Berlijn 1990

Het verbaasde me niet echt dat er een doodskist in Günthers
slaapkamer stond. Ik was achter hem aan de gang in gelopen en zag door
de open deur het zwart gelakte geval staan. Hij was bekleed met rood fluweel.
Er lag een kussentje in van dezelfde stof en dwars erover lag een gewoon
hoofdkussen, dat niet in de kist paste. Het deksel stond tegen de muur.
Verder was de kamer leeg.
"Waarom?" vroeg ik.
"Alleen zo ben ik werkelijk", antwoordde hij, "Bovendien wilde ik
hem zelf uitkiezen. Ik laat dergelijke zaken niet graag aan anderen over."
"Maar wat als je dikker bent geworden als je doodgaat. Dan past
hij niet meer."
"Ik sterf jong," zei hij met grote stelligheid. "Dus dat probleem
zal zich niet voordoen."
Ik volgde hem naar zijn logeerkamer, een hok van twee bij twee dat
helemaal was volgestouwd met troep. Er stonden dozen die kennelijk na de
verhuizing - God mocht weten hoe lang die was geleden - niet waren uitgepakt,
er lagen kleren over de stoel en de deur van de kast, op de kleine tafel
stonden blikken met vlees en op de grond lagen diverse vertrapte en versleten
schoenen. Het raam zat zo hoog in de muur dat je een ladder nodig zou hebben
om naar buiten te kunnen kijken.
Ik zette mijn tas neer op het veldbed dat tussen dozen en emmers
stond ingeklemd en zei:
"Ik zou me graag eerst even douchen. Ik ben gaar van de reis."
Hij knikte en verliet de kamer.
Met mijn voet schoof ik wat dozen aan de kant. Ik ging op het bed
zitten. Hoe zou ik het hier een weekend moeten volhouden. Even overwoog
ik om een hotel te zoeken, maar dat was te lastig.
Ik had Günther ontmoet op het plein voor het Centraal Station
in Amsterdam. Hij stond daar om zich heen te kijken met de stadsplattegrond
in zijn hand. Zijn rugzak was klein, meer dan een T-shirt en een paar onderbroeken
konden er niet inzitten.
Er stonden zoveel mensen met stadsplattegronden op dat plein. Ik
liep ze altijd voorbij. Ik zag ze niet eens. Maar hem wel. Misschien was
het zijn lange, verwarde haar dat hem de aanblik van een verdwaalde messias
gaf of zijn magere gestalte, waardoor het leek alsof hij doorschijnend
was. Ik liep op hem af en vroeg:
"Kan ik u helpen?
Dankbaar keek hij me aan. Hij wees op een plein in Osdorp.
"Ben ik in de buurt?"
Ik schudde mijn hoofd en vertelde hem welke tram hij moest nemen.
Ik wilde doorlopen, maar hij pakte me bij de arm.
"Ga wat met me drinken. Je hebt mooie ogen."
Ik had niet veel te doen die dag. Ik was naar Amsterdam gekomen
om wat te slenteren. Bovendien gebeurt het me niet vaak dat iemand me zegt
dat ik mooie ogen heb. Ik stemde dus toe.
In zo'n groot café op het damrak trok hij zijn leren jack
uit. Eronder droeg hij een rode trui met V-hals. Zijn spierwitte, magere
nek leek een luciferhoutje dat elk moment kon knakken.
"Wat moet je in Osdorp?" vroeg ik toen ons bier was gebracht, "Toeristen
gaan niet naar de buitenwijken, die blijven in het centrum."
Hij keek melancholiek naar buiten.
"Ik ben geen toerist. Ik ben een pelgrim. In Osdorp ga ik de plek
groeten waar een kameraad is gevallen. Zij stierf in het harnas."
"Triest," zei ik.
"Triest was het niet. Uiteindelijk valt iedereen. Het is beter jong
te sterven, dan heb je het gehad. Dan is het wachten voorbij."
We dronken ons bier en keken elkaar af en toe aan. Hij beviel me
wel, want hij was tenminste geen kletskous zoals zoveel andere mannen.
Best te pruimen voor een nacht of twee.
"Heb je een slaapplaats?"
Hij schudde het hoofd.
"Kom dan bij mij logeren."
