Martin

"En toen werd je vader plotseling jij. Dat was zo raar", hoorde Martin zijn moeder zeggen, die in de keuken het theewater opzette. Hij bekeek zichzelf in de spiegel en vond, dat hij er niet slecht uitzag voor zijn tweeenveertig jaar. Hij had nog nergens grijze haren en rimpels waren er ook niet te ontdekken. Hij zette het scheermes terug, en liep de keuken in. Zijn beschuitje stond al klaar op de tafel. Het ergerde hem iedere morgen weer, dat zijn beschuit eerder klaar was dan zijn thee; nooit tegelijkertijd, zoals het hoorde. "Wat een mens 's nachts in zijn hoofd kan halen", ging zijn moeder verder "He, wat duurt het weer lang voordat het water kookt. Dat is altijd zo: als je aan het wachten bent, gaat de tijd langzamer". Ze droeg haar duster nog, want straks, als Martin naar zijn werk was, ging ze nog even slapen.
Eindelijk was de thee klaar. Geirriteerd keek Martin op de klok: Het was al acht uur en hij moest de bus van vijf over acht halen. "Wat een sneeuw is er gevallen, jongen", zei zijn moeder, die tegenover hem aan tafel was komen zitten. "Het is wel een meter, volgens mij. Als je er maar door komt. Pak je maar goed in." Martin zweeg en keek langs de oude vrouw heen door het keukenraam. Het sneeuwde nog steeds; een dichte regen van grote, witte vlokken. Toen hij buiten kwam, verdwenen zijn voeten in de sneeuw. Het gaf hem een prettig gevoel, alsof het deze dag anders maakte dan andere. Maar bij de hoek van de straat voelde hij een lichte paniek. Nu zou hij de tegel niet kunnen zien en zou hij niet weten of hij erop zou stappen of niet. Hij zou zijn lot van die dag niet weten. Hij bleef even stilstaan en overwoog zijn kansen: als hij dicht bij de huizen bleef, en kleine stapjes nam, zou hij hem niet kunnen raken. Dat zou tenminste onwaarschijnlijk zijn. Hij ging zo dicht mogelijk langs de huizen lopen en hield zijn ogen strak gericht op de plaats waar de tegel lag, aan de rand van de stoep, vlakbij de lantaarnpaal. Hij haalde opgelucht adem, toen hij de plek voorbij was, hoewel hij er niet zeker van was dat zijn opluchting terecht was. Dat zou straks pas blijken, als hij op kantoor was.

Bij de bushalte was het drukker dan anders. Er stonden veel mensen, die hij nog nooit had gezien. Hij ging achter een vrouw staan, die hij kende van gezicht. Ze had weleens tegen hem geglimlacht, als ze elkaar hadden aangekeken. Martin voelde dan dat hij bloosde.
Hij keek op zijn horloge en zag dat het al tien over acht was. Onrustig keek hij de weg af, maar hij zag de bus niet aankomen. Hij keek nog eens en luisterde of het nog liep, hoewel hij best wist dat dat onzin was bij een Quartz-horloge. De vrouw oor hem zei: "Vervelend, dat die bus niet komt. Het ligt aan het weer natuurlijk. Heel vervelend, ik kan vandaag echt niet te laat komen." Martin knikte tegen haar. Ze had nog nooit eerder tegen hem gesproken. Een mooie stem had ze; vrij luid, maar heel vriendelijk, heel vertrouwenwekkend. "Overmacht", ging de vrouw verder. "Voor jou zal het ook wel niet uitkomen. Maar ja, je doet er niets aan." Ze nam hem even op en ging verder "Wat doe jij eigenlijk. Ik heb je hier al vaak zien staan en me weleens afgevraagd: waar zou hij heen gaan, wat zou hij doen." "Ik ben verzekeringsadviseur", zei Martin. Het was eruit voor hij het wist. Even speet de leugen hem, maar hij bedacht, dat het haar niets aanging, dat hij al twintig jaar op dezelfde afdeling polissen zat uit te rekenen voor autoverzekeringen. Helemaal gelogen had hij ook niet, want er belde weleens een verzekerde op met een vraag. "Oh ja?" zei ze "Leuk. Goh, misschien zie ik je nog weleens. Daar heb je de bus."
De bus was behoorlijk vol en de ramen waren helemaal beslagen. Toen Martin aan de beurt was om in te stappen, waren alle zitplaatsen bezet. Tussen de overige staande passagiers zocht hij zich een weg naar de uitgang. Daar stond hij het liefst, dan kon hij er meteen uit, als hij bij het kantoor was. Een hele groep mensen scheidde hem van de vrouw. Hij vond het jammer, dat hij niet verder met haar kon praten. Hij zag een klein stukje van haar blonde hoofd tussen de andere mensen door en een lichte, aangename warmte stroomde door zijn lichaam.

