Koppijn

Al die jaren had ik het moment gevreesd en toch overviel de klop
op de deur me. Ik schokte in mijn stoel en het duurde even voor ik in staat
was op te staan en open te doen.
Er stonden twee vrouwen. Een kleine met donker haar en een grote
blonde. Ze glimlachten meewarig zodat ik direct wist dat ze niets goeds
in de zin konden hebben. De grote blonde torende boven me uit en leek te
wankelen op haar te dunne benen. Elk moment kon ze over me heen vallen
en me verpletteren.
"Over een maand wordt er begonnen met de aanleg van de weg", zei
ze. Haar lichaamsgeur drong diep in me door. Ik was bang dat ik ter plekke
zou oplossen.
"U moet hier weg", vervolgde ze "We hebben al een oplossing gevonden.
Een woonzorgcomplex. U krijgt daar een eigen kamer en er is verzorging."
Ik zei niets. Na zoveel jaren zwijgen was ik het spreken verleerd.
Ik volgde de bewegingen van de twee vrouwen om ze een slag voor te kunnen
zijn als dat nodig was. De kleine knikte bevestigend als de grote wat zei
en zwaaide met haar armen alsof ze niet wist waar ze die laten moest. Zeker
een stagiaire.
Het zou geen zin hebben gehad om te protesteren. De schaapskooi
zou worden platgewalst, zo nodig met mij erbij.
"Het is niet goed voor uw gezondheid om hier te blijven." De kleine
knikte weer. De grote blonde keek over mijn schouder naar binnen. "Het
is een tochtig hol, er is geen sanitair. Het is een schande dat hier niet
eerder wat aan is gedaan."
Er zaten kieren tussen de planken van de muur en het dak kon de
regen al lang niet meer tegenhouden. 's Winters was het er koud, 's zomers
warm. Toch hield ik van deze plek, de enige waar ik werkelijk kon leven.
De kleine toonde me een brochure. "Woonzorgcomplex De Haven", stond
erop. Er stonden foto's in van een flatgebouw. Op het grasveld voor het
gebouw zaten oude mensen in stoelen.
"Een eigen kamer met een keukentje waar u koffie en thee kunt zetten",
zei ze, "En veel mogelijkheden tot contact met medebewoners. Er worden
elke week activiteiten georganiseerd."
Ik knikte en sloot de deur. Ze bleven nog wat staan mompelen. Na
een paar minuten hoorde ik ze weggaan.
De maand die ze me gelaten hebben, is voorbij. Morgen komen ze me
halen. In de afgelopen weken zijn ze al bezig geweest op het terrein. Er
zijn bouwketen neergezet en grote afvalbakken. Regelmatig liepen er grote
kerels met helmen en gereedschap. Af en toe keken ze naar de schaapskooi,
maar nooit kwamen ze in de buurt. Toch deed de aanblik van al die mensen
me pijn. Mijn vertrek hier zal me verscheuren, al zijn de dertig jaar dat
ze me met rust hebben gelaten meer dan ik had durven hopen. Ik heb geluk
gehad.
Die rust had ik nodig omdat er overal mensen waren. Ze liepen door
me heen, verpulverden me, lieten niets van me over en ik had geen verweer.
Overdag, als ik achter de kassa bij de Hema zat, gooiden grimmige
mannen en vrouwen hun onderbroeken en sokken op de band. Ik sloeg de prijs
aan met mijn gezicht perfect in de plooi, alsof ze me niets konden maken.
Bij het afrekenen stonden ze nog geen meter van me af zodat ik geheel werd
omgeven door hun geur, de stank van verrotting, alsof hun huid een dun
vlies was dat de vuilnisbelt binnenin hen gebrekkig afdekte. Ik probeerde
me er voor af te sluiten door mijn adem in te houden als ik hen wisselgeld
gaf maar dat werkte niet. Soms raakte ik per ongeluk iemands hand aan en
dan kwam de geur mijn huidporiën binnen. Honderden keren per dag namen
ze zo bezit van me.
Als ik aan het einde van de dag naar de bushalte liep, was ik nog
niet vrij. Mensen die net als ik op weg waren naar huis, stootten me aan
in hun haast. Ze waren niet te vermijden. Telkens weer schuurden hun armen
tegen de mijne, zetten ze een voet op mijn voet. Ik bewoog me niet, maar
toch raakten ze me aan.
Ook in de bus was het druk. Zweterige handen betastten me, stinkend
stof dwarrelde over me heen. Soms vielen we bijna als een chagrijnige chauffeur
een te scherpe bocht nam.
De paar honderd meter van de bushalte naar huis liep ik zo langzaam
mogelijk. Degenen die dezelfde kant op moesten als ik liet ik voorgaan.
Pas als ze meters voor me waren ging ik op pad.
Zodra ik de sleutel in het slot van mijn huisdeur stak, renden ze
me tegemoet. Mijn zoon Tim klom bijna in me, zo blij was hij me weer te
zien. Ik moest me beheersen hem niet van me af te werpen. Margje bleef
in de deuropening van de kamer staan om naar me te kijken met vragende
ogen. Ik wist wat ze van me vroeg. Ik kon het haar niet geven.
