Het gebod

Nog één cola was ze verwijderd van het moment waarop ze elke dag wachtte, waarvoor ze leefde, waaraan ze dacht als ze 's nachts wakker werd.
Ze trok haar rok over haar benen en wenkte Bart. Zonder iets te vragen, zette hij het flesje voor haar neer.
"Kan je niet beter in die andere hoek gaan zitten, Riet? Dan heb je wat steun in de rug."
Hij dacht aan haar! Aan haar welzijn! Ze liet hem niet koud! Ze stond op van de kruk en liep naar een andere die tegen de muur stond. Ze ging behaaglijk zitten. Bart knikte haar toe. Hij was lief, maar daar mocht ze nu niet aan denken. Pas als het flesje leeg was, zo dadelijk, om twee uur. Anders kwamen de beelden.
Bart sopte de bar. De spieren van zijn dijen rolden onder de dunne stof van zijn spijkerbroek. De blonde stekels boven zijn gebruinde gezicht gaven hem iets woests.
"Gij zult niet begeren uws naasten vrouw," dreunde het door haar hoofd. Ze begeerde niet de vrouw maar de man van iemand anders, wat op hetzelfde neerkwam. Nu niet, nog even, om twee uur, dan mocht het.
Ze had een roze blouse op de markt gekocht, die ze in de wc had aangetrokken. Vijf gulden had hij gekost en hij stond echt chic met een v-hals die de bovenkant van haar borsten toonde. Hij was een beetje doorzichtig, maar niet zoveel dat je alles kon zien. Sexy, maar niet hoerig.
Ophouden nu. Denken aan wat alledaags, stofzuigen bijvoorbeeld, of boodschappen doen.
Ze slurpte het flesje leeg en zette het met een klap terug op de bar, zodat Bart wel moest kijken. Bijna twee uur.
Hij keek maar heel even en vervolgde toen zijn gesprek met twee mannen die zo te zien niet uit deze buurt kwamen. Daarvoor waren ze te netjes met hun dure pakken, toeristen zeker, of zakenlieden.
De koekoeksklok sloeg twee keer.
Riet trommelde met haar lange nagels op de bar en keek naar Bart's kont. Mooie, stevige billen had hij, goed te zien nu hij gebogen stond over een paar kratten. Ze zou ze in haar handen willen nemen, ze strelen, heel voorzichtig naar beneden willen gaan met haar wijsvinger naar het gedeelte waar bil overging in been, en dan weer terug, naar zijn buik en verder. Ze verschoof op haar stoel.
"Bart!" riep ze. Haar stem was schor zoals elke middag om deze tijd.
Hij kwam naar haar toe en glimlachte.
"Een bessen," zei ze. Hij knikte en schonk een klein glaasje vol.
"Dat hij maar mag smaken, Riet." Hij wendde zich af om een bord met tosti's bij het keukenluik aan te pakken.
Zijn onderarmen waren zo krachtig. Die zouden haar kunnen omvatten, ze zou de druk van die armen voelen, stevig, maar ook teder. Ze zou haar hoofd tegen zijn borst vlijen, en haar onderbuik tegen de zijne, totdat ze hun hartstocht niet meer zouden kunnen bedwingen en zich aan elkaar zouden overgeven, steeds opnieuw.
Vijf over twee. Stoppen nu. Niet meer denken aan zijn borsthaar dat ze na afloop door haar vingers zou doen glijden dat dan weer krullend terug zou schieten.
Ze wenkte Bart en probeerde zijn stralende, lichtblauwe ogen niet te zien terwijl ze afrekende.

Elke middag ging ze in haar stoel voor het raam zitten, van waaruit ze het café kon zien. Ze keek naar de aankomende en vertrekkende gasten.
Zo ook deze middag. Ze trok haar nieuwe blouse uit omdat ze die anders te snel moest wassen en trok een fleecetrui aan. Ze ritste haar te strakke rok open zodat ze wat beter adem kon halen.
Het was niet om Bart dat ze naar het café keek, zo vertelde ze zichzelf. Het ging om de levendigheid van het café, om het doorbreken van de stilte in de bovenwoning.
Het was niet altijd zo stil geweest, niet toen haar moeder er nog woonde. Die was altijd bezig, had altijd wat te vertellen als ze van de markt kwam.
Een jaar of zeven geleden was ze verward geraakt, liet het gas aanstaan als Riet naar haar werk was, om het warm te krijgen, zei ze, kwam niet meer terug van de markt, zodat Riet haar 's avonds laat moest gaan zoeken.
De wijkverpleegkundige had gezegd dat een verpleeghuis de beste oplossing voor haar was. Een paar maanden later hadden ze haar opgehaald. Riet wilde niet meer aan die dag denken, maar toch hoorde ze haar moeder nog vaak gillen:
"Riet, help me, ze gaan me ontvoeren!"
Ze was nooit op bezoek geweest in het verpleeghuis, hoewel ze zich dat wel vaak voornam. Maar altijd besloot ze op het laatst om toch maar niet te gaan. Het kwam nog wel, later, volgende week, volgende maand.

