De bijna lege bus verliet het centrum en reed de lange straat in
die naar de rand van de stad voerde. De huizen werden armoediger. Sommige
ramen waren dichtgespijkerd. Veel muren waren beschilderd met witte kalk
als om te waarschuwen tegen een besmettelijke ziekte die in de lucht hing.
Toen de bus stopte bij de staalfabriek aan het einde van de weg,
stapte Theodora uit. Op de hoek van de straat zag ze het café "Dolle
Dirk". De lichtblauw geschilderde luiken staken giftig af bij de kleurloze
muren.
Ze zuchtte en liep schoorvoetend naar de kroeg, waarvan de deuropening
was afgesloten met een dik, groen gordijn.
In deze kroeg, die in een buurt stond waar veel mensen werkloos waren,
verwachtte ze haveloos geklede kerels, die het elke dag op een zuipen zette.
Maar de enige twee andere bezoekers waren oude mannen, die aan de bar zaten.
Ze voerden op fluisterende toon een gesprek en keken heel even op toen
ze binnenstapte. Victorius zat, kennelijk op zijn gemak, aan een tafeltje
met een kop koffie voor zich.
De gelijkenis met Altheus was treffend. Hij zou zijn tweelingbroer
kunnen zijn, hij zag er nauwelijks ouder uit. Ook zijn kleding deed aan
Altheus denken: een onberispelijk, grijs, driedelig kostuum. Hij stond
op toen hij haar binnen zag komen en reikte haar de hand.
"Waarom hier?", vroeg Theodora, nadat ze zich aan elkaar hadden
voorgesteld.
Hij haalde zijn schouders op. "Het is een onwaarschijnlijke plaats",
zei hij glimlachend, "Ik schuil hier wel vaker."
"Hoe is het met hem?", vervolgde hij.
Zijn ogen waren grijs en stonden levendig, veel energieker dan die
van Altheus.
"Hetzelfde", zei ze, "Wat denk je dat er veranderd zou kunnen zijn?".
Hij glimlachte droevig. Zijn hand ging in de richting van de hare,
maar halverwege de tafel trok hij hem terug.
"Laten we naar buiten gaan", zei hij, "Het is hier om te stikken."
Ze liepen over de smalle stoepen langs vervallen portiekwoningen.
Zwaar verkeer denderde over de weg en verspreidde een doordringende stank.
Theodora stak een sigaret op.
"Heeft hij het nooit over mij?", vroeg Victorius. Hij stelde de
vraag snel, alsof hij zich er eigenlijk voor schaamde.
"Zelden", antwoordde Theodora, "Zoals ik je al vertelde. Soms praat
hij over je in zijn slaap. En over Smyrna. Dat is alles."
Victorius liet het hoofd zakken en bewoog zijn handen onrustig langs
zijn lichaam, alsof hij niet wist waar hij ze moest laten.
"Ik moest het wel doen", zei hij, "Ik had geen keuze. Smyrna was
verloren, dat was ze eigenlijk altijd geweest." Hij pauzeerde en staarde
naar de lucht alsof daar het verhaal geschreven stond. "Na de geboorte
van Leonardo en Altheus is het niet meer goedgekomen met haar. Leonardo
was mismaakt. Hij had geen benen, zijn hoofd was heel groot, en waar de
neus was, zaten alleen een paar gaten. Al snel bleek dat er ook allerlei
misgroei was in zijn organen. Hij had geen anus, en geen endeldarm, zijn
hart functioneerde gebrekkig, een long was helemaal verschrompeld. Een
hopeloze zaak. Smyrna zag het als haar falen, dat ze hem ter wereld had
gebracht. Ze wilde hem kwijt, maar vond dat ze dat niet mocht willen"
"Altheus wil dat niet horen", zei Theodora, "Hij blijft bij zijn
idee dat jij hem eerst zijn broer hebt ontnomen en daarna zijn moeder.
Dat is zijn houvast, de bodem zou onder zijn bestaan verdwijnen als hij
dat anders zou zien. Smyrna zal hij nooit bezoeken, ook dat zou hem verwarren."
Hij stond stil en leunde op een paaltje. Hij zuchtte diep.
Theodora dacht aan het verhaal dat Altheus haar had verteld na lang
aandringen. Hij had er telkens weer omheen gedraaid. Maar op een dag had
ze hem voor de zoveelste keer betrapt op dat stille staren door het raam,
nadat ze gevraagd had "Deed jouw moeder dat ook altijd, die groenten zo
lang doorkoken?". Hij antwoordde niet, maar draaide zijn rug naar haar
toe. Een ondoordringbaar, zwijgend blok stond daar en dat maakte haar razend.
