Broek op Geul

Klaas trok zijn hemd uit zijn broek om wat lucht te krijgen in de streek rondom zijn navel. De zweterige jeuk hinderde hem al uren. Sinds hij bij Marga was ingetrokken, was het bloedheet geweest. Een zomer, zoals hij sinds zijn jeugd niet meer gekend had. 's Morgens drong de verzengende hitte de slaapkamer al binnen en probeerde hem het bed uit de dwingen. In de vroege ochtenduren lag hij onbeschut in zijn onderbroek op bed. Ziektekiemen, bacteriën en schimmels hadden vrij spel en konden hem voor het leven gehandicapt maken, hem doden zelfs. Maar een man moest nu eenmaal risico's nemen.
Hij wreef wat rondom zijn navel: rolletjes oud vuil vermengd met huidschilfers plakten aan zijn vingers. Toen hij nog op straat woonde, rook hij er soms vluchtig aan, als een voorbijganger hem dreigend of vol walging aankeek. Zijn geur maakte hem onkwetsbaar.
Marga was niet thuis. Die morgen was ze onrustig geweest. Ze moest de straat op, langs de goot dwalen, op het plein zitten en kijken naar de mensen die voorbijkwamen. In een huis hou ik het niet langer dan twee dagen uit, zei ze. Alsof je in een graftombe zit: mooi, maar afgesloten van het leven. Geef mij maar het vuil van de straat in plaats van dat blinkende bestek en die zachte meubels, dat is tenminste eerlijk, zonder kapsones.
Ze had zo'n haast gehad om weg te komen, dat ze was vergeten haar boventanden in te doen. Die stonden nog in een glas op de salontafel, naast de brief van haar zuster, die ze niet had willen openen. Er staat vast in hoe dankbaar ik moet zijn, had ze gezegd. Haar zuster had dit huis voor haar gevonden en geregeld dat ze er in kon trekken.
Hoewel het pas een uur of twaalf was, had de dag voor Klaas lang genoeg geduurd. Het viel niet mee als je je natje en je droogje vanzelf kreeg. Alle dagen waren eender in Broek op Geul. 's Morgens heel vroeg gingen de mannen op pad naar de kippenfokkerijen die om het dorp lagen. De vrouwen zeemden de ramen en schrobden de stoepen met zo'n ingespannen kracht alsof ze het steen van de straat wilden schrapen.
Op zondag kwamen ze pas tegen tienen naar buiten, de mannen in zwart pak, de vrouwen in een donkerblauwe of bruine jurk. Marga en Klaas gingen dan op de bank in de voortuin zitten en keken naar de voorbijgangers. Hun gezichten stonden strak, hun blik was dof, alsof ze naar de slachtbank werden geleid en niets anders konden doen dan daar in berusten. Ze liepen traag naar de grote deur van de kerk, die aan de overkant stond en waar de dominee op hen wachtte. Als iedereen binnen was, werden de deuren gesloten. Vlak daarna begon het gebulder dat door de dikke kerkmuren heen dreunde als gedonder dat het leven in de straten en op de velden moest vernietigen.
Hoewel ze vlak langs Klaas en Marga liepen, groetten de dorpsbewoners niet, zelfs niet met een flauwe hoofdknik.
"Ze mogen dat niet van hun God," had Marga uitgelegd. "Want wij leven in zonde, wij zijn niet getrouwd."
Ook vanmorgen was de stoet langs hun huis gekomen. Klaas wilde echter niet in zijn eentje op de bank gaan zitten; de blikken van de voorbijgangers waren op een andere manier bedreigend dan die in de stad. Stiller, onberekenbaarder.
Door de week waren de dorpsbewoners wat vriendelijker. De buurvrouw had vorige week een pannetje soep gebracht en was in de deuropening van de kamer blijven kijken hoe ze het opaten.
"Arme drommels," had ze gezegd. "Jullie hebben vast nog nooit zo'n soep gegeten. Maar hier in het dorp zorgen wij voor jullie, hoor."
Marga zette de kom aan haar mond en slurpte de soep op. In de ogen van de buurvrouw welden tranen, die ze met de punt van haar zakdoek wegpinkte. De soep kroop zwaar en traag door Klaas' keel. Misschien zitten er wormen in, dacht hij. De blik van de buurvrouw deed hem denken aan die van zijn grootmoeder, als hij zijn bord niet leeg at. Dan greep ze hem in de nek en duwde een volgeladen opscheplepel met snotterige, bittere groente achter in zijn keel, net zolang tot hij zijn bord kokhalzend had leeggegeten.
Toen de kommen leeg waren, nam de buurvrouw ze mee en verdween.
Daarna had Marga hem toegebeten:
"Je moet nemen wat je krijgt! Zo vaak krijg je niet iets cadeau!"

