
Het was donderdag. Ria had haar doordeweekse vrije dag en besteedde die aan de huishouding.
Het gaf haar voldoening om de wasmachine te horen pruttelen, de keukenvloer schoon te zien en
de kleren, die in de loop van de week her en der door de slaapkamer waren geraakt, netjes in de
kast te weten. Nooit zou ze daarover praten: ze was een vrouw van deze tijd, voor wie het
huishouden iets was waar geen aandacht aan werd besteed, al moest het wel gedaan worden.
Toen ze, met een kopje koffie voor zich, tevreden om zich heen zat te kijken, viel haar oog op de
tas, naast de stoel waar Rob altijd zat. Het was vreemd, dat die tas er nog was, want hij nam hem
altijd mee naar zijn werk. Hij zou hem waarschijnlijk vergeten zijn. Ze dacht nog even aan de
boodschappen die ze straks voor een hele week in huis zou halen en keek toen weer naar de tas.
Ze vroeg zich af wat er in zou zitten. Ze had er nooit over nagedacht, maar nu begon de inhoud
haar steeds meer te boeien. Wat had Rob eigenlijk nodig bij zijn werk als vertegenwoordiger in
uitvaartverzekeringen. Een folder misschien, van de laatste modellen kisten en prijstabellen. Gek,
eigenlijk, dat ze zo weinig van dat soort dingen wist. Kennelijk had hij de tas niet heel dringend
nodig; anders was hij hem wel komen halen.
Met een gevoel alsof het verkeerd was wat ze deed, liep ze ernaar toe. Ze bekeek de tas even van
dichtbij: eigenlijk was het een goor ding, met dat bruine leer, waar stukken afgesleten waren.
Vormloos ook. Dat Rob met zoiets over straat ging. Met zijn verjaardag zou ze hem een nieuwe
geven.
Ze aarzelde even en opende de tas toen. Er zaten plastic mapjes en bruine enveloppen in. Ze nam
er een enveloppe uit. Veel was er niet aan te zien. De naam van het bedrijf waar Rob werkte, stond
erop gedrukt. Ze stopte hem weer terug. Haar hand gleed langs een witte enveloppe, die kleiner
was dan de anderen. Ook deze nam ze eruit. Er stond geen opdruk op, wel een naam op de
achterkant: Dora. Geen achternaam. Ze haalde de brief eruit en begon te lezen. "Lief, lekker beest
van me", was de aanhef. Ze bekeek de naam van de geadresseerde; de brief was echt aan Rob
gericht. Een beest? Rob? Ze dacht aan de bleke, magere man die elke avond zwijgend bij haar aan
tafel zat en na het eten in zijn stoel voor de televisie zakte om er pas om elf uur weer uit te komen,
als hij naar bed ging. "Wat was het etentje, dat jij zo lief was mij aan te bieden, verrukkelijk en
romantisch" las ze, ergens in het midden van de bladzijde. Haar verbazing steeg verder. Rob
schrokte zijn eten altijd naar binnen, alsof hij in drie weken niets behoorlijks gehad had. Zijn hoofd
had hij dan dicht naar het bord gebracht, zijn linkerarm rustte voor zijn bord en met zijn rechterhand
bracht hij het eten naar binnen. Hij kauwde niet en leek evenmin iets te proeven. Soms dropen er
druppels vet van zijn kin. "En van de zalige nacht, die we daarna hebben gehad, kon ik voorheen
alleen maar dromen." Nu voelde Ria haar bloeddruk stijgen. Nooit maakte Rob de overstap van zijn
deel van de lits-jumeaux, helemaal in de andere hoek van de slaapkamer, naar het hare. Niet dat ze
er erg naar verlangde: het moeizaam zwoegen, waar Rob zich in de beginjaren van hun huwelijk
nog weleens had overgegeven, had haar niet zeer bekoord.
