”
Afroda kwam op het geluid in de
deuropening af.
“Wat is dit, Moeder, een colporteur?”
Pallas schudde het hoofd. Beatrice deed een stap naar voren, de gang in.
“Dag Afroda!” riep ze uit. “Ik ben
je aanstaande stiefmama. Je mag u al wel mama zeggen, hoor, dat zou ik zelfs
heel prettig vinden. Des te gemakkelijker wennen we aan elkaar…”
“Wie is die malloot in het roze
die daar staat te raaskallen op de stoep?” vroeg Afroda aan haar moeder. Pallas
glimlachte: haar dochter was weer helemaal zichzelf.
“Dat daar is een gek, die ze
moeten insluiten,” antwoordde ze. “Ik zal een bevel tekenen voor gedwongen
opname, als ze zo doorgaat.”
“Ik heb anders wel een nacht met
je moeder doorgebracht, hoor, Afroda! Dat je niet denkt dat ik zomaar wat uit
mijn duim zuig!”
“Wat zegt dat nou, mijn moeder
heeft met zoveel mensen de nacht doorgebracht.”
Beatrice deinsde terug. “Verdorven
stelletje!” riep ze uit en ze smeet de brief de gang in. “Hier, dat je weet
waar je wezen moet, woensdag. En ik krijg je nog wel, mevrouw Vesuvius, zo
gemakkelijk kom je heus niet van me af.” Ze beende weg. Toen ze de hoek om was,
barstten Afroda en Pallas uit in een gierende lachbui, die ze minstens tien
minuten niet meer konden stoppen. Voorbijgangers keken verbaasd hun kant op.
Rita hing lusteloos in de stoel
tegenover het bureau van Bep. Het was stil op het partijbureau, veel te stil.
De telefoon hoorde roodgloeiend te staan, de journalisten moesten op de deur
staan te bonzen, Bep hoorde de hele agenda vol te schrijven met afspraak,
afspraak en nog eens afspraak.
Maar dat alles gebeurde maar niet.
Sinds zij haar eigen koers voer, leek het wel of het land haar vergeten was.
Zelfs het persbericht over de recalcitrante rechter was niet overgenomen. Bep
zat driftig te tikken, de goeierd, die was natuurlijk een flyer voor de
eerstkomende campagne aan het schrijven. Eigenlijk hoorde Kay dat te doen, maar
die had het druk met zijn andere klanten. Sinds ze niet meer dagelijks op de
voorpagina stond, liet hij niet zo heel veel meer van zich horen.
“Nobody
loves you when you’re down and out…,” zong Rita zachtjes voor zich heen. Bep keek
op van haar werk en zette haar computerbril af.
“Niet wanhopen, Rita, we zijn er
nog lang niet. Je weet hoe snel de kansen kunnen keren. De vorige keer nog een
miljoen stemmen, okay, je staat nu laag in de peilingen, maar dat kan zo weer
heel anders zijn.”
“Ik geloof er niet meer in,”
verzuchtte Rita. “Het is helemaal niks voor mij maar ik ben mijn
voortvarendheid verloren, mijn rechtdoorzeeheid, zeg maar. Dat komt ervan als
niemand naar mij luistert. Het schijnt bijvoorbeeld dat die rechter opnieuw is
gedaagd, maar dat dat niet door mijn artikel komt.”
“Kop op, jouw artikel zal er zeker
toe hebben bijgedragen,” zei Bep. Ze typte weer verder met een snelheid alsof
de duivel haar op de hielen zat.
“Wat ben je aan het doen?” vroeg
Rita. “Al met de campagne bezig? Je kunt wel iets rustiger aan doen, nu. Ach,
wat maakt het allemaal uit…Ik ben verloren, ik heb een droom gekoesterd en nu
ben ik wakker geworden.”
Bep haalde haar handen van het
toetsenbord en stond op.
“Nu moet je eens goed naar me
luisteren, minister Rita, jij gaat hier niet zitten sippen. Daar hebben we
helemaal niets aan. Je moet nog eens wat van die vastgoedjongens bellen, of je
daarmee niet op een feestje kan, met de pers erbij natuurlijk. Dan komt het
vanzelf weer van de grond allemaal. Zal ik voor je bellen? Ik ken er wel een
paar. Mijn ex-man zat ook in die business, al weet ik niet precies wat hij daar
deed, maar dat is weer een ander verhaal.”
Rita schudde het hoofd.
“Nee, bel maar niet, ik moet me
bezinnen, het heeft allemaal geen zin, geen zin om zo koppig door te stoten
bedoel ik. Ik moet mijn leven een andere richting geven. Weet je wat, ik ga
eens om me heen kijken naar ander emplooi.” Ze stond op en sjokte naar haar
eigen kamer.
Een uur later kwam ze terug. Bep
had zojuist een folder gemaakt voor de promotie voor een spaarregeling van een
bank en nog net op tijd kon ze het pdf-je wegdrukken.
“Hier is mijn cv, Bep, zou jij er
naar willen kijken? Ik keek precies op het goede moment in de vacaturebank. Er
is een functie vrij als directeur van een grensgevangenis in Vught! Daar willen
ze migranten levenslang opsluiten als hun identiteit niet achterhaald kan
worden. Precies op mijn lijf geschreven! Nou, wil je even kijken? Het is heel
belangrijk dat ik die baan krijg, dat begrijp je wel.”
Bep voelde het bloed uit haar
gezicht trekken. Dat was nou niet de bedoeling, dat Rita opstapte. Voor eeuwig
moest ze doorgaan met campagne voeren, in ieder geval tot Beps kinderen
opgegroeid waren. De vastgoedjongens moesten haar bij tijd en wijle van fondsen
voorzien, en nooit mocht het zo ver komen dat Rita echt dagelijks op de
voorpagina stond of moest optreden in actualiteitenprogramma’s. Dan zou het
nooit mogelijk zijn om twee banen in dezelfde werktijd te doen.
“Geef maar,” zei ze. “Zal ik het
meteen opsturen als het goed is?”
“Oh, als je dat zou willen doen?
