Koekoeksjong

De stilte op zaterdag: ik ben alleen in het hier en nu en ik heb de zekerheid dat de harmonie door niemand verstoord zal worden.
Ik lees de contactadvertenties in de krant en prijs mezelf gelukkig dat ik mijn leven niet hoef door te brengen met de zakenman, die een goed inkomen heeft en veel vrienden maar toch die ene mist, of met de wandelaarster, die een niet-rookster zoekt. Ik zie me al met de tong op mijn schoenen de aantrekkelijke uitspanningen voorbij lopen. Alleen in mijn flat wil ik zijn, waar het zonlicht gefilterd door de vitrages binnenkomt en waar geen schrille, eisende stemmen zijn.

Mijn laatste liefde was Ronald, een mooie man en getrouwd. Dat laatste was belangrijk, want dat garandeerde dat ik de lusten had en niet de lasten. Al mijn minnaars en minnaressen waren gebonden. Een tijdlang ging het goed, maar altijd kwam zo’n verhouding uit op een punt dat ze familie van me wilden worden. Dan knapte het bij mij. Het lichaam dat ik kort daarvoor nog bemind had, zat me ineens in de weg als een lastig obstakel. Daar moest ik vandaan.
De affaire met Ronald had een paar maanden geduurd. Veel meer dan ’s avonds laat gepassioneerd vrijen hadden we niet gedaan. Op een dag wilde hij met mij praten. Het klonk ernstig. Ik dacht dat zijn vrouw achter de verhouding was gekomen en dat hij me, met spijt in het hart, wilde vertellen dat het over was tussen ons, dat we zo niet verder konden gaan.
Maar toen we in het café tegenover elkaar zaten, zei hij:
"Ik heb een verrassing voor je. Thea gaat zaterdags een cursus doen op Texel. Ik kan voortaan vrijdags bij je blijven, want ze gaat al vrijdag ’s middags al weg." Eerst stonden zijn ogen nog triomfantelijk, al snel zakten zijn mondhoeken naar beneden en in zijn blik heerste ongeloof.
"Dat is toch geweldig?" zei hij aarzelend.
"Op vrijdagavond heb ik zo mijn eigen bezigheden," zei ik.
"Maar die kan je toch doen terwijl ik erbij ben, het zou zo heerlijk zijn, als we wat huiselijkheid hadden. Nu is het zo van wip, en weer wegwezen."
Ideaal, dacht ik, mooier kan je het niet hebben.
Ik wilde Ronald niet op de bank, ik wilde hem in bed. Het mooiste moment van ons samenzijn was als hij zich na het vrijen aankleedde en ik me kon verheugen op het diagonaal in bed liggen – alleen, en ontspannen. Dat was mijn hoogtepunt, niet het klaarkomen.
"We moeten er maar een punt achter zetten, Ronald. Dit gaat te ver. Straks ga je me nog vertellen dat je wilt gaan scheiden. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben."
Hij zei niets, maar wierp me een gepijnigde blik toe en stond op. Met grote passen liep hij het café uit. Daarna heb ik nooit meer iets van hem gehoord.

Tijdens het lezen schiet me te binnen dat volgend weekend het familieweekend is, een traditie die is ontstaan na het vijfentwintigjarige bruiloftsfeest, dat gevierd werd in bungalowpark De Drie Boompjes op de Veluwe. Moeder straalde het hele weekend en ze liep af en aan met drankjes en hapjes.
"Dit moeten we ieder jaar doen!" zei ze. "Zo gezellig, met zijn allen bij elkaar!" Niemand durfde haar tegen te spreken. Alleen die eerste keer was Puck erbij, verder nooit meer.
Ik zet het familieweekend uit mijn hoofd en open de boekenbijlage. Dat is min of meer werk, want ik kijk bij de recensies of er iets genoemd wordt dat ik moet aanschaffen voor de bieb. Zo is het alleszins nuttig dat ik me op zaterdag heb vrijgeroosterd.
De telefoon gaat. Moeder. Ik had het kunnen weten: zo’n week van tevoren begint ze de familie te bellen om er verzekerd van te zijn dat iedereen zal komen. Geheel overbodig, want behalve Puck heeft nog nooit iemand gewaagd om niet te verschijnen.
"Hoe gaat het?" vraagt ze. Ik heb geleerd dat ik niet moet antwoorden dat het goed gaat, want dan kucht ze of ik iets onfatsoenlijks heb gezegd. Het gaat namelijk niet goed met mij, dat kan niet, want ik ben alleen.
"Met jou?" zeg ik.
Ze ademt diep in voor ze van wal steekt.
"Vader is weer naar de tuin. Wat moet zo’n man in de winter in de tuin, zo’n pietje precies is het, nu weer de bladen weghalen alsof die niet kunnen blijven liggen tot het voorjaar. Altijd moet hij bezig zijn, niet te remmen die man, en hij is toch al tweeënzeventig, dan moet je toch gaan opletten. Neem mij nou, laatst vroeg Betty of ik meeging naar Amsterdam, maar ik heb nee gezegd, want ik was de week ervoor nog in Hilversum geweest en je moet die dingen niet overdrijven. Ik ken mijn grenzen."
Als ze zo ratelt, is er iets. Met een gevoel alsof ik me voor een rijdende trein werp, zeg ik:
"En voor de rest? Hoe gaat het met gym?" Even is het stil. Dan komt het hoge woord eruit.
"Puck wordt vrijgelaten overmorgen."
"Nu al?" vraag ik. Puck vrij! Ik zal haar misschien weer zien. Ik wil dat en tegelijkertijd weet ik niet waarom ik dat wil, want ik heb haar maar één keer opgezocht in de gevangenis.
"Goed gedrag, dan mogen ze eerder vrij. De advocaat vertelde het. Tegen vader heb ik nog niks gezegd, want je weet hoe moeilijk hij is in die dingen. En dan met het weekend volgende week, het zou zo fijn zijn als Puck erbij was."
Weer zwijgt ze een ogenblik. Dan komt ze bij de kern van de zaak.
"Kan jij niet eens met hem praten? Naar jou luistert hij wel. Hij kijkt tegen je op, weet je dat?"
Dat zou ik moeten weten, want ze heeft het me al zo vaak verteld. Zij is echter degene die de doorslag geeft als het erop aankomt vader over te halen. Hij verdraagt het niet als ze met een gezicht rondloopt alsof ze het lijden van de hele wereld met zich meetorst, door de kamer sloft alsof elke stap door een dikke laag modder gaat en telkens in een gebaar van wanhoop haar armen in de lucht gooit.
"Ik weet niet of dat wat uitmaakt," zeg ik.
"Is er niet iets bij jou dat gerepareerd moet worden, dan kan ik hem naar je toesturen," zegt ze gretig.
"De badkamerlamp hangt nog steeds niet." Het heeft geen zin om me te verzetten.
"Hij komt morgen!" zegt ze verheugd.

Als ik de hoorn heb neergelegd, ga ik de lamp zoeken op zolder. Hij zit nog altijd in de verpakking. Ik heb hem vorig jaar in de uitverkoop gekocht en daarna ben ik hem vergeten.
Ik zet de lamp in de badkamer vlak naast de wastafel en kijk in de spiegel. Blond haar, met hier en daar lichtere plekken, grijs vrees ik en diepe groeven in mijn gezicht. Hoe zou Puck eruit zien na al die jaren? Ze lijkt helemaal niet op mij. Ze is klein en donker, iemand die het niet wist zou niet kunnen raden dat wij zusters zijn. Ze heeft felle ogen, die je dwingen te erkennen dat ze je meerdere is. Die heeft ze altijd gehad, als kind ook al. Ze is drie jaar jonger dan ik, maar het leek alsof dat andersom was. De kamer die we moesten delen, was in feite van haar. Ik mocht er alleen komen om te slapen. Direct na het eten ging ze naar boven. Het leek alsof ze niets met ons te maken wilde hebben, alsof ze ons alleen duldde omdat ze nog afhankelijk was voor haar verzorging. Soms moest ik iets halen, een boek of zo en ging ik toch de kamer in. Ze speelde vaak een wreed spel met poppen, waarbij de ene pop de andere aan het uitschelden was en uiteindelijk vermoordde.
"Je bent niks, een klein huftertje en lelijk bovendien," zei de ene pop. De andere deinsde terug.
"Loop niet weg! Luister naar me! Koekoeksjong!" ging de wrede pop door.
Puck was zo verdiept in haar spel dat het even duurde voordat ze me opmerkte.
"Ga weg!" zei ze dan en ze keek me net zolang aan tot ik verdween.
’s Nachts rolde ze met haar hoofd heen en weer op het kussen, alsof ze alle duisterheid uit haar hoofd wilde schudden.
Soms, als het mooi weer was, verdween ze naar buiten. Tegen mij zei moeder vaak:
"Niet te ver gaan, ik wil je kunnen zien."
Menno had ze het liefst in een kooitje gestopt. Ze had geen rust als ze hem niet in het oog had. Puck leek ze niet op te merken. Ze leek niet te beseffen dat ze met haar onder één dak woonde.
Puck kwam eens thuis met een grote wond aan haar knie. Ze huilde niet, maar beet op haar lippen om de pijn tegen te gaan. Tranen stonden in haar ogen. Die zou ze verdringen, al moest ze er dood voor neervallen. Moeder ging gewoon door met aardappels schillen. Puck strompelde naar de fruitschaal die op tafel stond en nam een appel.
"Afblijven!" snauwde moeder zonder op te kijken.
Puck gooide de appel op de grond en rende, zo goed en zo kwaad als het ging, naar boven.
De enige met wie Puck contact had, was Menno. Samen zaten ze uren lang met hun hoofden bij elkaar te fluisteren. Af en toe keken ze naar mij en giechelden. Ik kreeg het gevoel dat er iets raars aan mij was, dat ik zelf niet kon zien.