Nico, die was afgekeurd vanwege rugklachten, keek televisie op de
bank. Soms gaf ik hem voorzichtig een kus, maar vaker liep ik direct door
naar de keuken.
Over het koken deed ik langer dan nodig was. Ik had de keuken tot
verboden gebied verklaard voor de rest van het gezin. Geen van hen stoorde
me daar. Ik keek hoe de aardappels kookten, draaide het vlees telkens om.
Even verlost van mensen kon ik bijkomen al was dat nooit genoeg.
Altijd kwam het moment dat ik met hen aan tafel moest. Ze vielen
uitgehongerd op hun eten aan. Het geraas van bestek dat tegen borden kletterde,
bezorgde me hoofdpijn. Ik wilde mijn walging uitschreeuwen en wegrennen,
maar ik hield me koest. Jarenlang.
Tijdens de afwas, waar ik ook lang over deed, herstelde ik weer
enigszins. Nico bracht de kinderen naar bed. Daarna ging hij weer zitten
en wilde hij praten. Hij heeft jaren gepraat. Ik heb nooit geluisterd.
Ik weet niet waarover hij het had.
Alleen de nacht was van mij. Tegen twaalven ging Nico naar bed en
werd het steeds stiller op straat. Vaak ging ik naar buiten en liep dan
uren door de wijk. Heel soms kwam ik iemand tegen, een late hondenuitlater,
een feestganger op weg naar huis. Overal waren mensen, altijd.
Tegen vijf uur sliep ik even op de bank tot de dag onveranderlijk
over me heen viel. Ik maakte ontbijt voor de kinderen, riep Nico uit bed
en vertrok dan naar de Hema.
Zo overleefde ik.
Op een dag in juni was het nog drukker dan anders in de winkel. Zwembroeken,
shirts, campingspullen. De een na de ander kwam afrekenen, de een na de
ander nam mij in bezit. Ze keken me geërgerd aan omdat ze zo lang
in de rij hadden moeten staan. Ik werd steeds kleiner.
Om zes uur, toen de winkel eindelijk sloot, ging ik naar buiten.
De stoet die tegelijk met mij het pand verliet, vetrok in de richting van
de bushalte. Ik bleef voor de ingang staan en maakte me zo klein mogelijk,
om aanraking zoveel mogelijk uit de weg te gaan. Toen het stil was, liep
ik de andere kant uit.
Uren liep ik zonder dat ik wist waarheen. Toen ik ver buiten de
stad was, spreidde ik mijn armen en genoot ervan dat er niemand in de buurt
was, dat ik mijn armen kon spreiden en rond kon draaien zonder het gevaar
te lopen iemand aan te raken.
In een weiland, waar het onkruid hoog stond, stond een houten gebouw,
een schaapskooi. De verf was er afgebladderd en de deur hing scheef. Daar
was al in tijden niemand geweest.
Ik ging er naar binnen en zette er mijn tas neer.
De eerste nacht bracht ik zittend op een oude stoel door. Ik dacht
aan niets speciaals. Een grote leegte omsloot mij.
De volgende nacht trok ik erop uit om eten te zoeken. Het bleek
gemakkelijk om in leven te blijven. Het was helemaal niet nodig om elke
dag naar de Hema te gaan. Alles was op straat te vinden. In de stad was
altijd wel een wijk waar de vuilnisbakken buiten stonden.
Van de eerste zinken bak die ik opende, gruwde ik. De stank walmde
me tegemoet en even dacht ik dat ik geen steek was opgeschoten. Ik vermande
me en haalde er een zakje aardappelen uit. Verderop vond ik een halve fles
cola. Dat was voldoende.
In de schaapskooi at ik tevreden. Voor het eerst sinds jaren sliep
ik droomloos en zonder vrees voor de nieuwe dag.
Eigenlijk verwachtte ik dat ik zou worden weggestuurd. Zoveel vrijheid
kon me niet gegund zijn. Nico zou me kunnen gaan zoeken. Hij zou me als
vermist kunnen opgeven.
Er kwam echter nooit iemand in de buurt van de schaapskooi. Na verloop
van enkele weken voelde ik me veilig. Ik deed niets dan 's nachts eten
zoeken en overdag zitten of liggen. Toch was mijn leven vol vervulling.
Ik was er zonder strijd en dat was voldoende.
Op deze laatste dag probeer ik me bij de feiten neer te leggen. Een
andere plek als deze zal ik niet vinden. Mensen als de grote blonde vrouw
die hier een maand geleden was zouden me niet met rust laten. Desnoods
zullen ze me met geweld naar zo'n woonzorgcomplex slepen.
Ik heb geen keus. Verzet is zinloos. Het zal vreemd zijn daar, tussen
vier muren, het geschuifel op de gang, de stemmen van de buren. Ze zullen
door me heen lopen, zoals ze destijds deden. Ze weten niet wat ze doen.
Ik weet niet hoe ik ze moet stoppen.
Het wordt al licht. Het is bijna voorbij.
|