Bevroren jaren

Naast haar lag Felice te slapen, ongestoord, rustig ademhalend. Haar rechterarm lag naakt en weerloos op het dekbed. Het was een stevige arm, gespierd, in staat om meppen uit te delen. Maar nu lag hij gekromd in een flauwe bocht, krachteloos en ongevaarlijk.
De gordijnen bewogen zacht op de wind die door de openstaande deur naar binnenkwam. Af en toe kwam er een straaltje licht binnen van de straatlantaarn, die voor het huis stond. Er vloog dan een streep over Felice's gezicht, waar een vage glimlach op stond.
"Felice slaapt de slaap der onschuldigen", dacht Mareille, " Zoals altijd weet zij zich van de prinses geen kwaad.". Voorzichtig sloeg ze het dekbed terug en stapte het bed uit, daarbij nauwlettend in de gaten houdend of Felice zich zou bewegen. Die verroerde zich echter niet.
Ze schoof het gordijn opzij en keek de straat op. Het was stil, geen wonder om vier uur 's nachts. De meeste slaapkamerramen stonden wijd open, vitrages bolden hier en daar naar buiten. Als ze wilde, zou ze de buren kunnen horen, snurkend, murmelend in hun slaap. Zij was de enige die wakker was, de enige die geen rust kon vinden na die zomeravond, die voor al die anderen verdwenen en vergeten was.
Ze liep zachtjes naar de huiskamer. Het zou een ramp zijn als Felice nu wakker zou worden en haar zou vragen wat er was. "Niets", zou ze dan zeggen, "Niets", en dat zou de pijn die door haar woedde, alsof er een bulldozer in haar lichaam had huisgehouden, des te heviger maken.
In de huiskamer was het koeler. Het grote licht dat ze aanknipte, gaf de kleuren van de meubels iets betrouwbaars, iets blijvends. Lady Pat schoof een paar keer langs haar benen, ging voor haar zitten en mauwde doordringend. Ze opende de koelkast en gaf haar een stukje kaas, dat instemmend snorrend door het dier werd ontvangen. Zelf nam ze ook een stukje. Het smaakte naar plastic. Op het aanrecht waren de sporen nog te zien van de vorige avond: volle asbakken en lege flessen, aangevreten gehaktballen.
In het zitkussen van de bank tekende zich de indruk af, die Felice had achtergelaten.
Het was stil, op een paar nachtelijke geluiden na. Krekels tjilpten, Lady Pat snorde zacht, in de verte waren er de geluiden van de snelweg en voorbijrazende goederentreinen.
Ze koesterde zich in de eenzaamheid van de nacht. Niemand zou wat van haar eisen, ook Felice niet. Die sliep nu en zou morgen voorgoed vertrekken, al was ze zich daar nu nog niet bewust van. Morgenochtend, zodra ze wakker werd, zou er een einde komen aan hun vrije, open relatie waar zoveel mensen hen om bewonderd en benijd hadden. Een leven zonder Felice. Ze zag er niet eens tegenop. Die avond had ze beseft dat ze al heel lang had geleefd zonder haar, misschien altijd al wel.

Felice stond, om een uur of acht, voor de deur met een onbekende vrouw. Haar nieuwste aanwinst, zo begreep Mareille meteen. Ze kwam haar nieuwe geliefden altijd laten zien, zoals een kat, die zijn prooi trots op de deurmat legt en daar een aai voor verwacht. De vrouw heette Beatrijs en was een stuk ouder dan Felice. Ze groette Mareille kortaf en keek met een kritische blik om zich heen.
"Klein is het hier", zei ze afgemeten, "Ik zou het niet uithouden in zo'n hok". Felice keek glimlachend naar haar op.
"Ik houd het hier ook nooit langer dan een dag vol", zei ze.
Beatrijs sloeg een arm om haar heen en kuste haar op de mond. Vervolgens plofte ze neer op de bank.
"Ik wil wel wat drinken", zei ze. Ze keek Mareille niet aan.
Ze nam het boek dat op tafel lag, deel I van het Bureau van Voskuil, en bladerde het door.
"Waardeloos boek. Eén en al gezanik. Ik snap niet dat daar zo'n drukte over gemaakt is". Ze kwakte het boek naast zich neer.
"Kom bij me zitten, schat", zei ze, terwijl ze uitnodigend een arm in de richting van Felice uitstak. Die nestelde zich in haar armen en legde haar hoofd op haar schouder. Mareille wilde wat zeggen, maar verwarring misvormde de zinnen die ze bedacht voor ze ze kon uitspreken. Ze bleef aarzelen. Alles moest kunnen, zo hadden ze ooit besloten. Het idee van de monogamie hadden ze als beknellend en ouderwets van de hand gewezen. Het was opgelegd door de heersende patriachale normen en daar wilden ze zich niet meer door laten bepalen. De aanblik van de innige omhelzing stuwde echter een heftige woede naar haar hoofd, dat bijna uit elkaar leek te knallen. Ze probeerde zichzelf tot de orde te roepen, hield zich voor dat het haar socialisering was die de woede veroorzaakte, dat die niets met haar te maken had. Ineens spoot het er echter toch uit:
"Lazer op! Jullie allebei!"
Op het gezicht van Beatrijs verscheen een spottend glimlachje.
"Kijk, kijk, het vrouwtje wordt jaloers!", zei ze. Felice volgde haar toen ze naar de deur liep. Ze wierp Mareille een vernietigende blik toe.
Tegen elf uur kwam ze terug. Ze had de handen in de zakken toen ze binnenkwam en keek stuurs voor zich uit. Er stond een diepe frons op haar voorhoofd. Het triomfantelijke winnaarsgezicht, dat ze vroeger op de avond nog getoond had, was verdwenen.
"Je hebt me voor lul gezet, met je jaloezie", sprak ze dof, "Beatrijs denkt nu dat ik onder de plak zit, iemand ben die haar maar wat verhaaltjes op de mouw spelt."