"Zeg nou eens wat!", riep ze, "Wat is er met die ouwelui van jou, dat ik
het daar niet over mag hebben." Hij keek haar aan. Zijn blik fixeerde haar.
Op een toon alsof hij haar wilde straffen, zei hij: "Goed, dan moet je
het maar horen."
Altheus was zeventien en zat nog op school. Zo op het oog vormde
hij met zijn vader en moeder een doorsneegezin en misschien was het dat
tot op zekere hoogte ook. Maar binnen een tijdsbestek van enkele maanden
voltrokken zich geleidelijk veranderingen. Zijn moeder was er wel en deed
wat ze moest doen, schonk zijn thee in, zette een bord eten voor hem neer,
maar ze leek er niet helemaal bij.
Het werd steeds erger. Ze begon vreemde vergissingen te maken. Ze
deed thee in de koffiepot, liet steeds vaker het gas aan staan en vergat
's nachts de deur te sluiten. In al die zaken was ze vroeger heel punctueel
geweest.
Opmerkelijker was haar toenemende vijandige houding tegen Victorius.
Ze had hem altijd geduld als een onvermijdelijk bijverschijnsel in haar
leven, waar ze zich verder niet mee bezig wenste te houden. Ze keek hem
nooit aan, sprak alleen het hoognodige. Nu liet ze steeds duidelijker een
bijtende afkeer blijken. Ze draaide haar hoofd om als hij binnenkwam en
weigerde antwoord te geven als hij haar wat vroeg.
Op een dag kwam Altheus thuis en trof hij zijn moeder niet, zoals
gebruikelijk, aan in de woonkamer of de keuken. Hij ging naar haar op zoek
en vond haar in haar slaapkamer. De gordijnen waren gesloten en er brandde
een schemerlampje op de toilettafel. Ze lag bovenop de dekens, gekleed
in een haveloze nachtjapon. Naast het bed stond een pispot, die tot de
rand gevuld was. De kamer stonk naar oud zweet en urine.
"Wat is er, ben je ziek?", vroeg hij.
Ze keek hem langdurig aan, alsof zij hem maar vaag herkende. Ze
zag er slecht uit, veel ouder dan vanmorgen, toen hij wegging. Haar ogen
bewogen van het ene naar het andere punt, op zoek naar houvast, maar ze
vonden nergens rust.
Altheus kon haar plotselinge verandering niet bevatten en wist niet
wat hij moest doen. Hij bracht de pispot naar de wc, leegde hem en zette
hem weer terug onder het bed.
"Ik moet plassen", zei ze. Ze kwam met moeite van het bed af. Ze
deed haar onderbroek naar beneden en ging op de pot zitten. Als bevroren
keek hij naar zijn moeder, die daar voor zijn ogen zat te urineren, terwijl
ze zich zelfs nog nooit in nachtkledij aan hem had vertoond. Ze kon zich
maar met moeite in evenwicht houden en steunde met haar beide handen op
de grond. De straal kletterde luid tegen het metaal.
Toen ze klaar was, schoof ze met onvaste bewegingen de pot onder
het bed. Ze dronk gulzig uit de fles jenever die op het nachtkastje stond
en ging weer liggen.
"Oh, Altheus", jammerde ze. Haar hoofd rolde heen en weer op het
kussen, alsof haar iets kwelde, dat ze van zich af wilde schudden. Ze huilde
moeizaam, zonder tranen, bracht alleen een klagelijk geluid voort. Altheus
voelde zich machteloos.
Voorzichtig nam hij plaats op het bed. Hij wilde haar wel in zijn
armen nemen om haar te troosten, maar hij kon het niet. Sinds zijn vijfde
hadden ze elkaar niet meer aangeraakt en nu het nodig was, wist hij niet
meer hoe het moest.
Uren zat hij zo op haar bed. Steeds stond ze op om op de pot te
gaan zitten. Ze mompelde af en toe onverstaanbare woorden, als bezweringen
tegen de afgrijselijke voorstellingen die zich voor haar ogen leken af
te spelen. Soms raakte Altheus voorzichtig haar arm aan en schrok dan van
de rillingen die daar doorheen trokken.
Zijn vader liep direct naar boven toen hij thuis kwam. Hij wierp
een blik op Smyrna en stevende op haar af. "Smyrna, laat dat. Kom eruit!",
zei hij.
Smyrna schudde haar hoofd en klauwde zich vast aan het bed. Victorius
trok aan haar arm om haar te dwingen om op te staan. Dat had hem gemakkelijk
kunnen lukken, maar hij gebruikte niet al zijn kracht. Hij staakte zijn
poging al snel.
