
Deze week gaat het beter met Cock. Dat kan ik opmaken uit het feit
dat ze maar heel weinig in haar dagboek heeft geschreven. Eigenlijk alleen
korte, haastige zinnen, alsof ze zich nauwelijks tijd had gegund. Ze lijkt een
punt te hebben gezet achter het grote drama dat zich in haar leven heeft voltrokken.
Die ramp waarvan ik ongewild getuige ben geweest.
Vanmorgen was ze al weg toen ik kwam. Ze had een briefje achtergelaten,
waarop stond wat ik moest doen: ramen lappen, van binnen en van buiten.
Ik heb alleen het grote raam in de kamer gedaan en daarna ben ik naar de
secretaire gelopen om haar dagboek eruit te halen. Ik lees de stukken vaak
meerdere keren, omdat de inhoud me zo aangrijpt. Deze keer heb ik dat niet
gedaan. Bij "zondag" stond alleen:" Dat weggaan en terugkomen zo samen
kunnen vallen...." en bij maandag: "Bleek is deze dag en ook de
rest van mijn dagen zal ik kleur onthouden". Dat er een verandering
gaande is, is duidelijk. Ik heb haar maandenlang elke dinsdag thuis getroffen.
Het was dan toch al negen uur, maar vaak was ze nog niet helemaal gekleed
of zelfs nog helemaal niet, dat kwam ook wel voor. Ze zag er meestal belazerd
uit: bleek, zwarte wallen onder haar ogen. Haar correcte zakenkleding kon
haar ellende maar ternauwernood camoufleren.
Voordat ze een dagboek ging bijhouden, of liever gezegd, voordat
ik wist dat ze dat deed, was ze tijdens de schaarse keren dat ik haar ontmoette
voorkomend, maar zakelijk. Ze was altijd gekleed voor een lange dag vol
vergaderingen, tot in de puntjes verzorgd. Ik wist eigenlijk weinig van
haar. Uit de toestand van haar huis kon ik niet opmaken wat ze deed als
ik er niet was. Nooit had de vorige avond sporen achtergelaten. Bij andere
werkhuizen tref ik glazen op het aanrecht, lege flessen en volle asbakken,
doorwoelde bedden en verschillende kleuren haren in de wasbak. Bij Cock
niets van dat alles. Alles zag er altijd hetzelfde uit. Veel werk had ik
dan ook niet en dat was erg prettig, want Cock heeft namelijk een goed
gevulde boekenkast. Als ik klaar was met mijn werk, zocht ik een boek uit
en bracht de rest van de ochtend lezend door. Heilige uren, die ik koesterde.
Dat ik zo lekker kan lezen is trouwens één van de redenen
om dit soort werk te doen: geen baas, niemand die me op de vingers kijkt.
En thuis heb ik Harry en de kinderen om me heen.
Het zal zo'n maand of twee geleden zijn. Op een ochtend in maart
fietste ik naar Cock's huis. Ik verheugde me op de ochtend, want de week
ervoor had ik gezien dat ze "Het Boek van Violet en Dood" van Reve had
gekocht. Ik had me voorgenomen om na het stofzuigen de verwarming lekker
hoog te zetten en me op de bank te vlijen met dat boek.
Toen ik de deur van Cock's huis opende, bleek dat die niet op het
nachtslot zat. Dat betekende dat Cock thuis was. En al dacht ik nog dat
ze wel verlaat zou zijn, ze zou me zeker een paar opdrachten geven, die
me de hele ochtend bezig zouden houden.
Cock zat echter op de bank in een vieze legging en dito trui; zo
had ik haar nog nooit gezien. Haar ogen waren opgezet van het huilen. Voor
haar op de salontafel stond een overvolle asbak. Hoewel ze me aankeek,
toen ik binnenkwam, leek het alsof ze me niet zag. Ze reageerde althans
in het geheel niet op mij. Naast haar lag een zwart schrift open. Ze had
een pen in de hand, maar op dat moment schreef ze niet. Om aan die starende
blik te ontkomen, begon ik de keuken maar te soppen. Dat werd trouwens
ook wel weer eens tijd. Af en toe keek ik naar Cock en zag dat ze soms
wat opschreef. Nu een enkel woord, dan weer een driftig neergekalkte alinea.