"Heel vriendelijk van je."
Nadat we een tweede biertje hadden gedronken, gingen we naar Osdorp.
Bij het winkelcentrum op het Osdorperplein stapten we uit. Hij liep naar
de snackbar, knielde en kuste de grond. Daarna stond hij op, vouwde zijn
handen als een monnik en keek devoot naar de hemel.
Voorbijgangers zagen het aan en wendden snel hun blik af.
"Hier stierf Birgit," sprak hij plechtig.
"Dag Birgit," zei ik.
De weg terug naar het station legden we zwijgend af. Het was druk
in de tram en we stonden tegen elkaar aangedrukt. Zijn lichaamswarmte was
aangenaam.
In mijn flat dronken we wat. Hij keek door het raam
"Verscheurend is het hier. Links flats, rechts weilanden. Contrast,
maar teveel."
"Ach," zei ik.
Zodra hij zijn glas leeg had, stond ik op.
"Kom". Ik stond op.
In de slaapkamer kleedden we ons uit. Het neuken was loom en aangenaam.
Ik kwam niet klaar. Ik kom nooit klaar de eerste keer.
We aten tosti's op bed en keken televisie. Het was huiselijk zo,
alsof we elkaar al jaren kenden.
Na het laatste journaal haalde hij een mapje met foto's uit zijn
jas die naast het bed op de stoel hing.
"Kijk," zei hij en legde de eerste op bed. Die toonde iemand met
een weggeschoten hoofd. Alleen een stukje van de kin zat nog aan de nek.
Daaraan kon ik zien dat het een blanke vrouw geweest moest zijn met rood
haar waarschijnlijk, want de kin was erg bleek.
Op de andere foto's afgerukte lichaamsdelen.
"Birgit?" vroeg ik.
"Ja," zei hij. "Het is vreselijk wat mensen elkaar aandoen. Maar
toch, alleen in de dood is de mens waarachtig, daarom heb ik die terrorist
vergeven, ook al ben ik haar kwijt. Uiteindelijk raken we alles kwijt,
ook onszelf."
Ik knikte. Er zat wel iets in.
De volgende ochtend zat hij aan de keukentafel op mij te wachten.
Hij had niets te eten of te drinken genomen. Zijn rugzakje stond naast
de tafelpoot.
"Ik moet zo gaan," zei hij. "Het was mij aangenaam. Kom je een keer
naar Berlijn?"
Nadat hij koffie had gedronken, vertrok hij.
Maandenlang hoorde ik niets van hem. Toen hij belde, was ik hem eigenlijk
alweer vergeten. Hij vroeg of ik het volgende weekend wat te doen had.
Hij zou me de stad laten zien die in rap tempo veranderde nu de muur weg
was. Ik had nooit iets te doen, dus ik zei dat ik vrijdagavond in Berlijn
zou arriveren.
"Dat is goed," zei hij en hij hing op.
Ik stond op van het veldbed en liep de gang in op zoek naar de badkamer.
Günther kwam tevoorschijn uit de woonkamer.
"Hier links," zei hij.
Ik opende de deur en kwam terecht in een kleine cel met daarin een
douche en een wc. De wanden waren volgeplakt met posters van rockbands
en naakte vrouwen. In de hoek stond een emmer met een bruinige vloeistof
erin. Misschien een vergeten handwas.
In de woonkamer wachtte hij op me met een pot thee. Ik ging op de
bank zitten en pakte de joint aan die hij me aanreikte. Ik inhaleerde diep,
hoewel ik wist dat het spul geen enkel effect op me zou hebben. Hooguit
zou ik wat licht in het hoofd worden. Dat was mijn handicap: ik was niet
te verdoven. Elke minuut van mijn hele leven zou ik bewust moeten ondergaan.
"Zo is het leven even goed," zei Günther. "Al zal de dood beter
zijn. Mensen verzetten zich daar te veel tegen. Toen mijn moeder stierf,
riep ze dat ze vermoord werd, terwijl het juist een zegen was. Zeker voor
haar. Ze heeft zich tegen heug en meug door het leven gesleept."
Hij keek me lodderig aan en drukte de peuk uit.
"Laten we naar buiten gaan," zei hij.
