Hoek

Vanuit de hoek van de kamer keek er iemand naar haar hoewel dat niet kon. Voordat ze naar bed ging, had ze de deur stevig vergrendeld. Net als elke avond had ze alle hoeken in huis gecontroleerd. Er was niets, er was niemand.
Toch waren er twee ogen op haar gericht. Ze bleef op haar rug liggen en voelde hoe het laken klam aan haar naakte lichaam plakte. Met ingehouden adem luisterde ze maar het was stil alsof de wereld niet meer bestond. Zonder veel omhaal was al het leven door een hogere macht beëindigd. Haar waren ze vergeten mee te nemen.
Voorzichtig draaide ze haar hoofd naar de hoek. Het was er donkerder dan in de rest van de kamer waar nog wat licht van buiten op de muren scheen.
"Wie ben je?", fluisterde ze. Geen antwoord, nog geen zucht. Om zich weerbaarder te voelen, ging ze zitten. In huis rook het merkwaardig.
Ze had gegrilde biefstuk gegeten en de laatste sigaretten van die avond had ze aangestoken met lucifers omdat haar aansteker leeg was. Dit stelde haar niet gerust. Wat kon de zwavellucht vermengd met die geur van smeltend vet anders betekenen dan dat er duivelse krachten aan het werk waren?
Haar hand reikte naar het lichtknopje. Snel drukte ze het in alsof het onder stroom zou kunnen staan. Ondertussen hield ze haar blik onafgebroken op de hoek gericht.
Er was geen monster of demon zoals ze had verwacht. Haar gitaar stond nog net zo als ze hem de vorige avond had neergezet. De dreiging was echter niet verdwenen. Ze wachtte urenlang op het aanbreken van de dag. Toen ze de slaapkamer verliet, voelde ze ogen in haar rug prikken.

Na het douchen ging ze terug. Wat ze in de spiegel zag, beviel haar niet. In de zwarte onderbroek stond haar buik bollend afgetekend en haar borsten reikten bijna tot aan haar navel. Met een beetje moeite zou ze ze over haar schouder kunnen gooien, dacht ze. Ze nam er één in haar hand. Een kilo dood vlees, anders niet. Veel plezier had ze er nooit van gehad.
Ze plukte in haar maagstreek en walgde van de dikke reep vet die tussen haar vingers doorglibberde. In haar dijen stonden blauwe putten. Haar scheenbenen leken veel te smal om de rest van haar lichaam te kunnen dragen. Een bleke vlakte met kwabbige uitstulpingen en diepe kraters, dat was haar verworden lichaam.
Langzaam kleedde ze zich aan. Eerst de zwarte BH die ze onlangs op de markt had gekocht. Geen gezicht, dat bloemetjeskant bovenaan maar een simpeler model had ze niet kunnen vinden. Ze sloot de BH en draaide hem om zodat de cups voor haar borsten kwamen te zitten. Ze had nooit geleerd het ding te sluiten op haar rug, zoals ze andere vrouwen wel zag doen. Het zag er klungelig uit zo maar gelukkig waren er niet vaak getuigen.
Ze trok haar spijkerbroek aan, stretch, maat zesenveertig, de enige die nog lekker zat. De rits van de gulp kreeg ze niet helemaal dicht. Ze koos voor een zwart T-shirt, dan viel haar ziekelijke bleekheid nog het minste op.
Op haar blote voeten liep ze terug naar de badkamer waar ze haar tanden poetste. Sinds ze parondontosis had, besteedde ze daar veel aandacht aan. Al haar tanden zaten los en één voor één zouden ze getrokken worden. Ze wilde de dag waarop ze ze allemaal kwijt zou zijn zolang mogelijk uitstellen.
Nadat ze haar sokken had aangetrokken, ging ze weer naar de spiegel en bekeek zichzelf kritisch. Haar kop leek met de dag ouder te worden. Rimpels bij haar mond en op haar voorhoofd, wallen onder haar ogen die ook na een paar nachten goed slapen niet verdwenen en grijs haar bij haar slapen.
Ze wierp nog een blik in de hoek. Daar zat nog steeds iemand naar haar te loeren. In het daglicht was dat iets minder beklemmend. Toch was ze bang dat ze in de rug zou worden aangevallen. Ze haastte zich de deur uit.

De bus die ze had moeten hebben, was net vertrokken. Ze wachtte. Andere laatkomers voegden zich druppelsgewijs bij haar. Een vrouw die ze wel eens sprak bij de halte knikte haar vriendelijk toe. Anderen keken dwars door haar heen zoals mensen doen als ze op weg naar hun werk zijn.
Na vijf minuten kwam de bus. Ze stapte in en bleef als bevroren staan toen ze de chauffeur aankeek. Zijn geniepige, blauwe ogen waren dezelfde als die haar de hele nacht hadden gekweld. In de wetenschap dat dit haar laatste reis zou zijn, liep ze door en liet hem de kaart afstempelen. Ze ging op de achterste bank zitten alsof de afstand tussen hem en haar het einde zou uitstellen.

© Petra Oomen

januari 2000