Bruidssluier

Er waaide een zachte bries door de tuin, die niet echt verkoeling bracht. Theodora hief haar been van het ligbed, zette een voet op de tegels en trok hem snel weer terug. De hitte had zich aan de grond gehecht en het leek alsof het daar altijd zou blijven branden.
Ze pulkte wat in het gebakken ei, dat haar was voorgezet door Altheus. In de dooier zat een wit, glazig puntje. Ze probeerde het er uit te schuiven met haar vork, maar alles wat er gebeurde, was dat het wit zich verspreidde. Ze zette het bord een beetje misselijk aan de kant en keek naar de wuivende bruidssluier, die de muur bij de schuur overwoekerde. Een verstikkende plant was het, die andere planten met een bescheidener groeipatroon overwoekerde en zich zelfs de muur in dreigde te dringen. Zo was het ook met Altheus' vader, Victorius, die ze vanmorgen zou zien: zijn tentakels probeerden zich onophoudelijk in het leven van Altheus te dringen. Net als het erop leek dat hij zijn pogingen om met hem in contact te treden, had opgegeven, belde of schreef hij weer.
"Deze dag deugt niet", prevelde ze voor zich uit. De lucht was blauw en onbewolkt maar ze huiverde. Ze pakte haar slippers onder het ligbed vandaan en bewoog zich traag richting keuken. Dat Altheus daar stond, in driedelig grijs, verbeterde haar stemming niet.
Altheus spoelde zijn kopje om. Hij hield het een armlengte van zich af, omdat hij bang was, dat hij op zijn kleren zou morsen. Theodora keek naar zijn knappe gezicht, dat geen emoties vertoonde. Dat irriteerde haar. Haar ontmoeting moest met zijn vader hem bezighouden. De vorige avond had hij haar ervan proberen te weerhouden om te gaan. Voor hem was zijn vader dood, had hij gezegd, hoe vaak Victorius ook van zich zou laten horen. Daarbij vergat hij dat Theodora zijn smeekbeden aan de telefoon moest afwimpelen. Zelf weigerde hij een woord met hem te wisselen.
"Dag schat", zei hij. Zijn stem was vlak, de woorden leken te worden afgespeeld van een stoffig bandje.
Ze dacht aan de kroeg waar ze met Victorius afgesproken had, een vaal drinklokaal aan de rand van de stad. Hij had die locatie uitgezocht.

De bijna lege bus verliet het centrum en reed de lange straat in die naar de rand van de stad voerde. De huizen werden armoediger. Sommige ramen waren dichtgespijkerd. Veel muren waren beschilderd met witte kalk als om te waarschuwen tegen een besmettelijke ziekte die in de lucht hing.
Toen de bus stopte bij de staalfabriek aan het einde van de weg, stapte Theodora uit. Op de hoek van de straat zag ze het café "Dolle Dirk". De lichtblauw geschilderde luiken staken giftig af bij de kleurloze muren.
Ze zuchtte en liep schoorvoetend naar de kroeg, waarvan de deuropening was afgesloten met een dik, groen gordijn.

In deze kroeg, die in een buurt stond waar veel mensen werkloos waren, verwachtte ze haveloos geklede kerels, die het elke dag op een zuipen zette. Maar de enige twee andere bezoekers waren oude mannen, die aan de bar zaten. Ze voerden op fluisterende toon een gesprek en keken heel even op toen ze binnenstapte. Victorius zat, kennelijk op zijn gemak, aan een tafeltje met een kop koffie voor zich.
De gelijkenis met Altheus was treffend. Hij zou zijn tweelingbroer kunnen zijn, hij zag er nauwelijks ouder uit. Ook zijn kleding deed aan Altheus denken: een onberispelijk, grijs, driedelig kostuum. Hij stond op toen hij haar binnen zag komen en reikte haar de hand.
"Waarom hier?", vroeg Theodora, nadat ze zich aan elkaar hadden voorgesteld.
Hij haalde zijn schouders op. "Het is een onwaarschijnlijke plaats", zei hij glimlachend, "Ik schuil hier wel vaker."
"Hoe is het met hem?", vervolgde hij.
Zijn ogen waren grijs en stonden levendig, veel energieker dan die van Altheus.
"Hetzelfde", zei ze, "Wat denk je dat er veranderd zou kunnen zijn?".
Hij glimlachte droevig. Zijn hand ging in de richting van de hare, maar halverwege de tafel trok hij hem terug.
"Laten we naar buiten gaan", zei hij, "Het is hier om te stikken."

