Het gaan

Haar moeder draaide shaggies in een perfecte vorm: kaarsrecht zoals een fabrieksigaret. Er bungelde geen sliertje shag uit het papier. Telkens als er een af was, legde ze die zorgvuldig in het metalen tabaksdoosje, dat ze altijd bij zich had. In de asbak smeulde een sigaret die voor de helft was opgebrand. Ze was gekleed in een groen joggingpak met daaronder rode pantoffels. De kleding van iemand die alles heeft opgegeven.
"Kanker dus", zei Hanna. De ziekte kon het beste bij de naam genoemd worden, dan gebeurde er tenminste iets. De kamer stond blauw van de rook en Hanna kreeg het gevoel dat ze stikte.
Haar moeder knikte, terwijl ze aan haar vloeitje likte.
"Van Loens schrok ook toen hij de foto zag. Mens, je hebt leverkanker, riep hij. Verdomme, zei ik. Ja, vloek maar rustig, zei hij. Hij begreep dat wel."
"En wat gaan ze nu doen?"
Alsof dat wat uitmaakte. Ze zou dood gaan, welke behandeling ze ook nog op haar los zouden laten. De dood stond in haar gele gelaatskleur gebeiteld. Vreemd dat ze dat niet eerder had gezien, want zo zag ze er al maanden uit.
"Waarschijnlijk chemotherapie. Ik heb nog vijfendertig procent kans".
"Toch gek, dat ze eerst dachten dat het je gal was".
"Ik wist wel dat het kanker was. Het is net als de vorige keer: die speciale vermoeidheid. Alleen dacht ik dat het mijn maag was". Ze sprak op een toon alsof het haar niet aanging.
"Ik wil dat de kist dicht blijft", zei ze plotseling, "Niemand mag kijken, alleen jullie. Ik wil dat gekoekeloer niet".
Hanna vroeg zich af of die wens te verkopen zou zijn aan de rest van de familie. Ze verwachtte protest en pijnlijke toestanden, zoals een broer of zus die zou eisen dat de kist op het laatst nog geopend werd.
"Helemaal niemand?", vroeg ze.
"Niemand!", zei haar moeder fel, "Wat heb je nou aan dat kijken naar een dooie!". Ze legde haar shaggie neer en liep naar de cd-box. Het kletteren van de hoesjes dreunde door Hanna's hoofd. Haar moeder had eindelijk gevonden wat ze zocht en hield een cd omhoog.
"Dit moeten ze draaien", zei ze, "Het vierde nummer. Als iedereen binnenkomt in de aula". Hanna nam de cd aan en bekeek de titel. Het was "take me with you, my lord" van Elvis Presley. Ze zou nog iets van Chopin kunnen uitzoeken tegen die tijd.
"Goed", zei Hanna. Hopelijk zou ze het kunnen zou onthouden.
"Ben je bang?", vroeg ze.
"Nee, ik ben blij toe", zei haar moeder, "Ik was het toch allang zat. Alleen je vader mag dat niet weten, die kan er niet tegen om zulke dingen te horen". Al de zestig jaar dat ze had geleefd, hadden haar tegengestaan. Dat had ze vaak genoeg gezegd, het duidelijkst nog een anderhalf jaar geleden. Ze was stomdronken geweest en zat moeizaam huilend in haar stoel. "Ik wou dat het afgelopen was!", had ze gejammerd. Daarna keek ze dreigend de kamer rond. "En ik weet hoe ik er een einde aan moet maken", vervolgde ze, "Dat heb ik allemaal al uitgedacht". Ze ging terug naar bed. Over haar wanhopige uitroep was sindsdien.

