Opvallend was ook dat hij deze keer onze vakantiebestemming had uitgezocht.
Het was eigenlijk vanzelfsprekend geworden dat ik dat deed. Dit jaar wilde
ik met een camper door Noorwegen trekken en ik nam aan dat hij daar zonder
meer mee akkoord zou gaan. Maar op een avond kwam hij thuis met folders
over Zuid-Frankrijk. Hij wilde naar een gehucht bij de Pyreneeën,
vlak bij de Spaanse grens. Ik was verbaasd, want hij hield niet van warme
streken. Hij wilde koelte om zich heen en ongerepte natuur. Ik stelde me
de streek voor als toeristisch en druk, maar Rob verzekerde me dat Gavarnie
heel rustig was. We zouden daar wandelen, rustig op een terras zitten en
genieten van het uitzicht op de bergen. Omdat ik wel voelde, dat Rob zijn
zinnen had gezet op dat plaatsje, stemde ik toe.
Het was midden juli toen we vertrokken. Ik had, zoals altijd, drie
grote koffers ingepakt. Toen Rob mijn bagage zag, zei hij: "Eén
koffer is genoeg."
"Hoezo?", vroeg ik.
"Het weer is op die plek vrij stabiel. Je hebt alleen wat shirts
nodig."
"Maar mijn boeken dan?", wierp ik tegen. Eén van de koffers
was namelijk geheel gevuld met boeken.
"Neem er twee mee, aan de rest zul je niet toekomen.", zei hij.
Ik vond dat nogal merkwaardig, want ik lees altijd veel in de vakantie
en dat wist hij. Maar ik haalde me in het hoofd dat hij misschien een verrassing
voor me in petto had. Wellicht zou hij deze vakantie willen gebruiken om
ons liefdesleven wat op te krikken, dat de laatste jaren wat in het slop
was geraakt. Met dat vooruitzicht begon ik me zelfs te verheugen op de
tocht. Ik selecteerde dus de spullen die ik wilde meenemen opnieuw en uiteindelijk
slaagde ik erin om alles in één koffer te stouwen.
Onderweg zei Rob niet zoveel, maar dat was ik wel van hem gewend.
De autoradio stond zacht op een klassieke zender, de auto zoefde vredig
door het langzaam veranderende landschap en ik vond de vakantie zo gek
nog niet. Rob wilde deze keer snel op de plaats van bestemming zijn, dus
we stopten weinig. Af en toe reikte ik hem een broodje aan uit de mand
op de achterbank en als het echt nodig was, stopten we bij een tankstation
of een wegrestaurant om naar de WC te gaan.
We waren ten zuiden van Lyon toen Rob's mobiele telefoon een paar
keer rinkelde. De eerste twee keer nam hij niet op, de derde keer wel.
"Drie, drie, zes!", zei hij, nu op een toon vol irritatie en ongeduld.
Hij verbrak de verbinding zonder groeten.
Toen we de bergen inreden, begon het al te schemeren. Op een zeker
moment reden we door een gehucht, waar een vervallen café stond.
De verf bladderde van de muren en er hing een roestig uithangbord, waarop
de letters niet meer te lezen waren. Wel waren de laatste cijfers nog te
herkennen van wat waarschijnlijk een telefoonnummer had: drie drie zes.
"Laten we hier overnachten", zei Rob.
"Overnachten?", zei ik verbaasd, "Maar we zijn er bijna."
"Ik ben moe, ik kan niet meer", zei hij en hij parkeerde de auto
voor het café.
In het drinklokaal stond een sjofele man, die was gekleed in shorts
en een hemd. Hij was erg dik en zweette. Rob liep op hem toe en besprak
iets met hem op fluisterende toon. De man schudde een paar keer heftig
het hoofd en keek daarbij taxerend naar mij. Ik vond dat onprettig, maar
schreef dat gedrag toe aan een plaatselijke gewoonte, die ik nog niet kende.
Na een tijdje kwam Rob naar me toe en zei: "We kunnen hier blijven,
vannacht, maar de kamer is nog niet in orde."