Toen de keuken gedaan was, ging ik stofzuigen. Cock tilde werktuiglijk
haar benen op toen ik in de buurt kwam, maar leek mij nog steeds niet op
te merken. Ik ben die morgen aardig aan de slag geweest; ik heb zelfs de
badkamer nog schoongemaakt, voordat ik wegging. Ondertussen vergat ik Reve
en werd ik benieuwd naar dat schrift.
Cock kwam die ochtend niet eenmaal van haar plaats.
De week daarop trof ik haar weer op de bank, maar nu had ze zich,
op haar schoenen na, wel aangekleed. Ze groette me met doffe stem, alsof
de klank eraf geschaafd was. Zonder verder aandacht aan me te besteden,
legde ze het zwarte schrift in de secretaire en pakte haar tas in. Even
later ging ze weg.
Omdat ik de vorige week al zoveel gedaan had, had ik nu wel tijd
om meteen te gaan lezen. Ik aarzelde nog even tussen Reve en het schrift,
maar dat duurde niet lang. Ik wilde gewoon weten wat er met Cock aan de
hand was en al had ik het durven vragen, ze zou mij dat nooit vertellen.
Dus pakte ik het schrift, terwijl ik goed oplette waar en hoe het precies
lag.
De eerste bladzijde was gedateerd op de maandag van de vorige week.
Het handschrift was hortend en stotend en hier en daar was de inkt gevlekt.
"Binnenin mij schreeuwt het", las ik, "Binnenin mij huilt
het. Als een gekooid dier gaat mijn eigen zelf tekeer, bonkend tegen tralies
die nooit meer zullen wijken, voor eeuwig veroordeeld tot een donkere gevangenschap.
Niets van buiten kan mij nog bevrijden en mijn gebrul wordt niet gehoord.
Verscheurend is de pijn, die Lona met haar vertrek in mij heeft geramd.
Angstaanjagend is de leegte van het gapende gat dat zij in mij achtergelaten
heeft, een leegte die nooit meer gevuld zal worden." Na deze alinea
was een stuk opengelaten; het zag eruit als een urenlange gedachtenpauze.
"Toen
Lona vanavond zei dat het voorbij was en ze het bestond om me te bedanken
voor de mooie tijd, dacht ik dat ze een grap maakte. Maar toen ik de ernst
en het medelijden in haar ogen zag, voelde ik een verlammende siddering
optrekken van mijn maag naar mijn keel. Ik raakte verstijfd en de greep
van de kou die mij omringde was de greep van de Dood zelf. De hand die
Lona op mijn schouder legde, schudde ik af, terwijl ik haar tegelijkertijd
zo stevig wilde omhelzen, dat ze in mij verstrikt zou raken, met mij verward,
zodat ze nooit meer zou kunnen gaan. Maar ik kon me niet meer bewegen.
Ik riep haar en smeekte haar, maar ik maakte geen geluid. Lona verdween,
met een glimlach, terwijl ik verstard en bewegingloos naar haar reikte.
Een paradijs stortte in en spuwde me uit. De goden, mij tot nog toe zo
goed gezind, verlieten mij schaterlachend".
Voordat ik verder las ging ik koffie zetten en dacht ik na over
wat ik gelezen had. Het was mij een raadsel hoe iemand als Cock zich zo
kon laten meeslepen, maar romantisch was het wel.
Het ging verder: "Maandenlang in de hemel en ineens in de hel
geworpen. Kwetsbaarder, naakter, bloter dan ooit. Rauw en ontveld. Want
het pantser dat Lona afbrak, toen ze mijn leven binnenwandelde, ben ik
onherroepelijk kwijt. Zolang Lona er was, kon ik vloeien, leven, stromen.