"Rotvent!", schreeuwde Smyrna, "Klerelijer! Laat me met rust!".
Victorius zweeg. In zijn gezicht tekenden zich verbeten trekken
af. Hij draaide zich om en liep weg. Zijn voetstappen bonkten zwaar op
de treden.
Altheus volgde hem snel. In de woonkamer zaten zij een tijdje zwijgend
bij elkaar.
"Wat is er met haar aan de hand?", vroeg Altheus uiteindelijk.
"Ze heeft dit vaker gehad," zei Victorius, "De laatste keer vlak
nadat jij geboren was. Ik dacht dat het overgegaan was."
Altheus wilde vragen hoe het zo gekomen was, maar zijn vader leek
plotseling een vreemde geworden, net als zijn moeder. Zijn hoofd bungelde
als een dood vogelkopje boven zijn grote lichaam. De trekken in zijn gezicht
waren verscherpt; een lang verborgen gehouden kop leek door de huid te
schemeren.
Na een uur kwam Smyrna naar beneden. Haar badjas zat vol pisvlekken.
Haar haar zat door de war en ze beefde over haar hele lichaam. Ze wees
beschuldigend naar Victorius.
"Het is jouw schuld!", riep ze, "Jij hebt hem van me weggenomen!"
"Praat niet zulke onzin!", zei Victorius. Hij zei het zacht, alsof
hij wel wist dat ze toch niet luisterde.
"Hem krijg je toch niet, weet je dat? Het is te laat. Zie maar:
hij is een kop groter dan jij, die krijg je er echt niet zo gemakkelijk
onder als een baby!"
Ze stonden tegenover elkaar als kemphanen die op het punt staan
hun dodelijke gevecht te beginnen. Smyrna keek triomfantelijk, in de ogen
van Victorius lag een wilde paniek.
"Zwijg!", probeerde hij, maar zijn stem klonk zwak. Smyrna ging
verder:
"Ik heb het altijd geweten, dat jij er de hand in had! Je probeerde
mij meteen op andere gedachte te brengen, met je gelul dat hij geen kans
had. Maar jij kon het gewoon niet aan, een tweeling waarvan er één
niet goed was!"
Victorius ging zitten, zijn handen moedeloos in de schoot. "Het
is heel anders gegaan", mompelde hij. Hij keek naar de grond en ging verder:
"Jij walgde van het kind, Smyrna. Je vroeg je af hoe je zo'n monster op
de wereld had kunnen zetten. Je wilde hem niet aanraken, je wilde hem niet
zien, je riep dat ik hem weg moest halen". Altheus moest moeite doen om
hem te verstaan, omdat hij zo zacht sprak.
"Het is niet waar", krijste Smyrna "Ik hield van allebei mijn jongens
evenveel." Ze draaide zich om naar haar zoon. "Dat was echt zo, Altheus,
van jullie allebei hield ik. Maar dat kon hij niet hebben. Als van een
beest, zo heeft hij zich van hem ontdaan!". Ze greep Victorius bij de haren.
Hij duwde haar van zich af. Ze wankelde maar hield zich staande.
"Rustig blijven!", schreeuwde hij en, op beheerste toon, "Ik zal
de dokter roepen."
"Niks geen dokter, hoor je me? Ik laat me niet opsluiten! Dat zou
mooi voor je zijn, mij opsluiten om me het zwijgen op te leggen. Dan kun
je doorgaan met te doen alsof er niets gebeurd is." Ze draaide zich abrupt
om en stommelde weer naar boven.
"Waar heeft ze het over?", vroeg Altheus. Zijn keel was droog.
"Het is onzin wat ze zegt," zei Victorius, "Echt onzin, het is heel
anders gegaan."
Hij belde de dokter en zei alleen maar: "Het is weer zover."
"Ze zal worden opgenomen", zei hij, toen hij had opgehangen.
"Dat wil ik niet!", zei Altheus.
"Het is nodig, ik kan er niets aan doen."
Victorius verdween de tuin in.
Altheus ging terug naar zijn moeder. Ze lag op bed en had haar ogen
gesloten, alsof ze sliep. Hij pakte voorzichtig, met het gevoel alsof hij
iets onbetamelijks deed, haar hand. Ze schudde hem van zich af en opende
haar ogen.
"Je hebt zijn kant gekozen", zei ze, "Ik voel het, belazer me maar
niet. En dat terwijl hij niet te vertrouwen is. Hij heeft je broer vermoord."
Ze sloot haar ogen weer en perste haar lippen stijf op elkaar, alsof
ze besloten had voor altijd te zwijgen.
