Verdriet omdat Leo de benen had genomen, had ze niet. Het was alleen
erg lastig dat er niemand meer was om voor een behoorlijk inkomen te zorgen.
Ze wist niet waar hij naar toe was gegaan. Op een dag was hij verdwenen
en de kinderen had hij meegenomen.
Bianca stond op van de bank waar ze de hele morgen met een bonkende
kop had gelegen, schopte de stapel ongeopende enveloppen die op de vloer
lag aan de kant en ging naar de keuken. In de fles jenever, die open op
het aanrecht stond, zat nog maar een klein bodempje.
"Shit!", riep ze en zette de fles aan haar mond. De drank droop
langzaam door haar slokdarm haar maag in en verlichtte haar hoofdpijn enigszins.
Nog twee weken zou het duren voordat haar uitkering gestort werd. Het was
een belachelijk laag bedrag, waar ze absoluut niet van rond kon komen.
Met haar levensstijl lukte dat gewoon niet, daar mochten ze ook wel eens
rekening mee houden.
Het was twee uur in de middag en ze was door haar hele drankvoorraad
heen. Zo zou ze de dag niet eens doorkomen, laat staan de volgende twee
weken. Het was dus zaak om maatregelen te nemen.
Ze liep terug naar de huiskamer en zag net op tijd een plakkaat
kots die daar sinds gisteren lag. Ze stapte er overheen. Niet lekker, om
daar met je blote voeten in te trappen. Zin om het op te ruimen had ze
niet.
Ze belde de Sociale Dienst.
"Mag ik Lydia Bruinsma?", vroeg ze, toen de receptioniste opnam.
Lydia Bruinsma was haar contactpersoon. Bij problemen moest ze haar bellen.
Dat had ze zelf gezegd.
"Mevrouw Bruinsma heeft geen spreekuur."
"Daar heb ik niks mee te maken. Ik zit in nood. Ik moet haar spreken."
"Het spijt me, maar het kan echt niet."
"Geef die Bruinsma, achterlijke teef!"
Het werd even stil aan de andere kant. Daarna klonk een andere stem:
"U heeft een probleem?"
"Dat mens wil me niet doorverbinden met Lydia Bruinsma!"
"De receptie heeft instructies om de medewerkers die geen spreekuur
hebben niet te storen. U kunt morgen bellen tussen elf en twaalf."
"Stelletje hufters! Nooit geven jullie thuis als er een mens in
nood is! Nou ik kom zelf wel even langs bij Lydia Bruinsma. Verstoppertje
spelen, wat denkt ze wel!"
Ze gooide de hoorn op de haak en liep naar de gang. Bijna struikelde
ze in haar drift over de drempel. Ze rukte haar bontjas van de kapstok
en trok hem aan.
Ze had geen strippenkaart maar ze gokte er op dat er niet gecontroleerd
werd in de tram. En anders zou ze die controleur, natuurlijk zo'n omhooggevallen
bijstandsklant, eens flink te waarheid zeggen.
Omdat er bij elke halte veel mensen in- en uitstapten duurde de
rit naar de Sociale Dienst lang. Haar irritatie nam toe bij elke kilometer
die in slakkengang werd afgelegd.
De woede om Leo's vertrek laaide weer op. Een watje was het en dat
ze hem af en toe een lel had verkocht, was niet meer dan logisch. Hij haalde
het bloed onder haar nagels vandaan met zijn gejammer over haar geliefden.
Als ze een lekkere vent zag in de kroeg nam ze die mee naar huis, zo zat
dat. Het was haar huis en haar leven en hij had zich eenvoudigweg nergens
mee te bemoeien. Het geklaag dat hij gek werd als ze boven met een ander
in bed lag, kwam haar de strot uit. De laatste klap had hem een gebroken
kaak bezorgd, maar dat kon goed genezen, dus wat wilde hij nou. Dat ze
alles maar voor lief nam? Nee, zo zat ze niet in elkaar.
De tram stopte weer. Een groep Japanse toeristen, allemaal mannen
in zakenkostuum, kwam binnen en bleef bij de stempelautomaat staan. Ze
keken vragend om zich heen. Eén van hen vroeg haar:
"You know?"
"Fuck off!", zei ze en draaide haar hoofd om. Waarom bleven die
lui niet waar ze thuishoorden? Ze hielden de boel maar op door zo te staan
stuntelen. Zo duurde het nog langer voordat ze haar geld had. Dat ze dat
kreeg stond voor haar vast. Al zou ze Lydia Bruinsma er met blote handen
voor moeten uitwringen.
Eindelijk stopte de tram voor de sociale dienst. Bianca stapte uit
en haalde de mensen die voor haar liepen in. De draaideur klemde. Dat was
al maanden zo. Ze gaf er een nijdige trap tegen en de deur zwaaide piepend
open.
Ze stevende af op de receptie, legde haar handen plat op de balie
en zei: "Lydia Bruinsma, graag, en wel direct!"
De receptioniste keek haar onderzoekend aan en zei:
"Mevrouw de Boer, ik heb het u al door de telefoon gezegd, maar
mevrouw Bruinsma heeft geen spreekuur. Ik kan een afspraak voor u maken."
"Niks geen afspraak. Bruinsma moet ik spreken. Nu!"