Haar vader kwam binnen met de hond. Die liep kwispelend op Hanna af.
"Dag Puk", zei Hanna. Ze klopte het beest op de rug. Puk was een rare naam voor het bakbeest dat met zijn staart steeds alles van de salontafel af dreigde te vegen.
"Af!", riep haar vader. Zijn vale spijkerbroek zakte bijna van zijn kont. Hij rook naar oud zweet.
Hij keek Hanna verstoord aan, alsof hij vond dat ze hier niet hoorde te zijn.
"Je hebt het wel gehoord, zeker", zei hij. Dat was een vreemde opmerking want hij had zelf gebeld om de diagnose te vertellen. Hanna knikte en zweeg. Hij klopte haar moeder op de arm. Hanna wendde haar blik walgend van hen af.
"Het komt wel goed, Lien", zei hij, "Ze kunnen zo veel tegenwoordig".
"Ja, ja", zei haar moeder alsof het haar eigenlijk niet interesseerde. Ze trok haar arm geïrriteerd terug.
Nu haar moeder zou sterven, zou Hanna haar nooit goed leren kennen. Haar vader zou in die laatste fase het obstakel blijven dat hij altijd was geweest. Zijn blik alleen al was voldoende om iedereen de mond te snoeren zodat er nooit zou worden gezegd wat hij niet horen wilde.
Ze zaten nu al jaren met z'n tweeën in die morsige kamer, waar alle leven verstikte. Zelfs planten wilden er niet groeien. Haar moeder zat dag in dag uit in dezelfde stoel en staarde met een lege blik naar het raam alsof ze zich afvroeg waarom het leven haar zo te pakken had genomen. Lang geleden moest ze besloten hebben dat geen van de dromen die ze toch gehad moest hebben, zou uitkomen en dat haar verder niets stond te doen dan wachten tot het allemaal voorbij was.
Op het dressoir en in het wandmeubel stonden diverse prullaria. Delftsblauwe dieren en koperen kandelaars. Foto's in afzichtelijk versierde lijstjes. Overal stond wel wat. Verzamelingen die tevergeefs de leegte probeerden te vullen.
Nu er bijna een einde aan was gekomen, was ze kalm. Het doodvonnis dat de huisarts haar die morgen had meegedeeld, leek haar niet te bedrukken. Er was niets te bespeuren van haar gebruikelijke nervositeit, waardoor ze al van slag was als het niet lukte het eten om kwart over vijf op tafel te zetten. Zelfs haar roken was ontspannen. Ze inhaleerde rustig, niet met korte pufjes, zoals ze anders deed.
Haar vader was nauwelijks in staat zijn kopje op te tillen, zo trilde hij. Steeds keek hij achterdochtig naar Hanna alsof zij de fatale ziekte op haar geweten had.
Als een waakhond zou hij voortaan om haar moeder heen sluipen en iedereen uit de buurt houden.
Er werd niet meer over de ziekte en de behandeling gesproken. De koekoeksklok tikte doordringend en langzaam.

Een paar dagen later werd Hanna gebeld door haar zuster.
"Je moeder ligt in het ziekenhuis", zei ze.
Hanna schrok. Het ging sneller dan verwacht. Ziekenhuis, dood. Iets anders kon het niet betekenen.
"Waarom?", vroeg ze.
"Vochtophoping door de chemotherapie. Ze kon niet eens meer zitten. Ze ging naar het ziekenhuis voor onderzoek en daar hebben ze haar gehouden".
"Ik kom straks kijken", zei Hanna. Ze boog zich over het rapport dat ze aan het lezen was maar kon zich niet concentreren. Haar moeder was haar plotseling voorbijgestreefd door de dood zo dicht te naderen en daardoor in een wereld te belanden die voor Hanna nog niet toegankelijk was. Een jaar of twintig zou ze nog moeten wachten, schatte ze. Veel meer zou het niet zijn, want ze was fysiek een kloon van haar moeder. Ze kreeg alle ziektes die haar moeder ook had. Twintig jaar, dat was benauwend kort, te kort om nog iets te kunnen bereiken. Tegelijkertijd leek die periode een zwarte tunnel waarin ze doelloos zou ronddwalen.

