Bekering

Moet je hem nou zien liggen, dat schorem. In dat leren jack leek het nog heel wat, maar nu, in zijn garnalenvel, is er niks van over. Wat is hij bleek! Zou hij ooit weleens in de zon komen? Ik denk het niet. Kijk, hij heeft zijn ogen gesloten, want hij schaamt zich dat hij hem niet omhoog kan krijgen.. Nou, mij best. Ik ben kurkdroog en dat dooienvel van hem verandert er niks aan.
Godver, hij kokhalst! Als hij nou maar niet op mijn schone lakens gaat kotsen. Hé, joh, hou je vreten binnen! Oh, mooi zo, het is alweer over. Ik zie hem dubbel, lig hier met twee van die zakken. En het lijkt wel of er een aardbeving is, zo schommelt de kamer heen en weer. Teveel gezopen, verdomme, alweer.
Hij draait zich op zijn zij en trekt zijn knieën omhoog. Kreunt. Het mankeert er nog maar aan dat hij "mama" gaat roepen. Hij krimpt ineen als ik hem streel. Nee, daar komt niks meer uit vannacht. Nou, mij best. Slapen doe ik niet meer. Ik kan niet slapen met een vreemde als ik niet geneukt heb.
Het was gezellig in de kroeg. Freek lulde wel veel, maar die had hem ook al vroeg om. Hij wordt vader, de schat, zijn vrouw had het hem die avond verteld. In plaats van dat hij dat nou eens lekker ging vieren met zijn wijf komt hij naar de kroeg. Zij gewoon thuis natuurlijk, zich afvragend hoe dat straks moet, als die koter er is. Want Freek hangt elke avond in de kroeg, net als ik. Het is wel een lekker jong, alleen zou hij minder moeten zuipen. Na zijn twintigste pilsje wordt hij altijd plakkerig en daar hou ik niet van. Ik moet niks van hem hebben, niet op die manier. Chemisch werkt het niet tussen ons. Gek, eigenlijk. Van die druiloor hier naast me kreeg ik meteen jeuk toen hij binnenstapte. Zijn zwarte jack, zijn strakke spijkerbroek over zijn welgevormde kontje, die ruige stoppelbaard. Ik had het al gauw voor elkaar dat ik naast hem zat aan de bar. Sigaretje erbij, drankje. En maar lullen. Niet dat ik veel hoefde te zeggen, hij deed het woord wel. God, wat was die vent trots op zichzelf! Verliefd bijna. Hij had het steeds over zijn zaak, die hij had opgezet, iets met gebruikte chips, die hij dan weer ergens anders in deed. Ik begreep er geen moer van, maar knikte en humde af en toe eens. Dat was genoeg, meer hoefde ik niet te doen. Ondertussen keek ik naar dat lekkere smoelwerk van hem, om te zoenen en naar die stevige dijen met die veelbelovende bobbel er tussenin. Nou, bij beloftes is het dus gebleven.
Ik was helemaal niet van plan om uit te gaan. Ik had het gezellig gemaakt thuis, voor zover dat kan in je eentje. Kaarsje aan, glaasje wijn en een kogelbiefstuk. De tafel voor deze keer eens gedekt. Maar toen ik die biefstuk half op had, sloeg het me weer koud om het hart. Ik hoor nergens bij, ik zou net zo goed niet kunnen bestaan. Alleen die rotkroeg is er, verder niets. Zou ik mijn kop maar in de oven steken? Dan was ik overal van af. Van dat idee schoot ik nog in de lach ook. Ik zag me al liggen met mijn pas gewassen haar in al dat vet.
Mijn eten liet ik staan, de wijn dronk ik op. Ik zette de televisie aan, maar ik kon mijn kop niet bij de film houden. De rest van mijn leven spookte door mijn hoofd. Veel beter dan nu zou het niet worden. "Wat kan mij het verdommen", dacht ik. Ik trok mijn jas aan en liep naar de kroeg.
Kijk nou toch, hij slaapt! Nou, die krijg ik morgenochtend niet de deur uit zonder hem van ontbijt te hebben voorzien en hem gerustgesteld te hebben door te zeggen dat het helemaal niet erg is dat hij hem niet omhoog kreeg, dat dat nou eenmaal niet lukt als je zoveel gezopen hebt. Hij zal maar half overtuigd zijn en zich klote voelen, de rest van de dag. En om te zien of ik echt niet op hem neerkijk, zal hij vragen of ik met hem ga eten, vanavond. Geen haar op mijn hoofd. Ik hoef die garnaal nooit meer te zien. Dat gebeurt ook niet, want in de kroeg durft hij zich niet meer te vertonen.