Puck zat drie maanden in de brugklas toen ze thuis werd gebracht door haar mentor.
Een nog jonge man stond voor de deur. Zijn haar viel tot op zijn schouders en hij droeg een vale spijkerbroek.
"Zijn je ouders thuis?" vroeg hij.
"Moeder," antwoordde ik. Ik kon mijn ogen niet van Puck afhouden. Haar haar was door de war en ze hield een zakdoek vol met bloed onder haar neus. Ze keek me met woedend flikkerende ogen aan.
"Mag ik binnenkomen? Ik wil je moeder spreken over Pucks gedrag."
Ik knikte. Hij duwde Puck voor zich uit de gang in. Het leek alsof ze een logge vracht was die hij maar met moeite kon verplaatsen.
Ze plofte op de bank en vouwde haar armen stuurs over elkaar. Ze keek stug voor zich uit. De mentor bleef besluitloos bij de deur staan. Moeder kwam de keuken uit waar ze vlees aan het braden was. Ze veegde haar handen af aan haar schort en keek van Puck naar de mentor. Die stapte naar haar toe en stak zijn hand uit. Ze nam hem niet aan.
"Ik ben net in de keuken bezig," verontschuldigde ze zich. Ze blikte naar Puck op de bank. Haar ogen vernauwden zich tot spleetjes.
"Wat heeft ze gedaan," siste ze.
"Van de Broek, mentor van klas 1G," ging de man verder terwijl hij zijn hand nog uitgestoken hield. "Puck heeft iets ernstigs gedaan. Daarover wil ik met u praten."
"Gaat u zitten," zei moeder. Haar stem klonk schor. De mentor ging op het puntje van vaders stoel zitten en keek moeder aan met een blik die ongetwijfeld voor doordringend moest doorgaan. Hij faalde, wat hij liet zien was eerder de blik van een klein jongetje dat bang is om op zijn donder te krijgen.
"Puck is een moeilijk kind," begon hij.
Moeder haalde haar schouders op en bleef hem aanstaren.
"Ze is altijd druk en lastig, en dat geeft niet zo, maar wat ze vandaag gedaan heeft kan echt niet door de beugel," vervolgde hij. Hij stopte zijn handen onder zijn benen en legde ze daarna op zijn schoot. "Onder wiskundeles was het. De leraar legde de stelling van Pythagoras uit en een andere leerlinge, Amelie, een briljant meisje, tekende op het bord het bewijs. Puck is toen van haar plaats gesprongen en heeft Amelie op de grond gegooid. Ze timmerde als bezeten op haar gezicht. De leraar kon Amelie met moeite bevrijden."
"Is dat waar, Puck?" vroeg moeder.
Puck antwoordde niet, maar keek woedend naar de mentor.
"Het is een trut!" riep ze.
"Ik maak me zorgen, mevrouw. Ze moet met iemand praten, met een psycholoog bijvoorbeeld."
"Van me nooit niet!" schreeuwde Puck.
"Mond houden! Straks ga je zonder eten naar bed!" siste moeder.
"Het is echt nodig dat u hulp zoekt, mevrouw," ging de mentor door. "Dit is niet normaal. Puck heeft geen controle over haar agressie."
"Ja, ja, ik heb het wel gehoord," zei moeder geïrriteerd. "Wilt u iets drinken misschien? Koffie? Thee?"
"Dank u, ik moet nodig weer verder." De mentor stond op en keek naar Puck. Even leek het of hij haar een klop op de schouder wilde geven, maar kennelijk bedacht hij zich want hij trok zijn hand weer terug.
"Puck is door de rector drie dagen geschorst," zei hij. Hij werd rood. "Ik ben daar geen voorstander van en heb het proberen tegen te houden, maar de rector was onverbiddelijk."
Moeder liep met hem de gang in. Het duurde even voordat ze weer terugkwam. Haar gezicht stond op wraak en bloed.
Met haar armen in haar zij ging ze voor Puck staan.
"Wat ben jij toch voor een kleine etterbak!" grauwde ze. "Niets valt er met jou aan te vangen, altijd ben je aan het donderjagen. Een rotkind ben je, ik snap niet dat ik jou heb voortgebracht. Volgens mij ben je verwisseld in het ziekenhuis."
Puck stond op en rende naar boven.
Die avond was het stil aan tafel. Zelfs Menno praatte niet. Vader was bij Puck geweest om te vertellen dat ze huisarrest had. Ze verscheen niet aan tafel.
"Ik kan dat kind niet meer zien," had moeder gezegd. "Doe me dat niet aan!" Niemand protesteerde, ook vader niet.
De hele avond had Puck de radio keihard aan. Niemand zei er wat van. Niemand sprak nog over Puck, alsof ze toen al niet meer bij ons hoorde.
Toen ik boven kwam, zat Puck op de rand van haar bed voor zich uit te staren in oneindige verten die toch zo dichtbij waren dat ze op de muur naast mijn bed te zien waren. Haar benen bewogen op de maat van de muziek. Ik liep naar mijn bed en probeerde haar niet te zien. De kamer was echter geheel met haar gevuld, ik kon haar niet ontwijken.
"Waarom heb je dat nou gedaan, met Amelie?" vroeg ik.
"Het is een trut," zei ze. "Van de Broek had zijn bek dicht moeten houden, want hij weet helemaal niet wat er gebeurd is. Het was iets tussen mij en haar, daar moeten ze buiten blijven." Ze deed haar armen over elkaar en keek me stuurs aan.
"Wat dan?" vroeg ik. "Had ze jou iets gedaan?"
"Nou en of! Ik had die vierkantjes voor haar getekend, want ze snapte het niet. En voor de klas deed ze net alsof ze het zelf allemaal uitgevonden had. Dat pik ik niet! Dat pik ik van niemand!"
Ze kleedde zich uit en ging op haar rug in bed liggen. Die avond draaide ze urenlang haar hoofd heen en weer, woest en lawaaiig.

