Hoewel ze met z'n vijfentwintigen in de woonkamer waren, was het
doodstil. Ze vormden een kring en Mathilde zat in het midden. Ze keek naar
haar kinderen en kleinkinderen. Klein van stuk als ze was, leek ze de hele
ruimte te vullen en van de anderen nietige bijfiguren te maken.
Haar blik bleef iets langer op Frank, haar oudste zoon, rusten dan
op de anderen. Hij boog zijn hoofd en toonde zo zijn volle bos grijs haar,
waar ondanks zijn vierenzestig jaar geen kaal plekje was te zien. Naast
hem zat zijn vrouw Jannie, de lippen stijf opeengeperst, alsof ze besloten
had nooit meer wat te zeggen. Haar enorme boezem steunde op haar over elkaar
geslagen armen.
De rimpelige wijsvinger van Mathilde wees in de richting van de
klok op de schoorsteenmantel.
"Ben is weer te laat!". Haar stem galmde door de kamer. Toen de
trilling van het geluid was weggeëbd, was het zwijgen nog drukkender
geworden.
Na een kwartier kwam Ben binnen. Hij nam een stoot frisse lucht
mee. Terwijl hij voldaan grijnsde, zei hij: "Sorry, nog even nagepraat
met de rest van het orkest". Hij ging de kring langs en zoende iedereen
drie keer.
Zijn moeder gaf hij alleen een hand. Secondenlang lagen de twee
handen ineen Mathilde opende haar mond om wat te gaan zeggen, maar ze zweeg.
Alleen Ben kon het zich permitteren om te laat te komen. Ieder ander zou
op niet misverstane wijze onderhouden zijn over deze grove onachtzaamheid.
Maar voor Ben had Mathilde een zwak, dat ze zelf niet kon verklaren. Ze
hield het er maar op dat het kwam omdat hij de jongste was. Toen hij was
gaan zitten, opende ze de Bijbel, die op haar schoot lag en begon te lezen:
"Hoe eenzaam zit zij neder, de eens volkrijke stad." Ze spreidde
haar armen en haar priemende blik daalde neer op haar kinderen en kleinkinderen,
die met ingehouden adem luisterden. "Als een weduwe is zij geworden, die
machtig was onder de volken." Haar handen grepen nu smartelijk naar haar
keel en haar ogen richtte zij naar boven. "De vorstin onder de landschappen
is onderworpen aan herendienst" Het woord "vorstin" schreeuwde ze uit en
"herendienst" kwam er uit als een verachtelijk uitgespuwde rochel.
Na het eerste vers pauzeerde ze en keek ze weer naar Frank. Hij
bloosde. Jannie, wendde haar hoofd met een ruk af alsof ze op die manier
kenbaar wilde maken dat ze absoluut niks met die man te maken wilde hebben
en nog minder met zijn moeder. Mathilde las verder:
"Bitter weent zij des nachts". Er klonk een snik in haar stem door.
"Tranen vloeien langs haar wangen". Ze legde een zware nadruk op
de woorden "tranen" en "wangen". Op een toon vol afschuw vervolgde ze:
"Niemand is er die haar troost, onder al haar minnaars." Ze beëindigde
het vers bijna schreeuwend: "Al haar vrienden werden haar ontrouw, tot
vijanden waren zij geworden."
Niemand verroerde zich terwijl zij het eerste klaaglied las. Haar
bewegingen werden heftiger naarmate ze vorderde. Ze leek het berouwvolle
Jeruzalem zelf wel.
Dat er iemand terechtstond vanmiddag, was duidelijk en het vermoeden
rees dat dat Frank was. Toch wist niemand dat zeker. Het was altijd mogelijk
dat één van de anderen iets op zijn geweten had, dat in Mathilda's
ogen een zonde was, die ten overstaan van de hele familie moest worden
opgebiecht en uitgewist. Geen van hen zou het in zijn hoofd halen om niet
te komen als Mathilde haar oproep uitvaardigde. Allemaal vreesden ze haar
oordeel en werden ze weer even kinderen als ze in de kring zaten en Mathilde
het lezen begon.
Er klonk bijna een collectieve zucht van opluchting, toen ze weer
naar Frank keek terwijl ze "Zwaar heeft zij gezondigd; daarom wordt zij
gemeden als een onreine" las.
Met een volume dat de ramen deed trillen besloot ze: "want menigvuldig
zijn mijn zonden en mijn hart is ziek." Daarna klapte ze de bijbel dicht
en liep op Frank toe. Ze legde haar hand op zijn hoofd en sprak: "Je hebt
je slecht gedragen, Frank. Je vrouw bedonderen met Chantal van Zwieten,
die zelf ook getrouwd is. En zo jong nog. Ze zou met gemak je dochter kunnen
zijn."