Altheus bleef zitten, op de rand van het bed, en besefte dat hij
haar verloren had. Hij dacht na over wat ze hem verteld had en probeerde
zichzelf wijs te maken dat ze maar wat raaskalde. Maar in zijn binnenste
voelde hij vanaf dat moment de waarheid knagen. Het was een weten zonder
woorden, een herinnering zonder beelden.
Toen de mensen van de ambulancedienst haar enkele uren later kwamen
halen, gilde ze. Ze spartelde hevig tegen en het kostte grote haar moeite
mee te krijgen. Victorius vertoonde zich niet voordat de auto was weggereden.
Vanaf die dag sprak Altheus niet meer met zijn vader. Hij verweet
hem de ineenstorting van zijn moeder. Smyrna bleek dement te zijn, toen
de crisis voorbij was. In Altheus' beleving was het zijn vader, die deze
vernietiging van de geest bewerkstelligd had door haar één
van haar kinderen af te nemen.
Hij ging studeren in Groningen, ver van zijn woonplaats. Victorius
probeerde met hem in contact te komen, maar hij ging dat uit de weg.
Enkele dagen geleden had Victorius weer eens gebeld en natuurlijk
wilde Altheus niet aan de lijn komen. Hij sprak met Theodora, zoals hij
wel vaker deed, en smeekte haar om met hem te komen praten. Deze keer was
Theodora op zijn verzoek ingegaan. Misschien zou ze hem eindelijk duidelijk
kunnen maken dat het geen zin had om te blijven bellen en te schrijven.
Nu stond hij voor haar, leunend op dat paaltje, en keek haar vragend
aan.
"Altheus wil nog steeds niks met je te maken hebben," zei ze.
"Ik hoopte dat jij zou kunnen bemiddelen," zei hij, "Dat jij het
zou kunnen uitleggen."
"Hij zal zich niet bedenken. Hij heeft zich in zijn hoofd gezet
dat jij de schuldige bent."
Er kwam een bittere trek om zijn mond.
"Ik wilde het hem uitleggen, meteen al", zei hij, "Maar hij heeft
me nooit de kans gegeven"
Hij stokte, keek haar aan en vervolgde "Smyrna wilde niet meer.
Ik zie nog haar blik vol afgrijzen als ze Leonardo zag. Het was verschrikkelijk.
Ik was bang voor haar. Kun je je dat voorstellen? Zwak was ze, maar
zo woedend. Om de een of andere reden was ze ook kwaad op mij, dat ik haar
dit had aangedaan, zo'n kind produceren. Nadat we besloten Leonardo niet
langer te behandelen, en hij stierf, wilde ze mij niet meer zien. Dagenlang
staarde ze voor zich uit. Ze reageerde nergens meer op, ze bewoog niet,
ze at niet, ze sliep niet. Uiteindelijk werd ze opgenomen. En toen ze terugkwam,
wilde ze niets meer van me weten"
Theodora knikte.
"Altheus zal het niet willen horen", zei ze, "Je moet hem met rust
laten. Hij zal je nooit toelaten. Bel niet meer."
Hij boog het hoofd.
"Dan ga ik maar", zei hij.
Hij schudde haar de hand en liep weg. Ze keek hem na tot hij om
de hoek verdwenen was.
Thuis trof ze Altheus in de tuin. Ondanks de warmte was hij gekleed
in zijn kostuum. Zelfs zijn jasje had hij niet uitgetrokken. Hij had een
pijp in de hand en zijn ogen gleden over de krant, die uitgespreid over
de tuintafel lag. Ze kuchte. Hij keek op alsof hij nu pas merkte dat ze
er was.
"En?", zei hij, "Wat voor smoezen had hij deze keer?". De trilling
in zijn stem ontging haar niet.
"Het zijn geen smoezen," zei ze, "Hij meent het oprecht. Waarom
geef je hem geen kans. Hij zou je graag zien."
"Ik hem niet," zei Altheus en hij boog zich weer over de krant.
Zo zat hij even, als een foto stilgezet in de tijd. Toen sprong
hij op. Hij veegde de krant van tafel en gooide de stoel om. Zijn gezicht
werd vuurrood. "Ze heeft het vaak genoeg gezegd!", schreeuwde hij, "Dat
ze het jammer vond dat niet ìk, maar Leonardo…" Hij zweeg abrupt
en de kleur verdween weer uit zijn gezicht. "Sorry", stamelde hij zacht,
"sorry". Hij wankelde het huis in.
Theodora zette de stoel recht en raapte de krant van de grond.
© Petra Oomen
november 1999