Het wordt alweer donker. In de flats aan de overkant gaan de eerste lichten aan. Ik blijf in het donker zitten en denk aan Puck. Ik heb haar maar één keer bezocht in de gevangenis. Het bezoek duurde een kwartier en dat hele kwartier lang heeft ze gezwegen. Ze had zich van de wereld afgewend, zo leek het. Een tijdje later schreef ze mijn ouders een brief met het verzoek voortaan weg te blijven en dit verzoek ook te doen aan de rest van de familie. Moeder vertelde het me.
"We moeten haar wens respecteren," zei ze, alsof ze het over een dode had.
Maar het was niet toen dat de houding van moeder veranderde, dat was al eerder gebeurd.
Puck was negentien en al jaren het huis uit. Op haar zestiende was ze weggelopen en niemand leek haar te missen. Ineens stond ze bij mijn ouders op de stoep. Die avond had ik bij ze gegeten, zoals ik nog iedere week deed.
"Ik ga trouwen," zei Puck zonder enige inleiding. Mijn ouder keken elkaar aan, vader met ongeloof in zijn blik, in die van moeder daagde hoop. Het was een grimmig soort hoop, als van een roofdier dat een moeilijk te vangen prooi uiteindelijk toch ziet bezwijken.
"En met wie, als ik vragen mag?" vroeg vader.
"Met Kees, maar wat doet het er toe, want jullie kennen hem toch niet. Ik heb zo’n klotehandtekening van jullie nodig, dus jullie moeten ook komen."
"En als we dat nou eens niet doen? Als we nou eens geen zin hebben om naar de trouwerij te gaan van iemand die niets van ons wil weten?" sarde vader.
Puck keek van de een naar de ander, geringschattend, misprijzend.
"Arnold," zei moeder. "We moesten het maar doen. Wie weet doet het haar wel goed." Geen moment rustte haar blik op Puck. Het was alsof ze nauwelijks besefte dat die er was.
"Loopt weg op haar zestiende, en alleen via de politie horen we nog eens wat van haar en dat komt dan doodleuk vertellen dat ze gaat trouwen!" riep vader uit. Hij sloeg met zijn vuist op tafel. Puck verblikte of verbloosde niet, maar keek stoïcijns naar de muur. Vader ging voor haar staan en bracht zijn gezicht vlak bij het hare.
"Heb je misschien nog overwogen om je aanstaande aan ons voor te stellen?"
"Dat wil ik wel doen, als jullie daar prijs op stellen," zei Puck. "Ik kom volgende week wel een keer terug en dan neem ik hem mee."
Inderdaad kwam Puck een week later Kees voorstellen. Hij was een bleke, magere jongen met ogen die van de ene naar de andere kant schoten. Zijn hand was vochtig, merkte ik bij het voorstellen.
"Ga zitten, Kees," beval Puck. "Wat vinden jullie ervan," zei ze tegen ons. "Kan hij ermee door of niet?" Ze had haar armen over elkaar geslagen en keek ons uitdagend aan.
Vader zweeg en keek minachtend op Kees neer. Die zag ineengedoken op de bank, alsof hij zich onzichtbaar wilde maken.
"Rustig kind," zei moeder met een klein, zoetig stemmetje. "Je doet net of wij je wat hebben aangedaan. Zo ben je altijd geweest."
"Tssss," deed Puck. Haar ogen spuwden vuur.
"Maar het is goed dat je trouwt," vervolgde moeder. "Zo vind jij uiteindelijk je plekje." Ze knikte en glimlachte toegeeflijk in Pucks richting.
Ze bleven niet lang.

We gingen allemaal naar de trouwerij. De trouwzaal van het gemeentehuis was bijna leeg. Mijn ouders, Menno en ik zaten op de eerste rij aan de ene kant van het gangpad, aan de andere kant zat een vrouw van onbestemde leeftijd, Kees’ moeder. Ze droeg een zwarte hoed waar donker haar met grijze strengen uitsprong. Haar sombere gezicht was opgemaakt met crème die haar een gezonder uiterlijk moest geven. Vlak voor haar oor hield het donkere gedeelte abrupt op. Er liep een bleke streep van haar slaap naar haar hals.
Achterin zaten de getuigen, vrienden van Kees.
Het bruidspaar kwam tien minuten te laat. Puck droeg een glimmende, zalmkleurige cocktailjurk van kunstzijde. Kees’ kostuum was hem te groot, waarschijnlijk had hij het geleend. Zijn overhemd zat te strak. Vlak boven de broekrand was een opening waardoor zwart haar te zien was.
Puck en Kees zaten naast elkaar voor de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ze hoorden gedwee de toespraak aan. Pucks "ja" schalde als een revolverschot door de zaal. Moeder pinkte met een zakdoek haar tranen weg. Ze heeft altijd geweten hoe het hoort. Vader staarde naar de muur achter de ambtenaar.
Na de plechtigheid gingen we naar een café in de buurt van het gemeentehuis. Het was er rokerig en klein. We pasten maar net met zijn negenen om de tafel, waarop een Perzisch tafelkleed met brandgaten lag. Moeder dronk voor de gelegenheid een bessenjenever, die een gezonde blos op haar wangen joeg. Nadat Kees’ moeder haar derde pilsje had weggewerkt, zei ze:
"Het is een goed jong, mijn Kees. Af en toe moet hij een schop onder zijn kont hebben, maar in zijn hart is hij goed."
"Hè, ma!" smeekte Kees.
Puck zette met een klap haar glas neer en schreeuwde:
"Een schop onder z’n kont? Jij kan een schop onder je kont krijgen! Wat is dat nou voor een moeder, die haar zoon een zakdoek voor zijn huwelijk geeft!"
"Die was nog van opa," prevelde Kees’ moeder. "De letters heb ik er zelf op geborduurd." Haar onderlip trilde.
"Puck, gedraag je!" maande vader.
"Bemoei je er niet mee!" viel Puck uit. "Ik ben meerderjarig!"
De rest van de receptie werd zwijgend doorgebracht. Alleen het getik van glazen en het geklik van aanstekers was te horen.
Na de bruiloft hoorden we niets meer van Puck totdat er, anderhalf jaar later, een geboortekaartje op de mat lag. Kees en zij hadden een zoon, Roger.