Mijn god! Wat was ik almachtig, al die maanden dat ik me van seconde tot
seconde van haar liefde verzekerd wist. De topprestaties op de zaak, die
ik altijd zo graag had willen leveren, verrichtte ik moeiteloos. Ik haalde
opdrachten binnen, waarvan ik korte tijd daarvoor nauwelijks durfde te
dromen. Toch voegde dat alles weinig toe aan de glorie, die Lona mij schonk.
Mijn leven was enkel nog zweven op de toppen van verlangen en vervulling.
En ik wist meteen, dat zij mij daar kon brengen, toen ze dat café
binnen kwam lopen, waar ik met zo'n knul was, die me straks, in zijn flat,
een karig orgasme zou bezorgen en zelfvoldaan op zijn rug naar me zou blijven
kijken, als ik me aankleedde. Ze liep rakelings langs mijn tafeltje naar
de bar en daar bleef ze staan. Ze stond nonchalant aan de tapkast geleund
het café in te kijken. Toen haar blik, taxerend, geïnteresseerd,
de mijne trof, moest ik wel naar haar toe lopen. Vanaf dat moment was mijn
leven Lona. Al het andere vervaagde onmiddellijk tot een onbelangrijk decor.
Alleen Lona stond voortdurend scherpgesteld op mijn netvlies, dag en nacht,
overal waar ik was.
Het bedrijven van de liefde, die eerste nacht en alle nachten
die volgden, raakte mijn lichaam en mijn ziel, mijn heden, verleden en
toekomst. Zinnelijk genot en spirituele verlichting. Ongebreidelde geilheid
en esoterische eenwording. Ik kende na een week elk plekje, elke rimpeling,
elk bochtje van haar lichaam, maar al die maanden was elke lichamelijke
ontmoeting opnieuw een feest, waarop ik laveloos raakte zonder een druppel
alcohol. Ik dacht er niet aan dat het ooit voorbij zou zijn; het kwam eenvoudig
niet bij me op. De perfectie was bereikt en in dat stadium verdwijnen de
grenzen van de tijd en is er geen begin meer en geen einde.
Wat er gisterenavond gebeurde, kan dan ook niet gebeurd zijn.
Het kan niet waar zijn, dat mijn Godin mij de rug heeft toegekeerd. Het
is ondenkbaar dat ik, ontdaan van mijn schild, dat ik zo zorgvuldig had
opgebouwd, achtergelaten ben."
Hierna volgde een hele bladzijde, waarop niets geschreven was. Op
de volgende pagina stond maar één zin: "Maar ik zal het
initiatief moeten nemen om deze wantoestand op te heffen" Ik staarde
lang voor me uit. Eigenlijk wilde ik beginnen in Reve, maar de nabijheid,
die uit het schrift tevoorschijn kwam, van de altijd zo koele, afstandelijke
Cock maakte dat ik besloot de passages nog eens te herlezen.
Een week later ging ik wat vroeger naar Cock. Zoals ik min of meer
verwacht had, trof ik haar nog thuis. De verslagen toestand waarin ik haar
de vorige week had aangetroffen, was verdwenen. Ze zat niet op de bank,
maar liep ijsberend door de kamer. Haar ogen priemden koortsachtig in een
blozend gezicht. "Dag Cock", zei ik. "Gerda!", antwoordde ze alleen maar
en ze knikte bij wijze van groet. Het zwarte schrift lag dicht op de bank.
Ik probeerde er niet naar de kijken.
Ze droeg een mantelpak dat ik niet eerder had gezien: het leek nieuw.
Haar haar was nog niet gedaan. Op de salontafel stonden diverse vuile koffiemokken
in baden grijs-bruine koffie. Ik begon mijn werkochtend met die troep op
te ruimen. Cock sloeg mij enige tijd zwijgend gade. Ik werd daar lichtelijk
nerveus van en ik was dan ook opgelucht toen ze naar boven verdween. Ik
kon me bijna niet bedwingen het schrift te openen en snel de laatste bladzijden
te lezen, maar ik beheerste me.