Dan ga ik nog wat belletjes doen, om van mijn nieuwe baan te vertellen. Ik voel
me weer helemaal op de toekomst gericht!” Energiek beende Rita het secretariaat
af.
Snel las Bep het CV door. Dat kon
zo niet natuurlijk, besliste, een studie criminologie, dat maakte haar meteen
geschikt voor zo’n functie. Ook de vooropleiding deugde niet: een voltooide
Vwo-opleiding, nee, dat moest anders. Via het netwerk haalde ze het document
binnen. De vooropleiding veranderde ze in Mavo en ook de tijd waarin Rita die
had afgerond rekte ze iets op. Zes jaar over de Mavo doen, dat was vast geen
aanbeveling voor een directiefunctie, zelfs niet in een grensgevangenis. Die
studie kon helemaal niet. Daar maakte ze een cursus recht van het LOI van.
Tegenwoordig was dat niet echt een garantie dat je geen steek verder kwam, maar
bij Justitie zou dat vast wel zo zijn. Bij nevenfuncties had Rita allerlei
bestuursfuncties neergezet, van de carnavalsvereniging tot de vereniging van
liberale vrouwen ‘Vanaf de zijlijn’. Dat was ook wat gortig. Ze moest wel iets
doen, een hobby hebben. Bep dacht na. Misschien kon ze brieven schrijven naar
ter dood veroordeelden in de VS, dat zou indruk maken. Of betrokken zijn bij
vluchtelingenwerk, dat maakte haar verdacht en in ieder geval ongeschikt voor
de functie. Ja, dat moest het worden. Zo, dat was geregeld. Even maakte Bep
zich zorgen: zou het niet teveel opvallen dat het CV nu niet geheel meer
overeenstemde met de werkelijkheid? Rita was tenslotte nationaal bekend, of dat
geweest tot voor kort. Haar verleden zou wellicht elders nog opgeslagen liggen
en je wist maar nooit of iemand zich haar originele cv herinnerde. Bep besloot
dat ze de gok moest wagen. Het ging tenslotte om het onderhoud van haar
kinderen, en daar moest ze voor vechten. Ze richtte een mailtje aan de persoon
die vermeld stond in de vacature, voegde het CV bij en drukte op ‘send’.
Tevreden ging ze verder aan haar volgende klus, een reclamecampagne over
waspoeder. Ze had haar plicht als vrouw en moeder weer gedaan.
Rita kwam het secretariaat weer
op. Ze had haar mantel aan. “Ik ga even een luchtje scheppen,” zei ze. “Stel je
voor, vanuit mijn nieuwe positie kan ik zoveel regelen. Ik zal een voorbeeld
zijn voor het migrantenbeleid van heel Europa, ik zal werken vanaf de basis,
collega’s en beleidsmakers rondleiden door mijn gevangenis, waar onwilligen
eenzaam worden opgesloten en hun kinderen onderwijs wordt onthouden. Zachte
heelmeesters maken stinkende wonden! Tjakka! Trots op Rita!” En weg was ze.
Die zie ik niet meer terug, dacht
Bep, lekker rustig, kan ik een beetje opschieten met die campagne.
Ze werkte nog een uur of wat. Net
was ze klaar, toen er een mailtje van Justitie binnenkwam. Dat is snel, dacht
ze, ze laten er geen gras over groeien. Dat kon goed nieuws of slecht nieuws
zijn. Enigszins ongerust opende ze het mailtje. Zodra ze het eerste woord had
gelezen, glimlachte ze van oor tot oor: “Geachte mevrouw, helaas kunnen wij
niet op uw spoliatie ingaan, omdat uw achtergrond teveel afwijkt van onze
profielschets…”. Dat was mooi, die dreiging was voorlopig afgewend.
Een uur daarna kwam Rita terug.
“Ik ben zo opgefrist!” riep ze. “Allerlei nieuwe gedachten stromen door mijn
hoofd. Denk je dat ik te ver zou gaan als ik de gevangen in sommige gevallen
aan de ketting leg? Bijvoorbeeld als ze geen respect tonen naar mij toe, of om
ze nog verder onder druk te zetten, dat ze smeken of ze alsjeblieft het land
uit mogen? Oh, ik barst gewoon van de ideeën!”
“Lees dit eerst even,” sprak Bep
en ze overhandigde Rita een print van het mailtje. Rita’s gezicht betrok en
werd toen knalrood.
“Die linkse betweters!” riep ze.
“Dat zooitje, dat gajes! Hoe durven ze! De meest geschikte kandidaat afwijzen,
en dat met zo’n standaardbriefje! Niet eens een gesprek! Als ik ze ooit in mijn
kladden krijg, gaan ze zelf aan de ketting, dat beloof ik ze!” Terwijl ze
tekeer ging, stampvoette ze zo hard, dat de hak van haar pump afbrak. Ze trok
de schoen uit en smeet hem op Beps bureau. “Naar de schoenmaker ermee!” beval
ze. “En een beetje vlug!”
Bep deed zonder protest wat haar
gevraagd werd. Ze hoopte dat Rita enigszins gekalmeerd zou zijn als ze weer
terugkwam, zodat ze ongestoord verder kon werken.
Dat bleek niet het geval. Toen ze
na een half uur van de hakkenbar kwam, met een donkerblauwe hak onder de zwarte
pump want zwart had de hakkenbar niet meer, liep Rita nog steeds in de
secretariaatskamer te ijsberen. Ze bracht onverstaanbare klanken uit, alsof ze
een andere taal sprak of plots was getroffen door een hersenbloeding. Af en toe
stak ze woedend haar vuist in de lucht.
Bep overhandigde haar de schoen.
Ze smeet hem woedend op de grond.
“Wat heb ik aan schoenen als de
bodem onder mijn bestaan wegvalt!” riep ze uit. “Maar ze zullen er van lusten,
Bep! Ik kom terug, in al mijn volle glorie, ik ben rechtdoorzee, en ik doe wat
ik zeg dat ik denk. Of iets dergelijks. In ieder geval zal ik
minister-president worden. Bel Pauw en Witteman en zeg dat ik zojuist een
abortus heb ondergaan en daarover best wil komen praten vanavond, vertel dat ik
ga trouwen met Geert Wilders, dondert niet, als ik maar in dat programma kom!