Ze liepen over de smalle stoepen langs vervallen portiekwoningen. Zwaar verkeer denderde over de weg en verspreidde een doordringende stank. Theodora stak een sigaret op.
"Heeft hij het nooit over mij?", vroeg Victorius. Hij stelde de vraag snel, alsof hij zich er eigenlijk voor schaamde.
"Zelden", antwoordde Theodora, "Zoals ik je al vertelde. Soms praat hij over je in zijn slaap. En over Smyrna. Dat is alles."
Victorius liet het hoofd zakken en bewoog zijn handen onrustig langs zijn lichaam, alsof hij niet wist waar hij ze moest laten.
"Ik moest het wel doen", zei hij, "Ik had geen keuze. Smyrna was verloren, dat was ze eigenlijk altijd geweest." Hij pauzeerde en staarde naar de lucht alsof daar het verhaal geschreven stond. "Na de geboorte van Leonardo en Altheus is het niet meer goedgekomen met haar. Leonardo was mismaakt. Hij had geen benen, zijn hoofd was heel groot, en waar de neus was, zaten alleen een paar gaten. Al snel bleek dat er ook allerlei misgroei was in zijn organen. Hij had geen anus, en geen endeldarm, zijn hart functioneerde gebrekkig, een long was helemaal verschrompeld. Een hopeloze zaak. Smyrna zag het als haar falen, dat ze hem ter wereld had gebracht. Ze wilde hem kwijt, maar vond dat ze dat niet mocht willen"
"Altheus wil dat niet horen", zei Theodora, "Hij blijft bij zijn idee dat jij hem eerst zijn broer hebt ontnomen en daarna zijn moeder. Dat is zijn houvast, de bodem zou onder zijn bestaan verdwijnen als hij dat anders zou zien. Smyrna zal hij nooit bezoeken, ook dat zou hem verwarren."
Hij stond stil en leunde op een paaltje. Hij zuchtte diep.
Theodora dacht aan het verhaal dat Altheus haar had verteld na lang aandringen. Hij had er telkens weer omheen gedraaid. Maar op een dag had ze hem voor de zoveelste keer betrapt op dat stille staren door het raam, nadat ze gevraagd had "Deed jouw moeder dat ook altijd, die groenten zo lang doorkoken?". Hij antwoordde niet, maar draaide zijn rug naar haar toe. Een ondoordringbaar, zwijgend blok stond daar en dat maakte haar razend. "Zeg nou eens wat!", riep ze, "Wat is er met die ouwelui van jou, dat ik het daar niet over mag hebben." Hij keek haar aan. Zijn blik fixeerde haar. Op een toon alsof hij haar wilde straffen, zei hij: "Goed, dan moet je het maar horen."