Dat was allemaal uren geleden. Mareille keek naar buiten waar het al licht begon te worden en aaide Lady Pat, die uit haar slaap was ontwaakt en op haar schoot had plaatsgenomen. Het zoemende geluid van de snelweg nam in sterkte toe. Ze dacht aan al die keren dat Felice haar had laten stikken, toen het er op aankwam. Van de leegte die ze zag als Felice haar masker even oplichtte, was ze geschrokken.
Zoals die keer zes jaar geleden, toen haar moeder stierf. Maanden had ze daarover gedaan in die klamme zaal in het ziekenhuis. Mareille bezocht haar bijna dagelijks. Als ze de bloemen, die ze had meegebracht, in één van de met kalk aangeslagen vazen zette, had ze net tijd genoeg om haar tranen weg te dringen. Ze huilde om haar moeder, die daar lag in het ziekenhuisbed, achterover met haar hoofd diep in de kussens weggezakt. Een verdwijnend hoopje vlees door wit omringd.
Felice was één keer mee geweest naar het ziekenhuis. Op de drempel van de zaal had ze de handen voor de mond geslagen, toen ze de zieke zag. Ze had rechtsomkeer gemaakt en was weggerend. Na het bezoekuur trof Mareille haar in de rookruimte. "Dit is teveel voor mij", snikte ze, "Ik kan dit echt niet hebben. Dat had je moeten begrijpen."
Ze herinnerde zich het toegeeflijke glimlachje toen ze Felice had verteld over haar voornemen freelance te gaan werken als tekstschrijver, alsof ze wilde zeggen: "Speel maar een beetje, jij, je doet er niemand kwaad mee." Vervolgens ging Felice over op haar belevenissen op de set, waar op het allerlaatste moment nog iets mis dreigde te gaan omdat de bus met verstandelijk gehandicapten, die live een toneelstuk zouden opvoeren in de tv-show, tachtig kilometer verderop in een file was blijven steken. Mareille luisterde niet meer naar hoe de oplossing uiteindelijk toch gevonden was. Die glimlach voelde ze echter als een slag in haar gezicht, maakte iets duidelijk dat ze op dat moment nog niet onder ogen wilde zien: voor Felice was ze slechts een klankbord, niet meer dan dat.
Felice was gaan zitten en keek nors voor zich uit.
"In feite ben je heel burgerlijk", zei ze, "Dat is weleens moeilijk voor mij. Als kunstenaar heb ik ruimte nodig en die geef jij me niet."
Ze was redactie-assistent bij een showprogramma voor een commerciële omroep en zag die baan als een belangrijke stap op weg naar haar carrière als filmproducer. Eens zou ze het maken, dat wist ze zeker. In ieder geval werkte ze hard aan het opbouwen van een netwerk.
"Dan ga je toch?", zei Mareille.
Felice keek haar aan alsof ze iemand voor zich had die plotseling psychotisch was geworden.
"Maar je kunt helemaal niet buiten me! Wat zou er van je moeten worden!"
"Dat is mijn zaak, lijkt me. Ga maar. Naar Beatrijs of zo, die zal je ongetwijfeld met open armen ontvangen."
Felice stond op en liep langzaam en dreigend op Mareille toe. Ze sloeg haar hard in het gezicht. "Tiran!", riep ze, "Alles wil je naar je hand zetten met je zogenaamde ruimhartigheid".
"Als je het zo denkt op te lossen..", zei Mareille. Felice stond voor haar, terwijl ze haar geheven arm langzaam liet zakken.
"Sorry", zei ze, op een toon alsof ze zojuist per ongeluk tegen haar was opgelopen.
"Ik ben mezelf niet en jij ook niet", ging ze verder, "Het is beter dat we het er vanavond bij laten. Morgen praten we verder." Ze liep naar de slaapkamer.
Mareille was nog een uur blijven zitten en dacht na over de bevroren jaren, waarin ze haar gevoelens van ongenoegen, die er bij nader inzien wel degelijk waren geweest, naar de achtergrond had gedrongen. Nu leek het zo simpel; zonder Felice zou alles gewoon doorgaan. Het zou zelfs een stuk comfortabeler zijn, als ze niet meer steeds hoefde te applaudisseren, verhalen hoefde aan te horen over het onrecht dat Felice werd aangedaan in de televisiewereld en de barrières die steevast door anderen werden opgeworpen, zodat het met haar carrière niet wilde vlotten.

Ze liep terug naar de slaapkamer. Felice had in haar slaap het dekbed van zich afgegooid en lag op haar rug. Ze snurkte licht. Even overwoog Mareille haar meteen buiten de deur te zetten, maar de gedachte aan de scène die dan onvermijdelijk zou volgen, weerhield haar daarvan.
Het eerste licht drong door de kieren van het gordijn. Voorzichtig, om te voorkomen dat Felice wakker werd, stapte Mareille in bed. Ze viel direct in een sluimerende slaap.

© Petra Oomen

november 1999