Schrijf de vastgoedjongens dat ik geld nodig heb, en snel, en veel! Huur een
paar gladde jongens in die publiekelijk als mijn secretaris kunnen optreden!
Rita is weer terug! Tjakka, trots op Rita!” Juichend stak ze beide armen in de
lucht. Het valt niet altijd mee om te werken met een gek, dacht Bep en ze
maakte aanstalten om aan het werk te gaan. De wasgoedcampagne moest maar even
wachten, ze haalde anders tenslotte ruim op tijd haar deadline. Morgen weer een
dag, dacht ze, en ze moest niet vergeten de kleine Tim vanavond naar judo te
brengen, want dat was er nu al twee keer bij ingeschoten.
Ik ben het einde en het einde is ook het begin. Ik ben
verraden, zonder dat de haan ook maar één keer heeft gekraaid, ik ben het licht
en daarom het duister, ik ben het begin en daarom ook het einde.
De verraders moeten
naar de Boze, zij staan met de rug naar het vuur, alsof ze zich warmen, alsof
ze daar nog recht op hebben. Ik zal ze omdraaien, zodat ze er met hun gezicht
tegenover staan, en dan zullen ze in de vuurkuil vallen met hun hoofd naar
beneden. Gillend van berouw zullen zij voor eeuwig sterven.
Ik zal blijven,
niemand kan mij ten val brengen, ook de ploerten niet, die hun taak niet
volbrengen, de sukkels die fouten maken, de vijanden die me aan komen vallen.
Ik zal handhaven,
voorbij het licht en voorbij het duister, dwars door het vuur, dat mij niet
deren zal, ik zal worden opgenomen in de heerlijkheid, ik ben de heerlijkheid.
Ik zit de hele dag in een cel. Het lijkt meer op een
kamertje dan op een cel. Ik had gedacht dat ik op zo’n gang zou komen, met
allemaal cellen met tralies ervoor waarlangs steeds bewakers liepen, die naar
binnen kijken.
Maar zo is het niet, al kijken ze
hier ook naar binnen. Ik heb ze wel door, ze kijken door het spionnetje, ze
weten alles van mij ze zien alles wat ik doe. Alleen doe ik niks, al was het
maar om ze te pesten dat ik niks wil doen. Ze zeiden dat ik mocht gaan werken,
maar ik kijk wel mooi uit, ik ga niet meewerken aan het systeem dat ik aan het
bestrijden ben. Ze hebben me gestopt, veel te vroeg en dat is fout geweest. Dat
ik haar niet zag komen, terwijl ik het had kunnen weten. Was ze niet direct al
wantrouwend? Afroda eerst niet, maar haar moeder en grootmoeder wel. Ze leven
al eeuwen in zonde, en Afroda heb ik gered, maar de rest wilde niet gered
worden. Dat juist zij mij te pakken zou krijgen is logisch, dat had ik kunnen
verwachten, al leek het dan toeval dat ze met haar drankzuchtige armen vol
flessen uit die winkel kwam er bestaat geen toeval, alles is bepaald, vanaf het
begin tot en met nu.
Ik zal worden veroordeeld. Een
bleke vrouw kwam vandaag op bezoek. Zij was mijn advocaat, zei ze. Ze vroeg of
ik het had gedaan en ik zei ja, ik heb het gedaan, en ik ben er trots op. Ze
zei misschien wordt het TBS, maar ik denk dat je levenslang niet ontloopt,
seriemoordenaars krijgen dat meestal. Maar ik ben geen seriemoordenaar, ik ben
de voltrekker van het vonnis, van de meester, ik schoon de wereld op, ik haal
de prullen eruit die plaatsen bezetten die niet voor hun zijn bedoeld.
De meester zei altijd dat hij mij
zou beschermen, dat mij niets kon overkomen zolang ik maar deed wat hij zei en
ik heb gedaan wat hij zei en kijk eens wat er nu gebeurt. Ik zit vast, voor
altijd, ik kan geen kant meer op.
Ik ben nog verloofd, maar Afroda
komt mij niet opzoeken en ik heb er wel om gevraagd. Ze heeft niets van zich
laten horen, dus ze is kwaad. Terwijl ik het ook voor haar deed, het zuiveren,
terwijl ze het vast met me eens zou zijn geweest, als ze het geweten had. Wat
ze niet wist, want ik heb het niet vertelt, dat is beter, zei de meester,
vertel het niemand, dan is het ook geen belasting voor ze en het is veiliger.
Wat telt is dat de missie wordt voltooid.
De missie is niet voltooid en zal
nooit voltooid worden. Ik heb gefaald en ik zal gestraft worden, maar eigenlijk
mag ik niet worden gestraft, want het is mijn schuld niet en de meester zou mij
komen redden maar hij is niet gekomen, hij is gewoon in Zandvoort gebleven, ik
heb hem niet gezien, ik heb nu zijn naam opgegeven en zijn adres, zodat ze hem
kunnen gaan halen, ik hoop niet dat hij kwaad is, hij moet geloven dat ik mijn
best heb gedaan, maar dat de Boze van mij won, dat ik daar niets aan kon doen,
hij moet horen dat ik de heerlijkheid heb verdiend al heb ik gefaald, al heb ik
mijn taak niet kunnen voltooien.
Nu ze hem gaan halen, zal alles
snel rechtgetrokken worden. Mijn leven hier op aarde zal ik hier moeten
uitzitten, de advocaat kan niets voor me doen, zei ze, de bewijzen lagen voor
het opstapelen, alle doden zijn van mijn hand, dat kon gemakkelijk bewezen
worden, ook al had ik niet bekend, en waarom zou ik mijn werk ontkennen, dat
vroeg ik haar, ze keek verbaasd, nee, verbijsterd alsof ze iets vies tegenover
zich had alsof ik ongelofelijk was.
