Dood in Hengelo

Margot keek nog eenmaal achterom. Aan de overkant van het station
stonden eengezinswoningen met kleine ramen als geloken ogen die de wereld
niet wilden aanschouwen.
Ze rilde en trok haar jas, waarvan de knopen al sinds mensenheugenis
waren verdwenen, dichter om zich heen. Even blikte ze naar het koffiestalletje.
Een kop koffie zou haar verwarmen, de beker zou gloeien tot in de botten
van haar handen, waarna de warmte zich langzaam door de rest van haar lichaam
zou verspreiden. Maar in haar portemonnee zat behalve haar 60+-pas nog
maar één gulden.
Ze richtte zich op. Ze zou haar lot niet langer lijdzaam ondergaan.
Het had lang genoeg geduurd, het tellen van haar geld aan het einde van
de maand, het zoeken naar afgeprijsde artikelen in de schappen bij Albert
Heijn en de thermostaat die niet hoger mocht staan dan achttien graden.
Vanuit de verte naderde de trein. Nog even en ze zou geschiedenis
schrijven. Dat vooruitzicht maakte haar lichter dan ze in tijden was geweest.
In de coupé achter de machinistencabine zaten twee mensen,
precies genoeg, die zou ze wel aankunnen. Ze stapte naar binnen en knikte
hen goedendag. Alleen de jonge vrouw groette terug, met een bedeesd glimlachje.
Ze droeg haar blouse tot de bovenste knoop gesloten. Een kaarsrechte scheiding
liep precies over het midden van haar hoofd. Met haar magere handen omklemde
ze de zwartgelakte kunststof tas, die op haar schoot lag. Ze was bleek,
maar niet op een ziekelijke manier, eerder alsof ze nooit buiten kwam.
Veel weerstand zou ze niet bieden, dat was alvast mooi meegenomen.
Grotere problemen waren er te verwachten van het jochie schuin tegenover
haar. Zo'n melkmuiltje van een jaar of twintig in een grote-mensenpak.
Hij had brede schouders, die hij ongetwijfeld ontwikkeld had op de sportschool.
Met die jongens wist je het maar nooit. Elk moment konden ze besluiten
de held te gaan uithangen en dan had je de poppen aan het dansen.
Ze voelde in de zak van haar broek of de revolver er nog was. Bijna
liefdevol betastte ze het ijzer, dat was bedenkt met roestige korrels.
Bruikbaar was het ding niet meer. Vanmorgen heel vroeg had ze dat uitgeprobeerd
in de tuin. Hoeveel kracht ze ook gebruikte, de trekker was niet in beweging
te krijgen. Ze was tot de slotsom gekomen dat het niets uitmaakte. Schieten
zou ze toch niet, het ging tenslotte om het stellen van een daad.
De trein zette zich in beweging en verliet knarsend en piepend het
station van Hengelo. Na een paar minuten kwam er een oudere heer met een
rood hoofd de coupé binnen. Hij tilde zijn zware koffer het bagagerek
in en liet de aktetas die hij onder zijn arm had geklemd op de grond vallen.
Deze extra reiziger kwam slecht uit: drie mensen waren moeilijker
in bedwang te houden dan twee. Er was echter geen weg terug, wat gedaan
moest worden, zou gedaan worden.
Margot stond op en liep naar de machinistencabine. De deur van de
coupé liet ze open staan.
II
Bredevoort had enorm de pest aan mensen die deden alsof ze thuis
waren in openbare gelegenheden. De open deur hinderde hem en als hij niet
zo uitgeput was geweest van het rennen om de trein nog te halen zou hij
zeker opgestaan zijn om de deur met een klap te sluiten. Nu verbeet hij
zijn ergernis. De tocht sloop langs zijn nek en zou ongetwijfeld winterse
ziektekiemen door zijn lichaam jagen. De laatste jaren werd hij steeds
vaker gekweld door verkoudheid en griep. Lang zou hij zijn dagelijkse tocht
naar Den Haag niet meer volhouden. Was dat niet heel normaal op zijn leeftijd?
De meeste mensen van zevenenzestig waren allang met pensioen, misschien
was voor hem de dag aangebroken om het eens wat rustiger aan te gaan doen.