Het duurde lang voordat Cock weer naar beneden kwam. Haar haar was
nu in orde. De blos op haar wangen was verhevigd. Terwijl ze haar mobiele
telefoon in haar tas stopte, zei ze: "Oh ja, Gerda, ik wil graag dat je
de slaapkamer doet vandaag". Een bevel, dus. Ik kreeg er de pest in, want
dat betekende dat ik weinig gelegenheid zou hebben om van mijn dinsdagochtend
te genieten. Cock ging namelijk altijd heel precies na hoe ik haar opdrachten
had uitgevoerd en als dat niet aan de verwachtingen voldeed, leidde dat
steevast tot een onaangename confrontatie.
Ik ging dus naar boven om een eerste inschatting te maken van de
tijd die deze ochtend verloren zou gaan. Het viel niet mee. Het stof lag
centimeters dik op alles wat in die kamer stond, de lakens waren echt vuil
en door de ramen was nauwelijks nog wat te zien. Terwijl ik me over mijn
weerzin heen probeerde te zetten, hoorde ik de voordeur dichtslaan. Cock
was weg. Ik bedacht dat ik beter eerst wat kon gaan lezen.
"Ik had geen keuze", las ik in het schrift "Ik moest het
doen, want mijn leven stond op het spel. De elke nacht terugkerende demonen
zouden mij uiteindelijk hebben vernietigd. Ze waren trouwens al aardig
ver gevorderd: vorige week ben ik in huilen uitgebarsten in de vergadering
van de Raad van Commissarissen toen mijn jaarplan werd afgekeurd. Ik ben
veranderd in een nerveus wrak, een prooi voor een ieder die mij wil aanvallen,
verachtelijk weerloos. Lona moet mij dus teruggeven wat ze van me genomen
heeft. Goedschiks kan het niet, dus moet het maar kwaadschiks. Hoewel,
kwaadschiks? Ik ben rechtvaardig bezig. Ik heb recht op mijn gestolen zelf.
Ik mag terughalen wat van mij is. En daarbij zou ik verraad aan mezelf
plegen als ik maar overwoog om welk middel dan ook te schuwen.
Wat keek ze op toen ze mij zag binnenstappen in dat pottenhol
van haar. Even glimlachte ze, maar al snel verstrakte haar gezicht. Was
het angst, die ik in haar ogen las? Ik kon het nauwelijks geloven. Het
kind, ik schatte haar niet ouder dan achttien, dat naast haar aan het tafeltje
zat en haar hand vasthield, keek me brutaal aan. Even liet ik me verzwakken
door beelden van Lona en mij, pratend, minnekozend, zwevend boven de banale
wereld van alle dag. Maar ik had mezelf snel in de hand; ik mocht me niet
laten afleiden."
Hier sloeg ik het schrift dicht. Er moest tenslotte gewerkt worden..
Toen ik de slaapkamer binnen wilde gaan wilde gaan, hoorde ik een bonk
op zolder. Mijn eerste gedachte was dat er een inbreker was, maar ik zag
al snel in dat dat onzin moest zijn, want welke inbreker komt nu via het
zolderraam naar binnen. Weer dat geluid. Alsof er iets zwaars ergens vanaf
viel. Er was iets of iemand daarboven, zoveel was duidelijk. Zo geruisloos
mogelijk klom ik de trap op. Op de zolder was niets te zien dan oude troep,
meubelen, boeken, ordners, die onder het stof zat. Het zag eruit of hier
jaren niemand geweest was. Ik kwam er nooit, want dat hoefde niet van Cock
en ik ben niet het type dat werk opzoekt.
Plotseling hoorde ik een gedempt gekerm. Ik schrok, want ik had
net bedacht dat ik me die bonk maar had verbeeld en ik was niet meer voorbereid
op een teken van leven. Mijn nieuwsgierigheid won het echter van mijn angst.
Ik liep in de richting van waar het geluid vandaan was gekomen. Weer een
doffe klap. Het was duidelijk hoorbaar dat het uit de buurt van de kast,
die licht verdekt in een hoek stond opgesteld, vandaan kwam. Bij de kastdeur
aarzelde ik. Ik wist niet zeker dat ik echt wilde weten wat erachter zat.