Het is wel jammer dat ik niet heb
kunnen trouwen met Afroda want we zouden zulke prachtige kinderen hebben
gekregen, van haar en mij, misschien had ik niet haar moeten kiezen, één van de
andere meisjes, die minder gevaarlijk waren, maar ik zocht juist het gevaar,
Afroda was de uitdaging, de zondige, die ik had bekeerd, meteen dat weekend al,
wat was ze mooi, wat was ze opstandig.
Ze zat daar in die kring, met
felle ogen in het rond te kijken, smalend, bij elk woord dat de meester zei, ze
wilde hem niet geloven, sterker nog, ze minachtte hem, en ik wist het meteen,
haar moet ik hebben, ik moet met haar verder, het leven door, prachtige
kinderen krijgen die de missie willen voortzetten, tot de jongste dag.
Ik ging bij haar in de buurt
zitten en eerst deed ze of ik lucht was, maar na de thee werd het beter, ik ben
geen moment van haar zijde geweken dat weekend, oh nee, er waren genoeg kapers
op de kust, dat zag ik wel.
Ze vertelde van haar moeder, haar
grootmoeder, en die verdorven levenswijze van ze waarin ze de man en zijn
suprematie ontkenden. Hoe kan dat, vroeg ik haar, in de bijbel staat het toch,
de vrouw is een man zijn hulp, kennen je moeder een grootmoeder de bijbel dan
niet. Ze zei jawel die kennen ze van buiten net als andere boeken, maar ze
nemen niet letterlijk wat erin staat, zien overal symbolen in, of geschiedenis.
Ik kon dat niet begrijpen, ik kon dat niet geloven, daarom ben ik met Afroda
meegegaan, eerst naar haar grootmoeder, toen naar haar moeder. Nooit had ik
zulke vrouwen gezien, zo trots, zo onaangedaan door alles wat wij ze vertelden,
zo ver verwijderd van de redding. Ik geloofde nog dat ik de zaak kon keren, dat
het een kwestie van wachten was, en Afroda geloofde het ook. In het begin
tenminste, al heeft ze nu niets meer laten horen. Misschien is zij
teruggevallen in haar zondigheid, de tegenkrachten waren te groot. Ik kan dat
best begrijpen, ik wil haar vertellen dat ze opnieuw kan beginnen, dat nog
niets verloren is, elke dag is een nieuwe dag waarop je het smalle pad naar de
heerlijkheid kan vinden.
Ik ga weer op mijn bed zitten,
want verder is er niets te doen. Ik wacht. Op Afroda. Op de meester. Op de
jongste dag.
“Moeder!” riep Pallas plotseling uit. “Ik ben moeder
helemaal vergeten! Ze is kwijtgeraakt, ik heb al dagen niets van haar gehoord!”
“Vreemd,” zei Pallas, die zat te
lezen en nu even op keek van haar boek. “Niets voor grootmoeder om zomaar te
verdwijnen.”
“Nou, vroeger was dat anders wel
anders. Toen ik nog jong was, werd het haar soms allemaal teveel en dan ging ze
er soms voor weken vandoor. Ze kwam altijd weer terug en achteraf wilde ze
nooit vertellen waar ze was geweest. Ik vraag me af of er zoiets weer aan de
hand is? Dat het haar teveel is geworden? Dat zou kunnen natuurlijk, met al die
turbulentie van de laatste tijd.”
“Wist ze dat je mij ging
ontvoeren?” vroeg Afroda peinzend. “Misschien is ze mij ook gaan zoeken, dat
zou best kunnen, dat zou ik eerder verwachten dan dat ze plotseling zou verdwijnen.”
“Dat is het!” riep ze uit. “Ze is
naar Wim de Boer! Verdomme nog aan toe, heb ik haar zo gezegd dat niet te doen.
Die man is levensgevaarlijk. Kom op, we gaan naar Zandvoort. Ik hoop dat het
nog niet te laat is!”
“Als ze de thee maar niet heeft
gedronken,” zei Afroda, terwijl ze haar jas aantrok. Pallas trok haar laarzen.
Samen renden ze naar Pallas’ auto. Pallas reed, snel doorschakelend naar de
vijfde versnelling, de straat uit. Binnen een mum van tijd zaten ze op de
snelweg richting Zandvoort.
“Niet zo hard, moeder, het is wel
de bedoeling dat we levend aankomen,” zei Afroda. Ze klonk wat angstig.
“Wil jij het stuur soms
overnemen?” vroeg Pallas op agressieve toon. “Doe maar hoor, als je denkt dat
je het beter kunt.”
“Okay,” zei Afroda. “Ik heb dan
wel geen rijbewijs, maar het lijkt me makkelijk zat, wat zou er mis kunnen
gaan.”
Pallas reed de vluchtstrook op en
trapte keihard op de rem. De vrouwen wisselden van plaats.
“Eens kijken,” sprak Afroda,
terwijl ze met haar benen boven de pedalen bungelde. “De rechter is het
gaspedaal en die in het midden de rem, is het niet? Hoort er niet nog een derde
te zijn, helemaal op links? De koppeling ofzo?”
“Het is een automaat,” zei Pallas,
nog steeds ontstemd. “Zet die schakelaar op D en hup, rijden.”
Afroda deed wat haar gezegd werd.
Ze lette goed op de andere weggebruikers en paste haar snelheid aan.
“Zie je nou wel, zo gaat het veel
rustiger,” daagde ze haar moeder uit. “Gewoon doen wat iedereen doet, dan komt
het vanzelf goed.”
“Het is nog nooit goed gekomen
door te doen wat iedereen doet!” mokte Pallas. “Dat is de dood voor de
ontwikkeling, doen wat iedereen doet, dat zou jij na al jouw ervaringen toch
wel kunnen weten. Het is me nog altijd een raadsel hoe jij bij die Wim de Boer,
en die Tobias verzeild bent geraakt, bijvoorbeeld. Hoe kan je daar nou
intrappen?”
Afroda haalde haar schouder op.
“Is dit het licht?” vroeg ze, terwijl ze op de dimlichtschakelaar wees. “Het is
misschien beter als we dat gebruiken, dan zien ze ons beter. Zo ja, dat is
goed. Tja, hoe ben ik er zo verzeild geraakt. Uit verveling, denk ik. Die
studies zijn zo licht, dat ik me kapot verveelde. Ik had drie jaar vooruit
gewerkt, maar ik kon geen tentamens doen, want dan moest ik eerst weer practica
afronden enzo. Nou, heel gedoe allemaal, en waar het op neerkwam, was dat ik
wekenlang geen fuck te doen had, helemaal geen ene shitting fuck!”