Niemand verbaasde zich erover dat Mathilde hiervan op de hoogte
was. Ze beschikte over een feilloos werkend informantencircuit, dat dekkend
was voor heel Amsterdam en ook lijnen naar plaatsen daarbuiten had. Als
ze mevrouw de Vries van de delicatessenzaak in de Van Baerlestraat om een
bepaalde inlichting vroeg, werd ze binnen een halve dag van de gewenste
informatie voorzien. Meestal was het niet nodig om actief op zoek te gaan,
de misstappen van haar kinderen en kleinkinderen kwamen haar vanzelf wel
ter ore. Het verzamelen van details, nodig omdat ze de terechtwijzing in
familiekring met voorbeelden wilde illustreren, was daarna nog maar een
kleine stap.
Ze ging verder:
"Middag aan middag zit hij met haar in Americain, zogenaamd te lunchen.
Champagne en allerlei liflafjes staan er op tafel. Maar dat raken ze niet
aan! Nee, ze kijken elkaar voortdurend zwijmelend in de ogen en houden
elkaars hand vast. En dan al die leugens: hij heeft Jannie verteld dat
hij op zakenreis was, maar in werkelijkheid zat hij met Chantal in Limburg.
Jannie heeft beter verdiend dan zo belazerd te worden."
Frank's oudste dochter, Els, liep op hem toe, legde haar handen
in de zij en sprak op verontwaardigde toon: "Pa, moeder afdanken als een
oud kledingstuk en je lul achterna lopen! Hoe kan je zoiets doen. Ik had
je hoger ingeschat."
"Alsjeblieft, Els", piepte Frank..
"Ja, nu knijp je hem, hè?," beet Jannie hem toe.
"Zwijg Jannie, en jij ook Els", zei Mathilde. "Frank zal zijn zonden
bekennen en straks zullen wij hem vergeven."
Een onderdrukt gefluister ontstond. Het verdween toen Mathilde dreigend
de kring rondkeek.
Thea, de zestienjarige dochter van Ben, begon ongeduldig op haar
stoel te wiebelen. Het schouwspel leek haar te vervelen. Er kwam iets duivels
in haar blik toen ze zei:
"Nou, grootmoeder. U zult zelf toch ook wel eens iets gedaan hebben
dat niet door de beugel kon."
Ben keek zijn dochter met opgetrokken wenkbrauwen aan alsof hij
haar op die manier het zwijgen wilde opleggen. Ze deed alsof ze niks zag
en ging verder:
"Ik bedoel, u bent oud genoeg om heel wat meegemaakt te hebben en
daar horen wij nooit iets over. Dat zou ik nou weleens willen horen, wat
u vroeger uitgespookt heeft."
"Snotneus!", riep Mathilde verontwaardigd, "Daar heb jij helemaal
niets mee te maken. Stel je voor dat ik tegenover jullie verantwoording
zou moeten gaan afleggen over mijn leven. Dat zou toch de omgekeerde wereld
zijn."
Ooms en tantes keken bestraffend in de richting van Thea, maar niemand
zei wat.
"Ik vind alleen: wie zonder zonden is werpe de eerste steen. Dat
staat ook in de bijbel. Daar zou u ook wel eens aan mogen denken." Thea
stak nog net haar tong niet uit.
"Een kind van je vader ben jij. Net zo eigenzinnig en onbesuisd.
Op jouw leeftijd moet je vooral luisteren, jongedame!"
Thea lachte schaterend, alsof dit het leukste was dat ze in tijden
had gehoord. Sommige ooms en tantes sloegen ontzet de hand voor de mond.
"Zwijg, brutaal nest. Je grootmoeder uitlachen. Waar is je respect
gebleven?". Plotseling zakte ze achterover in haar stoel. Het leek alsof
ze de strijd had opgegeven. Zelfs toen het geroezemoes overging in praten
op volle sterkte reageerde ze niet.
Ze sloot de ogen en dacht aan wat Thea gezegd had. Ongelovelijk
hoe zo'n kind de vinger op de zere plek kon leggen. Haar verleden had ze
angstvallig verborgen gehouden voor haar kinderen, hoewel ze er iedere
dag aan dacht.
*
Het was een uur of negen en al donker. Ze was nog op straat, hoewel
haar vader haar uitdrukkelijk gezegd had, dat ze om zeven uur thuis moest
zijn, direct na de zangles. Onder protest en na lang aandringen had hij
erin toegestemd dat zij naar zangles zou gaan, want eigenlijk wilde hij
niet dat ze alleen op straat kwam.
Ze liep gearmd met Richard, die ze die avond tijdens de les had
ontmoet. Hij was knap met zijn zwarte haar en gelijkmatige trekken en ze
voelde zich gevleid dat hij belangstelling voor haar had getoond. Ze had
meteen toegestemd toen hij vroeg of hij haar naar huis mocht brengen.