Ze probeerde nog een zin te lezen van de brief, maar ze kreeg er zo genoeg van dat ze de brief
verfrommelde en in een hoek gooide.
De rest van de dag bracht ze door op de bank. De boodschappen deed ze niet, de was liet ze
gewoon in de trommel zitten. Duizenden taferelen flitsten voor haar ogen. Rob in een smoezelige
motelkamer met Dora. Dora, die ze zich voorstelde als een grote, forse zeug die zich met geweld in
een mantelpak had geperst. Rob, die wel iets ontroerends had gehad in de verlegenheid, waarmee
hij haar twintig jaar geleden ten huwelijk had gevraagd en die nu eigenlijk een vreemde was
geworden. Of meer een soort meubelstuk, dat wel in huis stond, maar dat ze verder niet meer
opmerkte. Ze vroeg zich af wat ze er eigenlijk nog in zag. Soms stonk hij ook nog, al ging hij elke
dag onder de douche. Het leek alsof het zweet door al zijn poriën drong en zijn hele omgeving
besmette.
Op het moment dat ze haar tweede fles wijn opende, wist ze zeker, dat ze weg wilde. Geen
moment meer met dat zwijn, geen uur, geen dag.
Ze had er al eerder van gedroomd om ergens te gaan werken, ver weg, in het buitenland. Nu zou
ze het doen. Ze nam de zaterdagkrant en keek de advertenties door. Daar zag ze al iets: vrijwilli-
gers gezocht om te werken in diverse landen in Afrika, voor allerlei soorten werk in ontwikkelings-
projecten. Ze draaide het telefoonnummer, dat vermeld stond. Tot haar teleurstelling bleken er een
heleboel formaliteiten vervuld te moeten worden: eerst zou er informatie worden opgestuurd en dan
zou nog een soort sollicitatiegesprek worden gevoerd. Ze hing op. Terwijl ze de fles leeg dronk,
overdacht ze wat ze moest doen. Rob zou om zes uur thuis zijn. Omdat ze voor die tijd niet weg
kon zijn, was het beter haar plannen maar uit te stellen. Ze was trouwens een beetje moe geworden
en haar benen waren ontzettend zwaar.
Ze was op de helft van haar derde fles wijn, toen ze Rob hoorde binnenkomen. Hij hing zijn jas op,
en stapte de kamer binnen. Hij kwam op haar toe, om zijn plichtmatige zoen te geven. Plotseling
bleef hij middenin de kamer stilstaan: "Je bent dronken." , sprak hij, meer verbaasd dan verwijtend.
Ria nam hem van top tot teen op voordat ze zei: "Zo, beest, ik ben benieuwd hoe je vanavond weer
tekeer zult gaan." Rob verbleekte. "Je weet niet meer wat je zegt", prevelde hij. Hij keek in de
richting van de tas. "Ja, ik heb het gelezen, dotje van me", sneerde Ria "Elk woord! en je kan
opduvelen, zultkop!" "Het heeft niets te betekenen", zei hij, bijna fluisterend. "Nee, je hebt inderdaad
niets te betekenen. En ik ga weg. Dan kan jij op die Dora van je blijven liggen, tot je erbij in slaap
valt. Weet ze trouwens al dat je snurkt?" Rob keek haar aan. Hij had tranen in zijn ogen. Ria stond
op en liep wankelend naar de deur. "Verzuurde bak kwark!", riep ze "Ik wil niks meer met je te
maken hebben. Ik ga mijn koffers pakken". Ze stampte, toen ze de trap opliep.
In de slaapkamer gooide ze de koffer op het bed en smeet er willekeurige kleren in, die ze uit de
kasten rukte. Toen liet ze zich op het bed vallen en huilde. Na enige tijd ergerde ze zich aan
zichzelf; waarom huilen nu haar bevrijding voor de deur stond. Ze stond op van het bed en voordat
ze er iets tegen kon doen, kotste ze, totdat ze helemaal leeg was.

© Petra Oomen, februari 1997