Inbraak

Het was veel donkerder dan ze verwacht had. De forse rododendron in de voortuin nam al het licht van de straatlantaarn weg, zodat Carla het slot op de tast moest zoeken. Toen ze het gevonden had, nam ze de priem uit de zwartleren tast en wrikte erin. Het slot kraakte. Voorzichtig duwde ze tegen de deur, die wel wat meer speling had, maar niet openschoot. Ze nam een grote schroevendraaier en zette die tussen de deurpost en de deur. Er was nog steeds geen beweging in te krijgen. Ze wrikte verder in het slot, driftiger nu. Ze hoorde een klik, duwde nogmaals tegen de deur. Deze keer schoot hij wel open.
Ze probeerde om zich heen te kijken, maar het was pikdonker in die gang. Ze nam de zaklantaarn in de tas en knipte die aan. Het flikkerende licht bescheen een kastje, waarop een een lege vaas stond.

Ze keek er even naar. Het motief op de vaas was mooi. Zwarte lijnen omsloten blauwe en rode vlakken. De regelmaat van de vlakken gaf het geheel de indruk van bruisend leven, dat ergens naar toe wilde, maar geen kant op kon. Ze nam de vaas in haar handen en bewonderde hem.
Ze stopte de vaas in haar tas. Helemaal voor niets was haar tocht alvast niet geweest.

Die middag toen ze door deze straat was gefietst, was ze vol vertrouwen geweest in het slagen van haar actie. Er scheen een lage herfstzon door de straat, waar grote huizen stonden met keurig onderhouden tuinen. Het was er stil. Een paar mensen, allemaal al oud, liepen er bedaard met hun boodschappenwagentje of zomaar te wandelen.
Als ze langzaam reed, kon ze door de ramen naar binnen kijken. In de meeste huiskamers stonden grote, donkere meubelen. In dat opzicht week het huis op nummer 47 af. Het leek daar veel lichter. De stoelen waren lichtgrijs en hadden stalen leuningen. Aan de muren hingen abstracte schilderijen. Kleurvlakken sprongen energiek uit het grijs tevoorschijn. Door dit vertoon van goede smaak voelde ze verwantschap met de bewoners van dit huis. Even speet het haar dat juist deze mensen haar slachtoffer zouden moeten worden. Ze besefte echter snel dat een dergelijk gevoel haar doel niet zou dienen en wuifde de gedachte weg.
In het park, dat aan het eind van de straat lag, zette ze haar fiets tegen een bank, ging zitten en dacht na over hoe ze het zou aanpakken.
Dat het nummer 47 zou worden, stond buiten kijf. Ze zou daar waarschijnlijk vinden wat ze zocht; mooie spullen, die de moeite van het stelen waard waren. Bovendien zou ze zich prettig op haar gemak voelen in de sfeer van dat huis. Het zou nog een hele toer worden om er binnen te komen, en voor een moment zonk de moed in haar schoenen. Ze mocht namelijk niet falen, het moest lukken. Er was geen tijd om te oefenen.
Ze had dat zich nu eenmaal voorgenomen, vanmorgen, toen ze onder de douche stond. Er lag een lange dag voor haar, waarin weer helemaal niets zou gebeuren. Ze zou naar haar werk gaan, daar als een automaat papieren van de ene naar de andere postbak overhevelen, vernederd worden door het afdelingshoofd die vast wel weer wat fouten zou aantreffen. Dan zou ze naar huis gaan, een maaltijd uit de diepvries halen en die in de magnetron stoppen, het voer voor de televisie opeten, zich voornemen een boek te lezen, maar besluiteloos voor de televisie blijven hangen, naar bed gaan en daar uren in het donker liggen staren, zich afvragen waar dit in godsnaam toe diende, overwegen er een einde aan te maken, maar dat natuurlijk niet doen.
Ze draaide de kraan dicht, droogde zich af en besloot, dat het vandaag anders moest gaan. "Er moet wat meer sjeu in", mompelde ze voor zich uit. Ze kleedde zich aan en belde naar haar werk om door te geven dat ze ziek was. Daarna ging ze zitten bedenken wat ze die dag zou gaan doen.
Ze overwoog verschillende mogelijkheden: er op spectaculaire wijze, alsnog een einde aan maken, iemand voor de lol vermoorden, zich bedrinken. De eerste twee waren te moeilijk uitvoerbaar en hadden toch wel iets immoreels in zich, de derde wees ze van de hand omdat die weinig constructief was.
Het idee van de inbraak rijpte. Het zou een opzienbarende inbraak moeten worden, waar de stad nog maanden onrustig van bleef. Het zou handig zijn als ze er nog wat leuke spullen aan over hield, want haar huis leek wel een opslagplaats voor afgedankte spullen, die daar op hun vernietiging stonden te wachten. De keuze van de wijk lag voor de hand. In Oost waren de grootste huizen, waar de mooiste spullen te verwachten waren. Het idee vrolijkte haar helemaal op. Ze keek om zich heen en stelde zich voor hoe de muur zou opknappen als er een mooi schilderij zou hangen in plaats van de vergeelde poster met scheuren aan de hoeken. Jammer dat ze geen auto had, anders had ze ook eindelijk die oude leunstoel eens kunnen vervangen, waarvan de kussens door slijtage kleurloos waren geworden en in het hout van de leuning witte kringen waren uitgebeten op de plaats waar ze altijd glazen zette.