Uren liepen ze door de stad en ze maakte zich vaag ongerust over
wat haar vader zou zeggen, als ze straks veel te laat binnen zou komen.
Richard's aanwezigheid dempte haar angst echter.
Ze liepen langs een portiek en hij voerde haar mee een donkere hoek
in. Hartstochtelijk begon hij haar te zoenen, terwijl zijn handen koortsachtig
over haar lichaam dwaalden. Een intens gevoel van verlangen, dat ze nog
niet kende, drong zich aan haar op. Ze perste haar lichaam tegen het zijne.
Hij kreunde en maakte licht schokkende bewegingen met zijn onderlichaam.
Even aarzelde ze. Ze besefte dat ze op het punt stond een ernstige zonde
te begaan, die haar nog zou gaan opbreken. Maar ze kon niet meer terug
en gaf zich over aan de overweldigende sensatie, toen hij even later bij
haar naar binnen drong. Ze bewoog mee op zijn ritme en vergat dat ze in
een portiek stonden. Toen hij kort zuchtte en zich terugtrok, vond ze het
jammer dat het afgelopen was. De gedachteloosheid die hun samensmelting
teweeg bracht, had wat haar betreft eeuwig mogen voortduren.
Ze fatsoeneerden hun kleren, verlieten het portiek en liepen zwijgend
naar haar huis.
Ze durfde haar vader niet onder ogen te komen, toen ze thuiskwam
en ging direct naar haar kamer. Hij klopte niet aan, toen hij boven kwam,
zoals hij anders altijd wel deed als ze weg was geweest. De volgende morgen
aan het ontbijt vroeg hij niet naar haar ervaringen. Zwijgend las hij zijn
krant en niet eenmaal keek hij haar aan. Steeds had ze het idee dat hij
wist wat er gebeurd was, hoewel dat onmogelijk was.
Richard zag ze nooit meer. Hij bezocht de zangles niet meer en van
de navraag bij de docente naar zijn adres werd ze niks wijzer.
Toen haar menstruatie uitbleef, was ze niet eens meteen ongerust.
Ze legde pas een verband met haar ontmoeting met Richard in het portiek
toen ze misselijk werd. De huisarts was een vriend van haar vader en daarom
was het riskant om naar hem toe te gaan, maar ze had geen keus.
Tijdens het onderzoek werd zijn uitdrukking steeds bezorgder. Toen
hij klaar was, mompelde hij dat ze zich moest aankleden en liep naar zijn
bureau.
Ze nam plaats tegenover hem.
"Het valt me van je tegen, Mathilde, je bent zwanger", sprak hij
vermanend. Even dacht ze dat ze flauw zou gaan vallen, maar ze herstelde
zich snel.
"Bij de wet is het verboden, en normaal gesproken hou ik me niet
bezig met dergelijke praktijken, maar in dit geval ben ik het aan je vader
verplicht om er iets aan te doen."
Ze begreep niet wat hij bedoelde, maar ze durfde niets te vragen.
"Het kind weghalen. Een kind is het nog niet in dit stadium. Het
is alleen een klomp cellen, meer niet. Ik zal hier over spreken met je
vader. Hij zal de beslissing moeten nemen. Het is zijn reputatie die op
het spel staat."
Hij stond op en beende driftig door de kamer heen en weer.
"Heb je daar ooit aan gedacht, toen je je als een hoer in de armen
van die man wierp? Wat jouw gedrag betekent voor de praktijk van je vader?
Al zijn klanten zullen weglopen", hij schreeuwde bijna, "Zoiets draait
je de nek om, een slet als dochter!"
Mathilde stond op en liep zonder iets te zeggen de spreekkamer uit.
Onderweg naar huis dacht ze na over hoe ze aan de vernietigende
behandeling van de dokter moest ontkomen. Vanaf het allereerste begin voelde
ze dat in haar niet een klomp cellen groeide, maar een kind.
In het grote herenhuis, waar zij met haar vader woonde, was het
doodstil. Het geschuifel en gekeuvel van het huispersoneel ontbrak. Behoedzaam
sloot ze de deur achter zich. Haar vader kwam uit de bibliotheek tevoorschijn.
Hij zei niets, maar keek haar vol minachting aan. Ze huiverde. De dokter
had dus al gebeld. Minutenlang stonden ze tegenover elkaar. Mathilde durfde
zich niet te verroeren.
Eindelijk zei hij: "Volg me!" Ze liep achter hem aan de bibliotheek
in waar ze plaats nam in één van de grote fauteuils.
"Staan!", beval haar vader. Ze schoot omhoog. Hij reikte haar de
bijbel aan, die was opengeslagen bij de klaagliederen.
"Lezen! Hardop!", zei hij en ging zitten. Haar stem was onvast,
toen ze begon te lezen.
"Harder", zei hij. Ze las door tot ze aan het einde gekomen was.
