Kelder

Beneden, in de kelder, was de stank ondragelijk. Zelfs de zakdoek, die ze voor haar mond hield, kon die lucht van bederf niet helemaal weren.
De muren van de lage ruimte waren zwart geschilderd. In het midden van de vloer lag een matras. De vulling puilde uit tientallen gaten als etter uit rijpe puisten. Het kleine raam, net onder het plafond, liet een zonnestraal door, die de kelder in drieën deelde.
Dus hier was hij geweest, al die tijd. Ze schudde haar hoofd en begon de kleren, die her en der lagen verspreid, van de grond te rapen. Ze waren vuil en kapot. De halflege blikjes met bedorven groente en vlees gooide ze in een vuilniszak. Het was een wonder dat hij niet was bezweken aan voedselvergiftiging of de één of andere ziekte had opgelopen.

Toen ze hem gisteren kwamen brengen, was ze niet eens verbaasd geweest dat hij er zo slecht uitzag. Na al die maanden had ze nauwelijks nog durven hopen dat hij nog leefde. Ze zeiden dat hij naar het ziekenhuis moest, maar ze wilde hem even voor zichzelf houden.
Ze stopte hem in bad en boende het ergste vuil van zijn lichaam. Al die tijd zweeg hij. Ze dacht aan vroeger, toen zij hem vaak in bad had gedaan. Alleen was hij toen een kraaiende baby geweest, geen verschraalde man van dertig, die onafgebroken naar de muur staarde en niet reageerde op wat ze zei.

Aan de wand, waar het raampje zat, stond een ijzeren kast van het soort dat je wel aantreft in kleedkamers van sportzalen. Ze opende één van de deuren. Een berg papier viel naar buiten. Ze graaide willekeurig in de stapel en trok er een prop uit. Het was een met rode en zwarte verf beschilderd blad. Rood en zwart waren de enige kleuren waar hij mee schilderde. Ze had hem een stel tubes met andere kleuren gegeven, maar die gebruikte hij nooit. De verf was er in driftige streken opgekalkt. Anders schilderde hij heel zorgvuldig vlakken in allerlei vormen. Ze nam nog een prop. Die zag er hetzelfde uit. Ze keek verder: honderden proppen die waren beschilderd, in elkaar gefrommeld en in de kast gesmeten.

Natuurlijk waren ze hem toch komen halen, dezelfde dag nog. Hij lag op zijn rug op bed en staarde naar het plafond. Ze had een bord met boterhammen op het tafeltje naast het bed gezet. Hij had het niet aangeroerd.
Ze kwamen met zijn vieren. Er waren twee grote kerels in het wit bij. Ze grepen hem stevig bij de armen, zodat hij niet kon ontsnappen. Hij liet zich meevoeren, alsof hij niet eens merkte dat ruwe handen aan hem sjorden en trokken. De lange man had haar staande gehouden in de gang, toen ze de anderen naar buiten wilde volgen en gezegd: "U kunt beter hier blijven. Het zal waarschijnlijk een langdurige kwestie worden.". Ze had alleen maar geknikt, al had ze geen flauw idee waarom dat zo zou moeten zijn. "Sterkte", zei de man, toen hij wegging.

Ze ging op haar tenen staan en opende het kleine raam. De straatgeluiden leken te botsen op de stilte van deze graftombe en niet werkelijk door te kunnen dringen. De frisse lucht die binnenstroomde benadrukte de stank nog.
De hoek rechts van het raam had hij kennelijk als WC gebruikt. Het krioelde er van de dikke vliegen, die over de papierproppen dansten. In een gootje langs de wand stond urine.
Ze zocht verder in de kelder, op zoek naar een verklaring voor zijn plotselinge verdwijning, een stille getuige van een gebeurtenis die dramatisch genoeg was om die te rechtvaardigen. Ze vond echter niets dan die eindeloze reeks beschilderde proppen papier en over de vloer geworpen vuiligheid.
Het was haar nog steeds een raadsel hoe ze hem uiteindelijk gevonden hadden. De kelder lag weliswaar in dezelfde wijk als waar zij woonden, maar er waren geen andere huizen in de buurt van dit onbewoonde pand. Het was onwaarschijnlijk dat de stank, die ongetwijfeld al een tijdlang rond het huis hing, hen op het spoor had gebracht.

Hij was onrustig geweest op de dag dat hij verdween. Hij was niet in zijn kamer gebleven, zoals anders bezig met zijn plaatjesboeken en zijn schilderijen, maar was steeds beneden gekomen, de tuin ingelopen. Daar had hij telkens over het hek staan te kijken alsof hij iemand verwachtte.
Ze was maar heel even weggeweest om een boodschap te doen. Toen ze thuiskwam, was hij weg. Pas laat in de avond durfde ze de gedachte, die de hele dag in haar hoofd op de loer had gelegen, toe te laten. Er was iets vreselijks gebeurd. Ze belde de politie. De agent probeerde haar gerust te stellen en beloofde pas een zoekactie in gang te zetten toen zij hem, na een kwartier smeken, vertelde wat voor iemand haar zoon was.
Daarna waren de maanden gevolgd van naast de telefoon zitten en opspringen als er gebeld werd. Maanden, waarin de hoop steeds meer vervaagde, maar toch nooit helemaal verdween.

Ze zakte neer op de enige stoel die er stond. Misschien was het fout geweest dat ze hem thuis had willen houden en had ze hem toch aan zo'n instituut moeten overlaten, zoals iedereen haar aangeraden had. Misschien was het arrogant geweest dat ze had gedacht dat alleen zij wist wat hij nodig had, alleen zij goed voor hem kon zorgen. Misschien was hij naar deze kelder gegaan in een poging zich van haar los te scheuren, ondanks alles volwassen te worden. Ze had gedacht dat hij altijd dezelfde zou blijven, tot hij oud was en zou sterven. Ze had hem een gelijkmatig zieleleven toebedacht, waar geen hartstochten waren, die hem naar buiten dreven, zijn ondergang tegemoet. Nu zag ze in dat ze zich vergist had. Al die jaren moest de onrust in hem hebben gesluimerd, ze had het alleen niet herkend.
Ze liet de prop uit haar handen vallen, stond op en verliet de kelder, die haar verder niets zou onthullen.



© Petra Oomen, augustus 1999