Beneden op straat was er geen stilte. Op de markt was het altijd druk, mensen liepen af en aan bij het café.
Bart hield van gewone mensen, niet van opgedoftheid, ook daarom beviel hij haar. Hij hield van mensen zoals zij, die hard moesten werken voor hun brood en af en toe een borreltje kwamen drinken.
Sinds haar moeder was opgenomen, werkte Riet alleen 's morgens. Ze was te nerveus om het een hele dag vol te houden op de postsorteerderij. De keuringsarts had gezegd dat ze 's middags rust moest houden en dat ze moest proberen zich niet zo druk te maken. Als het te erg werd, moest ze een pilletje nemen.
Ze stond op en liep naar haar kamer. Daar opende ze de kast, waar alle kleren hingen die ze de laatste twintig jaar had gekocht. Ze nam het gifgroene mantelpakje eruit. Het was wat vaal geworden, want het hing er al zolang. Het paste niet meer goed, daarom lijnde ze. Bart zou het prachtig vinden. Als ze het café zou binnenlopen in dat pakje zou hij verstommen, zou hij alleen nog oog voor haar hebben. Ze kapte de gedachte af: nu niet, ze was in overtreding. Gij zult niet begeren uws naasten vrouw, zo stond het er en dat was wat haar moeder haar had geleerd.
Nog zag ze de bevende wijsvinger, die langs de regels in de Bijbel ging, hoorde ze de monotone stem waarmee haar moeder voorlas. "Hou je aan de geboden, Riet, alleen dan kan je een gelukkig mens worden."
Ze had zich dat goed in de oren geknoopt. Nog nooit had ze iemand gedood, iets gestolen, nog nooit had ze een afgod aanbeden. Alleen dat ene gebod overtrad ze elke middag tussen twee uur en vijf over twee. Niemand wist daarvan, alleen God, maar misschien zou die haar vergeven omdat ze zich met ijzeren discipline tot die vijf minuten beperkte. Ze zondigde wel, maar ze vocht tegen haar zonde. En Jezus hield van zijn afvallige schapen, dat stond ook in de Bijbel.
"De heer is mijn herder", prevelde ze. Ze stapte uit de rok, die erg knelde en trok een joggingbroek aan. Eigenlijk zou ze moeten stofzuigen maar in plaats daarvan ging ze terug naar haar stoel voor het raam en liet haar ogen langs de marktkramen vlak voor het café dwalen. Kleurige jurken en blouses, goedkope sieraden van namaak edelmetaal. Ze opende het raam om de klanken van de straat naar binnen te laten.
Zoals zo vaak 's middags om deze tijd kwam dat donkere in haar hoofd. Soms kon geluid het verdrijven. Geluid van levende mensen, die zorgeloos winkelden of in het café zaten en daar praatten en lachten. Soms kwam het grimmige gezicht niet helemaal tevoorschijn. Dan zag ze alleen de ogen, of de gebarsten lippen.
Ze probeerde alles wat zich buiten afspeelde zo geconcentreerd mogelijk in zich op te nemen. De dikke vrouw, die een rok kocht die haar zeker niet zou passen, misschien was die wel voor haar dochter of zou ze echt nooit in de spiegel kijken? Of verderop, de oude Turk met wel tien plastic tassen. Zeker boodschappen gedaan voor de hele week.
Ze had ooit met haar moeder gesproken over de beelden die zich steeds aan haar opdrongen, op een avond onder de thee:
"Altijd komt hij weer terug, hij komt mijn kamer in, buigt zich over me heen, kijkt me aan, en dan, en dan..."
Ze had willen vertellen hoe hij haar eerst streelde en dan iets hards in haar stopte, hoeveel pijn dat deed, maar ze de woorden staakten in haar keel.
Haar moeder liet bijna haar breipennen vallen.
"Vergeet het toch, je verbeeldt je maar wat, je hebt altijd al een rijke fantasie gehad."
Daarna had ze er nooit meer over gesproken.
"Kerels!" zei haar moeder vaak snuivend, "Ze klimmen erop en eraf en daarna zijn het net kinderen!"
Riet had eens gevraagd waar haar vader was. Die moest ze toch gehad hebben begreep ze uit de verhalen van andere kinderen op school. Haar moeder had de schouders opgehaald en gezegd:
"Die heb ik er uitgegooid. Het was een gestoorde hufter."
Dat was alles wat ze erover had willen vertellen.