De receptioniste pakte de telefoon en verloor Bianca geen moment
uit het oog, terwijl ze op gedempte toon met iemand aan de andere kant
van de lijn overlegde.
"Ik weet het, Lydia, maar er is geen houden aan. Kom toch maar even.",
verstond Bianca.
Ze hing op en zei op afgemeten toon:
"Gaat u maar even zitten."
Bianca zat nog maar net, toen Lydia Bruinsma de wachtkamer binnenkwam.
"Mevrouw de Boer", zei ze onvriendelijk toen ze voor haar stond,
"Volgt u mij maar".
"Ik kan niet rondkomen van dat hongerloon", zei Bianca zodra ze
was gaan zitten in de spreekkamer. Ze zat tussen tafel en muur geperst.
"Alles is al op en mijn uitkering komt pas over twee weken weer.
Zo kan het echt niet langer."
"U zult het er toch mee moeten doen", zei Lydia Bruinsma, "Zo is
de norm nu eenmaal. En al zouden we willen, meer kunnen we niet geven."
Ze bladerde een dik dossier door, alsof ze ergens naar op zoek was.
"Nee, nou wordtie mooi! Je hebt me maar te helpen! Zo staat het
in de wet. De overheid moet iedereen voldoende middelen van bestaan verschaffen!"
"En dat is precies wat de overheid doet. U zult uw levenstijl moeten
aanpassen aan uw inkomen."
"Welja! Ik kom hier in nood en wat krijg ik? De ene grofheid na
de andere. Dat mijn man mij verlaten heeft, daar kan ik niks aan doen.
Het is belachelijk dat ik daarvoor zo gestraft word!"
"Ik heb de regels niet verzonnen. Uw komst hier naartoe heeft geen
enkele zin. Ik kan niets voor u doen."
Bianca sloeg met de vuist op tafel, die vervaarlijk kraakte.
"Als u zich zo gedraagt, weiger ik u nog langer te woord te staan",
zei Lydia Bruinsma op besliste toon.
"Moet jij eens goed naar me luisteren, snotneus. Je zorgt ervoor
dat het in orde komt en anders zul je er nog spijt van krijgen!"
De linkerhand van Lydia Bruinsma verdween onder tafel. Bianca kwam
overeind en greep haar arm. Ze wist maar al te goed dat Lydia de alarmbel
probeerde te bereiken.
"Laat los!", riep Lydia. Ze was rood aangelopen.
"Eerst regelen. Dan kun je gaan. Ben ik duidelijk?"
De deur achter Bianca ging open en twee mannen kwamen de spreekkamer
binnen. Ze grepen haar vast en rukten haar hand van Lydia's arm.
"Jullie zijn ook niks te vroeg.", zei Lydia nijdig.
De mannen zeiden niets, maar sleepten Bianca de gang door naar de
uitgang. Ze zetten haar buiten en gingen zelf weer naar binnen. Daar bleven
ze door het glas van de deur naar haar kijken.
"Stelletje fascistische zwijnen!", riep Bianca "Kunnen jullie wel
tegen een vrouw alleen? Jullie horen nog van mij." Ze stak haar middelvinger
omhoog.
Zorgvuldig klopte ze haar jas af alsof die bevuild was door de aanraking
van de twee mannen en liep naar de tramhalte. Ondertussen pijnigde ze haar
hersenen over hoe ze aan geld moest komen. Haar postbankrekening was allang
geblokkeerd, alle flessen had ze omgezet in statiegeld en die bontjas zou
ook niet veel opbrengen in dit anti-bonttijdperk.
Als ze Leo nu in handen kreeg, zou hij er niet afkomen met een gebroken
kaak. Vermorzelen zou ze hem en dan nog eens vierendelen. Hoe haalde hij
het in zijn hoofd om haar zo te laten zitten? Het minste dat hij had kunnen
doen was toch wel het regelen van een goede alimentatie.
Bij de halte stond een oude vrouw te wachten. Bianca knikte kort
en keek de straat op alsof ze de komst van de tram zo zou kunnen bespoedigen.
Nog niets te zien in de verte. Dat werd minstens een kwartier wachten.
Ze keek nog eens naar de oude vrouw. Die had een zwartleren tas
onder de arm geklemd. Daar zou vast veel geld in zitten. Die oude wijven
vertrouwden niemand en liepen met al hun spaargeld op straat.
Bianca keek om zich heen. Niemand te bekennen buiten voorbijrazende
fietsers en automobilisten. De straat aan de overkant van de halte leidde
naar een gracht. Vandaaruit zou ze gemakkelijk kunnen verdwijnen in één
van de vele zijstraatjes.
Het oude mens haalde een zakdoek tevoorschijn uit haar tas en snoot
haar neus luidruchtig. Verontschuldigend glimlachend keek ze Bianca aan
en zei:
"Het heerst weer."
Bianca gaf haar een duw waardoor ze achterover tuimelde. Ze griste
de tas onder de arm weg en zette het op een lopen. Pas op de gracht was
het gegil van het ouwetje niet meer te horen. Ze minderde vaart en probeerde
op adem te komen. In de tas vond ze een portemonnee met enkele briefjes
van honderd. Niet slecht om mee te beginnen al kon het beter. Kalm wandelde
ze verder. Voortaan kon ze het wel zonder Leo stellen.
© Petra Oomen
januari 2000