Ding

Het ding dat nog geen naam had, lag midden op de vergadertafel. Het
was grillig van vorm, niet hoekig, niet rond, aan de ene kant van een wat
drillende substantie en aan de andere kant keihard. De kleur was tussen
grijs en blauw, vanaf het raam gezien had het iets geels. Groot was het
niet, hoewel niet gezegd kon worden dat het klein was, want dingen zijn
immers slechts groot of klein in relatie tot andere dingen met dezelfde
naam. In ieder geval was het niet zo dat het de hele tafel in beslag nam.
Er was ruimte genoeg voor de vergaderstukken en de mobiele telefoons.
"Laten we allereerst de heer Rozema bedanken voor zijn geweldige
vinding," sprak de voorzitter. "Het gebeurt niet elke dag dat we een werkstuk
met een dergelijke originaliteit en universaliteit op tafel hebben." Zijn
bovenlichaam stak ver boven de tafelrand uit.
Rozema was de Stichtingsuitvinder, hoewel niet alle te bespreken
en al besproken dingen van zijn hand waren. Hij bezocht veel congressen
in het buitenland en nam een enkele keer een exotisch ding mee. Meestal
zwoegde hij echter in zijn werkkamer op ideeën voor volgende dingen.
Nu straalde hij. Zijn worstachtige vingers trommelden op zijn schrijfmap.
Voor hem lag de werktekening van het ding: een stuk papier dat vol stond
met lijnen en allerlei formules.
"Dank u," zei hij bedeesd.
"Mag ik daarbij aansluiten, voorzitter. Werkelijk uniek! Chapeau!"
merkte De Groot op. De Groot sloot graag bij iets aan, zeker bij de beweringen
van de voorzitter. Hij was een wat muizige man met blond-grijs haar en
een bleek gezicht. Ooit was hij eens zonder stropdas ter vergadering verschenen.
Bij agendapunt 4, ingekomen stukken en mededelingen, had hij zich uitgeput
in verontschuldigingen.
"Echt geweldig," zei de heer Morel. "Een vinding van grote klasse."
Hij vouwde zijn armen over elkaar en knikte goedkeurend in de richting
van het ding, waarvan de ene kant rilde alsof het koorts had.
De deur werd geopend en mevrouw Vernooy, de secretaresse van de
voorzitter, kwam binnen met de koffie. Tijdens vergaderingen waarin niet
de naam van een ding aan de orde kwam, verzorgde mevrouw Vernooy naast
de koffie de notulen. Maar bij de naamgeving wilden de heren in alle vrijheid
brainstormen. De wetenschap dat alles wat zij zeiden, zou worden vastgelegd,
zou hen daarin belemmeren.
De heren staakten hun gesprek over het ding en praatten over een
vorig ding, dat wel een naam had, verbreedschroef, maar nog geen functie.
Mevrouw Vernooy glimlachte elke heer hartelijk toe als zij zijn kopje voor
hem neerzette. Ondertussen opperde Rozema met zachte stem dat de verbreedschroef
wellicht dwars in een houten balk kon worden geslagen omdat hij daar groot
genoeg voor was. De Groot bracht daar tegenin dat hij weliswaar van een
afdoende omvang was, maar tegelijkertijd zo zacht van samenstelling, dat
penetratie in hard hout onwaarschijnlijk was.
Toen mevrouw Vernooy was vertrokken, zwegen de heren over de verbreedschroef
en keken ze naar het ding.
"Maar wat is het?" vroeg Mooiman. De andere heren kijken hem verbijsterd
aan. De Groot schraapte luidruchtig zijn keel.
"In dit stadium is een discussie over de functie prematuur, zoals
u maar al te goed weet," zei de voorzitter kortaf. "Laten we het over de
naam hebben."
"Toch denk ik dat het zou helpen als we ons enigszins een idee konden
vormen van waarvoor het ding kan worden gebruikt," hield Mooiman vol. Zijn
armen lagen losjes op tafel, alsof hij niet aan een vergadertafel zat,
maar thuis uitbuikte na het diner.
"Dat is absoluut tegen de vastgestelde procedure!" riep De Groot
uit. "Het is volkomen onzinnig om te spreken over de functie zolang de
naam niet bekend is. Voordat je het weet, zit je met iets dat wat doet,
maar dat je niet kunt duiden."
"Meneer Rozema, heeft u misschien enig idee wat het ding is," ging
Mooiman onverstoorbaar verder. "U heeft er vast wel wat bij gedacht toen
u het maakte."
Rozema schudde zijn hoofd.
"Dat zou te beperkend zijn," legde hij uit. "Het ding zou dan geen
ander ding meer kunnen zijn, het zou van tevoren al teveel worden vastgepind."
"Zo is het," viel Morel hem bij. "Een concept als dit ligt nog open.
Over de invulling behoort consensus te zijn en die kan alleen procesmatig
tot stand komen." Hij keek in de richting van de voorzitter, die naar buiten
staarde met een gezicht als een donderwolk.
"Het heeft geen zin om de eerder gevoerde discussie weer open te
breken," sprak de voorzitter bars. "U neemt een zeer negatieve houding
aan, meneer Mooiman. Ik hoop dat u zich in het vervolg wilt bepalen tot
de agenda."
Hij keek de kring rond.
"Wie heeft er een voorstel?" vroeg hij.
"Vlootbegrenzer," stelde De Groot voor. Op Mooiman na knikten de
heren instemmend.
"Ik verzoek u allen de naam te proeven, te wegen, te voelen zodat
we na de pauze tot een beslissing kunnen komen," zei de voorzitter. Hij
stond op en verliet de zaal.
Morel en De Groot stonden met hun rug tegen de muur vlak naast de
wc's waar gerookt mocht worden. Ze sabbelden aan hun pijpen, die niet brandden
want net als iedereen wisten zij dat roken ongezond was.