Riet liep de kamer van haar moeder in, zoals ze elke dag deed. Alles was daar hetzelfde gebleven. Over de stoel hing nog de jurk die ze voor haar had neergelegd op de dag dat ze haar waren komen halen. Ze had die voor haar gekocht op de markt, omdat ze almaar wilde gaan dansen met Harm. Ze kon niet gaan dansen, ze kon de straat niet eens alleen op.
"Wie is Harm," had Riet gevraagd.
"Die is hier al zo vaak geweest, mama, die ken je toch wel!" had haar moeder verontwaardigd uitgeroepen.
De dekens op het ledikant waren aan de kant gegooid alsof haar moeder zojuist was opgestaan en niet vijf jaar geleden.
Riet opende het nachtkastje en liet de kettinkjes door haar vingers gaan. Ze bekeek de twee foto's: een van haar moeder, toen die nog jong was, samen met een jonge man. Ze lachten naar de fotograaf. De man had zijn arm om haar heen geslagen. Duizenden keren had ze de foto bekeken en zich afgevraagd of die man haar vader was. Ze zou het nooit weten.
De andere foto toonde een paar met op de achtergrond een afbeelding van een berglandschap. De vrouw droeg een klein boeket dat ze een eindje van zich afhield alsof het een vuile vaatdoek was. Het waren de ouders van haar moeder op hun trouwdag. In het gezicht van de vrouw herkende Riet haar moeder.
Ze stofte het nachtkastje en de wekker af en verliet de kamer, de deur zachtjes achter zich dichttrekkend, alsof er in die kamer iemand lag te slapen die ze niet mocht storen.
Ze ging weer voor het raam zitten. Deze keer drongen de beelden zich dwingender op. Het grijnzende gezicht boog zich over haar, de witte, puntige tanden waren ontbloot. Ze dwong zichzelf naar buiten te kijken, naar de magere vrouw die langs het café liep. Lang, sliertig haar, bleek gezicht, de blik strak vooruit gericht. Vast een junk.
Het kwam doordat ze gezondigd had, erger dan toelaatbaar, dat de beelden zich niet lieten verdringen. Ze voelde een vettige, zweterige huid op de hare. Het was haar straf. Die zou ze moeten ondergaan.
Het werd later, sommige koopmannen begonnen hun kraam uit te ruimen. Ze schreeuwden tegen elkaar, lachten, sloegen elkaar op de schouders. Zo heel anders dan op de postsorteerderij waar ze elke morgen voor de vakken zat. De andere sorteerders maakten nooit een praatje met haar. Soms keken naar haar alsof ze iets engs was, waar ze maar beter uit de buurt konden blijven. Ze ging wel eens naar de WC om in de spiegel te kijken wat voor afschrikwekkends er aan haar te zien was. Ze zag echter niks bijzonders, gewoon een gezicht, wat bol, niet bijzonder mooi, maar ook niet bijzonder lelijk. Die bril, die was wat groot, maar daar kon het niet aan liggen.
Elke dag was ze opgelucht als het half een was en ze naar huis kon, want dat ze schuld droeg aan die afkeurende blikken wist ze zeker al zou ze niet kunnen vertellen hoe.
Vijf minuten, tussen twee en vijf over twee. Dan was ze vrij, dan leefde ze echt.
Bart was haar de eerste keer dat ze het café binnenging - op de dag dat haar moeder was weggehaald - al opgevallen. Hij had haar helemaal niet vreemd aangekeken toen ze plaatsnam aan de bar, maar maakte een praatje met haar, vroeg waar ze woonde, waarom hij haar nog nooit eerder had gezien. Ze had verteld van haar moeder en hij begreep wat dat voor haar moest betekenen. Hij had haar een paar keer gratis bijgeschonken. Tegen sluitingstijd kwam zijn vrouw, Els, achter de bar om te helpen met opruimen. Er trok een ijzige koude over haar rug toen ze zich realiseerde dat ze hem begeerde. Dat mocht niet en toch was het zo. Ze probeerde met kracht de gedachten aan de zachte uitdrukking van zijn ogen te onderdrukken, maar het lukte niet.