Ik zette echter door. Ik trok aan de deurknop. Hij haperde. Ik trok nog
een keer en de deur vloog open.
Op de grond in de kast lag een vrouw. Ze sliep onrustig: ze kermde
en trappelde onrustig met haar benen. Ze was naakt en haar armen waren
achter haar rug gebonden. Met een klap gooide ik de deur dicht en maakte
dat ik naar beneden kwam.
Terwijl ik de slaapkamer afstofte en sopte dacht ik na over wat
ik had gezien. Ik vroeg me af of dit een kwestie was, waarmee ik me moest
bemoeien, maar ik kon er niet uitkomen. Het was mijn zaak niet. Aan de
andere kant: hier was iets gaande dat aan het misdadige leek te grenzen.
Ik besloot het er met Harry over te hebben; dat besluit stelde me in zoverre
gerust, dat ik dan niet over het probleem hoefde te tobben tot ik thuis
was. Voordat ik naar huis ging, had ik nog even tijd om te lezen:
"Lona gebruikte nogal wat medicijnen", zo ging het schrift
verder "Prozac, diverse kalmeringsmiddelen en wie weet wat nog meer.
De rohypnol zou haar dus wel onder zeil brengen. Ik negeerde het kind naast
haar, al kon ik nauwelijks de neiging onderdrukken om dat kleffe handje
weg te slaan. Die hand hoorde daar niet, op de hand van mijn eeuwigheid
en mijn alles. Ik vroeg Lona, zo kalm mogelijk, met me mee te gaan, omdat
ik nog één keer met haar wilde praten. Ze aarzelde. "Ik dacht
dat ik duidelijk was geweest", zei ze. Ik schudde mijn hoofd. Ik wilde
me op mijn knieeën storten en haar smeken haar dwaling in te zien
en bij me terug te komen. Ik wilde haar bij de schouders pakken en haar
door elkaar schudden. Maar ik wachtte haar antwoord af. "Goed", sprak ze
uiteindelijk "Ik wil best nog een keer met je praten, maar dan moet het
afgelopen zijn." Ik knikte. Even later verlieten we samen het pand.
In mijn huis, waar ze voor het eerst was, keek ze om zich heen
alsof ze zich probeerde te oriënteren op een vreemde planeet, waar
ze door buitenaardse wezens naartoe was gevoerd. Daar zat ze dan, mijn
ziel en mijn zaligheid, voor het moment kwetsbaarder dan ik. Weer wilde
ik me op haar werpen en de hemel beleven waar ik zo kort geleden ben uitgesodemieterd.
Maar ik herwon mijn krachten. Want het ging om belangrijker zaken. Het
ging om mij. En mijn leven. Dus ik gaf haar een glas whiskey, waarin ik
de Rohypnol in had opgelost. Ze praatte wat over "elkaar ontmoeten en samen
een stukje op reis gaan, totdat ieder bij een kruispunt een andere kant
opgaat". De kilte die mij besloop vanaf mijn rug en zich over mijn hele
lichaam dreigde uit te breiden, zou me verlammen als ze niet snel haar
mond dichthield. Het was een godsgeschenk dat haar spraak al vrij snel
moeizamer ging. Toen ik haar bijna niet meer kon verstaan, verzocht ik
haar mij te volgen omdat ik haar het huis wilde laten zien. Ze bonkte tegen
muren en deuren en één keer lazerde ze bijna van de trap.
Ik ondersteunde haar tot aan de verblijfplaats die ik op zolder voor haar
heb gemaakt en kleedde haar daar uit. Ze viel neer op het matras in de
kast en sliep vrijwel meteen."
Wat ik gelezen had, deed me op mijn benen trillen. Ik had het idee
dat ik iets moest doen, maar ik kon niet bedenken wat. Ik stelde me voor,
hoe ik mijn gesprek met Harry zou beginnen. "Har, luister, er slaapt een
vrouw bij Cock in de zolderkast". "Mmm, dat moet zij weten". "Harry, Cock
doet iets misdadigs; ze heeft iemand ontvoerd". "Bemoei je er nou maar
niet mee; daar krijg je alleen gedonder van".