In het ziekenhuisbed lag haar moeder met de witte lakens tot aan haar kin opgetrokken. Ze had de ogen half gesloten en was grauwbleek.
"Dag", zei Hanna. Haar moeder draaide haar hoofd naar haar toe en knikte haar flauwtjes toe.
"Ze heeft geeneens zin om te roken, zo beroerd is ze", zei haar vader die op de stoel naast het hoofdeinde had.
"Dan is het erg", erkende Hanna.
Ze pakte een stoel van de gang en ging aan de andere kant van het bed zitten. Haar moeder sloot steeds de ogen en dommelde even weg. Een verpleegkundige kwam bij haar bed en voelde haar pols. Ze controleerde de zak die beneden aan het bed hing en langzaam voldruppelde. Ze sloeg de deken terug en keek of de naald nog goed in de buik zat. Vlak boven de bolle buik van haar moeder staken de ribben door haar vel. Vroeger was ze dik geweest.
"Als ze het vocht kwijt is, zal ze wel weer opknappen", zei haar vader.
'Donder nou eens even op, man' dacht Hanna, maar ze zei het niet.
Toen het bezoekuur was afgelopen, groette ze haar moeder. "Dag, ma, ik kom morgen wel weer".
"Bedankt voor je komst", zei haar moeder.
Onderweg naar huis bedacht ze dat dit wel eens de laatste keer kon zijn geweest dat ze haar moeder had gezien. Misschien werd ze straks wel gebeld met de mededeling dat het gebeurd was. Vijfendertig procent kans, waar haalden ze het toch vandaan? De kans dat ze zou overleven, was zo goed als nihil. "This is the end, my beautiful friend", zong Hanna in gedachten.

Een week later, toen haar moeder was ontslagen uit het ziekenhuis, ging Hanna bij haar op bezoek. Ze zat in een blauwe pyjama, die ze speciaal voor het ziekenhuis had gekocht, op de bank en rookte de ene na de andere sigaret. Haar vader zat in zijn stoel en had zijn blik continu op haar gevestigd alsof ze hem anders zou ontglippen.
Haar zuster en haar broer wisselden veelbetekende blikken met elkaar. Er mocht niet gesproken worden over wat zo duidelijk was. Het ging zoals alles was gegaan: als je er niet over praatte, bestond het niet. Als je niet wilde dat iets bestond, praatte je er niet over.
"De vriend van André van Duin is ook dood", zei haar broer, die door de Privé bladerde.
"Oh ja? Geef eens hier". Hij overhandigde Hanna het blad. De doodsoorzaak was een leverkwaal geweest. Ze legde het blad terug op de salontafel in de hoop dat haar moeder het niet zou opmerken. Dat was tevergeefs. Haar moeder nam het tijdschrift direct van tafel.
"Hij wist al dat hij dood zou gaan", zei ze, nadat ze het artikel gelezen had, "Dat lijkt me heel erg, als je zoiets te horen krijgt". Ze durfden elkaar niet meer aan te kijken en staarden zwijgend naar de grond.
Hanna raakte aan het idee gewend dat het steeds slechter ging, zodat het bericht van de volgende ziekenhuisopname haar niet meer verraste. Ze werd het zat. "Wanneer gaat ze nou eens echt dood", prevelde ze wel eens voor zich uit als ze zeker wist dat niemand luisterde.
Deze keer lag ze in een bed bij het raam, een gewilde plek die de patiënten moesten veroveren in de ziekenhuishiërarchie. Toen Hanna binnenkwam zaten haar broer, haar zuster, haar vader en Anne, wier huis haar moeder jarenlang had schoongemaakt, om het bed. Onder het bed hing weer een zak waar vocht indruppelde.
"Zo, ben je daar alweer", zei haar moeder, toen ze Hanna zag. Hanna voelde zich onwelkom.
Anne pakte haar moeder bij de arm.
"Nou Lien, ga nog maar niet dood, hoor". Haar vader keek geërgerd van haar vandaan.
"Nee, niet doodgaan", zei haar moeder zonder overtuiging. De brede jukbeenderen staken hoekig door het vel van haar wangen.

