De wilsbeschikking was duidelijk geweest. Bij de crematie mocht alleen
de naaste familie aanwezig zijn, op de compagnon van Katharina’s grootvader
na. Die had tot taak er nauwlettend op toe te zien dat iedereen zijn emoties
in bedwang hield. Geen traan mocht vloeien, geen stem mocht trillen. Degene
die zich niet als een man wist te gedragen, en dat gold ook voor de vrouwen,
zou onverbiddelijk van de erfenis worden uitgesloten. Strak en stil zaten
haar vier ooms en twee tantes op de voorste rij in de grote aula, vijf
van hen geflankeerd door hun echtgenoten. De kleinkinderen zaten op een
bank langs de zijkant. Allen waren sober gekleed, in zwart en grijs. Harko,
de oudste zoon, zag er bijna naakt en kwetsbaar uit in zijn gelegenheidskostuum,
alsof deze concessie aan zijn vaders eisen op het gebied van de juiste
kleding hem weerloos had gemaakt. Hij was bleek en zijn paars-rode mond
deelde zijn gezicht in tweeën. Maria, Katherina’s moeder, staarde
over de kist heen, haar blik strak op de witte muur gericht. "Ik wil hier
niet zijn", sprak uit haar hele houding, die altijd haar enige verweer
tegen haar vader was geweest.
Katherina ontmoette Harko’s blik en knikte hem bemoedigend toe.
"Een nagel aan mijn doodskist", had haar grootvader meermalen gezegd als
hij over hem sprak. Maar wanneer hij dat zei verscheen er, heel even, een
vrolijke twinkeling in zijn ogen. Opmerkelijk, want hij straalde anders
altijd afgemeten ernst uit. Iedereen was bang voor zijn priemende ogen,
die elke zwakheid genadeloos neer leken te sabelen. Zijn grootste verwijt
betrof Harko’s liefdeleven; zijn talloze vriendinnen, en zijn blijvend
ongehuwde staat. "Een man laat zich niet leiden door driften", zei hij
dan "Een man maakt keuzes en draagt verantwoordelijkheid". Harko verscheen
alleen op het jaarlijkse familiediner; anders liet hij zich nooit zien.
Hij had Katherina eens, na afloop van zo’n diner, toevertrouwd dat hij
weken nodig had om een ontmoeting met zijn vader te boven te komen. Hij
was de enige niet.
Nadat Bach's "Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust" was afgelopen,
stapte de compagnon achter de katheder. Hij keek de zaal in, alsof deze
helemaal vol zat, legde zijn handen op de zijkanten van de katheder en
liet zijn volle gewicht erop rusten. "Familie", begon hij, "Het is vandaag
geen dag om te treuren, maar om te gedenken dat Jacob van Beek zijn einddoel
heeft bereikt. Een leven vol toewijding en daadkracht is geëindigd.
U zult de steun die hij u gaf missen, maar de kracht die hij u allen heeft
meegegeven zal prevaleren. Jacob van Beek heeft de fakkel overgedragen;
het is aan u zijn missie te voltooien". Hier stopte hij en keek de familieleden
op de voorste rij doordringend aan "Wees dus een voorbeeld voor alle slappelingen
om u heen in deze verworden wereld en vrees, net als Jacob van Beek, de
dood niet, maar laat die een kroon op uw werk zijn.". Abrupt zweeg hij
en stapte het podium af. De "Marche Symphonie finèbre" van Berlioz
klonk, een teken om op te staan. Katherina liet de bombastische klanken
over zich heen komen en dacht aan hoe haar grootvader haar opvoeding ter
hand had genomen. Hij had een bepaald idee over wat zijn kleinkinderen
moest worden bijgebracht en hoewel hij geen speciale reden had om de pedagogische
kwaliteiten van zijn kinderen in twijfel te trekken, geloofde hij dat de
taak niet tot een goed einde kon worden gebracht zonder zijn actieve bemoeienis.
Ze herinnerde zich de talloze uitstapjes, naar musea, naar historische
binnensteden, naar lezingen, die steevast waren geëindigd met een
soort examen. Katherina slaagde daar nooit echt voor. "Het kan beter, Katherina",
sprak hij dan met zijn diepe stem, "Je moet harder werken".
Eén van die uitjes was haar altijd bijgebleven. Hij had haar,
ze was vijftien, de opdracht gegeven met hem mee te gaan naar de Kennemerduinen,
omdat hij het noodzakelijk vond dat zij de natuur leerde kennen. Toen ze
in de trein zaten, gaf hij haar een vogelgids. Zelf verdiepte hij zich
in zijn medische vakliteratuur, waarvan hij een koffer vol bij zich had.
Ze observeerde hem een tijdje. Jaren van steile volharding hadden
diepe groeven in zijn gezicht getrokken. Er stond een frons van inspanning
op zijn voorhoofd, terwijl hij geconcentreerd las. Plotseling keek hij
op, alsof hij voelde dat zij naar hem keek: "Wat zit je daar te niksen!",
zei hij bars, "Vooruit! Ga door met je voorbereidingen!" Katherina bladerde
door de vogelgids zonder iets in zich op te nemen. De gedachte dat van
haar werd verlangd dat ze straks, in de duinen, van alle voorbijvliegende
vogels de naam zou kennen, bezorgde haar een onaangenaam gevoel in haar
maag.
Eenmaal in het natuurpark probeerde ze een vogel te bespeuren, waarvan
ze met gemak de naam zou kunnen noemen. Het was van groot belang dat ze
daar zelf mee kwam, voordat hij erom zou vragen. Haar blik bewoog nerveus
door het luchtruim, op zoek naar haar bevrijding. In haar ooghoek zag ze
iets bewegen, zwart met wit. "De Vlaamse gaai!" riep ze voor de vuist weg.
Even verscheen er een vage glimlach op zijn gezicht. Daarna keek hij weer
strak en streng als altijd. Nooit zou ze haar verbazing vergeten toen ze,
op de terugreis, in de vogelgids zag dat de vogel die ze had gezien een
ekster moest zijn geweest.
Ze dacht aan dat moment toen de kist naar beneden begon te zakken en ze, nauwelijks hoorbaar, een kreet slaakte. De compagnon had dat opgemerkt, dat zag ze wel, en ze besefte dat ze naar de erfenis kon fluiten. Erger was echter de blik van haar grootvader, die haar dwars door het deksel van de kist leek te doorboren. Zijn afkeuring over dit gebrek aan zelfbeheersing was minstens even duidelijk voelbaar, als wanneer hij levend voor haar had gestaan. Bezwerend prevelde ze in de richting van het gat, waarin de kist verdwenen was: "De ekster".
© Petra Oomen
mei 1999