Felice zou er blij om zijn. Steeds vaker liet ze vallen dat de lange dagen
alleen in het grote huis haar zwaar vielen. Nu haar nadagen waren aangebroken,
had ze meer en meer behoefte om tegen hem aan te schurken en te schuilen
in zijn beschermende armen.
De oude vrouw kwam terug en sloot godzijdank de deur achter zich.
Bredevoort wreef in zijn nek. De kou van de huid deed pijn aan zijn vingers.
De vrouw zag er onverzorgd uit in de zwarte joggingbroek met daarop een
vaalgrijs te kort truitje. Als ze liep, werd stukje van haar navel zichtbaar,
een zwart gat in gelig bleek vlees. Zoiets zou je niet verwachten in de
eerste klasse, dacht Bredevoort, nergens wist je je tegenwoordig nog verzekerd
van een zekere stijl.
Hij boog zich voorover om de krant uit zijn aktetas te halen en
bleef als bevroren in die houding hangen, toen de oude vrouw riep:
"Dit is een gijzeling! Geen beweging of ik schiet!" Pas nu viel
het Bredevoort op dat de trein stilstond. Langzaam kwam hij overeind. Hij
keek midden in haar grijnzende gezicht. Ze had de loop op hem gericht.
Haar bivakmuts hing achter op haar hoofd alsof het een slaapmuts was. Weldra
zou die van haar hoofd vallen.
Felice had gelijk: het werd steeds gevaarlijker in het Openbaar
Vervoer. Elke morgen drukte ze hem op het hart om toch vooral voorzichtig
te zijn. Hij deed dat met een glimlach af en weet haar bezorgdheid aan
het feit dat ze nauwelijks nog de deur uitkwam sinds de kinderen het huis
uit waren. Mannen waren gewend aan de buitenwereld, daar lag hun terrein.
Soms moesten ze daarbij gevaren trotseren, dat was al zo sinds de oertijd.
Een man die dat uit de weg ging, was geen man. Strikt genomen had hij geen
reden meer om elke morgen om half negen de trein naar Den Haag te nemen.
Sinds hij vijftien jaar geleden de erfenis had gekregen, was hij financieel
onafhankelijk. Maar regelmaat was noodzakelijk om natuurlijke driften te
beteugelen. Alleen zo was het mogelijk deel uit te maken van de beschaving.
"Ik meen het," kraste de vrouw. "Als jullie je verzetten, gaat je
kop eraf!"
Ze omklemde het pistool zo stevig dat de knokkels van haar hand
wit werden. Haar vinger had ze om de trekker. Het was zaak de oude feeks
door middel van zijn natuurlijk overwicht bij zinnen te brengen.
"Realiseert u zich dat een actie als deze strafbaar is, mevrouw?"
vroeg hij. Hij vermeed haar aan te kijken, zoals hij dat deed bij de potentiële
aanvallers van Fluffy, zijn vijftienjarige teckel. Vrouwen leken op honden:
veel geschreeuw, maar in feite wilden ze zich onderwerpen. Hun schreeuwen
was niet meer dan een op de proef stellen van hun leider.
"Ach man, leuter niet zo! Natuurlijk weet ik dat, ik ben verdomme
geen klein kind!"
Op dit moment viel er niet met haar te praten. Hij moest de verstandigste
zijn en in alle kalmte het juiste moment afwachten. Hij bukte zich nogmaals,
in de wetenschap dat hij zijn leven op het spel zette, en nam de krant,
vouwde die open en begon te lezen.
III
Leida maakte zich zorgen om de oude vrouw. Door haar onbezonnen daad
zou ze in de gevangenis terechtkomen en zeker op haar leeftijd zou dat
geen pretje zijn. Leida wist daar alles van. Ze bezocht vaak gevangenen
in de vrouwengevangenis en wat haar altijd weer onaangenaam trof, was het
venijn waarmee de vrouwen elkaar voortdurend bejegenden. Telkens hatelijke
toevoegingen, af en toe een mep, facties werden gevormd die elkaar naar
het leven stonden. Natuurlijk kwam dat door hun uitzichtloze situatie,
dus ze kon het ze niet kwalijk nemen. Er zaten junks, hoeren, wanhopige
moordenaressen en dievegges. In haar gesprekken met hen probeerde ze hen
tot een ander bestaan te bewegen. Ze spoorde hen aan een opleiding te gaan
doen, te scheiden, het ouderlijk huis te verlaten en soms brak er op zo'n
grimmig gezicht een vleugje hoop door. Leida's dag was dan geslaagd.