"Je kunt gaan", zei hij, "Ik bespreek met Ronald de maatregelen.
Je mag van geluk spreken dat ik bevriend met hem ben, want geen enkele
arts zou ik zo gek kunnen krijgen om een dergelijke misdaad te begaan.
Een misdaad waar jij me toe dwingt!
De zeven dagen daarop moest ze elke dag de klaagliederen lezen.
Aanvankelijk had ze weerzin tegen de tekst, maar na twee dagen begon ze
geboeid te raken.
Haar lezen, dat aanvankelijk vlak was geweest, werd steeds vuriger.
De tekst rolde over haar tong en de klanken van de woorden sprak ze met
zulk een kracht uit dat ze weerkaatsten vanaf de muren. Ze hief haar armen,
greep naar haar keel en versterkte en verzwakte het volume al naar gelang
de tekst dat van haar vroeg. Ze ging er zo op, dat ze niet eens meer merkte
dat haar vader haar voortdurend vernietigend aankeek. Hoewel het duidelijk
was, dat hij haar terecht had willen wijzen door haar te dwingen de teksten
te lezen, voelde ze zich geen moment schuldig. Wat tussen haar en Richard
was gebeurd, kwam voort uit een behoefte, die natuurlijk aanvoelde. Dat
kon in haar ogen geen zonde zijn, al was ze zich ervan bewust, dat iedereen
om haar heen daar anders tegenaan keek. Haar zwangerschap was een speling
van het lot en daar had ze zich in te schikken.
De achtste dag zei hij toen ze het laatste vers had beëindigd:
"Morgen is de behandeling. We gaan heel vroeg naar Ronalds praktijk.
Dan is er nog niemand."
Ze schrok. Ze had helemaal niet meer aan de dreigende behandeling
gedacht, hoewel ze had kunnen weten dat haar vader zich aan zijn woord
zou houden, want dat deed hij altijd.
In haar kamer sloot ze de deur achter zich en begon een kleine koffer
te pakken.
Het was half drie in de nacht toen ze het huis verliet. Ze had geen
idee waar ze naar toe moest.
Het was erg donker. Alleen op de hoeken van de straten was een vage
verlichting. Mathilde stapte stevig door: het was in de eerste plaats zaak
om uit de buurt van dat huis te komen.
Ze liep door de nauwe straten van het centrum, waar het net zo stil
was als in de buitenwijk, waar ze woonde.
Bij de haven achter het Centraal Station stond ze stil en luisterde
naar het kalm kabbelende water, dat als een gladde zwarte spiegel voor
haar lag. Ze wilde er in stappen en verdwijnen. Een bijtende vermoeidheid
had zich in haar botten gedrongen. Geen jaren slaap zou voldoende zijn
om die te verdrijven. De kilte van de nacht omsloot haar als een ijzeren
klauw, waaruit ze zich nooit meer zou kunnen bevrijden. Sterven leek de
enige oplossing.
Er was echter iets dat haar tegenhield. Misschien was het de wetenschap
dat er een kind in haar groeide, dat in ieder geval nog een kans had op
een leven vol vervulling. Misschien was er nog een sprankje hoop in haar
dat alles ooit beter zou worden, dat de blinde muur waar ze nu tegenop
liep toch ooit zou wijken.
Langzaam schuifelde ze langs de kade, omdat ze niet kon bedenken
wat ze anders zou kunnen doen. Ze kwam langs een kroeg. Flarden geluid
van stemmen en gelach drongen zich naar buiten. Ze aarzelde. Nog nooit
van haar leven was ze in een kroeg geweest, en zeker niet in een ordinair
havencafé. Maar het zou er warm zijn en bovendien wilde ze wat drinken.
Ze besloot naar binnen te gaan.
Het was er druk. Mannen en vrouwen schreeuwden, lachten, dronken.
Regelmatig stootte er iemand tegen haar aan, en nooit werden er excuses
gemaakt. Het lawaai en de drukte stootten haar in eerste instantie af,
maar toen ze merkte dat niemand op haar lette, zette ze haar aversie opzij
en liep naar de bar. Ze bestelde jenever en dronk het glas in één
slok leeg. Al snel maakte de verkilling in haar binnenste plaats voor een
aangenaam gevoel van warmte.
"Een dame zoals jij alleen op stap, daar zit een verhaal achter".
Mathilde keek opzij. Een vrouw van een jaar of vijfendertig, veertig zat
glimlachend naar haar te kijken. Ze moest moeite doen om haar te verstaan,
omdat vlak achter haar enkele zeelui luid bralden. De vrouw droeg een donkergrijze
jurk en zag er zelf ook niet uit alsof ze in deze ambiance op haar plaats
was.
De zeelui liepen een eindje verder.