Ze liep verder naar de huiskamer. De zaklantaarn flikkerde steeds heviger en viel af en toe een paar seconden lang helemaal uit. Het was moeilijk de voorwerpen te onderscheiden op die manier. Even overwoog ze om het licht aan te doen, dat zou een stuk gemakkelijker werken, maar dat idee zette ze snel uit haar hoofd. Als ze direct gepakt wilde worden, moest ze dat doen. Het beeld van een donkere cel met muren waar het vocht vanaf droop doemde voor haar op. Ze zag zichzelf vastgeklonken aan ketenen, gehuld in lompen, sabbelend op een stuk beschimmeld brood. Natuurlijk wist ze wel, dat de realiteit wat milder was, dat ze in een nette kamer gestopt zou worden als ze onverhoopt tegen de lamp mocht lopen, maar het grimmige beeld van de koude kerker gaf nu eenmaal meer reliëf aan haar daad.
Ze stootte tegen iets aan, hard, haar teen deed verschrikkelijk pijn. Ze zette haar kiezen op elkaar om niet te schreeuwen en probeerde zich uit alle macht te beheersen het voorwerp, dat haar onverhoeds had aangevallen door zo in de weg te staan, een trap terug te geven.
Uit de zaklantaarn kwam nu een scherpe bundel licht. Ze zwaaide ermee door de kamer en ving een massief eiken secretaire in de straal. Er stonden beeldjes op. Het waren gestileerde vrouwenfiguren van brons. Ze zouden schitterend staan op haar schoorsteenmantel. Met grote passen liep ze er op af en drapeerde de beeldjes voorzichtig rondom de vaas in de tas.
Nadat ze daar in het park had gezeten, was ze teruggegaan naar de straat. Nog langzamer dan zojuist fietste ze langs het huis. Er kwam een vrouw de deur uit. Ze was niet jong meer, een jaar of vijfenvijftig, schatte ze. Ze droeg een zwarte poncho en op haar vuurrode haar stond een hoed, ook zwart. In haar hand droeg ze een grote boodschappentas. Even overwoog ze de hoek om te fietsen, te wachten tot ze de straat uit was en meteen haar slag te slaan. Maar die gedachte wuifde ze weg: ze zou ongetwijfeld gezien worden door de overburen, die ze zich voorstelde als een bejaard echtpaar, dat de hele dag niets anders te doen had dan door het raam kijken om te zien wat er in de straat gebeurde. De vrouw stapte stevig door, terwijl ze haar hoed vasthield, wat opmerkelijk was, want het was geheel windstil.
Ze probeerde zich voor te stellen hoe ze leefde. Haar kinderen, als ze die al had, waren natuurlijk de deur al uit. De kans was dus gering dat ze straks oog in oog zou staan met twee forse binken, die haar het huis uit zouden slaan. In het beste geval was ze weduwe, maar als haar man nog leefde, zou die oud en broos zijn. Geen partij voor haar, met haar vijfentwintig jaar in de kracht van haar leven en nu meer dan ooit bruisend van energie.
De zaklantaarn ging uit. Ze liep op de tast verder, terwijl ze rammelde aan het ding om het weer aan de praat te krijgen. Plotseling lag ze op de grond. In haar val had ze een stoel meegenomen die met een bonk naast haar was gevallen.
Ze bleef op haar knieën zitten en luisterde weer. Het duurde niet lang voordat ze gestommel op de trap hoorde en even later werd het licht aangeknipt. In de deuropening stond de bewoonster, gekleed in een kleurige kimono.