Die nacht lag ze wakker met een verlangen dat haar dreigde te wurgen, zo allesoverheersend was het. Steeds hoorde ze de stem van haar moeder, zoals die klonk 's avonds na het eten: "Gij zult niet begeren uws naasten vrouw.." en dan huiverde ze. Wat zij nu deed was zo verkeerd, dat ze wel gestraft moest worden.
De weken erna ging ze elke middag naar het café en bleef daar tot laat in de avond. Ze keek naar hoe Bart zich bewoog, op zijn gemak op die paar vierkante meter achter de bar. Soms stelde ze zich voor hoe hij 's avonds thee zat te drinken bij haar thuis, maar ze wuifde die gedachte snel weg. Het mocht niet, Bart was van een ander, ze moest ophouden met aan die dingen te denken.
De beelden kwamen heftiger boven in die tijd, zo overrompelend waren ze dat ze haar de adem benamen en haar voor een paar uur het gevoel gaven dat ze dood was.
Daarom stelde ze de vijf-minuten regeling in. Ze hoopte dat God op haar aanbod inging, dat hij zou ophouden met haar te straffen.
Het was een tijdlang goed gegaan, maar deze middag leek het niet te werken. De zweterige huid op de hare bleef plakken en zelfs voelde ze de stekende pijn van weleer, alsof ze werd gevierendeeld en verpulverd. Een raspende stem bedreigde haar, maar ze kon niet verstaan waarmee.
Ze sprong op uit de stoel, rende naar de slaapkamer en trok het groene mantelpak aan. De rits ging moeilijk dicht maar als ze haar adem inhield, lukte het. Het maakte niks meer uit wat ze deed, het donkere ging niet meer weg. Voor de kaptafel - een eikenhouten die ze van een tante had geërfd - maakte ze haar haar los. Ze schudde met haar hoofd zoals ze vrouwen op televisie zag doen en zag het eerst die grote bril in de spiegel. Ze zette hem af. Alles werd vager, ze zag nu een omfloerste vamp, een verleidster.
Ze nam de gelakte pumps uit de kast en poetste ze glanzend met een papieren zakdoek. De witte panty die ze onder het ondergoed in de tweede la van boven vond, was wat vuil, maar dat zou niemand zien in het café.
Ze ontstak de schemerlamp naast het dressoir zodat het licht zou zijn als ze straks thuiskwam en haalde een stapel bankbiljetten uit de Chinese vaas.

De weg naar de overkant leek veel langer dan tien stappen. Even overwoog ze terug te gaan, in bed te gaan liggen met de dekens over zich heen maar ze zette door. Het was erop of eronder.
In het café was het druk maar haar plaats was nog niet bezet. Ze stevende erop af voordat iemand die alsnog zou innemen. Ze ging op de kruk zitten, sloeg haar benen over elkaar zodat haar rok opkroop tot halverwege haar dijen en stak een sigaret op.
Bart was bezig bierglazen te vullen. Behendig verwisselde hij het ene glas voor het andere. De volle glazen zette hij op een dienblad, waarmee Els het café rond ging. Zijn witte overhemd was kraakhelder. Hoe deed hij dat toch? De hele dag was hij druk in de weer en altijd zag hij eruit of hij net onder de douche vandaan kwam.
"Bart!" riep ze. Hij hoorde haar niet en ging door met glazen vullen.
"Bart!" Luider nu. Hij keek haar kant op, haalde een hand over zijn stekels en liep op haar toe.
"Meid, wat zie je eruit," sprak hij bezorgd. "Zal ik je naar huis laten brengen?"
Tranen sprongen haar in de ogen. Langzaam liet ze zich van de barkruk glijden en ze maakte zich zo smal mogelijk toen ze naar de uitgang liep. Niemand zou haar ooit nog mogen zien, niemand.

© Petra Oomen

september 2000

homepage PetraO.