In de spiegel zag Fred een charmante man met trekken, die bepaald
adellijk waren te noemen. Hij knipoogde. Olijk, maar toch beschaafd. Zijn
kalende hoofd voegde nog iets toe aan zijn voorname voorkomen. Het rokkostuum
dat hij die middag had gehuurd, zat hem iets te strak, maar als hij zijn
buik wat inhield, zou dat niet opvallen.
Hij zette de thermostaat van de verwarming lager en begon te rekenen.
Waarschijnlijk zou hij niet eerder dan een uur of twaalf terug zijn; dat
betekende zes uur besparing op de verwarmingskosten. Het was behoorlijk
koud, dus in geld uitgedrukt was dat al gauw een paar gulden. Die kon hij
weer bij het huishoudgeld leggen, zodat hij volgende week misschien drie
keer warm kon eten.
Sinds hij hier twee maanden geleden was komen wonen, was het zoeken
naar kwartjes en dubbeltjes om het immense bedrag voor de hypotheek op
tafel te kunnen leggen. Maar een huis aan het Wilhelminapark mocht natuurlijk
wat kosten. Links van hem woonde een kantonrechter, rechts Eleanore, die
in de Eerste Kamer had gezeten en nu voorzitter was van allerlei gezondheidszorginstellingen.
Iets van de voornaamheid van zijn buren moest op hem afstralen, dat kon
niet anders. En daar was het hem allemaal om begonnen. Het was vernederend
om dag in dag uit op de financiële administratie te zitten en orders
te krijgen van zijn zo gehate chef. Net zoals het vervelend was om alleen
maar te worden uitgenodigd voor de verjaarspartijtjes van familie en kennissen,
die evenmin iets voorstelden. De omgang met zijn buren moest hem verheffen
uit de massa, die hij minachtte.
Hij keek op zijn horloge. Vijf over half zes, nog vijfentwintig
minuten voor hij kon vertrekken naar het diner van Eleanore. Hij probeerde
zich te concentreren op een krantenbericht over het nieuwe belastingstelsel,
maar het lukte niet. Dat was jammer, want het zou zeker een geschikt gespreksonderwerp
zijn. Het vooruitzicht dat hij straks aan tafel zou zitten met Eleanore
en haar deftige gasten wond echter hem zo op, dat hij alleen maar nerveus
kon wachten tot het eindelijk tijd was.
IJsberend liep hij heen en weer door de kamer. Er lag veel stof.
De volgende dag zou hij de hele dag bezig zijn met het huishouden. Hij
piekerde erover wat hij voor reden zou opgeven als één van
zijn buren zou opmerken dat de gordijnen de hele dag gesloten bleven. Maar
hij wuifde zijn angst weg. Zij zouden daar niets van zeggen, ook niet tegen
elkaar. Er kon tenslotte van alles aan de hand zijn. Hij kon migraine hebben
en niet in staat zijn om daglicht te verdragen. Dat kwam vaak voor bij
mensen aan de top had hij gelezen. Of misschien zouden ze veronderstellen
dat hij in zijn schaarse vrije tijd een vrouw ontving. Met dat soort zaken
ging men discreet om in deze buurt.
In ieder geval zou niemand te weten komen dat hij de hele dag met
emmers sop en stofdoeken in de weer was, omdat hij geen huishoudelijke
hulp kon betalen. Gelukkig kwam zijn zuster af en toe langs en deed dan
de ramen. Zo leek het er toch op dat hij zijn zaakjes prima voor elkaar
had.
Tien voor zes. Het zou niet goed staan om precies om zes uur aan
te bellen. Beter was vijf over zes, of een nog willekeuriger tijdstip,
zeven over zes bijvoorbeeld. Het moest er in ieder geval op lijken dat
hij zich van de ene borrel naar het andere diner spoedde. In werkelijkheid
kwam hij nooit ergens. Zelfs niet in het bedrijfsrestaurant, want daar
had hij geen geld voor. Zijn lunchpauzes bracht hij door op een bankje
aan het kanaal, waar hij twee boterhammen at die hij in een plastic trommeltje
van huis meenam. Op zaterdag kocht hij om vier uur een afgeprijsd brood
bij de basismarkt, waar op dat tijdstip vaak ook vleeswaren in de aanbieding
gingen. De kosten voor zijn lunches van de komende week kon hij dan alvast
in zijn boekhoudschrift noteren.
De Friese staartklok, aangeschaft op een antiekbeurs met geld dat
hij zonder dat iemand het wist van de zaak had geleend, sloeg zes uur.