"Een drama", ging de vrouw verder, "Een groot drama. Dat kan ik
aan je zien. Ik wil graag horen wat het is." Ze schoof haar kruk wat dichterbij
en legde een hand op Mathilde's arm.
"Vertel het me maar, dat lucht op."
Mathilde dacht er niet over na of het wel verstandig was, maar vertelde
de vrouw alles. Af en toe knikte die vol begrip.
Toen Mathilde was uitgesproken, zei de vrouw:
"Je bevindt je in een lastig parket, maar misschien kan ik wel wat
voor je doen. Neem nog een borrel en ga met me mee."
Gretig dronk Mathilde haar derde glas. Het leek wel alsof haar dorst
alleen maar toenam. Nadat ze het geledigd had, liet ze zich van de barkruk
zakken en volgde de vrouw naar buiten.
"Noem me maar Mies", zei de vrouw toen ze in de auto stapten die
voor de kroeg klaarstond "We zullen elkaar nog goed leren kennen, de komende
tijd."
Tijdens de rit zaten ze naast elkaar op de achterbank. Mies' monsterende
blik gleed voortdurend over Mathilde's lichaam. Eindelijk stopten ze voor
een groot huis in de Van Baerlestraat. Mies opende de deur en liet Mathilde
voor gaan.
"Hier is het", zei ze, "We zullen de zaak bespreken en hopelijk
komen we tot overeenstemming"
In de hal hielp ze Mathilde met het uittrekken van haar jas en leidde
haar de woonkamer in. Daar stonden een eenvoudige, groene canapé
en een tafel. Het zag eruit alsof hier allang niemand meer woonde.
"We gaan het nog gezellig maken," zei Mies. Haar stem klonk plotseling
onzeker.
"Weet je, je kan wat voor mij betekenen", vervolgde ze, "Zeer veel
zelfs. De meisjes, ja, die zijn er ook, maar die hebben niet die klasse…Voor
mijn soort is het zo lastig, Mathilde, daar heb jij geen weet van." Mathilde
had geen idee waar ze op doelde. Mies ging zitten en vervolgde:
"Ik zag meteen aan je dat je het zou kunnen begrijpen, Mathilde.
Je hebt een open gezicht. Het punt is: ik hou van vrouwen. Ik heb hier
aan de kade een huis met meisjes die zekere diensten aanbieden aan heren.
Misschien vind jij dat immoreel, maar dat is het niet. Er is gewoon behoefte
aan. Ook mannen als jouw vader, makelaars, advocaten, artsen, maken er
gebruik van. Ik ben goed voor de meisjes, beter dan die kerels.
Maar mijn verlangen kunnen ze niet vervullen. Ik vind ze te volks
en te ordinair. Jij viel me meteen op. Misschien kunnen we elkaar wat bieden.
Jij kunt hier wonen, gaan en staan waar je wilt en ik kom je 's avonds
bezoeken. Ik zal teder voor je zijn, Mathilde, en ik zal goed voor je zorgen."
Mathilde had nog nooit gehoord van vrouwen die de liefde wensten
te bedrijven met een vrouw. Wat Mies voorstelde grensde aan het onmogelijke.
"Ik begrijp dat je er over na moet denken", zei Mies zacht, "Ik
overval je natuurlijk, en dat terwijl je al zoveel hebt meegemaakt de laatste
tijd. Maar geloof me, Mathilde, de damesliefde is mooi. Wij vrouwen kunnen
elkaar tenminste begrijpen."
Het idee om niets anders te zijn dan een prostituee stond Mathilde
tegen. Veel keus had ze echter niet, nu ze nergens naar toe kon. Misschien
moest ze maar toestemmen, was het zo erg allemaal niet. Mies leek aardig.
"Ik wil het wel proberen", zei ze uiteindelijk. Mies straalde.
"Daar drinken we op!", riep ze uitgelaten. Ze haalde een fles en
twee glazen uit de kast en schonk in.
"Proost!", zei ze "Op een lange en vruchtbare samenwerking"
De zakelijkheid van deze uitspraak stuitte Mathilde tegen de borst.
Mies kwam naast haar zitten op de sofa en sloeg een arm om haar
heen.
"Je bent zo mooi!", fluisterde ze, "Zo zacht en ongeschonden". Ze
kuste Mathilde voorzichtig op de wang. Het was niet onaangenaam.
Zo zaten ze een tijdje bij elkaar, totdat Mies zei: "Ik moet nu
gaan. De nacht is zo voorbij en de meisjes willen naar huis. Ik moet de
kas gaan opmaken. Morgenavond kom ik weer."
Mathilde bleef alleen achter in het grote huis. Het was er vreemd
stil. Bijna had ze de neiging haar adem in te houden, omdat ze bang was
betrapt te worden door de echte bewoner die zich tot dan toe schuil had
gehouden. Ze pakte haar koffer uit en hing haar kleren in de kast in de
slaapkamer. Uitgeput liet ze zich op het grote bed vallen dat daar stond.
