Mankepoot

Apeldoorn, 17 april 2000, vlakbij de markt. Het is druk, mensen langs
de kant van de weg verdringen zich om de colonne militaire voertuigen voorbij
te zien trekken. Marsmuziek, afgewisseld door liedjes uit de veertiger
jaren, klinkt schel uit de ijzeren luidsprekers die overal zijn opgehangen.
Geen Mahler, hoewel die toepasselijker zou zijn geweest: het adagio van
de Negende, terwijl de voertuigen met oude veteranen langzaam in de richting
van het bos rijden tot ze op de nauwelijks hoorbare slotakkoorden uit het
zicht verdwijnen.
De bejaarden op de trucks denken er echter niet aan om onzichtbaar
te worden. Glimmend van genoegen staan ze fier rechtop al hebben de meesten
daarbij een stok nodig. De toeschouwers juichen en zwaaien met vlaggetjes,
alsof de bevrijding niet vijfenvijftig jaar geleden was maar hier en nu
plaats vindt. Ik kan het vanaf de stoep niet zien, maar ik stel me zo voor
dat de mannen op de trucks tranen in de ogen hebben.
Waardoor komt het toch dat alle oude mannen op elkaar lijken? Allemaal
hebben ze hetzelfde rimpelige appelhoofdje, op alle neuzen glibbert een
bril met een licht montuur, altijd die dunne, trillende lippen die voortdurend
mantra's lijken te murmelen. Bij vrouwen is dat anders, hun trekken worden
juist scherper naarmate ze ouder worden. Ik zie het elke morgen in de spiegel:
een steeds duidelijker smoel. Die laat zich niets meer vertellen, denk
ik dan.
Dan zie ik een man staan die niet glimlacht, maar met een somber
gezicht voor zich uit staart. Hij draagt een keurig getrimde ringbaard
en hij lijkt minder gekrompen dan zijn kameraden.
Ik probeer de auto bij te houden en hoewel hij langzaam rijdt, valt
het niet mee met dat eeuwig trekkende been dat zich nu al drieëntachtig
jaar lang achter de rest van mijn lichaam aan laat slepen. Ik wil langer
naar hem kijken, want ik ken hem, al kan ik hem niet thuisbrengen. De herinnering
maakt me onrustig, net als ik denk dat ik het beeld waarin hij voorkomt
kan vatten, verdwijnt het. Geheugens zijn de pest voor oude mensen: de
hele dag schemert het verleden voor je ogen, maar het blijft een lappendeken
van ervaringen en gedachten waarvan niets te maken valt.
Even vraag ik me af waarom ik hier naar toe ben gekomen. Jeugdsentiment,
denk ik, al was ik zevenentwintig toen ik deze streek een paar dagen na
de bevrijding verliet. Enkele dagen daarvoor had ik vanuit het raam van
de zolder op de boerderij jonge Duitsers door de weilanden zien rennen.
Dat tempo houden ze niet vol tot de grens, dacht ik nog, zelfs niet op
twee gezonde benen.
Ik ging naar Amsterdam en daar ben ik altijd gebleven. Als boer
Theunissen niet in juni 1945 was gestorven, zou ik hem vast nog eens hebben
opgezocht, want hij is goed voor mij geweest. Zijn dagelijkse bijbellezingen
en zijn gezeur over Jezus die ook voor mij aan het kruis gestorven was,
vergeef ik hem graag.
De truck rijdt verder. Ik heb geen zin meer om de rest van de colonne
te aanschouwen en sla een zijstraat in. Ook daar is het feest: kramen met
frisdrank en bier, lachende mensen. Een paar dronken jongens duwen me ruw
opzij.
Ik kies een terras uit waar het niet stampvol is en ga zitten aan
een tafeltje aan de buitenkant. De koffie die me even later wordt gebracht,
smaakt verbrand. Ze zijn nog altijd zuinig hier. Ik had het kunnen weten.
Ik neem de krant uit mijn tas en begin te lezen. Eerst leidt het
rumoer me af maar dan raak ik verdiept in de wirwar van nieuws dat telkens
weer een herhaling lijkt van alles wat al geweest is.