*

Zondag. De zaterdag met uitzicht op vrije tijd waar geen einde aan komt, is alweer voorbij. Ik ben om acht uur opgestaan want vader zal om een uur of tien op de stoep staan. Hij heeft zijn plichten maar liever achter de rug. Zo kan hij uitkijken naar de volgende.
De zaterdagavond heb ik doorgebracht met mijn vriendin Nicole aan de telefoon. Al vijfentwintig jaar bellen we elkaar een paar keer in de week, maar we zien elkaar zelden. De laatste keer is een jaar of vier geleden, bij de begrafenis van Nicole’s man. Nicole weet alles over het naderende familieweekend en Pucks vrijlating. Pas tegen tweeën ben ik naar bed gegaan. Ik sliep als een blok en nu ben ik nog niet echt wakker.
Ik drink koffie, maar ik ben te onrustig om ervan te genieten. Steeds spring ik op om de gordijnen recht te trekken of de planten water te geven en van hun dode bladeren te ontdoen. Ik probeer me voor te bereiden op het gesprek dat zal moeten plaatsvinden, de wending naar het familieweekend, dat zal het moeilijkste zijn. Puck is alleen de eerste keer geweest. Alle keren erna opende moeder het diner op zaterdagavond steevast met de woorden:
"Wat heerlijk dat we samen zijn, maar wat jammer dat Puck er niet bij is. Zo zijn we toch niet echt compleet."
De hele maaltijd lang drukte Pucks afwezigheid op ons omdat moeder het eten tot zich nam met kleine hapjes, alsof ze het eigenlijk niet door haar keel kon krijgen, terwijl ze droevig voor zich uitstaarde.
Om precies tien uur belt vader aan: hij is altijd een man van de klok geweest. Hij draagt een kakhi-overall en heeft zijn gereedschapskist bij zich.
"Ik heb mijn werkkleren maar aangetrokken," zegt hij. "Want je weet nooit wat je tegenkomt."
"Tuurlijk," zeg ik. "Wil je koffie?"
Hij knikt en kijkt om zich heen.
"De kamer mag weleens worden gewit. Zal ik dat in het voorjaar komen doen?"
"Dat is best," roep ik vanuit de keuken. Het duurt nog lang voor het voorjaar is.
Als de koffie klaar is, zitten we tegenover elkaar. Zijn handen zijn magerder geworden, de laatste jaren, botten met vel eromheen. Zijn trouwring verschuift met elke beweging van zijn hand. Hij drinkt zijn koffie langzaam en genietend.
"Het weer is niet al te best," zegt hij. "Geen echte winter. Het is te warm, zo gaat de natuur kapot."
Het motregent. Zondags weer dat mensen lui en chagrijnig maakt.
"Die gladheid in echte winters is anders ook niks," zeg ik. Hoe kan ik het gesprek op Puck brengen?
"Dat is ook weer waar." Hij kijkt naar het plafond. "Ik kan die lamp beter aarden. Dan moet ik een sleuf door het plafond trekken."
"Is dat veel werk?"
"Valt wel mee, een uurtje of drie, vier, dan ben ik wel klaar."
Met zijn perfectionisme zullen dat er zeker vijf worden.
"Is het echt nodig, dat aarden?"
"Dat niet echt, maar het is wel veiliger, natuurlijk. Ik zou het maar doen."
Vader is een voorzichtig mens. Als ik hem zijn gang had laten gaan, was mijn huis nu een ondoordringbaar ford geweest. Dan zou hij traliewerk hebben aangebracht voor de ramen (‘begane grond en je bent toch een vrouw alleen’), de houten voordeur hebben vervangen door een metalen met drie sloten en een alarminstallatie hebben aangelegd.
"Zo’n gedoe. Nee hoor, doe het maar gewoon volgens voorschrift," zeg ik.
"Wat je wilt." Hij kijkt me aan alsof ik niet goed weet waarover ik het heb, maar hij besluit het erbij te laten. Hij staat op en hijst zich aan de leuning de trap op. Eigenlijk kan ik hem dit soort klussen niet meer aandoen. Aan de andere kant: voor het welslagen van moeders weekend wordt ons aller inzet gevergd.
In de badkamer opent hij zijn gereedschapskist en selecteert hij zorgvuldig het gereedschap dat hij nodig denkt te hebben.
"Zet jij de groepsschakelaar even om," zegt hij.
Als ik terugkom van de meterkast, staat hij op de huishoudtrap. De bolvormige lamp, die ik dertien jaar geleden voor zolang heb opgehangen, heeft hij al van het plafond gedraaid.
"Rottige bedrading hier," moppert hij. "Daar mag weleens wat aan gedaan worden."
Ik reik hem de fitting van de nieuwe lamp aan.
"Dat is een mooi systeem," mompelt hij terwijl hij het plastic geval dicht bij zijn ogen houdt en het omdraait. "Ze verzinnen wel wat tegenwoordig."
Dan ineens zeg ik het. Het heeft geen zin om op het juiste moment te wachten want dat komt niet.
"Puck komt morgen vrij, hè."
"Ja," zegt hij afgemeten. Hij gaat door met het monteren van de lamp.
"Ze zal wel veranderd zijn na al die jaren, denk je ook niet. Ik bedoel, dat laat je toch niet onberoerd, vier jaar gevangenis."
"Ik heb dat kind uit mijn hart gestoten. Geef me die kruiskop eens aan."
Onderwerp gesloten. Maar mijn missie is nog niet voltooid. Ik besluit mijn volgende kans af te wachten. Hij prutst nog wat aan de lamp en als hij hangt, komt hij de huishoudtrap af.
"Zo, nu nog een kop koffie, dan kan de mens er weer tegen."
Beneden legt hij een krant op de bank voor hij gaat zitten.
"Dat hoeft niet, je hebt toch niet geschilderd?"
"Oh nee," zegt hij verstrooid en hij haalt de krant weg.
"Stephen heeft gisteren van me gewonnen met schaken," zegt hij. Hij doet zijn best verslagen te klinken, maar in zijn blik twinkelt trots. Hij heeft Stephen, de oudste zoon van Menno, het schaken geleerd.
"Dat staat hem mooi," zeg ik. "Zie je Roger trouwens nog weleens?"
Hij schudt geïrriteerd zijn hoofd.
"Een schande is het dat ze dat kind bij zijn moeder hebben weggehaald," gaat hij tekeer. "Ook al is zij een ontaarde moeder, een kind hoort bij zijn moeder. Dit zeg ik als vader: een moeder is belangrijker dan een vader."
"Je weet hoe het gegaan is, Pa. Puck liet hem alleen als het zo uitkwam. Het kon gewoon niet anders."
"Puck is moeder, dat staat voorop. Als ze dat zelf ook had beseft, was ze het verkeerde pad niet opgegaan. Moederschap verzacht de vrouw."
Ik zucht en hoop dat hij het niet hoort.
"Nou ja, Roger is er in ieder geval goed uitgekomen. Je kan toch niet zeggen dat het hem slecht gaat." Roger heeft een fantastische baan bij het bankwezen, schreef Kees op zijn laatste kerstkaart. Vierentwintig en al bijna aan de top.
"Dat hij moederliefde tekort is gekomen, zal hem ooit opbreken," houdt vader vol. "Geen man komt daar ongeschonden doorheen."
Hij zou Puck haar druggebruik, haar chantage, haar flessentrekkerij, ja, zelfs haar meest gewelddadige misdaad, willen vergeven, maar niet dat ze is weggelopen van haar kind.

Ze kwam naar mij toe. Jaren had ik niets van haar gehoord tot ze op een dag plotseling voor mijn deur stond. Met een vanzelfsprekendheid alsof ze elke week bij me op bezoek kwam, liep ze naar binnen en ging op een stoel zitten. Haar ogen schoten vuur.
"Ik ben bij Kees weg!" zei ze.
"Waarom?" vroeg ik.
"Omdat het een lul is, omdat hij me gek maakt met zijn gezeik, omdat ik die debiele moer van hem niet meer wil zien. Niks deugt er van die vent, niks!"
"En Roger?"
"Die komt bij mij als ik een behoorlijk huis heb. Nu zit ik voorlopig bij een maat van me en het is wat krap daar."
Ik schonk thee. Ze nam de mok met beide handen aan en dronk driftig en slurpend.
"Zou dat wel goed zijn?" vroeg ik voorzichtig. "Kees zorgt toch goed voor de jongen?" Kees belde me regelmatig op om te vragen of ik wist waar Puck was, dan had ze zich al een dag of twee nergens laten zien. Ik wist het nooit, maar Kees bleef bellen.
"Wat weet jij daarvan?" zei ze snibbig. "Jij houdt kerels buiten de deur. Wip, ontbijt, wegwezen. Jij weet niet wat voor ploerten het zijn als het erop aankomt."
"Bedaar toch eens, Puck," zei ik. "Jij bent weggegaan, hij niet. Hij mag dan niet al te opwindend zijn, maar er steekt geen kwaad in die jongen."
"Af en toe lijk je op moeder, weet je dat? Net zo betweterig, en er altijd maar vanuit gaan dat ik fout zit."
Verdere discussie had geen zin. Ik schonk haar nog eens thee in. Ze zei niets meer, maar bleef nog een uur lang mokkend zitten.
Toen ze wegging, zei ze:
"Vertel jij het maar aan moeder." Daarna hoorde ik tijden lang niets van haar, des te meer over haar.

Ondertussen is vader bezig met het opnieuw instellen van de televisie. Niet dat dat nodig is, maar hij moet wat om handen hebben. Hij wil nuttig zijn, liefst vierentwintig uur per dag. Hij draait aan de knoppen en doet steeds een stap naar achterom te kijken of het beeld al scherper wordt. Soms knikt hij tevreden, hoewel ik geen enkel verschil zie. Ik besluit nog een kans te wagen.
"Moeder zou zo graag Puck bij het weekend willen."
Hij gaat door met het draaien aan knopjes.
"Je moeder wil wel vaker het onmogelijke."
"Maar het zou een bijzondere gelegenheid zijn. Een verzoening."
"Jullie gaan er maar over door. Je moeder loopt de laatste dagen ook al met een gezicht rond alsof de wereld vergaat. Maar Puck heeft haar familierechten nu eenmaal verspeeld."
Moeders dramatisch talent zal hem uiteindelijk over de streep trekken, daar twijfel ik niet aan.
Als hij zijn koffie op heeft, vertrekt vader. De rest van de dag breng ik in vreedzame luiheid door. Ik blader wat door de krant, kijk naar Hanneke Groenteman, haal eten bij de Chinees en ga vroeg naar bed.