De vrouw knipperde met haar ogen alsof ze nog niet helemaal wakker was en werd overvallen door het licht. Carla bleef stil zitten, als een pad die hoopt door zijn bewegingsloosheid onopgemerkt te blijven.
"Goedenavond", zei de vrouw, "Ik ben niet gewend aan bezoek op dit uur. Maar ga zitten. Ik ben Mies." Ze gebaarde naar een geriefelijke fauteuil. Carla stond langzaam op, daarbij Mies geen moment uit het oog verliezend. Ze verwachtte elk moment een mes in haar rug, dat op listige wijze uit de mouw van die kimono getoverd zou worden. Maar Mies maakte geen enkele verdachte beweging. Zelf ging ze op de bank zitten en stak een sigaret op. Carla besefte dat ze had gefaald en verwachtte een aanstonds verblijf in zo'n kerker, die in haar fantasie steeds duidelijker vormen aannam. Ze zou niet alleen geketend worden, maar daarbij ook nog gemarteld en naar alle waarschijnlijkheid verkracht. Amnesty International zou handtekeningen rondzenden om een humanere behandeling te bewerkstelligen. Als ze eindelijk zou worden vrijgelaten zou ze, weliswaar vermagerd en voorzien van rode striemen, ongebroken uit de strijd tevoorschijn komen, toegejuicht door al die mensen, die jarenlang voor haar hadden gestreden en haar om haar moed bewonderden.
"Wil je een kop chocola?", vroeg Mies, "Je ziet er uit alsof je dat wel kunt gebruiken."
De fantasie spatte uiteen. Carla knikte zonder wat te zeggen. Ze had toch voor moord moeten kiezen, dan was het zaakje nu afgedaan.
Mies ging de keuken in. Zo, met het licht aan, kreeg Carla een goed zicht op de kamer. Ze keek spijtig naar het schilderij aan de muur, dat ze nu niet mee kon nemen. Het had nog het meest weg van een Chagall, met die felle kleuren die vervagend in elkaar overliepen.
"Wil je hem slap of sterk!", riep Mies. "Sterk", antwoordde Carla. Even later kwam Mies terug met twee bekers. Ze zette er één neer voor Carla, ging zitten, sloeg haar benen over elkaar en zei:
"Zo, vertel eens, wat kom je hier doen."
Carla dacht niet dat het veel zin had om om de werkelijkheid heen te draaien. Ze was tenslotte zo goed als op heterdaad betrapt.
"Inbreken," antwoordde ze daarom simpelweg.
"Ja, dat begreep ik. Maar waarom kwam je inbreken. Je moet weten, ik kom niet zo heel veel in aanraking met jonge mensen, wat ik spijtig vind. Dus voor mij is dit een buitenkans."
Carla had niet anders verwacht dan dat ze na een stevige reprimande aan de politie zou worden overgedragen. De vrouw, die op het puntje van de bank zat, keek haar vol verwachting aan.
"Ik had spullen nodig", vertelde Carla, "En hier leek ik wat te kunnen vinden. Daarom eigenlijk."
"Goh, je bent niet aan de drugs of zo? Daar lees ik veel over, over mensen die verslaafd zijn en om die reden uit stelen gaan. Je ziet er trouwens ook wel erg goed uit voor een verslaafde."
"Nee, ik ben niet verslaafd. Hooguit aan koffie." Carla grinnikte. Mies bleef echter ernstig.
"En waarom ga je die spullen dan niet gewoon kopen? Je hebt toch wel werk?"
"Jawel, maar…" Carla zweeg. Ze dacht aan die eindeloze dagen op kantoor, die haar uitwrongen en niets van haar overlieten dan een verveelde zoutzak.
"Wat kijk je ineens treurig", zei Mies, "Heb ik iets verkeerds gezegd?"
Carla schudde het hoofd.
"Doe je tas eens open. Wat had je willen meenemen?"
Carla deed wat haar gevraagd werd. Mies zag de vaas en de beeldjes op de bodem liggen en zei:
"Hou die maar. De laatste jaren geef ik niks om spullen."
Carla keek haar verbaasd aan.