Als ik na een hele tijd opkijk, zit de man met de ringbaard aan
mijn tafeltje. Natuurlijk, denk ik, zo moet het gaan als je nog maar weinig
tijd hebt. De voorziening dient daar rekening mee te houden. Ik knik hem
toe en wil verder lezen, maar weer schemert de versleten herinnering door
mijn hoofd. Ik kijk hem aan.
"Nice day, isn't it?" zeg ik.
"Spreekt u alstublieft Nederlands, ik heb al zo lang geen Nederlands
gesproken," zegt hij bijna smekend.
Ik had het kunnen weten: een ex-landgenoot.
"Maar natuurlijk!" Ik vouw de krant op, leg hem aan de kant en probeer
een goed onderwerp voor een gesprek met een wildvreemde te bedenken. Hij
heeft bruine ogen, net als ik, zijn haar is waarschijnlijk zwart geweest,
net als het mijne.
"Ik ben hier vijfenvijftig jaar niet geweest," zegt hij. "Ik ben
in dit land geboren, maar het is buitenland geworden. Eigenlijk wilde ik
niet terug, maar ja, hoe gaat dat. Vlak voor je dood trekt het leven aan
je voorbij. De hoogtepunten dan. De bevrijding van Apeldoorn was zo'n hoogtepunt.
Daarna zijn er niet veel meer geweest. Kunt u zich dat voorstellen? Vijfenvijftig
jaar waarin niets van enig belang is gebeurd?"
"Eerlijk gezegd niet. U overdrijft. Uw herinneringen zijn overspoeld
door de indrukken van vandaag."
Ik mag hem wel. Mijn hele leven ben ik gevallen voor mannen en vrouwen
die het leven zwaar opnemen. Zij hebben het gelijk aan hun kant, want het
is niet niks waarmee we worden opgezadeld als we geboren worden. Ik klamp
me tegen beter weten vast aan het idee dat alles altijd nog erger kan.
"Ik overdrijf niet. Ik teer op een roemrucht verleden dat een week
heeft geduurd. Daarna het gebruikelijke gangetje van trouwen, kinderen
krijgen, je daar zorgen over maken en alleen achter blijven. U kent dat
waarschijnlijk wel."
"Nee, dat ken ik niet," zeg ik. Mijn leven is nooit zijn gangetje
gegaan omdat ik nergens lang wilde blijven, niet bij een geliefde, niet
in een baan.
"Op de een of andere manier dacht ik dat al," zegt hij met een glimlach.
"Wat doet u hier? Was u hier destijds ook?"
Ik knik. Hij drinkt zijn koffie en kijkt op zijn horloge.
"Mag ik u een voorstel doen?"
"Dat mag altijd."
"Ik moet gaan lunchen met mijn kameraden." Het laatste woord spreekt
hij op cynische toon uit. "Eigenlijk moet ik vanavond ook aanzitten aan
het diner dat ons door de stad wordt aangeboden, maar daar kan ik wel onderuit.
Tegen die tijd zijn ze allemaal zo dronken dat ze me niet zullen missen.
Wilt u met mij gaan eten?" Hij kijkt me gespannen aan. Mijn antwoord is
belangrijk.
"Dat lijkt me gezellig," zeg ik. "Zullen we zeggen, om vijf uur,
hier op dezelfde plaats?"
"Graag!" zegt hij. Opmerkelijk kwiek springt hij op, schudt me de
hand en loopt in de richting van het gemeentehuis waar de veteranen wel
onthaald zullen worden.
Ik buig me over de krant, lees een bericht over een verongelukte
veerboot in Griekenland en plotseling weet ik wie hij is.
Op het schip was het stampvol, zeker op het derde klas dek. De volwassenen
moeten geleden hebben onder de reis, want ze hadden nauwelijks een vierkante
meter voor zichzelf. Maar ik herinner me eindeloze speurtochten door de
mensenmassa's en elke dag opnieuw andere kinderen om mee te spelen. Zelfs
hun schelden leek speelser dan in Rotterdam dat we voorgoed hadden verlaten.
Mijn moeder lag het grootste deel van de reis in de hut omdat ze
last van zeeziekte had. Later heb ik wel eens gedacht dat ze misselijk
van angst was om wat haar te wachten stond in de nieuwe wereld.