*





Als een geestverschijning doemt ze ineens op vanachter de andere klanten. Aanvankelijk herken ik haar niet eens, want ze is grijs geworden en ze lijkt nog kleiner dan ze al was. Haar ogen zijn echter nog even vlammend als voorheen, de vurige blik treft mij.
Werktuiglijk neem ik boeken in ontvangst en incasseer ik boetes. Puck schuift steeds een stap dichterbij, steeds duidelijker zie ik de rimpels die als stalen kabels haar mondhoeken naar beneden trekken. De laatste klant voor haar vraagt wat hij het beste voor zijn vrouw kan lenen, die in de derde maand van haar zwangerschap is. Ze is nogal huilerig, het boek moet goed aflopen. Ik denk koortsachtig na, maar niet op een titel komen. Maar hij moet verdwijnen.
"Een thriller," zeg ik. "Of Vonne van der Meer." Hij bedankt me en verdwijnt naar de boekenkasten.
"Dag Puck," zeg ik.
"Ik ben vrij," zegt ze toonloos. "Vanmorgen hebben ze me laten gaan."
Achter haar wachtende klanten. Verbeeld ik me het of huppelen ze echt vol ongeduld van het ene op het andere been.
"Heb je moeder al gebeld?" vraag ik. Waarom denk ik aan moeder als Puck voor me staat? Waarom zie ik altijd moeders gezicht vol verwijt als ik aan Puck denk?
"Nee," zegt Puck fel. "En dat zal ik niet doen ook!" Ik kijk naar de groeiende rij achter haar en zeg:
"Ik heb nu weinig tijd voor je. Maar ik wil je graag spreken. Wanneer kun je?"
Ze haalt haar schouders op. Er valt een schaduw van moedeloosheid over haar gezicht.
"Ik kan altijd," zegt ze.
"Heb je al onderdak?"
"Ja, een flat, tienhoog. Er staat nog niets. Er is daar nog niet te leven."
"Ga dan naar mijn huis," zeg ik. Ik wil niet dat ze me nu alweer ontglipt. Deze keer wil ik haar doorgronden, deze keer wil ik voelen dat ze mijn zuster is. Ik neem mijn sleutels uit mijn tas en overhandig die haar.
De rest van de middag kan ik mijn gedachten moeilijk bij mijn werk houden. De boeken glijden door mijn handen, ik strijk hun ruggen langs de scanner en knik de bezoekers toe ten teken dat alles in orde is.
Als ik merk dat ze me een vraag willen stellen, draai ik me om en buig ik me over een willekeurige stapel boeken om heel druk met iets bezig te zijn.
Puck is vrij, zingt het door mijn hoofd, voor ons breekt een nieuwe kans aan. Niet voor niets is ze mij als eerste komen opzoeken. Ze heeft niet moeder bezocht, of Menno.
Als de bieb sluit, stuur ik mijn medewerker Jannie naar huis en leg ik de laatst binnengebrachte boeken op de kar. Morgen zal ik ze opruimen. Nu heb ik haast.
Puck zit op de bank en rookt. Ze heeft de hele middag gerookt, want voor haar staat een asbak vol peuken. De televisie staat aan: house van MTV.
Ze kijkt me aan alsof ze van ver weg komt en zich in de ruimte moet oriënteren. Dan heft ze bij wijze van groet een hand op. Ze draagt een pyjamabroek van mij en een oude trui, die ik alleen nog gebruik bij het klussen.
"Aan mijn kleren kleefde de gevangenis nog," zegt ze verontschuldigend als ze ziet dat ik kijk.
Ik maak een gebaar met mijn hand: het geeft niet.
"Je bent oud geworden," zegt ze. "Je lijkt wel tien jaar ouder in plaats van vier."
Ik glimlach en zeg niet dat voor haar hetzelfde geldt. Oud worden gaat schoksgewijs. Jarenlang veranderde ik niet maar op een ochtend, zo’n jaar of drie geleden, zag ik in de spiegel een oude vrouw. Ik geloofde het niet, wreef mijn ogen uit maar toen ik weer keek, bleek het waar te zijn.
"Het spijt me dat ik zolang niet geweest ben," zeg ik. "Je had weliswaar duidelijk gezegd dat je niemand wilde zien, maar daar had ik me niet bij neer hoeven leggen."
"Ach, ik wilde jullie echt niet zien. Ik hoopte dat de hel uit mijn hoofd zou verdwijnen als ik jullie niet meer zag. Maar dat was niet zo. Ik ben niets vergeten, helemaal niets."
"Moeder heeft er verdriet van gehad," zeg ik.
"Moeder!" spuwt ze uit. "Dat schijnheilige ponem van haar zou ik met een scheermes willen bewerken en dan in zoutzuur dompelen!"
Ik durf me niet te verroeren, zo bang ben ik dat haar woede mij zal treffen. Voor haar ben ik nooit een persoon geweest, maar een afgeleide van moeder.
"Weet je," vervolgt ze op mildere toon. "Het was zo vreemd, met dat postagentschap. Ik wilde dat niet doen, ik wilde niet schieten, echt niet."

Alsof ze niet zelf had gehandeld, maar werd gedreven door iets buiten haar was het gebeurd. Na een periode waarin het haar minder voor de wind was gegaan, was ze weer bij Bart gaan wonen, bij wie ze ook vlak na haar scheiding was ingetrokken. Hij was inbreker; elke nacht was hij weg. Dan doolde ze onrustig door het huis. Ze leefden van zijn opbrengsten en die was niet karig. Door de jaren heen had hij zich weten te professionaliseren. Dat ze financieel van hem afhankelijk was, stond haar niet aan. Ze wilde haar hand niet hoeven ophouden, het gaf haar het gevoel dat hij haar kon maken en breken.
In het winkelcentrum in de buurt was een postagentschap. Ze kwam er regelmatig om rekeningen contant te voldoen. Tegen een uur of twee ’s middags moesten er grote sommen geld in de kas zitten, genoeg om haar een paar maanden vooruit te helpen.
"Ik ga het doen," zei ze tegen Bart, met wie ze het idee van een overval al vaker besproken had.
"Je gaat je gang maar," zei hij. "Als je maar bedenkt dat het link is, zo’n overval."
Ze besloot de volgende dag al haar slag te slaan. Die nacht zag ze voortdurend voor zich hoe ze het postagentschap zou binnengaan, op haar beurt zou wachten en dan de revolver die ze van Bart had geleend op de kassier zou richten. Gemakkelijk, zo leek het, als ze het hoofd maar koel wist te houden. Daarna zou ze zich niet meer laten zien in de buurt. De eerste tijd zou ze zich wel een hotel kunnen veroorloven.
Urenlang ijsbeerde ze door de kamer, beurtelings bevangen door opwinding door het uitzicht op de verbetering in haar leven en door een grote angst, die zo reëel was dat het een voorgevoel leek.
Tegen tweeën pakte ze haar jas, deed de revolver in haar zak en liep naar het winkelcentrum. Ze verbeeldde zich dat mensen die ze tegenkwam argwanend naar haar keken. Om zichzelf te kalmeren, hield ze zich voor dat alles over een paar minuten voorbij was.
Er was maar één klant in het postagentschap, een wat oudere vrouw. Zoals ze zich had voorgenomen, sloot Puck netjes aan in de rij. Haar hand sloot zich om het handvat van de revolver. De vrouw had van alles te vragen en te regelen. Op tientallen formulieren moesten stempels worden gezet. Sommige van die stempels waren zo zeldzaam, dat ze niet in de rol naast de beambte stonden, maar uit een kastje naast de kluis moesten worden gehaald. De revolver brandde in Pucks hand. Eindelijk had de vrouw al haar zaken geregeld. Ze stopte geld, postzegels, folders over sparen in haar tas en draaide zich om.
"Wacht!" zei ze, terwijl ze Puck aankeek. "Ik vergeet nog iets, ik ben er zeker van dat er nog iets was, maar wat was het ook weer." Ze knipoogde. Niet guitig, alsof ze een grap maakte, maar neerbuigend, alsof Puck een kind was dat gerustgesteld moest worden. Een kind dat daarna direct de grond in zou worden getrapt. Een kind dat niets te hopen had in deze wereld, dat alleen op haar gemak werd gesteld omdat ze daarna des te ontvankelijker was voor vernedering. Zonder dat ze erover nadacht, haalde Puck de revolver uit haar zak en schoot. Ze viel bijna achterover door de terugslag en het duurde even voordat de zwarte sluier die na het schot voor haar ogen was gaan hangen, was opgetrokken en ze weer kon zien. De vrouw lag op de grond, er was bloed op de beige winterjas. De beambte zat niet meer op zijn plaats. Het was vreemd stil in het postagentschap, alsof alle mensen uit het winkelcentrum waren verdwenen en Puck alleen was achtergelaten met de vrouw. Net toen ze zich over haar wilde heen buigen, werd ze gegrepen, op de grond geworpen en geboeid.
"Ze was direct dood," zegt Puck. "Door mijn schuld." Ze pauzeert een paar tellen en vervolgt:
"Dat ene moment, die knipoog. Net moeder in haar slechtste tijd."
De telefoon rinkelde.
"Daar zal je haar hebben," zeg ik voordat ik opneem.
"Claudia, ik ben in alle staten!" roept moeder op hoge toon.
"Dag moeder, wat is er dan?" vraag ik. Puck schudt heftig haar hoofd en houdt dan een vinger voor haar mond.
"Puck! Ze heeft nog niet gebeld en ze is al vanaf vanmorgen vrij. Ik heb de gevangenis gebeld. Ze willen haar adres niet geven. Kan je je dat voorstellen? Een moeder die het adres van haar eigen kind niet mag weten, waar gaat het naar toe met de wereld!"
"Rustig moeder, Puck is volwassen, die loopt niet meer in zeven sloten tegelijk."
"Puck niet? Ach, je weet toch hoe ze is? Altijd even wild en onbesuisd. Ze heeft haar moeder nodig, al is ze dan over de veertig."
Ik heb een paar seconden nodig om het potsierlijke van deze opmerking te verwerken. Puck zit stil, haar mond gesloten, haar wangen bol. Ze houdt haar adem in.
"Als ze mij belt, zal ik je waarschuwen," zeg ik.
"Jou bellen? Waarom zou ze dat doen? Aan jou heeft ze zich nog nooit iets gelegen laten liggen. Als oudere zuster had je best wat meer steun kunnen bieden, maar nee, jullie zijn zo egoïstisch tegenwoordig. Dat leeft maar alleen, dat krijgt maar geen kinderen."
"Dag moeder, hou me op de hoogte," zeg ik. Voordat ze kan antwoorden, hang ik op.
"Het serpent!" laat ik me ontvallen. Nooit eerder dacht ik zo over haar, nooit eerder zei ik zoiets over haar.
"Vertel mij wat," zegt Puck dof. Ze is bleek. "Weet je wat mijn ergste nachtmerrie was in de gevangenis? Dat ze plotseling voor me stond in mijn cel, waar ik geen kant op kon. Nog erger dan thuis, want daar kon ik tenslotte wegkomen."