We namen plaats aan een tafeltje. De dikke man zette twee grote
glazen bier voor ons neer zonder ons aan te kijken of iets te zeggen.
Na ongeveer een uur verscheen er een helblonde, zeer bleke man.
Hij droeg een zonnebril, die zijn ogen helemaal verborg. Hij liep in de
richting van ons tafeltje, maar bedacht zich, draaide zich om en liep naar
de bar.
Rob's telefoon rinkelde weer, maar nu sloeg hij er geen acht op.
Zijn blik was gefixeerd op de bleke man. Even later stond hij op, nam de
glazen en mompelde: "Even wat te drinken halen."
Hij raakte in gesprek met die bleke engerd. Ik kon hen niet verstaan.
Een enkele keer zag ik ze steels naar me kijken. Na een tijdje knikte de
bleke man en sloegen Rob en hij de handen op elkaar als boeren op de veemarkt.
Rob kwam naar het tafeltje en vermeed mij aan te kijken. Dat alarmeerde
mij. Ik voelde de rillingen over mijn rug lopen, al had ik geen flauw idee
waarvoor ik bang moest zijn.
Plotseling greep hij me bij de pols en siste: "Meekomen, jij!".
Ik probeerde me los te rukken. De twee andere mannen schoten Rob te hulp.
Ze sleurden me naar buiten, waar een auto stond. De kofferbak stond open.
De twee mannen probeerden me daar in te leggen, maar werden afgeleid door
Rob, die riep: "'l Argent!". De bleke man liet me los en trok een portefeuille
uit zijn binnenzak. Ik slaagde erin aan de dikke te ontsnappen en rende
de bergen in.
Ik weet niet hoelang ik gerend heb, maar in ieder geval lang genoeg
om me volledig uit te putten. Ik zakte neer achter een schamel bosje en
probeerde op adem te komen. Lang was ik bang dat ze me gevolgd waren, maar
het bleef stil.
Ik wachtte tot de nacht voorbij was en besefte dat het tussen Rob
en mij voorbij was. Ik probeerde me mijn leven voor te stellen zonder hem.
Het lukte niet. Ik zag alleen een onheilspellende leegte voor me.
Tegen de tijd dat het licht werd, deden al mijn ledematen pijn.
Ik was te uitgeput om op te staan. Op dat moment zag ik dat er vlak tegenover
het bosje een gapend ravijn was. Ik was er die nacht rakelings langsgerend
en het kon alleen de voorzienigheid zijn, die mij had behoed voor een ontijdig
verscheiden.
Ik sloeg een kruis en zag in de verte een gestalte naderen. Het
was Rob, maar tegelijkertijd ook weer niet. Deze man had iets van een dier
op strooptocht en leek eigenlijk alleen uiterlijk op de vaak verstrooide
en afwezige Rob, die ik kende. Mijn hart bonkte. Ik stond oog in oog met
de dood, zo voelde ik. Ik hield mijn adem in en verborg me zo goed mogelijk
in het bosje, dat niet veel meer was dan een verzameling kale takken.
Toen hij bij het bosje was aangekomen, stond hij plotseling stil.
Hij keek om zich heen en snoof als een speurhond. Kort daarna zag hij me.
Er kwam een grijns op zijn gezicht, die ik niet van hem kende en me elke
vezel in mijn lichaam deed spannen. Langzaam kwam ik omhoog, hem daarbij
niet uit het oog verliezend. Ik stapte tussen de takken vandaan. Hij bleef
staan, roerloos. De grijns verbreedde zich nog.
"Rob..", begon ik.
Hij probeerde me bij de arm te vatten, maar het lukte me hem te
ontwijken. Ik probeerde weg te lopen en ontdekte dat mijn benen dienst
weigerden. Weer probeerde hij me te grijpen. Ik gilde en hij deed een stap
achteruit. Hij stond nu op de rand van het ravijn.
"Kijk uit!", riep ik. Het was er uit voordat ik het wist. Hij keek
achterom, zwaaide molenwiekend met zijn armen om zijn evenwicht te bewaren
en viel.
De schreeuw die volgde verdween traag de diepte in.
© Petra Oomen
september 1999