Altheus was zeventien en zat nog op school. Zo op het oog vormde hij met zijn vader en moeder een doorsneegezin en misschien was het dat tot op zekere hoogte ook. Maar binnen een tijdsbestek van enkele maanden voltrokken zich geleidelijk veranderingen. Zijn moeder was er wel en deed wat ze moest doen, schonk zijn thee in, zette een bord eten voor hem neer, maar ze leek er niet helemaal bij.
Het werd steeds erger. Ze begon vreemde vergissingen te maken. Ze deed thee in de koffiepot, liet steeds vaker het gas aan staan en vergat 's nachts de deur te sluiten. In al die zaken was ze vroeger heel punctueel geweest.
Opmerkelijker was haar toenemende vijandige houding tegen Victorius. Ze had hem altijd geduld als een onvermijdelijk bijverschijnsel in haar leven, waar ze zich verder niet mee bezig wenste te houden. Ze keek hem nooit aan, sprak alleen het hoognodige. Nu liet ze steeds duidelijker een bijtende afkeer blijken. Ze draaide haar hoofd om als hij binnenkwam en weigerde antwoord te geven als hij haar wat vroeg.
Op een dag kwam Altheus thuis en trof hij zijn moeder niet, zoals gebruikelijk, aan in de woonkamer of de keuken. Hij ging naar haar op zoek en vond haar in haar slaapkamer. De gordijnen waren gesloten en er brandde een schemerlampje op de toilettafel. Ze lag bovenop de dekens, gekleed in een haveloze nachtjapon. Naast het bed stond een pispot, die tot de rand gevuld was. De kamer stonk naar oud zweet en urine.
"Wat is er, ben je ziek?", vroeg hij.
Ze keek hem langdurig aan, alsof zij hem maar vaag herkende. Ze zag er slecht uit, veel ouder dan vanmorgen, toen hij wegging. Haar ogen bewogen van het ene naar het andere punt, op zoek naar houvast, maar ze vonden nergens rust.
Altheus kon haar plotselinge verandering niet bevatten en wist niet wat hij moest doen. Hij bracht de pispot naar de wc, leegde hem en zette hem weer terug onder het bed.
"Ik moet plassen", zei ze. Ze kwam met moeite van het bed af. Ze deed haar onderbroek naar beneden en ging op de pot zitten. Als bevroren keek hij naar zijn moeder, die daar voor zijn ogen zat te urineren, terwijl ze zich zelfs nog nooit in nachtkledij aan hem had vertoond. Ze kon zich maar met moeite in evenwicht houden en steunde met haar beide handen op de grond. De straal kletterde luid tegen het metaal.
Toen ze klaar was, schoof ze met onvaste bewegingen de pot onder het bed. Ze dronk gulzig uit de fles jenever die op het nachtkastje stond en ging weer liggen.
"Oh, Altheus", jammerde ze. Haar hoofd rolde heen en weer op het kussen, alsof haar iets kwelde, dat ze van zich af wilde schudden. Ze huilde moeizaam, zonder tranen, bracht alleen een klagelijk geluid voort. Altheus voelde zich machteloos.
Voorzichtig nam hij plaats op het bed. Hij wilde haar wel in zijn armen nemen om haar te troosten, maar hij kon het niet. Sinds zijn vijfde hadden ze elkaar niet meer aangeraakt en nu het nodig was, wist hij niet meer hoe het moest.
Uren zat hij zo op haar bed. Steeds stond ze op om op de pot te gaan zitten. Ze mompelde af en toe onverstaanbare woorden, als bezweringen tegen de afgrijselijke voorstellingen die zich voor haar ogen leken af te spelen. Soms raakte Altheus voorzichtig haar arm aan en schrok dan van de rillingen die daar doorheen trokken.
Zijn vader liep direct naar boven toen hij thuis kwam. Hij wierp een blik op Smyrna en stevende op haar af. "Smyrna, laat dat. Kom eruit!", zei hij.
Smyrna schudde haar hoofd en klauwde zich vast aan het bed. Victorius trok aan haar arm om haar te dwingen om op te staan. Dat had hem gemakkelijk kunnen lukken, maar hij gebruikte niet al zijn kracht. Hij staakte zijn poging al snel.
"Rotvent!", schreeuwde Smyrna, "Klerelijer! Laat me met rust!".
Victorius zweeg. In zijn gezicht tekenden zich verbeten trekken af. Hij draaide zich om en liep weg. Zijn voetstappen bonkten zwaar op de treden.
Altheus volgde hem snel. In de woonkamer zaten zij een tijdje zwijgend bij elkaar.
"Wat is er met haar aan de hand?", vroeg Altheus uiteindelijk.
"Ze heeft dit vaker gehad," zei Victorius, "De laatste keer vlak nadat jij geboren was. Ik dacht dat het overgegaan was."
Altheus wilde vragen hoe het zo gekomen was, maar zijn vader leek plotseling een vreemde geworden, net als zijn moeder. Zijn hoofd bungelde als een dood vogelkopje boven zijn grote lichaam. De trekken in zijn gezicht waren verscherpt; een lang verborgen gehouden kop leek door de huid te schemeren.
Na een uur kwam Smyrna naar beneden. Haar badjas zat vol pisvlekken. Haar haar zat door de war en ze beefde over haar hele lichaam. Ze wees beschuldigend naar Victorius.
"Het is jouw schuld!", riep ze, "Jij hebt hem van me weggenomen!"
"Praat niet zulke onzin!", zei Victorius. Hij zei het zacht, alsof hij wel wist dat ze toch niet luisterde.
"Hem krijg je toch niet, weet je dat? Het is te laat. Zie maar: hij is een kop groter dan jij, die krijg je er echt niet zo gemakkelijk onder als een baby!"
Ze stonden tegenover elkaar als kemphanen die op het punt staan hun dodelijke gevecht te beginnen. Smyrna keek triomfantelijk, in de ogen van Victorius lag een wilde paniek.
"Zwijg!", probeerde hij, maar zijn stem klonk zwak. Smyrna ging verder:
"Ik heb het altijd geweten, dat jij er de hand in had! Je probeerde mij meteen op andere gedachte te brengen, met je gelul dat hij geen kans had. Maar jij kon het gewoon niet aan, een tweeling waarvan er één niet goed was!"
Victorius ging zitten, zijn handen moedeloos in de schoot. "Het is heel anders gegaan", mompelde hij. Hij keek naar de grond en ging verder: "Jij walgde van het kind, Smyrna. Je vroeg je af hoe je zo'n monster op de wereld had kunnen zetten. Je wilde hem niet aanraken, je wilde hem niet zien, je riep dat ik hem weg moest halen". Altheus moest moeite doen om hem te verstaan, omdat hij zo zacht sprak.
"Het is niet waar", krijste Smyrna "Ik hield van allebei mijn jongens evenveel." Ze draaide zich om naar haar zoon. "Dat was echt zo, Altheus, van jullie allebei hield ik. Maar dat kon hij niet hebben. Als van een beest, zo heeft hij zich van hem ontdaan!". Ze greep Victorius bij de haren. Hij duwde haar van zich af. Ze wankelde maar hield zich staande.
"Rustig blijven!", schreeuwde hij en, op beheerste toon, "Ik zal de dokter roepen."
"Niks geen dokter, hoor je me? Ik laat me niet opsluiten! Dat zou mooi voor je zijn, mij opsluiten om me het zwijgen op te leggen. Dan kun je doorgaan met te doen alsof er niets gebeurd is." Ze draaide zich abrupt om en stommelde weer naar boven.
"Waar heeft ze het over?", vroeg Altheus. Zijn keel was droog.
"Het is onzin wat ze zegt," zei Victorius, "Echt onzin, het is heel anders gegaan."
Hij belde de dokter en zei alleen maar: "Het is weer zover."
"Ze zal worden opgenomen", zei hij, toen hij had opgehangen.
"Dat wil ik niet!", zei Altheus.
"Het is nodig, ik kan er niets aan doen."
Victorius verdween de tuin in.