Fred verstijfde. Het kwam er nu op aan dat hij zich goed gedroeg. Het diner
bij Eleanore was een soort examen, waarmee hij zou bewijzen dat hij er
echt bij hoorde. Hij had een keer koffie gedronken bij Eleanore, maar toen
was hij niet echt op de proef gesteld. Ze hadden beleefd gebabbeld over
wanneer de vuilnis werd opgehaald en de erfafscheiding in hun tuinen. Vanavond
zou hij op gelijke voet verkeren met mensen die hem nog niet zo lang geleden
niet eens zagen staan. Hij mocht niet falen.
De volgende minuten kropen traag vooruit. Gespannen volgde hij de
grote wijzer van de klok die wel leek stil te staan.
Om zeven over zes sprong hij op. Voordat hij het huis verliet, streelde
hij langs zijn kostuum om te voelen of het niet gekreukt was. Bij de deur
aarzelde hij even: wat moest hij beginnen als hij door de mand viel? Hij
haalde diep adem en liep naar het huis van Eleanore.
De deur werd opengedaan door een wat muizig meisje gekleed in een
zwarte jurk en een wit schort. Eleanore zou haar voor de gelegenheid hebben
ingehuurd. Nadat ze zijn jas had aangenomen, stapte hij de eetkamer binnen.
Er was daar niemand. De tafel was gedekt met een damasten kleed en het
dure servies werd geflankeerd door zilveren bestek. Wel vijfendertig couverts
telde hij. De kaarsen in de drie antieke kandelaars brandden niet.
Het was duidelijk dat het niet de bedoeling was, dat hij al plaatsnam
aan tafel en even stond hij voor een dilemma. Als hij zo bleef staan, zag
het er vast lullig uit. Gelukkig kwam Eleanor binnen.
"Fred…", kraakte haar stem hem tegemoet. De uitdrukking in haar
ogen was koel maar ze glimlachte wel. Hij moest er dus van uitgaan dat
hij echt welkom was. Hij kuste haar licht op de wangen, zoals hij dacht
dat het hoorde.
"Geweldig om je weer te zien, Eleanore. Wat een prachtige gelegenheid
om weer eens samen te zijn."
Ze knikte minzaam.
"Laten we even naar de lounge gaan, Fred, dan drinken we daar nog
wat. Hoe is het overigens bij Zorgcentrum Vitaal? Het zijn geen gemakkelijke
tijden voor jullie." De laatste zin sprak ze op samenzweerderige toon uit.
Hij had geen idee waar ze op doelde en zei alleen maar:
"Het gaat, het gaat, al zijn nog lang niet alle moeilijkheden overwonnen"
Ze lachte kort.
"Oh Fred, je gevoel voor understatement is voortreffelijk." Ze sloeg
hem licht op de schouder.
In de lounge stonden twee mannen van een jaar of zestig met elkaar
te praten. Eleanore leidde hem naar het gezelschap.
"Rogier, Nico, dit is mijn buurman Fred, jullie weten wel, de financieel
directeur van Zorgcentrum Vitaal, die hier nog niet zo lang geleden is
komen wonen." De mannen onderbraken hun gesprek en schudden Fred de hand.
Ze wendde zich tot Fred en zei: "Rogier is hoofd van de vakgroep
Interactieve Verpleegwetenschappen en Nico is van Broeders Beleid &
Management." Nico en Rogier knikten hem welwillend toe. Nu pas viel hem
op dat hij danig uit de toon viel in zijn rokkostuum. De beide heren droegen
een coltrui onder hun geruite colberts. Hij vroeg zich af of hij een grapje
moest maken over zijn formele voorkomen, maar besloot dat het beter was
er niet de aandacht op te vestigen.
Fred nam een glas sherry van een blad dat één van
de bedienden hem voorhield.
"Wat een toestand daar bij jullie", zei Rogier, "Als de pers eenmaal
lucht krijgt van zoiets, dan is het leed niet te overzien. Hopelijk kunnen
jullie die aasgieren nog even buiten de deur houden."
Fred knikte en begon zich af te vragen wat voor toestand het dan
toch wel was bij het Zorgcentrum, waar hij al twintig jaar op de crediteurenadministratie
werkte.
Rogier en Nico zetten hun gesprek voort alsof hij er niet was. Hij
probeerde te begrijpen waar ze het over hadden, zodat hij op een bepaald
moment zou kunnen aanhaken, maar dat lukte niet.
"Het is te fragmentarisch", zei Rogier, "De samenhang ontbreekt,
zoals altijd".
"Zo is het niet te implementeren", beaamde Nico, "Altijd hetzelfde
verhaal. De randvoorwaarden ontbreken en zo zal het altijd zijn, als er
nooit naar de vraagkant wordt gekeken."