"Wat vindt u nu van het ding?" vroeg Morel. Hij monsterde het gezicht
van De Groot alsof hij wilde lezen wat deze dacht.
"Een heel open ding is het," zei De Groot. "Echt een vlootbegrenzer.
Ik hoop dat mijn suggestie wordt overgenomen."
"Maar is het niet te open?" opperde Morel voorzichtig.
"Te open, te open, daar geloof ik niet zo in," zei De Groot. "Een
ding moet juist open zijn, het is een perfect ding."
"Maar zou de heer Rozema niet beter een keuze hebben kunnen maken
tussen hard en zacht? Een open keuze uiteraard, zodat wij daarover nog
zouden kunnen discussiëren."
"Nu kunnen we zelf kiezen!" bracht De Groot daar tegenin. "De vorm
is flexibel, dat vergemakkelijkt onze discussie over de functie."
"Nou ja, misschien heeft u gelijk. In ieder geval gefeliciteerd
met de suggestie voor de naam. Ik sta daar in ieder geval achter."
De voorzitter liep op hen toe, zijn handen in de zakken van zijn
grijze broek. Er stond een diepe frons op zijn voorhoofd en zijn bril was
halverwege zijn neus gezakt.
"Heren, we gaan zo weer beginnen," baste hij. "Ik hoop dat de heer
Mooiman zich aan de conventies wil houden, anders wordt het een lastige
bespreking."
Morel en De Groot knikten.
"De heer Mooiman verwoordt een uiterst domme visie, onder ons gezegd,"
ging de voorzitter verder. "Hij wil terug naar af, naar ontwerpen die geen
ontwerpen zijn, maar kant-en-klaarproducten! Confectie! Buitengewoon reactionair!"
Hij draaide zich om en liep naar de vergaderzaal. Morel en De Groot
volgden hem in zijn kielzog.
"Vlootbegrenzer, zo luidt het voorstel," begon de voorzitter toen
het geroezemoes was verstomd. "Ik neem aan dat u tijdens de schorsing tot
een oordeel bent gekomen. Ik wil graag uw aller overwegingen horen. Meneer
De Groot, wilt u beginnen?"
De Groot verschoof zijn schrijfmap, keek op de display van zijn
mobiele telefoon en zei:
"Het is een goede term voor het ding, omdat die zowel dynamiek als
rust uitdrukt. Begrenzing aan voortbeweging, zo moet u het zien, heren."
"Mooi gezegd," zei Morel. "Het is prettig als er een grens is aan
beweging zonder dat dit direct leidt tot bewegingloosheid.
"Vlootbegrenzer, wat moet ik er me eigenlijk bij voorstellen?" vroeg
Mooiman. "Vloot, een stel schepen of een botervloot. Ik bedoel, dat zou
je toch moeten weten, want wat zit je nu eigenlijk te begrenzen."
"U stelt zich nu voor de tweede keer uiterst tegendraads op in deze
vergadering," zei de voorzitter. In zijn hals klopte een ader, die elk
moment leek te kunnen gaan barsten. "Ik verwacht hier constructieve bijdragen,
geen eindeloos gesteggel over basisprincipes die al vastliggen. Ik beschouw
uw opmerking als niet gemaakt."
Mooiman glimlachte.
"Okay, ik zal de discussie verder zwijgend volgen, al ga ik wel
vraagtekens zetten bij de functie van mijn aanwezigheid bij dit overleg.
Maar goed, ik heb gelukkig al wel een naam, dus daar kunnen we het later
nog weleens over hebben." Zijn bulderende lach deed de overige heren verstoord
opkijken.
De voorzitter negeerde hem en zei:
"Er is consensus over de naam en dat is geweldig! Voor ons ligt
de vlootbegrenzer. Dit lijkt me het juiste moment om mevrouw Vernooij te
roepen!" Hij drukte op een knopje van een klein apparaat dat voor hem lag.
De Groot wrong zijn handen ineen en schikte zijn das. Tegen de wand
stond een dienblad met champagneglazen, waar hij verlangend naar keek.
Rozema dook onder tafel. Even later klonk er geritsel, dat minutenlang
aanhield. Wat hij zocht, was kennelijk moeilijk te vinden. Eindelijk kwam
hij weer boven. Zijn hoofd was rood van de inspanning.
"Ik heb voor u allen een model van het ding, uh, de vlootbegrenzer,"
stamelde hij. Hij hield een plastic zak met minuscule vlootbegrenzers omhoog.
Hij opende de zak en legde voor iedere heer een model-vlootbegrenzer neer.
Morel nam het model op, streek er met zijn vingertoppen langs en
zei:
"Een wonder van perfectie, deze vlootbegrenzer."
De Groot kneep licht in zijn model.
"Het voelt ook fijn," zei hij. "Hard en zacht ineen, precies zoals
een vlootbegrenzer zou moeten zijn."
Mooiman stond op en trok zijn jasje aan dat over de stoel hing.
"Heren, ik moet gaan. Het spijt mij dat ik het glas niet met u kan
heffen," zei hij met een brede grijns. "Het ritueel van handen schudden
laat ik achterwege, want anders mis ik de trein." Voor hij de zaal verliet,
groette hij door nonchalant zijn hand in de lucht te steken. Zijn model-vlootbegrenzer
had hij laten liggen.
Even was het stil. Toen zei de voorzitter:
"De volgende keer spreken we over de samenhang tussen de verschillende
dingen. Dit zal veel tijd in beslag nemen. Daarom verzoek ik u uw gedachten
over de functies van de verdeelschroef en de vlootbegrenzer op schrift
te stellen en dat voor de volgende vergadering rond te zenden."
|