Jezus, het lijkt wel of er een timmermanswerkplaats in mijn kop zit! Die Paul ligt nog steeds te slapen, dat zal nog wel even duren. Mijn mond is kurkdroog, even wat drinken.
Water, water! Ik kan eigenlijk beter een koude pils nemen, dat helpt tegen het trillen. Verdomme, nou moet het eens afgelopen zijn met dat gezuip! Vanaf vandaag geen drup meer. Oh nee, vanaf morgen. Eerst dat bier naar binnenslaan. Zo, dat is lekker. Ik voel me al wat beter.
De bel! Om negen uur 's morgens, midden in de nacht nog eigenlijk. Ik zal toch maar opendoen, want wie weet, is het een lang verloren vriend. Die verdwaald is zeker. Shit, een vent en zo'n trut in beige regenjassen. Allebei zo'n zalvende glimlach op hun smoel. "Wij komen u een boodschap brengen," zegt die vent. Op de één of andere manier krijg ik het niet voor elkaar de deur in hun bek dicht te smijten. Die vrouw kijkt lief naar me, alsof ze wel snapt dat het niet leuk is om 's morgens voor dag en dauw in je badjas in de deuropening te staan met een stuk in je kraag, alsof ze dat uit eigen ervaring weet.
"Een boodschap van hoop," zegt ze. Nou, hoop kan ik wel gebruiken.
"Mogen we even binnenkomen?" Ze heeft een warme stem, dat mens.
Ik knik en ga ze voor naar de woonkamer.
"Pilsje?" vraag ik en merk mijn vergissing pas op als ze elkaar aankijken, met zo'n "onder ons" blik.
Ik wijs ze een stoel en ga zelf ook zitten. Koffie zetten is me teveel in deze toestand. Mijn handen trillen als een gek.
"Jezus brengt verlossing voor iedereen," zegt hij. Hem mag ik niet. Volgens mij is het een gluiperd, zo een die de kat stiekem in het donker knijpt. Maar zij is okay.
"Verlossing?" zeg ik. Er zit een kikker in mijn keel.
"Ja, verlossing." Ze overhandigt me een blaadje. Voorop een plaatje van Jezus aan het kruis. Heb ik nooit wat van moeten hebben. Ik blader het door. "Jezus houdt juist van de afgedwaalde schapen", lees ik. Nou ja, een afgedwaald schaap ben ik wel, dat kan je wel stellen. Misschien houdt dat gedoe met die Jezus me uit de kroeg, je weet het maar nooit. Ze ziet wat ik denk, zeker, want ze zegt: "Ook voor jou is Hij er". Ze staat op en legt een hand op mijn schouder. Ik begin meteen te grienen en schaam me kapot daarvoor.
"Het is nooit te laat," zegt ze. "Kom vanmiddag naar de bijeenkomst, dan hoor je meer." Ze geeft mij een folder met de aankondiging van de samenkomst erop. Ik kan niks zeggen, want mijn strot zit dicht. Ik knik. Misschien helemaal niet verkeerd om te gaan, moet ik nog wel eerst die klootzak de deur uitwerken. Ze staan op, geven me een hand en zeggen: "Tot straks." Wat klinkt dat vriendelijk.

© Petra Oomen, september 2000