Er arriveerden meer gasten, allemaal even informeel gekleed. Eleonore
liep iedereen kirrend van vreugde tegemoet, hoewel sommigen hartelijk werden
gezoend en anderen het met een luchtzoen moesten doen.
Fred mompelde "Ik ga even verder", maar Nico en Rogier hoorden hem
niet. Hij liep tussen de mensen door en bleef af en toe bij een groepje
stilstaan. Men wierp een bevreemde blik op zijn kostuum en vervolgde dan
het gesprek, waar Fred niets van kon volgen. Het leek wel of deze mensen
een geheimtaal spraken, die slechts ingewijden konden begrijpen. Langzaam
werd het hem duidelijk dat hij nog wat barrières te nemen had voordat
hij zich daartoe kon rekenen.
Het was een opluchting toen een bediende vroeg of de dames en heren
aan tafel wilden gaan. Daar zou hij tenminste naast iemand zitten. Het
aanknopen van een gesprek moest dan niet al te moeilijk zijn. Hij zon op
een geschikt onderwerp, maar het waren slechts losse woorden als "aftrekposten"
en "de minister" die door zijn hoofd schoten.
Aan zijn linkerzijde zat Frederique, zoals zij zichzelf voorstelde.
Ze was in de vijftig, droeg haar grijze haar in een paardenstaart en zag
er nogal mallotig uit in haar gevlekte T-shirt en spijkerbroek. Een fossiel
uit de jaren zeventig, dacht Fred. Toch was ze waarschijnlijk iemand, anders
zou ze hier niet zijn. Hij draaide zijn glas in zijn hand en zei: "Deze
tijd is zo materialistisch. Het gaat te ver. Het kan niet anders of er
komt een keerpunt."
"Ach", sprak ze met dubbele tong, "Wie zit er nou op een keerpunt
te wachten. Elke tijd heeft zijn charme, deze ook". Haar stem klonk schril
en was vast ook voor degenen aan de andere kant van de tafel verstaanbaar.
Even keek ze hem aan alsof ze plotseling ontdekte dat hij naakt was. Toen
draaide ze zich om en begon een gesprek met haar buurman.
Eleanore, die aan het hoofd van de tafel zat, tikte tegen haar glas.
De gasten zwegen abrupt en keken in haar richting.
"Vrinden", begon ze. Ze klonk zoetgevooisd, zodat de scheuren in
haar stem enigszins werden gladgestreken.
"Af en toe mag een mens zich warmen in intiem gezelschap. Vanavond
is zo'n gelegenheid. Een ontspannen sfeer, dat heb ik al wel gezien, en
dat is heerlijk. Op onze eigen manier staan we allemaal aan het roer in
deze samenleving, en in de woelige baren is het weleens moeilijk om het
schip drijvende te houden." Ze pauzeerde even. Een beschaafd gelach klonk.
"Daarom is het goed om eens entre nous te zijn, en niet elk woord te hoeven
wegen, maar ons vrijelijk met elkaar te kunnen verstaan. Want in wezen
komen wij toch allemaal dezelfde hobbels tegen en het is prettig om dat
eens met elkaar te kunnen delen. Ik wens jullie allen een prettige voortzetting."
Het voorgerecht werd geserveerd. Fred nam een hap en kokhalsde bijna
van de zoet-zilte smaak. Het leek op vis met suiker. Hij nam kleine hapjes
en slikte die meteen door, zodat hij niet hoefde te proeven. Hij moest
zich hier zo op concentreren, dat hij niet meteen merkte, dat de man die
tegenover hem zat, tegen hem praatte.
"Zorgcentrum Vitaal, had ik dat nu goed verstaan?" vroeg de man
op ongeduldige toon.
Fred knikte. De man droeg een donkere bril, wellicht had hij last
van zijn ogen.
"Heel wat sores bij jullie de laatste tijd, is het niet?"
Fred knikte nogmaals en probeerde koortsachtig te bedenken hoe hij
adequaat kon inspringen op deze opmerking.
"Die budgettekorten, die nekken ons", bracht hij uiteindelijk uit.
De man liet even een verbaasde blik om hem rusten en zei toen:
"Ik doel eigenlijk op de perikelen rondom Martin. Die kwestie van
de overboeking van de reserves op zijn privé-rekening. Heel onverkwikkelijk."
Martin was de algemeen directeur van het zorgcentrum en Fred had
nog niet eerder gehoord van een overboeking die niet in de haak zou zijn.
Maar dat was niet zo raar, want niemand van het management zou hem, medewerker
in de lagere regionen, dat vertellen.
Hij staarde naar zijn bord met de aangevreten vismousse alsof daar
de geheimen van de directiekamer geschreven zouden staan.