Puck was nog klein toen ze doorkreeg dat ze het niet best getroffen had. De huiskamer was de hele wereld voor haar en daarin banjerden louter reuzen rond met grote stappen. Alles dreunde om haar heen. Het liefst maakte ze zich onzichtbaar, schoof ze onder tafel, kroop ze achter de deur. Dan zou moeder haar niet zien, dacht ze. Maar ze had het bij het verkeerde eind. Moeder zag haar altijd, het was alsof ze voortdurend naar haar op zoek was. Ze trok haar onder tafel vandaan en hield haar gezicht vlakbij het hare. Haar adem rook naar verrotting. Puck moest moeite doen om niet te kokhalzen.
"Je bent een rotkind, hoor je dat?" siste moeder. "Je mag blij zijn dat je hier te eten krijgt, want je hoort hier niet. Niemand zal het geloven, maar jij hoort heel ergens anders." Ze schudde Puck door elkaar, elke dag als ze de kans kreeg, maar ze sloeg nooit. Puck voelde dat moeder haar iets kon aandoen dat zo verschrikkelijk was, dat ze zich er geen voorstelling van kon maken.
Moeder was niet vriendelijk tegen Puck als er mensen in de buurt waren, maar de remmen gingen pas echt los als ze alleen met haar was. Soms negeerde ze haar een halve dag, deed ze net alsof ze niet merkte dat ze in de buurt was en als Puck tevoorschijn kwam omdat de kust veilig leek, pakte ze haar om haar te vertellen dat er niets van haar deugde en dat er niets van haar te maken viel.
Op den duur ging Puck niet alleen haar uit de weg, maar iedereen. Thuis bemoeide ze zich alleen met Menno die twee jaar jonger was dan zij en haar bewonderde. Ze durfde dingen te fluisteren als "vals loeder" en "teringwijf" die hij niet eens durfde te denken.
Op school deed ze haar best om de grootste en de stoerste te lijken en dat lukte haar wonderwel, hoewel ze kleiner was dan de meeste van haar klasgenoten. Ze duwde ze opzij, keek ze doordringend aan, pakte hun spullen af en als ze het waagden te protesteren zei ze:
"Jij bent niks en je wordt niks. Een wurm ben je, het doodtrappen niet waard." Het werkte. Bovendien begreep Puck zonder dat ze het kon navertellen waarom haar moeder nooit zou stoppen.
"Maar waarom?" zeg ik voor me uit. "Wat had ze tegen je?"
Puck draait een shaggie. Met één hand rolt ze de tabak in het vloeitje en haalt de gomrand langs haar tong. Zorgvuldig trekt ze de plukjes shag van de uiteinden en steekt de sigaret op. Ze inhaleert diep.
"Ik weet het niet," zegt ze. "Maar wat ik wel weet, is dat ik het op den duur heerlijk vond die kinderen te zien sidderen als ik alleen de klas maar binnenkwam. Ik wilde dat iedereen aan de schijt raakte als ze mij zagen."
"Ik was bang voor je," bevestig ik.
Ze knikt.
"Dat was de bedoeling." In haar blik ligt een smeekbede.
"Wie bang voor me was, kon me niks maken," zegt ze. "Iedereen was bang voor me, ook moeder, al zal ze dat nooit toegeven."
Moeder bang? Dat is nieuw voor mij. De vrouw die met haar hoge kreetjes en haar tranen iedereen beheerste, kende geen angst. Dat had ik tenminste als vanzelfsprekend aangenomen. Nog zie ik haar door de woonkamer lopen, haar vest strak om zich heen getrokken alsof ze zich moest beschermen tegen een kou die zich niet liet verdringen. Diepe smart op haar gezicht, haar door anderen aangedaan. Vader wilde bijvoorbeeld niet op vakantie naar Frankrijk, ik had een gat in mijn nieuwe broek, Menno een zes voor rekenen. Ze verzuchtte dat al haar inspanningen voor niets waren, parels voor de zwijnen, dat ze niet werd gewaardeerd al deed ze nog zo haar best. In haar blik lag een niets ontziende vernielzucht, die naar buiten dreigde te springen. Het was zaak om ervoor te zorgen dat ze me niet opmerkte, maar als een adelaar bespiedde ze elke beweging in de kamer en spreidde haar klauwen uit naar haar prooi.
"Doe je jas aan als je naar buiten gaat, schat." Zo’n zin klonk als een messteek, haar stem sneed door de zware lucht, haar glimlach toonde haar scherpe tanden. Nooit waagde ik te weigeren om te doen wat ze vroeg.
"Jazeker," zegt Puck. "Ze was bang voor mij. Ik vertolkte haar zwarte kant, haar onkeurige zijde, daarom moest ik het ontgelden." Ze glimlacht triest en draait nog een shaggie.
"In zo’n gevangenis krijg je therapie," zegt ze. "Je hele binnenste krijg je te zien omdat ze denken dat je een beter mens wordt door zelfinzicht. Onzin natuurlijk. Mensen zijn zo slecht als ze durven te zijn en ik durfde ver te gaan. Behalve mezelf leerde ik moeder kennen. Ik heb haar helemaal ontleed en haar gezien in heel haar naakte werkelijkheid. Dat was genoeg. Daarom wil ik haar nooit meer zien."