Bijna onmiddellijk viel ze in een droomloze slaap.
De volgende avond kwam Mies om een uur of zeven. Mathilde was net
wakker en lag nog op het bed. Mies zette een grote mand met levensmiddelen
in de keuken en kwam naar haar toe.
"We gaan het hier een beetje bewoonbaar maken", zei ze. Ze omhelsde
haar.
"Wat zie je er heerlijk slaperig uit. Ik hou van vrouwen die net
wakker zijn."
"Kom", zei ze zacht. Ze ontkleedde Mathilde en kuste haar over haar
hele lichaam. Eerst voorzichtig, maar al snel heftig. Mathilde genoot.
De sensatie die ze onderging was net zo groot als destijds met Richard
in het portiek. Na het hoogtepunt wilde zij Mies aanraken, maar deze pakte
haar hand en zei: "Nee!".
Mies kwam elke avond en beminde Mathilde, die daar altijd weer even
intens van genoot. Nooit stond Mies het toe dat Mathilde haar aanraakte.
Een paar weken lang leefde ze van dag tot dag en vergat haar zorgen.
Haar buik groeide echter. Toen ze de eerste schopjes van haar baby
voelde, begon ze zich af te vragen hoe het nu allemaal verder moest, zo
in haar eentje met een kind op de Van Baerlestraat.
Op een avond sprak ze erover met Mies. Ze hadden net de liefde bedreven
en Mies was gunstig gestemd. Dat was lang niet altijd zo: Mies kon erg
uit haar humeur zijn als ze net was binnengekomen. Steevast maakte ze Mathilde
dan verwijten over de troep in het huis en de kwaliteit van haar kookkunst,
die maar niet vooruit ging. Na het vrijen was ze echter zo tevreden als
een klein katje.
"Het kind, Mies, hoe moet dat nou. Daar kan ik niet voor zorgen
in mijn eentje." "Maak je niet druk, schatje, daar heb ik wel een oplossing
voor."
Even schrok Mathilde, omdat ze dacht aan de oplossing die haar vader
en de dokter voor haar hadden bedacht.
"Kindje, wat kijk je verschrikt. Het kind zal goed terechtkomen.
Eén van de klanten van mijn meisjes is doodongelukkig omdat zijn
vrouw geen kinderen kan krijgen. Zij zullen dolblij zijn met jouw kind."
Een brok in de keel belette Mathilde het spreken: haar kind afstaan,
het leek zo wreed en zo onmogelijk. Aan de andere kant zag ze wel in dat
het moeilijk, zo niet onmogelijk was om in haar eentje zorg te dragen voor
de opvoeding. Adoptie, hoezeer het idee haar ook tegenstond, zou de beste
oplossing zijn.
"Een keurige heer is het trouwens," vervolgde Mies, "Veel beter
zal je kind het niet kunnen treffen. Hij doet iets aan de beurs. Hij is
rijk en zijn vrouw is een schat. Een beetje neurotisch, dat wel, maar dat
zal wel overgaan als ze iets heeft om voor te zorgen."
Mies kleedde zich aan.
"Ik moet weer naar de zaak, liefje. Ik zal het vanavond nog voor
je regelen. Dat beloof ik je."
De bevalling, die werd begeleid door een potige vroedvrouw met borstelige
wenkbrauwen, verliep zo goed als pijnloos. De vroedvrouw hield het kind
even omhoog en baste "Het is een meisje!". Het was maar een klein kind,
bijna te klein om al geboren te worden. Toch was ze een compleet mens,
dat aan het begin stond van een leven vol verdriet, vol valkuilen. Geen
mens ontkwam daaraan. Mathilde wilde haar beschermen en behoeden voor al
het ongeluk dat haar nog zou overkomen. Maar ze kreeg de kans niet. De
vroedvrouw bracht het kind het naar de gang, vanwaar het huilen van een
vrouw en een opgetogen mannenstem klonken.
Mathilde liet zich achterover vallen, plotseling uitgeput en leeg
alsof ze door een eindeloze woestijn moest lopen en daar geen energie meer
voor had. Zelfs de tederheid van Mies' hand, die door haar haar woelde,
luchtte haar niet op.
De leegte bleef. Een tijdje na de bevalling vrijde ze weer met Mies,
maar anders dan tevoren wond haar dat niet meer op. Ze onderging de strelingen
en omhelzingen onverschillig, eigenlijk haast zonder dat ze het merkte.
Het verlies van haar kind knaagde aan haar en liet geen ruimte voor welk
gevoel dan ook.
Mies merkte dat natuurlijk. Aanvankelijk reageerde ze furieus.