“ABN, graag!” zei Pallas. “Je
lijkt wel een rapper! Dergelijke taal past een Vesuvius niet!”
“Hou toch eens op met dat
Vesuvius-gedoe! Dat gehang in middeleeuwse normen en waarden..”
“Niet middeleeuws, negentiende
eeuws. Clarissa heeft de dynastie in 1811 gesticht, zoals je maar al te goed
weet!”
“Ja, ja, dat is me tot kotsens toe
door de strot geduwd. Shit, holy
cow! Zie je wat die gek hiervoor doet? Gaat zomaar voor me rijden, alsof ik
er niet aankom!” Woest drukte Afroda op de claxon.
“Dat heet gebruik maken van de
gelegenheid,” zei Pallas. “Hij was aan het invoegen, heel normaal, misschien
moet hij rechtsaf zo. Maar ga verder, wat deed je met je verveling.”
“Ik zat me dus te vervelen, omdat
ik geen kant op kon, en ondertussen gleed mijn leven onder mijn handen vandaan,
als fijn zand op een zomerstrand. Nu goed, ik zag die advertentie van Wim de
Boer, in zo’n gratis blaadje, ik weet niet eens meer welk blaadje het was, en
ik dacht, laat ik daar eens naar toe gaan. Dus ik me opgeven voor dat weekend.
Toen ik er pas was, had ik grote moeite om niet in lachen uit te barsten, want
wat waren het een stelletje kwezels bij elkaar. De ene nog hulpelozer dan de andere.
Tobias was nog het ergste. Die griezel kwam meteen naast mij zitten, hij had
het direct al op mij voorzien. Maar ik deed aanvankelijk of ik hem niet
opmerkte, negeerde zijn smekende blikken. Mijn god, wat een griezel! Na het
voorstelrondje, waarbij iedereen had verteld wat hij verwachtte van het
weekend, jezus voor en Jezus na was het natuurlijk, dat snap je, kwam de thee.
Stom genoeg heb ik geen moment gedacht dat daar iets in kon zitten, dus ik
dronk het gewoon. Nou, binnen een uur was ik helemaal om, al bijna verloofd met
Tobias, die de rest van de avond tegen me aan bleef klitten, en ik geloofde
alles wat die Wim zei. Diezelfde nacht ben ik nog fanatiek de bijbel gaan lezen
en tegen de ochtend, ik had geen oog dichtgedaan, was ik ervan overtuigd dat ik
uit een zondige familie kwam, dat jullie mij helemaal de verkeerde weg hadden
gewezen, dat ik in de hel zou komen, dat ik op de jongste dag zou worden
verwezen naar het eeuwige vuur, het eeuwige lijden. In paniek ben ik die
ochtend meteen op zoek gegaan naar Wim de Boer en op mijn knieën heb ik hem
alles opgebiecht, echt alles, van Clarissa, van wat ik van Medusa wist, en van
jou, hoe je had samengeleefd met Maria, tot die er vandoor ging met haar
yogalerares. Wim de Boer zegende mij, ja, echt, lach niet zo schamper! Hij
zegende mij en zei dat ik tijdig tot inkeer was gekomen en als ik nou maar goed
oppaste, zou ik alsnog worden opgenomen in de heerlijkheid. Hij zei dat hij had
gezien dat het goed ging tussen Tobias en mij, en dat hij mij zou kunnen helpen
bij mijn bekering, want het was een goede jongen, die heel veel goeds zou doen
voor de zaak. Ik wist natuurlijk niet wat Tobias moest gaan doen, dat heeft hij
mij nooit verteld.
“Het was nogal wat goeds!”
schamperde Pallas. “Het hele land in rep en roer omdat er een seriemoordenaar
rondliep. En hij maar strotten doorsnijden met zijn mes van de Aldi, weet je
dat hij de politiemensen probeerde om te praten, te bekeren toen hij werd
gearresteerd?”
“Ik geloof je, want zo was hij. Zo
is hij nog steeds denk ik, hij had de thee niet nodig om bezeten te raken van
de ideeën van Wim de Boer. Nou goed, de rest weet je, hoe ik jullie heb
proberen te bekeren, wat ik allemaal heb gezegd. Tjezus! Ik schaam me dood!”
“Dat is nergens voor nodig, je
bent weer onder ons, dat is het voornaamste. Hier links is het geloof ik. Ja,
ik herken dat protserige hek met de roze leeuwen, rijd het terrein maar op.”
Afroda deed wat haar gezegd werd.
Gierend remmend kwam de auto tot stilstand voor de ingang van het hoofdgebouw.
De vrouwen renden naar binnen, naar de deur van de ontmoetingsruimte.
“U kunt daar niet zomaar naar
binnengaan,” gilde de receptioniste. “Er is net een meeting bezig, een
bekeringssessie. Meneer Wim haat het om gestoord te worden!”
“Hou je klep toch, mens!” riep Afroda
terwijl ze met een trap ertegen de deur opende. Een kring van mensen in
kleermakerszit zat in het midden van de zaal. Ze hadden de ogen gesloten en hun
handpalmen naar boven gericht. Er ging een vaag gezoem door de ruimte.
“Ze zoeken contact met de Here
Jezus,” fluisterde Afroda. “Ze zijn in trance, dat is niet zo gek, want ze
hebben waarschijnlijk net hun dubbele portie thee op.”
Plotseling opende Wim de Boer zijn
ogen. Woedend en vol haat keek hij de vrouwen aan. Hij sprong overeind:
“Ga! Satans! Ga ver weg van hier!
Uw tijd is nog niet gekomen! De Here zal u vermorzelen onder zijn stortvloed
van verderfelijk vuur!” Een voor een werden de deelnemers aan de sessie wakker.
Verdwaasd keken ze naar Afroda en Pallas.