Op het kantoor was het nog stil. Kennelijk hadden veel mensen niet door de sneeuw heen kunnen komen of het slechte weer gebruikt als excuus om te laat of helemaal niet te komen. Martin was tevreden over zijn eigen plichtsbetrachting. Toen hij zijn kopje koffie zat te drinken, zag hij het gezicht van de vrouw weer voor hem. Ze was in hem ge‹nteresseerd, dat was duidelijk. Waarom zou ze anders tegen hem gezegd hebben, dat ze hem misschien nog wel zou zien. Het kon best zijn, dat ze al tijden een gelegenheid had gezocht om iets tegen hem te zeggen. En eigenlijk was het ook niet zo gek dat ze wat in hem zag: hij zag er beter uit dan andere mannen van zijn leeftijd. Hij had nog geen buikje, hij was niet kaal en altijd ging hij netjes gekleed. Vrouwen hielden van verzorgde mannen. Dat zei zijn moeder, en de meisjes van de typekamer hoorde hij er ook weleens over praten.
Martin ging zich steeds vrolijker voelen. Hij betrapte zich er zelfs op dat hij zat te neuriën, heel zachtjes. Afwezig groette hij zijn binnendruppelende collega's en boog zich over het dossier dat boven op de stapel die nooit kleiner werd, lag. Hij luisterde niet naar de verhalen over het weer, waar iedereen die binnenkwam hetzelfde over zei. De schuine mop, die zijn collega Frans vertelde, maakte niet dat hij zich ongemakkelijk voelde, zoals anders altijd het geval was. "Ik heb de tegel niet geraakt, vandaag niet", dacht hij.

Hij zou de tweede stap moeten zetten. Het was aan hem op haar avances in te gaan. Het verontrustte hem, want het was meer dan twintig jaar geleden dat hij iemand had uitgevraagd. En toen was het gemakkelijk geweest, want hij kende het meisje al van de dansles.
Hij legde zijn pen neer en keek naar Frans, die met zijn blik een binnekomende jonge typiste volgde. "Zeg, Frans", zei hij, terwijl hij zijn stem zo diep mogelijk probeerde te laten klinken, "Weet jij toevallig wat voor films er deze week draaien? Ik heb toch een stuk ontmoet...". "Jij?", vroeg Frans met iets van ongeloof in zijn stem "Nou, het zal wel. In ieder geval, je moet het subtiel aanpakken." Frans keek Martin even met fronsende wenkbrauwen aan en Martin dacht dat hij iets van spot om de mond van Frans zag spelen. Frans ging verder "Een etentje, een borreltje en naar haar luisteren, ook al interesseert het je geen klap, wat ze zegt. Die film maakt niet zoveel uit, als het maar geen Kung-fu-film is, of zoiets, want daar houden ze niet van." Martin knoopte de informatie goed in zijn oren en ging verder met zijn werk, terwijl hij ondertussen een plan uitzette.
Hij zou haar vast de volgende morgen bij de bushalte weer zien. Dan zou hij voorstellen dat ze 'ergens een hapje' gingen eten. Hij zou dan de hele dag nog hebben om te bedenken waar ze gingen eten. Het moest natuurlijk niet te duur zijn, want dat zou haar in verlegenheid brengen, maar het kon ook niet te goedkoop, want dan zou hij afgaan. "Martin!". Martin schrok op. De stem van zijn chef, die naast hem stond, klonk streng. "Je bent alw‚‚r achter bij de planningen. Dit kan ik niet veel langer tolereren, als je dat maar goed begrijpt." Martin knikte, en even was hij van plan om zijn chef eens precies te zeggen wat hij van hem dacht, maar er vormde zich geen geluid in zijn keel. Toch voelde hij nu niet die flitsende steek door zijn borst, die hij altijd voelde, als de chef hem een reprimande gaf. Toen deze wegliep, boog Martin zich weer over zijn dossier en pas een uur later merkte hij dat hij helemaal niets gelezen had.

De volgende morgen zat Martin vroeger dan anders aan tafel. Zijn moeder had zelfs het beschuitje nog niet klaar, maar het deerde hem niet. "Ik heb slecht geslapen, vannacht", zei ze. Ze was de boter aan het zoeken, die ze nooit kon vinden, omdat ze hem altijd op een andere plaats zette. "Steeds maar wakker worden. Volgens mij komt het door die erwtensoep, die ligt altijd zo zwaar op de maag." Ze praatte door. Martin staarde naar buiten. Het dooide. De gesmolten sneeuw drupte langs de ramen, maar deze keer maakte het hem niet treurig.
"Oh, ja, moeder", zei Martin, toen ze zijn beschuit voor hem neerzette, "Waarschijnlijk kom ik vanavond niet thuis eten." Ze schrok. "Hoezo niet? Moet je overwerken?". "Nee, ik ga uit eten, met een vrouw, die ik pas heb ontmoet." Martin ergerde zich aan het licht trillen van zijn handen, toen hij zijn beschuitje oppakte. Zijn moeder zei: "Pas maar op. Je bent zo gevoelig. Kijk maar uit dat het niet net zo'n teleurstelling wordt als de vorige keer...Toen Thera je zo in een keer heeft verlaten. Ik wil altijd het beste voor je, dat weet je toch." Ze zette de ketel luidruchtig op het vuur.
Ze spraken niet meer tegen elkaar voordat Martin de deur uitging. Hij liep de straat op, en wachtte even bij de hoek. Hij kon de bushalte al zien, maar de mensen die er stonden, waren nog niet te herkennen. Hij liep er naar toe, en pas toen hij al ruimschoots voorbij de hoek was, besefte hij dat hij op de tegel was gestapt. Het was of al zijn bloed zich in zijn voeten stortte. Toen hij bij de bushalte aankwam, zag hij dat de vrouw er niet was.



© Petra Oomen, juni 1997