"Denk maar niet dat je daarmee wegkomt, meiske! Je kunt je niet
als een zoutzak blijven gedragen. Alles doe ik voor je, alles. Dit heb
ik niet verdiend"
Na verloop van enige weken werd ze milder. Soms zat ze een hele
avond naar Mathilde te kijken zonder dat ze een vinger naar haar uitstak.
Er was iets droevigs in haar blik, maar pas later zou Mathilde begrijpen
waar dat op duidde.
Er volgde een tijd dat ze avond aan avond vredig doorbrachten in
de huiskamer. Mies werd steeds stiller en nog maar af en toe nam ze Mathilde
mee naar bed. Mathilde las soms de klaagliederen voor. Dat hielp haar het
gapende gat dat in haar was gevallen bij de geboorte van haar dochter te
verdragen.
Op een avond, het was ongeveer een jaar na de geboorte van Mathilde's
dochter, bracht Mies een jonge man mee. Hij droeg een versleten pak en
zijn blik was gelaten en zorgelijk. Toch was er iets ontwapenends jeugdigs
in zijn uitdrukking, dat Mathilde's sympathie opwekte.
"Mathilde, ik wil je voorstellen aan Hendrik", zei Mies. De jongen
keek haar verlegen aan en bloosde.
"Ik kan een tijdje niet komen. Teveel werk. Nu wil Hendrik je wel
gezelschap houden. Hij heeft erg veel tijd op dit moment, niet zo leuk
eigenlijk, zo'n jonge kerel zonder werk, maar gezien de omstandigheden
komt het wel goed uit."
Ze dronken hun thee. Hendrik vertelde over zijn rechtenstudie, waarvoor
hij nog niet zo lang geleden cum laude was geslaagd. Helaas slaagde hij
er niet in een goede betrekking te vinden. De zaken van zijn vader gingen
slecht, zodat deze niet langer in staat was hem te onderhouden. Het waren
moeilijke tijden, maar Hendrik was ervan overtuigd dat alles zou goedkomen
en dat hij een mooie toekomst voor zich had.
Hendrik keek Mathilde onderzoekend aan en sprak op gehaaste toon:
"Mijn kansen op een goede betrekking zouden aanzienlijk verbeteren
als ik zou trouwen."
Hij zweeg even.
"U bent een goede kandidaat, begreep ik van Mies. Geen familie…"
"Ik zou het maar doen", zei Mies, "Gezien de omstandigheden is dat
nog het beste voor jou."
Mathilde wist niet wat ze hoorde. Mies gaf haar zomaar weg. Ze begreep
niet wat haar bezielde.
Ze keek nog eens goed naar Hendrik. Hij had wel iets aardigs, met
zijn goedmoedige jongensgezicht. Ze vroeg zich af of ze het verdragen zou
dat hij in zijn smetteloze witte ondergoed in haar slaapkamer zou staan,
of ze het zou kunnen opbrengen zijn kleren te wassen, zijn snurken aan
te horen.
Het leek niet bijster aantrekkelijk, totdat ze bedacht dat hij haar
kinderen zou kunnen geven, kinderen die ze zou kunnen houden. Ze klaarde
op bij dat idee; misschien zouden kinderen de pijn om haar verloren dochter
enigszins verzachten.
"Goed", zei ze, "Dan trouwen we."
Hendrik sprong overeind.
"Dank je, dank je", stamelde hij.
Een paar weken later trouwden ze. Hendrik trok bij haar in. Mies
had hen het huis in de Van Baerlestraat cadeau gegeven als huwelijksgeschenk,
een genereus gebaar. Tijdens het sobere huwelijksfeest in een zaal van
het buurthuis viel het Mathilde op dat Mies er zo slecht uitzag. Ze was
mager geworden en haar ogen stonden dof. Het leek wel alsof dat des te
opvallender was, nu ze haar kleurige feestjurk droeg.
Een maand later belde één van haar meisjes, Annabel,
aan. Ze vertelde dat Mies was overleden aan kanker en overhandigde Mathilde
een brief.
"Lieve Mathilde,
Voor zover ik er toe in staat ben geweest, heb ik van je gehouden.
Bedankt voor die paar maanden vol licht. Dat licht gaat nu uit. Ik laat
jou en Hendrik een kleine lijfrente na, zodat jullie deze zware tijden
door kunnen komen.
Vaarwel, Mies."
Voor het eerst sinds ze het huis van haar vader had verlaten, huilde
Mathilde. Het idee dat weer iemand haar leven had verlaten, was bijna onverdraaglijk.
Ze leerde van Hendrik houden. Hij was niet erg opwindend, maar tegelijkertijd
ook niet erg veeleisend. Langzamerhand ging ze zijn kalme gezelschap waarderen.
Hij vond een betrekking bij een advocatenkantoor, werkte daar met
plezier en bracht de avonden door achter zijn krant. Het duurde niet lang
voordat Mathilde zwanger werd. Hendrik was opgetogen, en nog meer toen
het eerste kind een jongetje bleek te zijn. In de jaren erna volgden er
nog vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Mathilde leefde tevreden
en bijna gelukkig.