Hij stond op en legde het kleed terug over de gaten in de bekleding van de stoel. Een echt gezin waren ze nu, man en vrouw. Wie weet, zouden ze ooit een nieuw bankstel kopen. Hij zag al voor zich hoe ze slenterden door de winkels op de meubelboulevard en alles zouden vergelijken voordat ze een keuze maakten.
Marga zou voorlopig niet terug zijn, meestal bleef ze lang weg als ze het op haar heupen kreeg. Ongezellig, maar hij moest haar vrij laten. Anders raakte hij haar kwijt.
Doelloos liep hij door de kamer heen en weer: een man met een vrouw en een huis was hij. Wie had dat ooit kunnen denken? Vanaf zijn grootmoeders dood had hij op straat geleefd en gedacht dat dat maar het beste was. Had grootmoeder immers niet vaak genoeg gezegd dat hij voor de goot was met zijn onhandigheid? Een romp zonder poten, zei ze soms, daar lijk je nog het meest op.
Klaas krabde in zijn kruis, ook daar jeukte het. Marga zei hem regelmatig dat hij vaker onder de douche moest, want dat deden mensen nu eenmaal die in een huis woonden. Maar hij vertrouwde het niet. Wie weet wat hij zou krijgen als hij zich elke dag schoonboende. Vuil werkte beschermend tegen kou, dat had hij maar al te goed begrepen op straat. In de winter bezweken vooral degenen die elke week naar de douches op het centraal station gingen.
Hij aarzelde: hij was gisteren nog onder de douche geweest, maar aan de jeuk zat hem dwars. Hij liep de badkamer in en keek naar de cabine. Die waterstromen op zijn lichaam waren nooit prettig, het leek of hij almaar werd geprikt. Toch kleedde hij zich uit. Hij vouwde zijn kleren zorgvuldig op en drapeerde ze over de wasmand, nadat hij de onderbroek van Marga erin had gestopt. Ook zoiets: sinds zij hier woonde, trok ze een paar keer per week een schone aan. Overdreven, want hoe kon zo'n onderbroek zo snel al vies zijn. Zo'n huis veranderde je als je niet uitkeek. Misschien kon hij haar voor haar verjaardag een nieuwe geven, want deze had gaten. Daar zou ze blij mee zijn. Een mooi gevalletje zou hij kopen, van wit satijn, zoals hij die weleens in de etalage van een winkel in de stad had gezien.
Hij probeerde de juiste temperatuur te krijgen door de koude kraan langzaam open en dicht te draaien terwijl hij met zijn voet voelde of hij al onder de straal kon gaan staan. Eindelijk stapte hij onder de douche.
De stralen prikten op zijn huid, al was het water aangenaam, zoals regen na een snikhete zomerdag. In het bakje naast de kranen lag een stukje zeep. Hij keek ernaar. Je moest het niet te dol maken: zeep zou misschien vreemd samenwerken met zijn lichaamsvochten, giftige dampen veroorzaken waaraan hij zou bezwijken. Hij wreef zijn handen over zijn lichaam, dat aanvoelde alsof het met boter was besmeerd.
Plotseling hoorde hij geschreeuw van buiten komen. Vreemd, anders hoorde je nooit wat op zondag. De mensen trokken zwijgend voorbij. Nu werd er iets geroepen, steeds hetzelfde, het was alsof er telkens een bal van samengepakte stemmen tegen het raam stuiterde.
Klaas draaide de kranen dicht en stapte de cabine uit. Hij zou zich moeten aankleden en naar buiten gaan, roepen: wat is dat met dat geschreeuw! Tenslotte was hij nu de heer des huizes die zijn gezin moest beschermen. Hij kroop echter in een hoekje van de badkamer en trok de duster van Marga om zich heen. Angst en schaamte die aan hem vraten, verhinderden hem op te staan.
Zo bleef hij enige tijd zitten met zijn handen tegen zijn oren om het geschreeuw buiten te sluiten, maar hij bleef zich bewust van het gebrul dat onverminderd voortging. De wrede stemmen waren in hem gedrongen en verscheurden hem van binnenuit. Een varken ben je, of nee, een varken heeft nog meer verstand. Zijn grootmoeder stompte hem terwijl hij diep weggedoken onder de dekens lag.