"Had je nog meer willen meenemen?"
Carla wees met haar hoofd naar het schilderij aan de muur. Nu wist ze het zeker. Het mens was gek. Mies haalde het er af en overhandigde het Carla. Die keek er bewonderend naar.
In Mies' blik, die haar glimlachend volgde, lag iets koortsachtigs. Ze verkeerde op de grens van de waanzin, zoveel was Carla wel duidelijk. Als ze wilde, kon ze alles meenemen. Mies zou geen vinger uitsteken.
"Nu lijkt het nog belngrijk, dat schilderij, die beeldjes, maar dat is het niet. Dat merk je nog wel", zei Mies.
"Misschien niet", zei Carla, "Maar toch erg bedankt voor de spullen".
Mies haalde haar schouders op. "Het is niets", zei ze, "Iets weggeven waar je niet aan gehecht bent, is geen offer.".
Carla stond op. "Ik moet gaan", zei ze. Ze reikte Mies de hand, die niet werd aangenomen.
"Jij gaat niet", zei Mies op vastberaden toon, "Jij blijft hier."
"Maar…", begon Carla.
"Niets maar!", zei Mies, "Je bent hier gekomen en ik heb je ontvangen, dus nu kan je wel even blijven. Ik geniet van je gezelschap."
De energieke blik in haar ogen maakte plaats voor een gelaten dofheid, alsof er plotseling iets wezenlijks in haar verjaagd was.
Carla ging zitten. Ze vouwde de handen in de schoot en keek Mies afwachtend aan. Deze boog het hoofd alsof ze ergens diep over na moest denken.
"Dat schilderij heeft Wim, mijn man, nog gemaakt", mompelde ze.
"Is hij overleden?"
"Nee, of beter gezegd: ik weet het niet. Vijf jaar geleden is hij niet thuisgekomen van zijn werk en ik heb nooit meer wat van hem vernomen."
"Wat vreselijk!", riep Carla uit. Ze kreeg het met Mies te doen.
Mies liep naar de secretaire en haalde er een fotolijstje uit. Ze overhandigde het Carla. Op de foto stond een man van ergens in de vijftig. Hij was kaal, op de grijze omlijsting langs zijn oren na. Hij had geen bijzondere trekken. Als Carla hem morgen op straat zou tegenkomen, zou ze hem niet herkennen.
"Dat bedoel ik nu. Vreselijk. Iedereen gaat bij mij vandaan. Daarom moet jij bij mij blijven.". De energie was weer terug in Mies' ogen, maar nu was er eerder sprake van een bezetenheid tegen beter weten in dan van de vlammende drang naar leven, die Carla zojuist had gezien.
Ze verstijfde in haar stoel. Mies boezemde haar plotseling angst in, alsof ze naar een plaats werd gezogen, die ze wel kende, maar die ze zich niet wilde herinneren.
Ze overwoog om op te springen en de deur uit de sprinten, maar ze ondernam geen actie. Mies leek haar met haar ogen te fixeren, haar vast te nagelen in die stoel.
Ze staarde naar de muren, die leken te vervagen en niets meer hadden van het schitterende evenwicht, dat er eerder was geweest. Ze wilde naar huis, maar tegelijkertijd was die uitdragerij waar zij woonde niet iets om naar terug te verlangen. Er was daar niets anders dan het grenzeloos verveeld wachten op de volgende dag. Haar strooptocht had daar niets aan veranderd.
Mies wapperde met haar hand, alsof ze een lastige vlieg wegsloeg.
"Ach, ga ook maar. Aan jou heb ik toch niks", zei ze "Geen boeh of bah zeg je, wat val jij me tegen!"
Carla voelde zich niet opgelucht. De opmerking van Mies haalde alle kleur weg van haar nachtelijk avontuur. Ze stond op. "Ik zal de deur morgen laten maken", zei ze. Mies knikte en keek ongeïnteresseerd de andere kant uit.
Carla trok de buitendeur achter zich dicht, zodat niet te zien was dat je er zo naar binnen kon lopen. Haar voetstappen klonken luid in de stille straat.

© Petra Oomen

december 1999