We namen de metro naar het Rijksdaggebouw en vandaar liepen we langs
de resten van de muur. Mensen op ladders waren bezig er stukjes uit te
beitelen.
"Hoe weet je nou dat het echte stukjes muur zijn die ze in die glazen
stolpjes verkopen," vroeg ik.
"Dat weet je niet. Maar als je denkt dat het zo is, dan is het de
werkelijkheid. Zo zit dat nu eenmaal."
Langs het pad dat door een gebied voerde dat nog niet zo lang geleden
niemandsland was, stonden kramen waar Russische legerartikelen werden verkocht:
helmen, jassen en bivakmutsen. Zelfs hier en daar een gasmasker.
"Eindelijk hebben de mensen er wat aan," zei Günther. "Er valt
veel te verdienen aan die rotzooi. Zo is het toch nog ergens goed voor."
We liepen Unter den Linden in. Daar stonden wat hoge gebouwen, waar
misschien machtige regeringsvertegenwoordigers kantoor hadden gehouden.
Nu stonden ze leeg. In de Friedrichstrasse was er markt: vervallen kramen
met kapotte stukken doek erop. Koopmannen schreeuwden naar de vrouwen die
keurend langs de groenten en het textiel liepen. Overal stonden groepjes
mensen te praten.
"Het ware leven," zei Günther. "Het zal wel verloren gaan.
Nog even en het is hier één Kaufhaus des Westen. Weer miljoenen
mensen een illusie ontnomen."
We aten wat in een bierkeller, een prak met aardappelen, kool en
bratwurst. Ik nam een hap en gruwde van het varkensvet.
"Het eten van het Oosten," zei Günther, "Eerlijk voer waar
een mens op vooruit komt." Hij at met smaak.
Daarna namen we de tram naar het Oosten van de stad. De rit was lang.
Af en toe stapten we uit om wodka te drinken bij een stationskiosk. Meestal
ging de metro bovengronds, maar af en toe dook hij een tunnel in, alsof
de aanblik van de grauwe flatgebouwen te erg zou zijn voor ons.
Het park dat Günther me wilde laten zien lag aan de rand van
de stad. Tegenover de ingang stond een gebouw met wc's.
"Ik moet even," mompelde ik. Günther ging op een bank zitten
wachten.
In het gebouw zat een vrouw in een morsige stofjas aan een tafeltje
met een schoteltje erop. Ik knikte haar toe. Ze staarde me aan met een
venijnige blik alsof ik degene was die haar in deze treurigheid had gebracht.
De wc was smerig. Er zat verkalkte pis aan de pot en op de muren
waren strontvegen gesmeerd. Hangend boven de pot piste ik het hoogstnoodzakelijke.
Zonder de vrouw aan te kijken gooide ik een muntstuk op het schoteltje.
In het park was een piste met daaromheen immense beelden van arbeidersvrouwen
en soldaten. Eronder waren tegels met teksten in cyrillisch schrift. Het
meest imposant was de tien meter hoge soldaat, lichtblond zo te zien, met
een huilend kind op de arm. Hij keek daadkrachtig de verte in: het kind
zou hij redden, wat hem daar ook te wachten stond.
"Het is puur geloof dat je hier ziet," zei Günther. "Over een
paar maanden zullen ze het afbreken en dat is het jammer, want hier zie
je de mens zoals hij zou willen zijn, maar nooit zal worden."
Zwijgend gingen we terug naar zijn appartement in Kreuzberg. Nadat
hij een glas wijn had gedronken, verdween hij naar zijn slaapkamer. Ik
bleef nog even zitten om de rest van de fles leeg te drinken.
Daarna liep ik naar de logeerkamer. De deur van zijn slaapkamer stond
open. Hij lag op zijn rug in de kist, zijn ogen gesloten, zijn handen over
de buik gevouwen.
Ik wilde doorlopen, maar mijn blik bleef aan die kist gekleefd.
Hij opende zijn ogen en keek me aan.
"Ik ga dood," zei hij. "Binnenkort al. Kanker, overal uitgezaaid."
"Mooi," zei ik. "Dan zal de kist wel passen."
"Zo komt alles uiteindelijk goed," zei hij. Hij glimlachte en sloot
zijn ogen.
© Petra Oomen
september 2000
|