Ik ben de baas, dacht Klaas al geloofde hij het niet. Voorzichtig kwam hij overeind en gooide de duster van zich af. Hij trok zijn spijkerbroek aan, die te wijd zat en verschoten was. Hij had hem zeker een jaar of vijf. Gejat op de markt aan het einde van de middag, toen de marktkoopman een pilsje zat te drinken op de stoep bij de kraam ernaast. Zijn blauwe trui kon hij niet vinden. Misschien per ongeluk in de wasmand terechtgekomen. Hij opende de klep en zag alleen de witte onderbroek van Marga. Daaronder lag van alles maar de geur van verstikkende benauwenis die uit het vuile goed oprees, weerhield hem ervan zijn arm in de mand te steken. Dan maar met ontbloot bovenlichaam naar buiten, misschien zou dat indruk maken. Een stoere vent was hij, net terug uit het bos waar hij hout voor de haard had gekapt of een konijn had geschoten voor het avondmaal.
In de kamer zag hij ze voor het raam staan: ontelbare, plompe boerenkoppen met lage voorhoofden en dikke lippen. Ze schreeuwden nog altijd en bogen zich af en toe naar de grond om een stuk klei te pakken dat ze tegen het raam smeten. Sommige zagen hem en wezen naar hem. Het geschreeuw werd luider, de koppen roder.
Hij moest kalm op ze afstappen, ze rustig vragen wat ze wilden, ze beleefd verzoeken weg te gaan.
In de gang leunde hij tegen de muur. De deur opentrekken, naar buiten stappen, zijn zegje doen, het leek gemakkelijk. Zeker twee minuten lang ademde hij diep in en uit. Toen opende hij de voordeur.
De koppen wendden zich in zijn richting.
"Daar heb je dat vod!" riep een dikke jongen. "Zelfs op zondag heeft hij niet het fatsoen om zich behoorlijk te kleden. Grijp hem! Laat zien hoe het hier hoort!"
De groep was een groot monster, dat traag dichterbij kroop. Klaas stond verstijfd bij de voordeur. Een jongen maakte zich los en begon vlakbij de drempel te kotsen. Rood vocht kletterde keer op keer op de stenen.
"Harm, je had die laatste fles niet moeten nemen!" zei een jongen, die vlak naast hem stond. Grimmig gelach steeg op en het monster viel uiteen in individuen. Hun pakken waren vol kreukels alsof ze erin hadden geslapen.
De jongen bleef kotsen. Andere jongens sloegen hem bemoedigend op de schouder. Het gaat wel weer over, Harm, vanavond ben je het heertje weer.
"Jullie moeten hier weggaan," zei Klaas. Zijn stem klonk iel. Iemand spuwde hem in het gezicht. Hij veegde de klodder weg met zijn linkerhand en zag hoe een van de jongens zijn vuist balde en aanstalten maakte om hem te slaan. Hij dook naar beneden en stootte zijn hoofd tegen de maag van de kotsende jongen, die dubbelklappend over hem heen viel. Hij nam Klaas mee in zijn val en bleef als een meelzak op hem liggen.
"Ze zijn dood," hoorde hij een hoge stem uitroepen. Het zou het beste zijn als ze dat maar bleven denken. Voetstappen verwijderden zich snel van hem vandaan. De baal bleef op hem liggen.
"Klaas!" De stem van Marga klonk schril. Klaas opende zijn mond om haar gerust te stellen, maar zijn keel leek dichtgeschroeid. Hij kon nog geen piepje uitbrengen. Marga trok de jongen van hem af en keek Klaas aan. In haar blik lagen medelijden en ook afkeer.
"Bij de kerk hoorde ik wat ze van plan waren," zei ze. "Ze wilden ons wegjagen, of jou in ieder geval, want een vrouw alleen is wel goed, maar niet een vrouw en een man samen die in zonde leven. Ze hebben het gisterenavond afgesproken." Ze hielp hem overeind. Om hen heen lagen stukken klei en plakkaten kots. De jongen die boven op hem had gelegen, lag nu bewegingloos op zijn rug. De zitting van de bank voor het raam was vernield: houten latten staken grillig omhoog. Het geregelde leven was niks voor hem, besliste Klaas. Het was te gevaarlijk om op één plek te blijven, de mensen konden je maar beter niet kennen.
"Ik ga, Marga," bracht hij moeizaam uit. Marga knikte begrijpend.

© Petra Oomen

juli 2001

homepage PetraO.