Afroda rechtte haar rug, keek Wim
de Boer in zijn ogen en zei:
“We komen grootmoeder halen. Ze
moet wel hier zijn, dat moet wel want ze is al dagen spoorloos, waar heb je
haar gelaten, serpent! Doorgedraaide heks!”
“Ik heb helemaal niets met jouw
grootmoeder meer te maken, Afroda!” antwoordde Wim de Boer. “Helemaal niets.
Jij hebt gefaald, en je hebt Tobias meegesleurd met je val. Wat je grootmoeder
betreft: die heeft tot op het laatst volhard in haar zondige houding. Niets was
er met haar te beginnen, helemaal niets.”
“Wat bedoel je met tot het laatst,”
vroeg Pallas, plotseling paniekerig. “Waar is ze nu dan, is ze weer vertrokken,
waarheen dan, vertel op, griezel!”
Er kwam een vals glimlachje om de
bleke lippen van Wim de Boer.
“Nou, vertrekken, dat kan je wel
stellen,” sprak hij, tergend langzaam. “Hoewel niemand ooit helemaal vertrekt,
natuurlijk. Op de jongste dag zal ook zij opstaan uit haar graf en zich moeten
verantwoorden. Tot die tijd ligt ze daar doodstil en rottend in, de maden
zullen meedogenloos aan haar knagen, tot op het bot zal zij worden afgekloven,
tot er niets meer van haar rest dan haar botterige naaktheid! En wat mij
betreft mogen jullie haar in de grond gaan stoppen. Ze ligt op kamer 33, op de
eerste verdieping!” Hij schaterlachte. De cursisten lachten met hem mee.
Afroda en Pallas renden naar kamer
33 op de eerste verdieping. Ze schoven de grendel voor de deur weg en stapten
naar binnen.
Op het bed lag Medusa, dood en
afgelegd. Anders dan Pallas had verwacht, lag ze er netjes bij: haar haren
waren gekamd, zij het dat het achterover was gekamd, terwijl ze het zo nooit
had gedragen, ze lag met de oude handen op haar maag gevouwen en met de ogen
dicht.
“Ze hebben haar vermoord…,” siste
Pallas. “De vuile klerelijer! Als ik hem in mijn klauwen krijg is hij er ook
geweest, dat geef ik je op een briefje.”
“Niet zo snel met je conclusies,
moeder,” zei Afroda. “Als ze haar hadden vermoord, zouden ze zich wel van het
lijk ontdaan hebben. Dan hadden ze haar niet zo netjes afgelegd. Laten we een
ogenblik gaan zitten, om afscheid van grootmoeder te nemen. Dan bellen we
straks een begrafenisondernemer. Grootmoeder was oud, moet je maar denken, en
ze had haar tijd gehad. Dat heeft ze wel eens tegen me gezegd.”
“Nou, dan heeft ze tegen jou meer
gezegd dan tegen mij. Tegen mij zei ze altijd dat ze minstens honderdtien wilde
worden!”
“Zo gaat het altijd, een moeder
blijft haar kind zien als kind, ook al is ze de vijftig gepasseerd. Met een
kleinkind is dat anders, die wordt meer als een echt mens beschouwd.”
Pallas keek haar dochter
achterdochtig aan.
“Wat bedoel je daarmee? Vind je
dat ik jou ook zo behandel?”
Afroda knikte alleen maar, en zei:
“Stil nu, laten we grootmoeder gedenken, het is onze enige kans.
Rita reed over de boulevard van
Zandvoort. Ze kwam zojuist bij het Casino vandaan. Mijn kleine zonde, noemde ze
dat voor zichzelf. Niemand wist ervan, zelfs Bep niet, die had ze verteld dat
ze een afspraak had met Kay.
Wekelijks ging ze naar het Casino,
op een gestolen uurtje, op een doordeweekse dag. Ze had zich onherkenbaar
gemaakt door een grote zonnebril op te zetten en een blonde pruik te dragen. Ze
droeg een legging met tijgermotief en een heel strak truitje met een diep
decolleté dat een groot deel van haar buik bloot liet. Zo viel ze niet op in
het Casino en niemand zou in haar de keurige Minister Rita herkennen. Het meest
hield ze van de automaten, al waagde ze ook wel een gokje aan de roulettetafel
of deed ze mee aan een enkel crapsspelletje. Maar die automaten waren het
spannendst: iedere keer opnieuw een muntje en dan de hendel overhalen, steeds
weer de verwachting dat de muntjes eruit kwamen rollen. Meestal won ze niets,
en ze begreep als ex-minister zijnde maar al te goed dat dat de bedoeling ook
was. Tenslotte moest het Casino geld overhouden en niet de klanten. Als het
anders was geweest, had het eerste kabinet Balkenende dat gokken al verboden.
Toch bleef altijd de spanning dat het deze keer anders zou uitpakken voor haar.
En daarom ging ze iedere week terug. Dat de partijkas op deze manier werd
aangesproken, viel niet op, dacht ze. Ze kon altijd vertellen dat ze gedineerd
had met een relatie. Om dat te bewijzen, wandelde ze na afloop een uurtje over
de boulevard om weggegooide bonnetjes op te rapen. Dit keer had ze daar geen
geluk mee gehad, alleen rekeningen van de Chinees en kassabonnetjes van de
snackbar. Ze had een veelvoud van de som van het bedrag vergokt. Toch maakte ze
zich geen zorgen. Tjakka, trots op Rita, dacht ze voor zich uit, en dat
monterde haar op.
Terwijl ze langs een landhuis
reed, viel haar blik op een groep mensen die voor dat huis bomen aan het
omhelzen was. Rita moest niets hebben van dat New Age-gedoe en al helemaal niet
van bomen. Die stonden de wegen maar in de weg. Omzagen die handel, en snel!
Als ze Minister-president was, zou ze daar snel voor zorgen.
Zonder goed te beseffen, waarom ze
het deed, reed ze het terrein op. Vaag drong het tot haar door dat ze hier te
maken kon hebben met potentiële kiezers. Ze moest die tenslotte zoeken in een
brede laag van de bevolking, niet alleen onder de voormalige Fortuyn-aanhangers,
want die gingen te weinig stemmen. Ze moest deze mensen overtuigen, besliste
ze, ze moest zich meer onder het volk begeven en minder optreden in
achterafzaaltjes.