Altheus ging terug naar zijn moeder. Ze lag op bed en had haar ogen gesloten, alsof ze sliep. Hij pakte voorzichtig, met het gevoel alsof hij iets onbetamelijks deed, haar hand. Ze schudde hem van zich af en opende haar ogen.
"Je hebt zijn kant gekozen", zei ze, "Ik voel het, belazer me maar niet. En dat terwijl hij niet te vertrouwen is. Hij heeft je broer vermoord."
Ze sloot haar ogen weer en perste haar lippen stijf op elkaar, alsof ze besloten had voor altijd te zwijgen.
Altheus bleef zitten, op de rand van het bed, en besefte dat hij haar verloren had. Hij dacht na over wat ze hem verteld had en probeerde zichzelf wijs te maken dat ze maar wat raaskalde. Maar in zijn binnenste voelde hij vanaf dat moment de waarheid knagen. Het was een weten zonder woorden, een herinnering zonder beelden.
Toen de mensen van de ambulancedienst haar enkele uren later kwamen halen, gilde ze. Ze spartelde hevig tegen en het kostte grote haar moeite mee te krijgen. Victorius vertoonde zich niet voordat de auto was weggereden.
Vanaf die dag sprak Altheus niet meer met zijn vader. Hij verweet hem de ineenstorting van zijn moeder. Smyrna bleek dement te zijn, toen de crisis voorbij was. In Altheus' beleving was het zijn vader, die deze vernietiging van de geest bewerkstelligd had door haar één van haar kinderen af te nemen.
Hij ging studeren in Groningen, ver van zijn woonplaats. Victorius probeerde met hem in contact te komen, maar hij ging dat uit de weg.