Ook dit arme mens had natuurlijk een leven ellende achter de rug.
Misschien had ze een man gehad die haar kleineerde of anders was ze wel
als eerste op straat gezet bij de grote economische crisis van begin jaren
tachtig. Het verval was haar aan te zien. Haar truitje was versleten, er
zaten gaten in en het was vervilt. De joggingbroek zat vormloos om haar
magere billen. Die kwam waarschijnlijk van Zeeman. Zo'n geval uit de bak
met aanbiedingen waarvoor ze zich ongetwijfeld twee dagen het eten uit
de mond had moeten sparen. Veel vrouwenlevens eindigden na decennia lang
hard werken en sloven in bittere armoede. Het was tekenend dat de heren
in de coupé keurig in het pak zaten en een dure tas bij zich hadden.
Leida nam een blikje cola uit haar tas dat ze bij zich had voor
het geval ze dorst zou krijgen. Ze reikte het de oude vrouw aan.
"Alstublieft, u zult wel dorst hebben door alle emotie."
Met haar vrije hand nam de vrouw het blikje aan. Ze legde de revolver
neer om het te kunnen openen en dronk met gulzige teugen. Leida ving de
blik van de jonge man die tegenover haar zat. Druppels zweet liepen van
zijn voorhoofd en zijn handen trilden. Als hij zich maar zou weten te beheersen,
dacht ze bezorgd.
In het weiland naast het spoor renden mensen kriskras door elkaar
heen. Dat moesten de passagiers uit de achterliggende coupés zijn,
die op de vlucht waren geslagen.
"Nou, dat heeft lang geduurd!" zei de oude vrouw smalend. "De deuren
stonden al de hele tijd open. Mensen zijn schapen, dat blijkt maar weer."
Ze had de revolver weer opgenomen en zwaaide er vervaarlijk mee in het
rond.
"Laat ons dan ook gaan. Wellicht komt u er dan met een lichte straf
van af," sprak de oudere heer op besliste toon.
"Jou zal ik zeker niet laten gaan, snoepie, als er iemand vertrekt,
dan zal het de jonge dame zijn, die mij zo vriendelijk wat te drinken heeft
aangeboden."
Leida aarzelde. Ze moest de vergadering van de werkgroep Waterputten
in Zimbabwe wel bijwonen, zeker nu de fondsenwerving op de agenda stond.
Als ze er niet bij was, zouden de andere werkgroepleden de meest wilde
plannen verzinnen en onvermijdelijk teleurgesteld raken omdat die niet
te realiseren bleken. Aan de andere kant had ze de plicht om de gijzeling
in goede banen te leiden. Immers, alles werd door een hogere macht bepaald.
Dat zij in deze trein zat, had een bedoeling. Die mocht ze niet negeren.
"Laat mij blijven, mevrouw, laat de jonge man gaan."
"Pardon?" riep de oudere heer verontwaardigd. "U zou toch moeten
bedenken dat ik als oudste het recht heb om het eerste te vertrekken. Bovendien
wacht mijn vrouw thuis op me. Ze heeft een zwak hart. Als ze van de gijzeling
hoort, en beseft dat ik één van de slachtoffers ben, vrees
ik het ergste."
De oude vrouw keek geïrriteerd zijn kant op.
"Iedereen blijft!" zei ze kortaf. "Iedereen blijft totdat de AOW
met tien procent wordt verhoogd."
Zo wanhopig kan een mens worden van het onrecht dat haar wordt aangedaan,
dacht Leida. De meeste lieten dat over zich heen komen. Deze vrouw dwong
respect af door haar poging haar leven richting te geven, ook al was dat
op een onhandige manier.
Ze schrok op uit haar overpeinzingen door een blikken stemgeluid,
dat van buiten kwam. Aan de overkant van het weiland stonden tientallen
mannen in uniform. Eén van hen schreeuwde iets onverstaanbaars door
een megafoon.
V.