"Ik word er gek van", zei haar zuster door de telefoon, "Ze vertellen niks, ik snap helemaal niet meer wat er aan de hand is. Ondertussen gaan ze maar door met die chemotherapie terwijl het duidelijk is dat ze daar niet tegen kan".
"Er is niets aan te doen", zei Hanna, "Door Pa breek je niet heen en die wijkt geen moment van haar zijde. Het is hun keus, al lijkt het er niet erg op dat ze erg bewust bezig zijn".
"Ik zou de waarheid wel eens willen weten. Zou jij de specialist niet eens kunnen bellen?"
"Dat kan ik wel doen, maar hij zal me niets vertellen. Dat mag hij niet doen".
"Wat een waanzin! Het gaat toch zeker om mijn moeder!"
"Hoe zou jij het vinden als een arts achter jouw rug om tegen haar van alles over jou ging zitten vertellen? Dat kan echt niet. Maar goed, ik bel wel".
Hanna belde het ziekenhuis en kreeg na lang wachten de specialist aan de lijn. Ze legde uit dat ze een toelichting wilde op de situatie.
"Waarom? Het is toch duidelijk? Ik heb uw ouders alles verteld", zei de arts onvriendelijk.
"Dat geloof ik wel, maar wij, als kinderen, horen tegenstrijdige dingen daarover. Zo zegt ze dat ze vijfendertig procent kans heeft om te overleven, maar dat lijkt ons onvoorstelbaar".
"Op die manier. Nou, u kunt langskomen voor een gesprek op voorwaarde dat uw moeder meekomt". Hij noemde het tijdstip waarop hij beschikbaar was en hing op.
Hanna belde haar moeder.
"Riet en ik willen een keer met de specialist praten omdat er zoveel onduidelijkheden zijn. Maar dan moet jij mee. Zou je dat willen?"
"Ja, dat is goed", zei haar moeder tot haar verrassing.
Hanna was vroeg bij het ziekenhuis en wachtte boven aan de trap bij de ingang. Het was rustig want het bezoekuur was nog niet begonnen.
De auto van haar zuster reed het parkeerterrein op. Haar moeder zat aan het open raampje. De hand waarmee ze haar shaggie vasthield bungelde buiten het raampje. Ze lachte toen ze Hanna zag. Het plaatje met de vier boventanden had ze niet in, zodat er een donker gat in haar mond was.
Even later kwam ze aanlopen, terwijl haar zuster nog bezig was een parkeerplaats te zoeken. Ze droeg een kleurige zomerjurk en had zich opgemaakt. Ze lachte nog steeds breeduit alsof ze op weg was naar een feestje. Voetje voor voetje liep ze de trap op. Elke trede moest ze veroveren. De jurk slobberde over haar vermagerde lijf. Ze was de geklede dood.
Toen ze bijna boven was, wankelde ze. Hanna kon haar nog net op tijd bij de arm grijpen.
Ze liepen de gang door op weg naar de wachtkamer van de internist. De mensen in de wachtkamers waar ze voorbijkwamen keken verschrikt naar haar moeder en wendden dan snel het hoofd af. Ze zagen hun voorland en ook het nutteloze van hun streven in leven te blijven tegen beter weten in.
De specialist kwam hen al snel halen. In zijn kamer haalde Hanna het papier waarop ze vragen geschreven had uit haar tas. Hij keek er spottend naar.
"Wat wilde u vragen?", zei hij.
"We hoorden dat mijn moeder leverkanker heeft en.."
"Dat kunt u niet gehoord hebben. Het is geen leverkanker, het zijn uitzaaiingen in de lever. Als u ook maar iets van kanker wist, zou u weten dat niet de primaire tumor het probleem is, maar de uitzaaiingen".
"Heeft ze nog meer uitzaaiingen dan alleen in de lever?", vroeg Hanna.
" Dat is zeer waarschijnlijk, maar het heeft geen zin dat te onderzoeken. Zo'n onderzoek is belastend en een andere behandeling levert het toch niet op. De uitzaaiingen zijn ongeneselijk, die kunnen alleen tijdelijk onderdrukt worden".
"Ja, dat wist ik wel, dat het ongeneselijk was", zei haar moeder zacht.
Hanna stopte het papier terug in haar tas. De specialist glimlachte.
"En hoe kijkt u daar nu tegenaan, mevrouw? Ik heb toch alles duidelijk uitgelegd aan u en uw man?"
"Ja, dokter. Ik heb alleen zo'n last van mijn buik. Door al dat vocht".
"Ik bedoel dit. Kijk, op zijn tijd krijgen wij, zoals wij hier zitten, allemaal iets waaraan we zullen bezwijken. Probeert u zich nou niet zo met die ziekte bezig te houden, maar maak het beste van de tijd die u nog heeft. Ga lekker eten, drinken, doe iets gezelligs met de kinderen".
"Het kan nog wel twee jaar duren, zei u de vorige keer". Het klonk alsof hij haar iets had afgenomen.
"Zelfs als het geen twee jaar meer duurt, moet u uit de komende periode halen wat er nog in zit", zei hij, "Heeft u verder nog vragen?"
Hanna schudde het hoofd. Ze vroeg zich af of het tot haar moeder was doorgedrongen wat de specialist had gezegd.
Op de parkeerplaats rookten ze een shaggie.
"Nou, hij is tenminste wel duidelijk", zei haar moeder "En jullie gaan er tenminste niet bij zitten janken. Daar heb ik zo'n hekel aan, aan gejank".
"Als we dat deden, dan zou je ons slaan, net als vroeger. Hier, dan heb je wat om te janken, zou je zeggen", zei Hanna.
Ze lachten alledrie.