Weken gingen er voorbij zonder dat ik er toe kwam om met Harry over
mijn zorgen te praten. Ik stond diverse keren op het punt om erover te
beginnen, maar eenmaal thuis leek de toestand bij Cock een droom. Harry
praatte over de hypotheek, of we die niet moesten omzetten in eentje met
een lagere rente, over de vorderingen van de jongens op school. Hij kluste
wat in het huis en keek naar televisie.
Pas op dinsdagochtend wist ik weer goed dat er wel degelijk wat
aan de knikker was . Alleen al aan de rotzooi die Cock tegenwoordig van
haar huis maakte kon ik zien dat er iets mis was. Het aanrecht stond vol,
het parket was bemorst met koffie en rode wijn, het stonk er naar aangebrand
eten en sigaretten. Cock bleef 's morgens vaak lang boven en kwam dan uiteindelijk
naar beneden met die vreemde blos op haar wangen.
Als ze weg was, ging ik altijd even kijken. Lona sliep steeds. Soms
had ik de neiging haar te wekken, maar ik durfde het niet. Een wakkere
Lona zou de situatie tot een werkelijkheid hebben gemaakt, die mijn leven
zou gaan beheersen. Nu kon ik me min of meer blijven wijsmaken dat ik gekweld
werd door een schimmige fantasie. Cock bleef in haar dagboek schrijven
'Ik laaf me aan Lona's lichaam", bijvoorbeeld, "Als ik me 's nachts
bij haar voeg en haar tegen me aan trek, voel ik het leven, dat zij mij
ontnomen heeft, langzaam in me terugstromen", of "Mijn leegte raakt
langzaam weer gevuld", en verontrustender "Nog even, en ik heb haar
lichaam niet meer nodig".
Ik kon me in Cock's huis niet meer zo ontspannen als vroeger. Van
lezen van romans kwam niets meer: ik bracht mijn tijd voornamelijk poetsend
door, me voortdurend bewust van de slapende vrouw in de kast.
Vorige week was Cock merkwaardig kalm. De hoogrode kleur op haar
gezicht had plaatsgemaakt voor een gelaten bleekte. Ze zat aan tafel de
ochtendkrant te lezen en groette me met een flauwe glimlach, toen ik binnenkwam.
Het zal een uur of tien geweest zijn, toen ze vertrok, in ieder geval later
dan anders. Ze nam niets anders mee dan haar portemonnee die ze in de achterzak
van haar spijkerbroek, die ze vreemd genoeg droeg, stak.
Op zolder, waar ik direct naar haar vertrek naar toe was gegaan,
waren er diverse meubelen verschoven. De kast was leeg, op een hoopje kleren
na. Ik sloot de deur met kracht. Met het gevoel dat ik het beter kon laten,
pakte ik het schrift, toen ik beneden was:
"At last! Het is een kille wereld, waarin ik ben teruggekeerd,
ontdaan van alle kleur en aantrekkelijkheid, maar het is tenminste de mijne.
Grijs zijn de kantoren op het bedrijvencomplex, maar waar eerder duizenden
ogen mij leken te bespieden en te bespotten is nu alleen spiegelend glas.
Mijn huis is weer de slaap- en voederplaats die het hoort te zijn. Oneindig
zwaar is de taak geweest, die me heeft gebracht waar ik moest zijn. Ja,
ik heb geleden omdat ik mijn zelf aan haar moest onttrekken, maar het alternatief
was erger geweest. Ik zou de kruk geworden zijn , die diep in mij schuilt,
zoals ik heb gemerkt. Ik weet nu dat ik nooit meer zal toestaan, dat mijn
krachten mij ontnomen worden. Nog hoogtes noch dieptes zal ik meer beleven.
Van nu af aan kabbel ik rustig naar de dood toe. De veerman heb ik vooruitbetaald."
Ik borg het schrift weg en zette me aan het stofzuigen.
Petra Oomen
© mei 1999