Dertig jaar na zijn dood stond Ina aan het graf van haar man. De
wind waaide guur uit het Oosten en blies verse bloemen tussen de stenen
door. De letters op de grafsteen waren door de elementen uitgebeten en
vaag geworden, maar ze waren nog wel leesbaar: "Hier rust mijn lieve man,
Bert de Jong."
Lief, aan m'n hoela, dacht ze. Nog altijd was ze blij dat ze van
hem was bevrijd, op die avond voor kerst toen hij zo nodig het dak op moest
om de antenne bij te stellen. Het ijzelde, niemand durfde de straat op,
maar hij moest en zou naar Nederland 2 kijken en die zender stoorde. Ondanks
haar protest, dat zwak was geweest maar toch, was hij het dak opgeklommen.
Een paar seconden later lag hij beneden met een gebroken nek. "Een noodlottig
ongeval" zo stond er in de advertentie in de krant. Het was opvallend,
hoe verschillende mensen aan dezelfde gebeurtenis een andere betekenis
konden geven. Ina moest toegeven dat er sprake was geweest van een speling
van het lot, maar noodlottig kon zij het voorval toch niet noemen. In tegenstelling
tot Bert's ouders en zijn collega's van de scheepswerf. Dezen snikten de
hele uitvaart lang en de één na de ander kwam haar uit de
doeken doen hoe smartelijk dit verlies toch was.
Ina huilde niet. Ze was wel bang dat dat haar kwalijk zou worden
genomen, maar hoe ze haar best ook deed door aan droevige gebeurtenissen
te denken, het lukte gewoon niet. Zelfs de herinnering aan het meest trieste
dat in haar leven was voorgevallen, het afscheid van haar broer op de kade
in de haven van Hoek van Holland, wilde haar traanklieren niet in beweging
brengen.
Bert was een Neanderthaler. Helaas bleek dat pas toen zij met hem
was getrouwd. In hun verlovingstijd leek hij nog wel aardig, bracht bloemen
of bonbons voor haar mee op zondag en wandelde met haar. Zijn onbehouwen
gegrom waarmee hij haar vragen beantwoordde, weet ze aan zijn verlegenheid.
Al tijdens de huwelijksnacht werd haar wantrouwen gewekt. Zodra
ze alleen waren na het feest rukte hij haar de kleren van het lijf, ging
op haar liggen, duwde zijn dikke paarse pik in haar en pompte onritmisch,
terwijl hij rauwe kreten slaakte. Gelukkig kwam hij snel klaar, zodat deze
bezoeking niet al te lang duurde. Hij rolde van haar af, en viel direct
in slaap. De hele nacht lag ze wakker, omdat ze zich verscheurd voelde
door de teleurstelling en omdat het snurken het bed leek te doen trillen.
Ze leerde hem snel echt kennen. Hij boerde bij het eten en liet
het vet onbekommerd langs zijn kin druipen. Hij krabde aan zijn kont en
rook dan aan zijn hand. Hij peuterde in zijn neus en schoot het propje
snot weg met duim en wijsvinger. Hij lustte alleen aardappels, groenten
en vlees. Eén keer had ze het bestaan om spaghetti te maken volgens
een recept dat ze uit de Libelle had gehaald. Zodra ze het voor hem neer
zette, pakte hij het bord op en kwakte het met volle kracht tegen het behang,
vanwaar de slierten pasta en de rode saus langzaam naar beneden dropen.
De roestig rode vlekken bleven nog jaren zitten.
Ina protesteerde niet. Dat deed ze nooit. Ze huiverde als ze zijn
brommer de straat in hoorde komen, legde snel de Margriet of een ander
blad dat ze zat te lezen weg en spoedde zich naar de keuken. Voordat hij
het huis in bonkte en de voordeur hard achter zich had dichtgeslagen, was
ze druk in de weer met van alles en nog wat. Hij kwam binnen, greep haar
in het kruis en zei: "Zo, mokkel, straks weer effe lekker van bil". Gelukkig
kwam het daar niet zo vaak van, want meestal viel hij, na het drinken van
een stuk of wat pilsjes, voor de televisie in slaap. Daar liet ze hem liggen.
De volgende ochtend kwam ze pas haar bed uit als ze had gehoord dat hij
was weggegaan. Het huis was dan even van haar.
Haar opluchting was onbeschrijfelijk toen ze op die avond naar buiten
stoof nadat ze de klap had gehoord en hem zag liggen met zijn hoofd in
een vreemde hoek.
Elk jaar op 24 december bezocht ze zijn graf. Ze legde er geen bloemen,
maar keek enige tijd naar de kiezelsteentjes in het kleine perk, die opbolden
alsof ze omhoog werden geheven door zijn bierbuik. Waarschijnlijk was er
niets meer van hem over dan een armzalig hoopje botten. Toch wilde ze zich
er elk jaar van vergewissen dat hij er nog steeds lag, dat hij niet plotseling
voor haar zou kunnen staan.
"Het beste, Bert, daar lig je mooi", prevelde ze in de richting
van het graf. Ze verbeeldde zich dat ze hem gedempt hoorde vloeken en glimlachte.
Ze draaide zich om en liep weg. Vandaag had ze ettelijke tijdschriften
gekocht in de supermarkt en de volgende twee dagen zou ze die ongestoord
gaan lezen.
© Petra Oomen
december 1999