Ze parkeerde haar auto midden op
de uitrit, en stapte uit.
“Dag mensen,” zei ze op ferme
toon. “Weertje vandaag, niet? Ik kom jullie aanmoedigen, zodat jullie kunnen
winnen van de bomen! Dat moet toch kunnen, wij mensen zijn meer dan de bomen,
dat spreekt. En ze zullen voor ons moeten wijken!”
Sommige mensen hielden op met
knuffelen en keken haar verbaasd aan. Er lag iets troebels in hun blik, vond
ze.
Een oudere man met wit haar en
witte baard liep op haar toe met uitgestoken hand. Hij glimlachte.
“Goedemorgen, Gij verdwaasde!”
verwelkomde hij haar. “Wat kom je doen? Bij de receptie kun je je inschrijven
voor het weekend van volgende week, maar als de nood hoog is, wil ik wel een
gesprek met je aangaan. Zodat je met vertrouwen in de Here naar huis kunt gaan,
zodat je die week wachten in ieder geval door komt.”
Wat was dat voor een gek? Herkende
hij haar niet? Waarom omhelsde hij haar niet, waarom begroette hij haar niet
als de redster? Toen pas besefte ze dat ze nog incognito was. Ze keek naar
beneden, naar haar legging met tijgermotief, die haar zo’n heel andere aanblik
gaf dan het mantelpak dat ze droeg als ze op tournee ging. Ongeduldig rukte ze
de pruik van haar hoofd en wierp hem Wim de Boer voor de voeten, samen met de
bril.
“Ik ben Rita!” riep ze uit.
“Minister Rita, binnenkort minister-president, in ieder geval na de volgende
verkiezingen, die niet lang meer op zich kunnen laten wachten, want Jan Peter
maakt er een zooitje van met al dat linkse goed om zich heen! Als ik
minister-president ben, zal ik deze beweging rijkelijk voorzien van subsidie!” Kijk, zo deed je dat, zo hengelde je ze een
voor een naar binnen. Misschien had Kay gelijk gehad toen hij zei dat ze zich
meer buiten de bekende kring moest begeven.
Wim de Boer lachte van oor tot
oor. “Dat verandert de zaak uiteraard,” zei hij. “Wij doen hier goed werk,
houden de mensen op het smalle pad.”
“Zo hoort het!” beaamde Rita.
“Regels zijn regels en zo is het. Ik zeg wat ik doe dat ik denk dat ik doe, is
mijn motto! Tjakka, Trots op Rita!”
Met nauwelijks verholen minachting
keek Wim de Boer haar aan.
“Ik zal u een rondleiding geven
door ons gebouw,” zei hij. “Volgt u mij maar.” En tegen de groep: “Gaan jullie
nog een uurtje door met het knuffelen van de boom, dat is goed voor de boom,
dat is goed voor jou.”
Hij ging Rita voor het gebouw in.
“Wat een prachtige ruimte!” riep
ze uit. “Ik zou hier wel congressen kunnen houden als mijn partij uit leden
bestond. Maar het enige lid ben ik en dat wil ik graag zo houden!”
“U hebt groot gelijk, mevrouw,”
bevestigde Wim de Boer. “Geen bemoeials, geen eindeloze vergaderingen om
consensus te bereiken, want daar gaat dit land aan ten onder.”
“Zo is het maar net. Wat is er op
de eerste verdieping?”
“Wat kamers voor de gasten,” zei
Wim de Boer. “Voor onze belangrijkste gasten mag ik wel zeggen, de anderen
slapen in het bijgebouw.”
“Mag ik zo’n kamer eens bekijken?
Een vrouw als ik, met zoveel verantwoordelijkheid die op haar schouders rust,
wil wel eens in retraite. Misschien boek ik eens een weekendje hier.”
“Dan moet u wel meedoen aan het
programma, het is hier geen hotel,” zei Wim de Boer, op barsere toon dan hij
bedoelde. Tenslotte wilde hij niet een mogelijke financier tegen het hoofd
stoten.
“Uiteraard, ik ben een
ruimdenkende vrouw, en ik sta open voor alles,” zei Rita. “Zolang iedereen ook
maar open staat voor mij, bedoel ik.”
Al pratend kwamen ze aan bij kamer
33. Wim de Boer opende de deur, terwijl hij zei: “Hier wordt een wake gehouden.
Een cursist is helaas overleden na een sessie. Dat kwam niet door de sessie,”
haastte hij zich te zeggen, “Maar door de ouderdom.”
Toen ze binnen waren, keken Pallas
en Rita elkaar aan. Pallas kwam van ver, door het verdriet over haar moeder.
Het drong niet direct tot haar door wie er tegenover haar stond, al rammelde er
iets aan de ingang van haar bewustzijn.
“De dissidente rechter!” riep Rita
uit. “Wel heb ik ooit! Mevrouw Vesuvius in hoogsteigen persoon! Die had ik hier
nou niet verwacht, als hoogst eigenzinnige individualist zijnde. En wie ligt
daar zo in ledigheid op dat bed? Is dat niet haar moeder, Medusa? Oh, ik heb de
familiegeschiedenis van de Vesuvius grondig bestudeerd, en ik moet zeggen, het
stuitte mij erg tegen de zware borst wat ik heb gelezen. De idioterie! De
eigenwijsheid! En weet u, meneer de Boer, dat deze mevrouw gewoon de uitspraak
van de rechter aan haar laars lapt? Dat ze gewoon niet is verschenen in het
verpleeghuis waar ze haar taakstraf moest gaan uitvoeren? Een grof schandaal,
vind u niet? Als ik aan de macht ben, laat ik dit soort gevallen direct aan de
ketting leggen in de grensgevangenis in Vught. Dat zal ze leren! Niks van dat slappe!
Niks praten! Daden, daar is waar het op aan komt, in dit land.”