Ter gelegenheid van haar zestigste verjaardag mocht haar moeder even uit het ziekenhuis, waar ze sinds twee weken weer was opgenomen. Hanna ging op verjaarsvisite. Hoewel het hoogzomer was en mooi weer, was het donker in de huiskamer. In de hoek brandde een zwak schemerlampje. Haar vader zette een kop koffie en een gebakje voor haar neer.
"Ze doen er nog steeds alles aan", zei hij, "Volgende week gaat ze naar het AZU. Daar doen ze een staaf in haar buik. Iets met radioactiviteit. Dat hebben ze speciaal voor haar besteld in het buitenland".
Haar moeder knikte. Ze keken wat naar televisie. Verscheidene familieleden belden om haar te feliciteren.
Tegen halftien ging haar vader de hond uitlaten.
"Zou zo'n ziekenhuispastor ook begrafenissen doen?", vroeg haar moeder zodra hij de deur achter zich had gesloten.
"Ik denk van wel. Zou je dat willen? We kunnen het in ieder geval vragen".
"Ja, dat wil ik wel", zei haar moeder, "Die kan het zo mooi zeggen, die pastor".
"Als hij erbij is, kan ik het nergens over hebben", zei ze. Hanna begreep dat ze haar vader bedoelde. "Hij wil er niks over horen. Als ik over de crematie begin, wordt hij kwaad. Ik word gek van die man de hele dag op mijn lip".
"Dat is naar, ja, als je het nergens over kunt hebben". Haar moeder knikte en haalde nog een shaggie uit het metalen doosje.
Haar vader was binnen tien minuten terug. Het bedrukt zwijgen daalde weer in de kamer neer.
"Ik ga maar weer eens", zei Hanna, "Ik bel morgen wel".