Totdat de oorlog kwam. In de eerste twee jaar hadden ze er niet veel
last van. Het leven leek gewoon door te gaan, al wende ze nooit aan het
geluid van stampende laarzen door de straat. Hendrik raakte weer zonder
werk, want de de eigenaar van het advocatenkantoor was Joods en dook in
de loop van 1941 onder. Met de lijfrente van Mies konden ze het echter
uitzingen.
In de hongerwinter werd het moeilijk. Weliswaar was er op de zwarte
markt nog wel voedsel te krijgen, maar de lijfrente was bij lange na niet
toereikend om voldoende te kopen.
Op een avond lag Ben, de jongste, urenlang klagelijk te huilen.
De oudere kinderen hadden al geleerd om met hun knagende maag om te gaan,
maar Ben was daar nog te jong voor.
"Doe eens wat!", schreeuwde Mathilde in haar wanhoop tot Hendrik.
Weliswaar was het meestal Mathilde die in de dorpen boven Amsterdam op
zoek ging naar voedsel, maar dat was omdat het veiliger was. Hendrik zou
immers gevangen kunnen worden genomen en tewerk worden gesteld in Duitsland.
Het verwijt was dus onterecht, zoals ze zich later vele malen zou voorhouden.
Hij was steeds stiller geworden en leek zich af te sluiten voor
wat er om hem heen gebeurde. Veel steun had het gezin niet aan hem, maar
daar stond tegenover dat ze ook niet veel last van hem hadden. Het weinige
voedsel dat er was raakte hij nauwelijks aan en over de honger klaagde
hij niet.
"Wat zou ik moeten doen?", sprak hij dof.
"Eten zoeken natuurlijk! Zie je dan niet dat je kind aan het verhongeren
is?"
Hij zei niets, maar liep naar de gang, deed zijn jas aan en verliet
het huis.
Enige uren later werd er aangebeld. Twee politiemannen kwamen de
kamer in. Ze droegen de pet in de hand. Aan hun bedrukte gezichten zag
Mathilde dat er iets ernstigs was. "Het was meer een ongeluk", begon de
oudste van het stel, "De soldaat die hem neerschoot was zestien, nog nauwelijks
in staat een geweer vast te houden. Een kind nog, dat moet u begrijpen.
Uw man heeft niet geleden. Hij was op slag dood."
Mathilde probeerde de mededeling tot zich te laten doordringen.
Het enige dat ze begreep was dat weer iemand haar had verlaten.
In haar eentje bracht ze haar vijf kinderen groot. Financieel leed
ze, dankzij de lijfrente van Mies, geen gebrek, maar dat was dan ook het
enige dat meezat.
Ze was eenzaam. Ondanks haar hartstochtelijke inborst had, vond
ze geen nieuwe levenspartner. De vele aanzoeken wees ze van de hand. Ze
miste Hendrik's kalmte en Mies' passie, maar niemand kon hun plaats innemen.
Haar jaren waren kleurloos. Enige troost vond ze in de bijbel, met name in de Klaagliederen. Haar kinderen voedde ze op met ijzeren hand, want ze wilde voorkomen dat ze dezelfde weg moesten bewandelen als zij. Ze was namelijk tot de conclusie gekomen dat een deel van haar ellende te wijten was aan haar onbezonnen gedrag in haar jeugd. Immers, zonder die fatale ontmoeting met Richard in het portiek zou ze geen dochter hebben gekregen die ze had moeten afstaan en zou ze Mies niet hebben ontmoet, die weer zo snel uit haar leven verdween. Ze waakte dus als een non over de zeden van haar kinderen en dat bleef ze doen, toen ze allang volwassen waren.
"Grootmoeder, grootmoeder!". Verstoord opende Mathilde haar ogen.
Thea stond over haar heen gebogen en schudde aan haar arm.
Mathilde glimlachte.
"Het is niets, kind, ik was even weggedommeld. Dat krijg je op mijn
leeftijd."
De kinderen en kleinkinderen waren druk met elkaar in gesprek geraakt
en leken haar niet meer op te merken. Alleen Frank zat stil voor zich uit
te staren. Het was tijd dat ze haar bemoeizucht eens zou bedwingen. Ze
nam zich voor voorlopig niet meer naar mevrouw De Vries van de delicatessenzaak
te gaan en haar oren te sluiten voor wat haar ter ore zou komen over haar
kinderen. Eindelijk rust, eindelijk vrij. Weer zakte ze weg. Nog een tijdlang
zag ze een rood puntje voor zich, waarin haar hele leven kernachtig leek
samengebald. Toen verdween ook dat
© Petra Oomen
januari 2000