Zo langzamerhand bekroop hem het onaangename gevoel dat hij de juiste
toon maar niet te pakken kon krijgen. Er moest hier een strijd worden geleverd
die hij maar met moeite zou kunnen winnen.
"Vreemd eigenlijk, dat ik je nog niet eerder heb ontmoet", begon
de man aan de overkant weer "Laatst heb ik nog een gesprek gehad over Martin
met jullie hele managementteam. Eén van onze verzekeraars is nauw
bij de kwestie betrokken, zoals je weet. Ik zou verwachten dat jij daar
ook bij was geweest." Er verscheen een frons op zijn voorhoofd. "Nu ik
er goed over nadenk, George was er. George Bruiniers, een geschikte kerel,
integer ook. Dacht er geen moment aan om Martin, toch zijn baas, de hand
boven het hoofd te houden."
George Bruiniers was de financieel manager. Als hij Fred tegenkwam,
liep hij hem zonder groeten voorbij. Hij merkte hem eenvoudig niet op en
dat ervoer Fred iedere keer weer als zeer grievend, evenals alle andere
kleine vernederingen die hij door zijn nietigheid dagelijks moest ondergaan.
"Zeg, George is toch niet op non-actief?", vroeg de man, terwijl
in zijn stem bezorgdheid doorklonk.
Fred schudde het hoofd en voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen.
Zijn kop moest nu knalrood zijn. Hij kreeg geen hap meer door zijn keel.
De man keek Fred even onderzoekend en argwanend aan, terwijl hij
van zijn wijn dronk. Toen richtte hij zich tot zijn buurvrouw.
Fred voelde zich opgelaten en keek links en rechts om zich heen
of er iemand was met wie hij een gesprek zou kunnen beginnen. Iedereen
was echter druk aan het keuvelen en hij zag geen manier om zich ergens
bij aan te sluiten. Hij verwachtte half en half een berisping te krijgen
omdat hij zijn voorgerecht niet opat, maar hij leek onzichtbaar geworden.
Alleen zijn overbuurman wierp af en toe nog een achterdochtige blik op
hem, die hem deed huiveren.
Eigenlijk wilde hij wegsluipen en de avond vergeten, maar hij wilde
nog niet toegeven dat zijn entree in de hogere kringen mislukt was.
"Laten we nog wat napraten in de lounge", zei Eleanore, toen de dessertbordjes
waren afgeruimd. De gasten stonden op en volgden haar. Er was geen ontkomen
aan. Ook dit zou Fred nog moeten doormaken.
Er werd hem een sigaar aangeboden, die hij met een gevoel van dankbaarheid
opstak. Zo had hij tenminste iets om handen.
Plotseling stond de man die tegenover hem had gezeten naast hem.
"Zo, zo, meneer de financieel directeur", zei hij met barse stem.
Vanuit zijn ooghoeken zag hij Eleanore met toegeknepen ogen naar
hem kijken.
"Ik heb net met George gebeld en die kent jou niet."
"Dat is toch werkelijk heel vreemd…", begon Fred. De man vatte zijn
schouder.
"Wat je hier komt doen, interesseert me niet, maar als je Eleanore
of één van de gasten schaadt, breek ik je nek. Je bent toch
niet zo'n vuig journalistje van VN of zo, hè?".
Eleanore voegde zich bij hen.
"Ik voel me diep gekwetst, Fred, dat je mijn vertrouwen zo hebt
beschaamd. Het is beneden alle peil. Ik was nog zo blij toen je hiernaast
kwam wonen." Ze wierp hem een ziedende blik toe. "Ik wil niets meer met
je te maken hebben en bovendien zou ik graag zien dat je nu vertrekt. Rustig
en beheerst." Fred deed een paar stappen naar de deur. Hij wankelde toen
hij naar buiten stapte.
In zijn woonkamer luisterde hij hoe de andere gasten luidruchtig
vertrokken. Hij zat in het donker, want het was beter dat de buren niet
zagen dat hij nog op was. Als een lopend vuurtje zou door de buurt rondgaan
dat hij niet was voor wie hij zich uitgaf. Hij zou zich niet meer kunnen
vertonen.
Zijn ogen dwaalden over de silhouetten van de dure meubelen, die
hij op krediet had gekocht. Misschien waren ze nog voor een redelijke prijs
te verkopen, zodat hij althans een deel van zijn schulden zou kunnen aflossen.
Het geld van de zaak moest in ieder geval terug voordat iemand zou merken
dat het weg was. Het stond vast dat hij zijn huis moest verlaten. Voortaan
zou hij genegeerd worden door de buurt. En hij zou zeker niet meer worden
uitgenodigd worden voor hun parties. Alle opofferingen en de moeite die
hij zich de laatste tijd had getroost, waren zinloos geworden.
© Petra Oomen
december 1999