Enkele dagen geleden had Victorius weer eens gebeld en natuurlijk wilde Altheus niet aan de lijn komen. Hij sprak met Theodora, zoals hij wel vaker deed, en smeekte haar om met hem te komen praten. Deze keer was Theodora op zijn verzoek ingegaan. Misschien zou ze hem eindelijk duidelijk kunnen maken dat het geen zin had om te blijven bellen en te schrijven.
Nu stond hij voor haar, leunend op dat paaltje, en keek haar vragend aan.
"Altheus wil nog steeds niks met je te maken hebben," zei ze.
"Ik hoopte dat jij zou kunnen bemiddelen," zei hij, "Dat jij het zou kunnen uitleggen."
"Hij zal zich niet bedenken. Hij heeft zich in zijn hoofd gezet dat jij de schuldige bent."
Er kwam een bittere trek om zijn mond.
"Ik wilde het hem uitleggen, meteen al", zei hij, "Maar hij heeft me nooit de kans gegeven"
Hij stokte, keek haar aan en vervolgde "Smyrna wilde niet meer. Ik zie nog haar blik vol afgrijzen als ze Leonardo zag. Het was verschrikkelijk. Ik was  bang voor haar. Kun je je dat voorstellen? Zwak was ze, maar zo woedend. Om de een of andere reden was ze ook kwaad op mij, dat ik haar dit had aangedaan, zo'n kind produceren. Nadat we besloten Leonardo niet langer te behandelen, en hij stierf, wilde ze mij niet meer zien. Dagenlang staarde ze voor zich uit. Ze reageerde nergens meer op, ze bewoog niet, ze at niet, ze sliep niet. Uiteindelijk werd ze opgenomen. En toen ze terugkwam, wilde ze niets meer van me weten"
Theodora knikte.
"Altheus zal het niet willen horen", zei ze, "Je moet hem met rust laten. Hij zal je nooit toelaten. Bel niet meer."
Hij boog het hoofd.
"Dan ga ik maar", zei hij.
Hij schudde haar de hand en liep weg. Ze keek hem na tot hij om de hoek verdwenen was.

Thuis trof ze Altheus in de tuin. Ondanks de warmte was hij gekleed in zijn kostuum. Zelfs zijn jasje had hij niet uitgetrokken. Hij had een pijp in de hand en zijn ogen gleden over de krant, die uitgespreid over de tuintafel lag. Ze kuchte. Hij keek op alsof hij nu pas merkte dat ze er was.
"En?", zei hij, "Wat voor smoezen had hij deze keer?". De trilling in zijn stem ontging haar niet.
"Het zijn geen smoezen," zei ze, "Hij meent het oprecht. Waarom geef je hem geen kans. Hij zou je graag zien."
"Ik hem niet," zei Altheus en hij boog zich weer over de krant.
Zo zat hij even, als een foto stilgezet in de tijd. Toen sprong hij op. Hij veegde de krant van tafel en gooide de stoel om. Zijn gezicht werd vuurrood. "Ze heeft het vaak genoeg gezegd!", schreeuwde hij, "Dat ze het jammer vond dat niet ìk, maar Leonardo…" Hij zweeg abrupt en de kleur verdween weer uit zijn gezicht. "Sorry", stamelde hij zacht, "sorry". Hij wankelde het huis in.
Theodora zette de stoel recht en raapte de krant van de grond.

© Petra Oomen

november 1999