“Je bent weer lekker op dreef,
Rita,” zei Pallas, toen ze zich had losgemaakt van het rouwproces. “En als je
nu alsjeblieft wil opdonderen, want ik zit hier bij mijn moeder.”
“Ik peins er niet over!” riep Rita
uit. “Want ik ben nog lang niet uitgesproken en als dat wel het geval is, zal
ik je hoogstpersoonlijk begeleiden naar het verpleeghuis, waar je vervolgens
direct aan je taakstraf kan beginnen, die ik, vooruitlopend op mijn premierschap,
hierbij verdubbel!”
Op dat moment viel er een
arrestatieteam de kamer binnen. Allemaal jongens en meisjes in blauw gehuld en
voorzien van helmen en schilden. Vijf, zes tegelijk stortten zich op Wim de
Boer en stootten rauwe kreten uit, waaruit Pallas niet veel meer kon opmaken,
dan dat hij zich niet mocht bewegen.
Elke nacht heb ik besteed aan het slijpen van mijn mes.
Ik weet niet of ik het hier kan gebruiken, maar ik wil laten zien dat ik van
goede wil ben. Als ik straks de juiste tegenkom, dan ben ik tenminste niet
onvoorbereid. Ik had gedacht dat je hier plastic messen zou krijgen, net zoals
in de film. Ik had gedacht dat je hier gefouilleerd zou worden. Maar dat
gebeurt allemaal niet. Niemand kijkt me na, niemand betast me als ik naar de
eetzaal ga, of naar de gesprekskamer om mijn advocaat te zien.
Zij komt om de andere dag. Ze zal
niks beters te doen hebben, want ik geloof niet dat ze zich erg uitslooft om
mij uit de cel te houden. Soms lijkt het wel alsof ze het eens is met mijn
veroordeling, al heb ik haar wel tien keer uitgelegd dat het rechtvaardig is
wat ik heb gedaan.
Ik hoor iemand bij de deur. Ze zal
er toch niet weer zijn? Ze is er gisteren nog geweest. Alsjeblieft niet, ik zit
hier nog liever eenzaam en alleen dan dat ik met dat mens stommetje zit te
spelen in de gespreksruimte. Kan ik nog een keer vertellen dat ik word
opgenomen in de heerlijkheid zeker, dat ze te redden is, kan ik nog een keer
die blik van medelijden verdragen, dat stomme zwijgen aanzien.
Het is de bewaker. Kom mee, zegt
hij, er is iemand voor je in de gespreksruimte. Dus toch, dat kan zij alleen
zijn. In het begin hoopte ik steeds dat Afroda zich toch bedacht zou hebben en
dat zij op bezoek zou komen, maar ik heb alle hoop al laten varen wat dat
betreft. De bewaker loopt met mij mee naar de gesprekskamer. Mijn hoofd is
gebogen, dat voel ik wel, net alsof ik teveel met me meesleep en misschien is
dat wel zo.
In de kamer zit niet de advocate,
zoals ik verwacht, maar Wim de Boer! Er is bloed op zijn gezicht, alsof hij
heeft gevochten. Ik ben verheugd, loop op hem toe, en wil hem omhelzen.
Meester, wil ik zeggen, U bent terug, u hebt mij vergeven, u helpt me verder op
het pad der gerechtigheid. Maar hij kijkt me kwaad aan, deinst terug, weert
mijn omhelzing af, zegt nietsnut, kan ik niks aan je overlaten, welke stomme
oen laat zich op heterdaad betrappen, alles heb je verpest, lamlul, stuk
onbenul, ik had het meteen moeten zien dat je geen knip voor de neus waard
bent, je hebt me verraden, niet een keer, niet twee keer maar wel honderden
keren, je gaat naar de Boze, naar het vuur. Ik kan mijn oren niet geloven, ik
kan me niet voorstellen dat de meester werkelijk zoiets tegen mij heeft gezegd
en toch is het zo want ik heb het zelf gehoord.
In mijn zak voel ik naar het mes,
dat ik altijd bij me draag als ik mijn cel afga. Ik grijp hem snel, draai hem
om, de bewaker spoedt zich dichterbij, maar voordat die bij mij is, ligt Wim de
Boer al op de grond, met zijn keel doorgesneden, en hij bloedt, al het leven
loopt uit hem weg. Ik zie hem wel weer op de jongste dag.
Pallas en Afroda zaten in de serre van Pallas’ huis. Vandaag hadden ze Medusa gecremeerd.
Het was een sobere plechtigheid geweest, waarbij onverwacht veel onbekende
mensen waren verschenen, veel ouderen, die zich hadden voorgesteld als haar
maten uit het verzet. Ook zij wilden daar niet veel over vertellen, alsof het
om iets onbehoorlijks ging. Daarnaast was de halve buurt uitgelopen.
De aula was veel te klein om alle
mensen te herbergen. Daarom had de uitvaartondernemer in allerijl grote
televisieschermen in andere ruimten gehangen zodat iedereen de plechtigheid kon
volgen.
Bij de condoleance hadden
verschillende buren hun spijt betuigt over hun rol in de volksrechtspraak.
Pallas was een goede buur, zeiden ze, en ze hadden het nooit zover mogen laten
komen, ze hadden haar nooit op die manier mogen uitsluiten. De aanval op
Beatrice was al fout geweest, maar dat konden ze zich nog wel voorstellen van
zichzelf. Beatrice leek tenslotte een bedreiging te vormen. Hun spijt was oprecht,
vond Pallas, en diverse keren had ze ‘zand erover’ gezegd.
“Het was mooi,” zei ze,
namijmerend, tegen Afroda.
“Zeker,” zei Afroda. “Het was een
waardig afscheid na een waardige afsluiting van een nuttig leven.”
“Elk bestaan is zinloos, weet je
nog? Desondanks heeft Medusa het er goed afgebracht, vind ik. Zeg eens, dat
wilde ik je de hele tijd nog vragen. Ben jij echt nog maagd?”
Afroda knikte en staarde voor zich
uit.
“En dat blijf ik ook, met jouw
goedvinden,” sprak ze op besliste toon. “Wat denk je, zullen we maar
uitsterven?”
Pallas pakte haar hand en zei voor
zich uit.
|