Een onvolmaakt gebit

Lous walgde van de smerige bek waar ze inkeek: vullingen, zwarte gaten en stank. Daar viel niets meer aan te repareren, maar voordat ze dat de eigenaar van dat hol vol bederf zou vertellen, nam ze de tijd. Hij zou zeker niet zonder meer accepteren dat hij binnenkort drager van een kunstgebit zou zijn; een overbodige ijdelheid want er viel niet veel aan dat smoelwerk te verpesten. Het was pafferig en voorzien van geniepige lichtblauwe ogen en een slap mondje. Het allerergst was de terugwijkende kin, volgens Lous een teken van een slap karakter.
Ze tikte hier en daar wat op de kiezen en minachtte de patiënt om zijn kinderachtig gekreun. Ze tikte nog wat harder op de kies waarvan de zenuw blootlag en genoot stilletjes van het smeken om genade, dat in het meelijwekkende geluid dat hij produceerde doordrong. Op de dikke bierbuik lag de doek met haar instrumenten heftig te trillen. "Die moet eruit", zei ze afgemeten en ze rukte nog wat aan de kies, alleen om zijn angst te zien toenemen. Dat hij met zijn benen begon te trappelen, schonk haar een intense voldoening.
Even zag ze weer de scène voor zich, die ze de afgelopen week met wisselend succes had proberen te verdringen. Elsbeth, tegenover haar gezeten aan tafel, die haar vertelde dat zij een ander had ontmoet en besloten had om voor die ander te kiezen. De doffe gelatenheid die haar de laatste dagen zo gehinderd had, had nu plaatsgemaakt voor een zinderende woede.
Ze pakte de spuit en gaf de patiënt een verdovende injectie. Ook de prik verdroeg hij slecht: hij piepte, hij steunde, hij kermde. "Penelope Rogiers", zo had hij zich voorgesteld, maar pas toen hij in de stoel lag, had zij de link gelegd. Elsbeth had haar zijn naam verteld. Stom dat ze het niet meteen geweten had, want zo'n naam kwam maar één keer voor. Grof van Elsbeth om haar nieuwe vriendje naar haar te sturen om hem te laten oplappen.
Zonder af te wachten tot de verdoving goed werkte, begon ze aan de kies te wrikken. Penelope Rogiers liet een geluid horen dat nog het meest leek op doodsgerochel. Ze wrikte met meer kracht. Plotseling schoot haar hand uit. De tang drong diep in zijn keel. Terwijl het bloed eruit spoot en zij, langzamer dan de situatie vereiste, naar de telefoon liep om het alarmnummer te bellen, vroeg ze zich af wat Elsbeth toch in godsnaam in dat mormel zag.

© Petra Oomen, mei 1999