|*

De vrijdag erna rijd ik Om zeven uur het terrein van De Drie Boompjes op. Ik parkeer mijn auto op de parkeerplaats want met die ene koffer is het niet nodig om naar de bungalows te rijden.
Bij de receptie wijst een mager meisje me de weg naar de verblijven van de familie. Deze keer hebben we drie huisjes aan de rand van het park, vlak tegen de hekken die ons uit het bos moeten houden. Vermaak is er tenslotte voldoende op De Drie Boompjes, het is niet de bedoeling dat je dat buiten het park gaat zoeken.
Het eerste huisje is het grootst, daar zullen mijn ouders slapen en daar zullen we eten en gezellig samenzijn. Het derde huisje, dat achter een boom verscholen ligt, is mijn verblijf. Samen met Puck, al weet ik dat ze niet zal komen. Moeder weet het ook maar houdt vast aan het idee dat ze op het laatste moment, bij wijze van verrassing, nog zal verschijnen.
Ik klop aan bij het eerste huisje en stap naar binnen. Moeder, vader, Menno, Annelies, Stephen en Ariadne zitten aan de thee. Allemaal dragen ze hier een joggingpak want De Drie Boompjes is een sportief oord, waar je kunt zwemmen, volleyballen en bowlen. Moeder draagt een blauw sjaaltje op haar gifgroene pak zodat ze er een beetje gekleed uitziet. Aan haar voeten prijken pluchen konijntjes, het paar pantoffels dat ze van vader heeft gekregen voor moederdag en die ze nu draagt om hem een plezier te doen. Ariadne springt op als ze me ziet.
"Claudia!" roept ze verheugd. Ze heeft me zeker een half jaar niet gezien, op je achtste is dat een lange tijd. Menno glimlacht. Annelies’ gezicht staat strak: vooral voor haar is dit weekend hard werken en het is duidelijk dat ze nog in de warming-up fase is. Straks, bij de barbecue, zal ze uitroepen hoe gezellig ze het vindt. Dat zal het ijs tussen moeder en haar een beetje breken. Niet helemaal, want volgens moeder is ze geen geschikte vrouw voor Menno. Hij heeft meer zorg nodig, beweert ze. Annelies gaat teveel haar eigen gang met die baan en laat haar gezin dan aan zijn lot over. Zelf heeft ze zich altijd volledig opgeofferd, niets is haar ooit teveel geweest.
Vader schaakt met Stephen. De jongen denkt lang na over zijn volgende zet, vader verschuift de stukken impulsief en snel. De tijd dat hij moest strijden om de rangorde in de mannenwereld is voorbij, voor Stephen begint het net.
"Je bent laat, kind," zegt moeder. In haar ogen blikkert verwijt. Het familieweekend begint op vrijdag om vijf uur, dat is altijd zo geweest, dus het is onbegrijpelijk dat ik daar geen rekening mee kan houden.
"Werk," zeg ik. Ik trek mijn jas uit en ga naast vader zitten.
"Zou je niet wat gemakkelijkers aantrekken?" zegt moeder met een misprijzende blik op mijn mantelpak.
"Straks," zeg ik. "Eerst thee."
"Hoe kan dat nou!" roept Stephen verbolgen uit als vader één van zijn paarden slaat. "Kutspel!"
"Hou je in, jongeman," vermaant Menno, terwijl de dwaze uitdrukking van gedrogeerd geluk niet van zijn gezicht verdwijnt. Naast zijn theekopje staat een fles whisky.
"Ik heb de tafel voor de barbecue om halfacht besteld," zegt moeder. "Ik dacht wel dat je weer te laat zou komen." Ze zucht.
"Gaan we morgen weer uit eten, oma?" vraagt Ariadne.
"Nee, morgen kook ik zelf. Die ene keer per jaar dat ik mijn gezin kan vertroetelen, laat ik me niet ontnemen." Ze kijkt uitdagend de kring rond. Ze moet weten dat iedereen gruwt van de aardappelkroketjes, de wortels met doperwtjes en de kip die urenlang in de pan heeft staan stoven, maar desondanks niet gaar is.
"Komt Puck eigenlijk nog?" vraagt Menno. "Die is deze week toch vrijgekomen?"
Moeder prevelt:
"Ik hoop het."
"Nee!" zegt vader resoluut. "Puck komt niet. Ik wil het niet hebben."

De volgende dag staat moeder de hele dag in de keuken. Waarom, vraag ik me net als alle voorgaande jaren af, heeft iemand de hele dag nodig om een pot met doperwten op te warmen, aardappelkroketjes in de oven te zetten en een kip te braden. Af en toe kijk ik op uit mijn boek en zie hoe ze op een weegschaal de boter weegt, de aardappelkroketjes in rijen van drie legt met precies dezelfde afstand ertussen of roert in de pan met doppers en wortels die nog lang niet op het vuur staat. Over haar joggingpak draagt ze een jasschort, met een haarband houdt ze het haar uit haar gezicht. Ze is rood van inspanning. Vader leest de zaterdagkranten, Menno, Annelies en de kinderen zijn naar het subtropisch zwemparadijs. Het liefst zou ik naar mijn eigen huisje gaan en daarna het diner afwachten, maar daar kan geen sprake van zijn. We zijn maar een keer per jaar samen, dus dat moet ik niet verpesten door me almaar af te zonderen. Dus breng ik de middag door met een boek op schoot, waarin ik niet kan lezen. Ik word afgeleid door moeder, die zich op minder dan twee meter afstand van mij bevindt. Het lijkt op ze mijn energie opslurpt en me leeg achterlaat.

Eindelijk is het zeven uur: het dieptepunt van het weekend kan beginnen. Als het diner is afgelopen, zal ik kunnen genieten van het vooruitzicht dat het bijna zondagmiddag is en ik naar huis kan.
Iedereen zit klaar om de te kleine tafel als moeder met de braadpan komt aanlopen. Glunderend zet ze de pan op het onderzettertje en haalt het deksel van de pan. De zoetige walm die van de kip opstijgt, maakt me misselijk.
Annelies haalt de schaal met aardappelkroketjes uit de oven. Het zijn er twintig, we zullen ze eerlijk moeten delen. Als ook de schaal met doperwtjes en wortels op tafel staat, snijdt vader de kip. Bij een klein uitgevallen stukje schuif ik mijn bord snel bij.
Iedereen eet. In de stilte klinkt het getik van de messen en vorken op de borden des te harder. De botten worden kaal geschraapt en het vlees wordt voorzichtig in de monden geschoven. Van binnen is het half rauw. Ik spoel de smaak na iedere hap weg met een slok wijn.
Moeder legt haar bestek neer en kijkt de kring rond. Er ontstaat een melancholieke grijns op haar gezicht.
"Toch is het niet compleet nu Puck er niet bij is," zegt ze. In haar ogen wellen tranen.. Vader eet door. Annelies kijkt naar het aanrecht alsof daar iets heel interessants te zien is.
"Puck is een moordenares! Ze is gevaarlijk!" roept Stephen opgetogen.
"Mond dicht, Stephen," zegt Menno.
Moeder zucht diep en schuift haar bord van zich af.
"Zelfs voor zo’n weekend kan hij het hoofd niet buigen," zegt ze en ze werpt een verwijtende blik naar vader. Die eet door alsof hij niets heeft gehoord, alsof hij aan tafel zit met een paar toevallige passanten. Het verbaast me dat het moeder kennelijk niet gelukt is hem over te halen, al zou dat geen enkel verschil hebben gemaakt: Puck zou niet gekomen zijn. Aan het trillen van zijn neusvleugels zie ik dat hij zich opwindt.
"Ja, jammer dat ze er niet is!" roept Stephen uit. "Lekker schieten!"
Menno geeft hem een draai om zijn oren, waarna hij zijn vader vernietigend aankijkt.
"Ik heb geen zin meer in eten," zegt moeder op klaaglijke toon. "Dat mijn gezin door starheid is verscheurd, beneemt me de eetlust." Ze bergt haar hoofd in haar handen.
"En mijn kind heeft nog niks van zich laten horen," snikt ze.
"Maar je hebt toch al vier jaar niks van haar gehoord?" vraagt Menno.
Annelies schudt driftig haar hoofd om hem het zwijgen op te leggen, maar hij ziet het niet.
"Je moet haar vergeten, moeder," gaat hij verder. "Tenslotte heeft ze je zelf de deur gewezen. En het is ook niet niks wat ze gedaan heeft. Een moord, toe maar! Ik weet niet of ik zo’n vrouw wel bij mijn kinderen zou laten."
Stephen opent zijn mond, maar bedenkt zich en zwijgt. Moeder snikt onophoudelijk. De kip wordt koud, niemand eet zijn bord leeg. Moeder staat op en zegt:
"Laat me maar. Jullie begrijpen er niks van. Ik ben moeder, jullie niet. Je moet sommige dingen zelf hebben beleefd voordat je erover kan meepraten." Ze verdwijnt naar de slaapkamer. Door de deur heen horen wij haar huilen. Vader gooit zijn servet op het bord, staat op en loopt ongeduldig heen en weer voor het raam. Annelies ruimt de tafel af. Menno drukt armpje met Stephen. Ariadne is verdiept in een stripboek, dat ze vanmiddag heeft mogen kopen.
Ik ga de slaapkamer in. Moeder ligt op haar buik op bed, het kussen tussen haar armen gekneld. Ik leg een hand op haar schouder. Ze draait zich geschrokken om. Haar ogen zijn rood en dik van het huilen. Op haar sweater is een grote, vochtige plek.
"Ik heb haar gezien," zeg ik. "Het gaat goed met haar." Puck is tot donderdag bij me gebleven. Toen pas wilde ze naar haar nieuwe flat. Vrijdag heeft ze me vijf keer gebeld. De laatste keer vroeg ze of het goed was dat ze maandag kwam eten. Natuurlijk, zei ik, je bent altijd welkom. Eindelijk heb ik een zuster.
"Jij hebt haar gezien?" herhaalt moeder verbaasd. Ze gaat rechtop zitten. Haar benen bungelen over de bedrand. Ze kijkt me doorborend aan.
"En je hebt mij dat niet eerder verteld!" valt ze uit. "Al die dagen heb ik doodsangsten uitgestaan, en al die tijd wist jij waar ze was!"
Ik laat haar uitrazen. Anders dan normaal als ze me iets verwijt, voel ik me niet schuldig. De laatste dagen is ze kleiner geworden voor mij. Als ze haar hoofd weer in haar handen wil bergen om zich over te geven aan luidruchtig gesnik, zeg ik:
"Ik weet het, van Puck en jou, ze heeft het me verteld."
Verbijsterd kijkt ze me aan.
"Ze liegt!" roept ze uit. "Je weet toch hoe leugenachtig ze is. Als kind was ze al onbetrouwbaar. Hoe kan je geloven wat ze zegt? Hoe kan je haar eerder geloven dan je eigen moeder?"
Ik zwijg. Tien seconden verdraagt ze mijn blik, dan kijkt ze weg.
"Je hebt het verhaal van één kant," zegt ze. "Je kan het niet begrijpen. Je kan de kwelling die ik heb moeten doorstaan door dat kind niet volgen."
"Vertel me het dan maar eens," zeg ik.
"Zelfs dan zou je het niet begrijpen," zegt ze dof. "Je kan niet voelen hoe het echt is geweest."