Hanna werd wakker door de rinkelende telefoon. Ze keek op de wekker. Het was halfacht.
"Het gaat niet zo goed met moeder", zei haar vader.
"Wat is er dan?"
"Ze is heel erg ziek. Gisteren begon het. Ze reageert nauwelijks meer".
"Is het kritiek?"
"Dat weet ik niet. Dat hebben ze niet gezegd. Wat doen we met Riet? Moeten we die terugroepen van vakantie?"
"Doe maar even niks. Ik kom er aan".
Hanna kleedde zich snel aan en fietste naar het ziekenhuis. Het was al die tijd sinds de diagnose mooi weer geweest, maar nu motregende het.
In het ziekenhuis spoedde ze zich naar de zaal waar ze haar moeder verwachtte. Het bed waar ze haar de laatste keer had gezien, was echter leeg.
"Waar is mijn moeder?", vroeg Hanna, terwijl ze op het bed wees.
"Aan de overkant", zei een vrouw die ze wel eens in de rookruimte had ontmoet, "Daar is ze vanmorgen naar toegebracht".
Hanna draaide zich om en liep de eenpersoonskamer aan de overkant binnen. Haar moeder ademde moeizaam. Ze had haar ogen geopend, maar reageerde niet op Hanna's groet. Aan haar armen waren diverse slangen bevestigd.
"Godver!", liet Hanna zich ontvallen. Haar vader en haar broer, die naast het bed zaten, keken verschrikt op.
"Heeft ze nog ergens op gereageerd?", vroeg Hanna.
"Al een tijdje niet meer. Alleen vanmorgen vroeg nog", zei haar broer. Hanna pakte een stoel uit de hoek en ging zitten. Er stond zweet op haar moeders voorhoofd en ze verspreidde een vreemde lucht. Doodszweet, dacht Hanna, ik ruik de dood.
Hanna hield het niet zo lang uit en ging naar de rookruimte. Haar broer volgde snel.
"Ze is stervende", zei hij.
"Dat weet ik", zei ze, "Denk je dat pa het ook weet?"
"Dat zal wel niet. Die gelooft dat pas als ze koud is".
Ze ging terug naar de kamer waar haar moeder lag. Veel veranderde er niet aan haar toestand. Iedere ademstoot leek de laatste te zijn, maar toch kwam er daarna nog een. Verpleegkundigen liepen in en uit en duwden steeds nieuwe naalden in haar gebutste armen. 's Middags riep de zaalarts haar vader de gang op omdat ze de toestand met hem wilde doornemen. Hanna ging mee.
"We dachten vanmorgen al dat ze dood zou gaan", zei de arts, "Maar ze houdt het vol. Het is niet te voorspellen hoe lang het duurt. We geven nog antibiotica. Misschien is er sprake van een ontsteking".
"Hoelang gaat u door met al die ingrepen?", vroeg Hanna "We willen niet dat het zinloos gerekt wordt.
"Dat doen we ook niet. Als ze een hartstilstand krijgt, gaan we niet reanimeren".
"Goed", zei Hanna. Haar vader stond al die tijd als een blok naast haar en zei geen woord. Het leek niet tot hem door te dringen wat er besproken werd.
's Avonds ging Hanna naar huis. Haar moeders vriendin Greet zou samen met haar vader waken. Misschien zou het nog wel dagen duren. Greet beloofde te bellen zodra er iets veranderde.

Om drie uur 's nachts ging de telefoon.
"Kom je direct? Het is bijna gebeurd", zei Greet.
Hanna fietste naar het ziekenhuis. Onderweg zag ze haar moeder stervend voor zich in het ziekenhuisbed. Ze zou haar misschien voor één keer even aanraken.
Het was stil in het ziekenhuis. De portier, die de krant zat te lezen, keek even op toen ze binnenkwam. Hij las weer verder. Bij de lift trof ze haar broer. Hij zag er slaperig uit.
Op de etage waar haar moeders kamer was, hoorde ze Greets stem uit de rookruimte.
"Hanna, hier blijven", fluisterde ze.
Haar vader en Greet zaten naast elkaar op de plastic stoeltjes.
"Jullie kunnen er niet naar toe. Nu niet. Ze zijn haar aan het helpen".
"Is het al gebeurd, dan?", vroeg Hanna. Greet knikte. Ze stond op en omhelsde Hanna huilend. Hanna verstijfde.
"Ze zijn haar dus aan het afleggen", constateerde haar broer.
Na een tijdje verscheen er een verpleegkundige.
"U kunt nu afscheid nemen", zei ze.
Ze volgden haar naar de kamer. Haar moeder lag op het bed in de blauwe pyjama, die ze zo mooi had gevonden. Haar mond stond open alsof haar laatste schreeuw, waarmee ze er alles had willen uitgooien, was stilgezet. Haar hoofd lag achterover nu de nekspieren het niet meer ondersteunden. De weekendtas stond al ingepakt bij de deur. Een vertrekkende hotelgast leek ze zo. Hanna leunde tegen de muur en keek naar het dode lichaam. "Ook dit gaat voorbij", dacht ze.

© Petra Oomen

maart 2000

homepage PetraO.