Eindelijk gaan ze iets doen, dacht Marco. Hij snoof om na te gaan
of de stank zo erg was dat anderen hem zouden ruiken. Op het moment dat
de vrouw het pistool op hem had gericht, had zijn sluitspier dienst geweigerd
en nu zat hij in zijn eigen dunne bagger. Hij deed zijn best zich niet
te verroeren, maar buiten zijn wil trilden zijn ledenmaten als een berkenbosje
in een storm.
Ze moesten haar opsluiten, dacht hij, iedereen boven de dertig moest
worden opgesloten. Met hun vunzig verzakte lichamen maakten ze iedereen
misselijk en als ze niet dement waren, waren ze wel stapelgek. Zoals dat
wijf. Je hoefde niet gek op te kijken als ze op het laatste moment nog
een kogel door zijn kop zou schieten. Die hufters van de politie moesten
een beetje opschieten, maar die stonden natuurlijk op een verlaten stuk
weg snelheidscontroles uit te voeren. Door hun ijver op dat terrein was
hij zijn rijbewijs een week geleden kwijt geraakt. Als ze zich hadden bepaald
tot belangrijk werk zoals krankzinnigen van de straat halen, had hij nu
niet in deze trein gezeten.
Het was niet meer dan terecht dat hij als eerste zou worden vrijgelaten.
Immers, hij had belangrijke dingen te doen. Die oude zemelaar naast hem
zou wel onderweg zijn om zijn postzegelverzameling aan te vullen. Dat meisje
was natuurlijk op weg naar haar moeder of haar oma, dat was zo'n doetje,
die was vast de hele dag in de weer met het verrichten van goede daden.
Hij had een afspraak op het ministerie dat een compleet automatiseringssysteem
van Quick Data Services wilde afnemen. Hij had Vermoelen, de ambtenaar
met wie hij hierover onderhandelde, bij de strot, nog één
klein gesprekje en hij zat gebakken. Hij had de idioot weten wijs te maken
dat beleidsbeslissingen en het vervaardigen van rapporten met behulp van
het systeem een fluitje van een cent zou zijn. Het systeem moest nog gebouwd
worden en zeker was dat het nooit aan de verwachtingen zou voldoen, maar
dat was zijn zorg niet. Als hij de opdracht binnenhaalde, zou hij het schoppen
tot Regional Manager.
Met een broek vol stront kon hij daar natuurlijk niet aan komen
zetten. Als het gedoe nu een beetje vlotte, kon hij in Den Haag nieuwe
kleren kopen en zien dat hij zich ergens kon wassen. Desnoods in de grote
toiletruimte in de hal van het Ministerie. De kans was klein dat hij Vermoelen
daar zou tegenkomen want zijn kantoor was op de negende verdieping.
In zijn binnenzak brandde zijn mobiele telefoon. Het zou goed overkomen
als hij de Vermoelen nu alvast kon bellen om te zeggen dat hij wat verlaat
was. Hij durfde het ding echter niet uit zijn zak te nemen, want elke beweging
kon het oude lijk tot schieten aanzetten.
"Wie hoort wat ze zeggen?" vroeg het kreng. "Ik versta er niets
van en het zal toch belangrijk zijn, denk ik. Vragen ze naar mijn eisen?"
"Ik versta het ook niet," zei die heilige maagd Maria. "Maakt u
zich niet ongerust, er zal zo wel iemand komen om het allemaal uit te leggen."
Of om haar aan flarden te schieten, dacht Marco, met zulke gekken
moesten ze niet al te zachtzinnig omspringen. Opknopen moesten ze haar,
of op zijn minst een dodelijke injectie in haar dorre arm pompen. Maar
in dit land vol slap geouwehoer waren ze daar veel te week voor. In Amerika
losten ze die dingen beter op.
Plotseling werd de deur opengeschoven. Drie mannen in blauwe uniformen
stormden naar binnen.
"Liggen!" schreeuwden ze hen toe. Marco liet zich op de grond zakken.
Vanuit zijn ooghoeken zag hij dat de oude zot haar revolver van zich afgooide
en op haar buik ging liggen. In een oogwenk hadden de mannen haar in hun
greep. Eén van hen hield haar onder schot. Toen ze werd weggevoerd,
stak ze haar vuist omhoog.
|