Eenentwintig was ze, toen ze vader ontmoette op een dansavond. Zij wachtte langs de kant, hij vroeg haar ten dans. Foxtrot, en later een voorzichtige wals. Hij was een paar jaar ouder dan zij en zag er wat armoedig uit hoewel de grijze broek en het blauwe colbert ongetwijfeld zijn zondagse kleren waren. Hij danste niet goed en niet slecht, hij danste zoals het hoorde. Netjes volgens de regels, maar zonder aanstellerige protsigheid die ze wel bij andere jongens zag. Na afloop van de avond vroeg hij of hij haar naar huis mocht brengen. Ja, zei ze, wat zoveel betekende als dat zij toestemde in verkering.
De maanden erna overviel haar een doffe gelatenheid als hij haar straat in kwam lopen met een bos bloemen voor haar moeder. Hij was de aankondiging van een voortijdig einde, zo voelde ze het. Toch deed zij hem altijd weer open en ging zij na de thee met hem wandelen. Haar ouders waren tevreden: hij was een serieuze jongen die hard werkte om wat te bereiken en hij was geruststellend gelijkmoedig van aard. Dat laatste bezorgde moeder nu juist een koude klem om het hart: Arnold was zo voorspelbaar, dat ze na de eerste week al het gevoel had dat ze hem tientallen jaren kende en, wat erger was, dat ze hem spuugzat was.
Na drie maanden vroeg hij haar ten huwelijk. Omdat ze geen reden had om te weigeren, gaf ze haar jawoord. Diezelfde middag nog ontmaagde hij haar. Het gebeurde op haar regenjas onder een struik in het park. Hij schoof haar jurk omhoog, deed zijn broek omlaag en gleed bij haar naar binnen. Het voelde alsof ze met stopverf werd dichtgesmeerd. Na een paar stoten, die steeds vergezeld gingen van een rauwe kreun, voelde zij zijn sperma in haar stromen en was het voorbij. Ze spraken er niet over en toen ze enkele weken later zwanger bleek, was het vanzelfsprekend dat ze snel trouwden.
Haar eerste kind leidde moeder af van de tragiek van haar bestaan, dat definitief leek te zijn ingemetseld door de vier muren van haar huis. Ze genoot van de baby, zoals zij kraaide en zoals zij later, toen ze wat ouder werd, alles om haar heen nauwkeurig onderzocht. Vader werkte hard, deed ’s avonds cursussen en ging een keer per week naar de oefening van de vrijwillige brandweer.
Een jaar of twee na de geboorte van het kind gingen ze uit kamperen op een terrein dat was gehuurd door de brandweer. De vakantieweek werd de vrijwilligers aangeboden als dank voor hun onbaatzuchtige inspanningen.
Het terrein lag in een bos op de Veluwe. Voor ieder gezin was er een grote, witte tent. Het leven was er erbarmelijk primitief: er waren alleen lichte campingstoeltjes om op te zitten, er moest worden gekookt op een spiritusbrander, ze moesten op luchtbedden op de grond slapen en er was geen douche, alleen een grote wasbak met kranen erboven waaruit koud water kwam.
Op de laatste avond voor ze naar huis zouden gaan, was er een dansfeest. Moeder danste in het begin met vader, maar die was al snel bij een groepje collega-vrijwilligers gaan zitten en keek niet naar haar om. Bij de andere vrouwen, die de hele week hadden gebadmintond, gekletst en gezwommen alsof ze de week van hun leven beleefden, vond ze geen aansluiting. Net toen ze op het punt stond om woedend weg te lopen, werd ze ten dans gevraagd door een man, die zo mooi was, dat ze bijna niet kon slikken. Zeker was ze niet in staat om een woord uit te brengen. Hij was niet zo erg groot, maar hij had twinkelende, felle, donkere ogen, krullend zwart haar en volle, rode lippen die echter wel heel mannelijk waren door hun vierkante vorm. Anders dan de andere mannen was hij gekleed in een kostuum, dat maatwerk leek, zo perfect zat het hem om zijn lijf. Omdat ze niet kon praten, knikte ze en volgde hem naar de dansvloer. Ze dansten een tango, waarbij de man haar dicht tegen zich aantrok, haar steviger vasthield dan fatsoenlijk was, maar ze protesteerde niet.
Na een paar dansen vroeg hij of ze zin had om een wandeling te maken. Bij het verlaten van de zaal wierp ze een blik op vader, die nog altijd druk in gesprek was met zijn collega’s.
Achter op het terrein, waar niemand hen kon zien, kuste hij haar. Aanvankelijk had ze nog een vaag schuldgevoel, vooral omdat ze zijn kussen gretig beantwoordde, maar al snel had ze daar helemaal geen last meer van. Ze liet zich meevoeren door de man, die haar voorzichtig in het gras vlijde. Voor hij haar penetreerde, kuste hij haar nek, haar armen haar borsten en zuchtte daar verheerlijkt bij alsof zij de meest gewilde vrouw op aarde was. De penetratie zette haar in vuur en vlam en was zo anders dan het verplichte gebonk van haar man op zaterdagavond, dat ze het gevoel had dat ze nu pas werd ontmaagd. Ze had haar eerste orgasme. En haar enige, zoals later zou blijken.
De volgende dag zag ze de man nergens en terwijl vader zorgvuldig de kleren opvouwde en op nette stapels in de koffer legde, overviel haar een zinderende woede. Niet omdat de man zich nergens meer liet zien, ze had niet anders verwacht, maar omdat hij haar een blik had gegund op een bestaan dat voor haar onbereikbaar was. Het leven waar ze het mee moest doen, zou daardoor nog ondraaglijker worden.
Negen maanden later werd Puck geboren. Zodra het kind op haar buik lag, en ze de donkere tint zag, begreep ze dat de man de vader moest zijn. Ze haatte Puck, dat donkere, beweeglijke wurm, meteen en als ze had geweten waar hij woonde, had ze haar naar haar biologische vader gestuurd. Nu moest ze elke dag het contrast met de bleekheid van haar bestaan aanschouwen. Daarom kwelde ze haar. Het leek of ze er geen controle over had. Zodra ze het mormel zag, met die tomeloze energie en die donkere ogen die ze van haar vader had geërfd, moest ze haar grijpen en haar verpletterend toespreken. Alleen zo kon ze het leven, dat haar zo te pakken had genomen, iets terugdoen.
Moeder heeft haar zakdoek tijdens het praten aan snippers gescheurd. Zoals ze daar zit, met neerhangende schouders en de propjes papier versnipperd op haar broek, lijkt ze verslagen.
"Zie je," zegt ze. "Ik was zo blij dat ze ging trouwen, en dan nog wel met zo’n hansworst als die Kees. Zo kwam ze uiteindelijk in dezelfde fuik terecht als ik, in een kleurloos leven waar nooit een einde aan komt. Ondanks haar mooie, bruine ogen." De triomf in haar blik slaat alle twijfel uit me weg.
"Je had je eigen leven moeten leven," bijt ik haar toe. Er trekt een huivering door haar heen. Ik verlaat de slaapkamer en loop zonder iets te zeggen het huisje uit. Niemand komt me achterna, ook niet als ik even later met mijn tas langs het raam loop, waardoor ze allemaal naar me kijken.

© Petra Oomen

Februari 2001

homepage PetraO.