Ik dacht daar niet bij na. Ik wist alleen dat er iets opwindends
stond te gebeuren, dat ons leven van nu af aan anders zou zijn. Mijn vader
had het herhaaldelijk gezegd: de armoede zou voorbij zijn aan de overkant,
want daar waren ze niet bang voor mensen zoals hij die zeiden waar het
op stond. Zolang je hard werkte, legde niemand je wat in de weg en kwam
je vooruit. Elke dag zou ik brood met jam eten en elke dag vlees, niet
alleen bij bijzondere gelegenheden. Toen hij eenmaal had besloten dat we
zouden emigreren, gaf hij ons Engelse les. Elke avond moesten we Engels
spreken en toen de vertrekdatum dichterbij kwam, werd het ons verboden
om nog maar een woord Nederlands te bezigen.
Na wat jaren leek, kwam het schip eindelijk aan. Grote gebouwen
doemden op, alles leek heel groot na al die weken op zee. Mijn broer en
ik stonden naast elkaar bij de reling. Mijn vader hield me stevig vast
bij de schouders. Zijn handen beefden.
"Dit is Amerika," sprak hij zacht. "Wie weet kunnen de dokters je
hier wel genezen."
Dat geloofde ik niet. Mijn ene been zou altijd korter blijven dan
het andere. "Mankepoot!" zouden ze me mijn leven lang toeschreeuwen. Schelden
doet geen zeer, zei mijn moeder vaak.
Het schip legde aan in een grote haven waar we allemaal van boord
moesten. Vervolgens wezen matrozen ons een plaats in sloepen die langs
de kade klaar lagen.
"We gaan weer terug!" riep ik toen onze sloep de haven verliet.
"Doe niet zo idioot, trekkepoot!" sneerde mijn broer. Mijn vader
gaf hem een klap in het gezicht. Mijn moeder zat stilletjes op de bank,
haar handtas stevig in haar handen geklemd.
Een tijdje later legde de sloep aan bij een eiland dat vol stond
met gebouwen. Vreemd, ik dacht dat eilanden stranden hadden en bossen.
Hier was alleen steen. We stapten de kade op en werden door mannen in donkere
uniformen naar een groot gebouw geleid.
In de hal liepen heel veel mensen, honderden, misschien zelfs duizenden,
druk pratend door elkaar heen. Veel gezichten herkende ik van het schip,
al zagen ze er nu heel anders uit: ernstiger, bezorgder.
Nadat we lang hadden gewacht, gebaarden de mannen in zwarte uniformen,
die de hele tijd door de menigte hadden gelopen, dat we in de rij moesten
gaan staan. Mijn vader hield mijn broer en mij bij de hand, mijn moeder
stond naast me, nog altijd sprak ze niet.
Er verschenen vier mannen in witte jassen.
"De dokters," fluisterde mijn vader.
Ze liepen met hun handen op de rug de rij langs. Een van hen gebaarde
een vrouw dat ze naar voren moest komen. Ze moest een stukje lopen. De
arts keek nauwlettend toe hoe ze het er afbracht en knikte. Ze mocht weer
terug naar haar plaats.
Een andere vrouw werd uit de rij gehaald. Een arts duwde haar hoofd
ruw naar achter en sperde met twee handen haar mond open. Hij keek er lang
in. Toen liet hij los en schudde zijn hoofd. Een man in zwart uniform die
steeds achter de dokters aanliep, schreef met blauw krijt een grote "M"
op haar rug. Ze werd naar een plek aan de andere zijde van de hal gebracht,
waar ze achter een touw moest gaan staan.
De dokters beklopten en bevoelden verschillende mensen die ze willekeurig
leken te selecteren. Af en toe werd er iemand achter het touw verwezen.
Toen ze bij ons kwamen, deed mijn vader een stap naar voren zodat ik achter
hem kwam te staan. De dokter schoof hem opzij en wenkte mij. Ik liep naar
hem toe in de verwachting dat hij in mijn mond zou gaan kijken of aan mijn
arm zou gaan trekken zoals ik hem steeds had zien doen, maar hij gebaarde
slechts naar de man in het zwart. Die kalkte wat op mijn rug en wees naar
het touw aan de overkant. Mijn ouders en mijn broer liepen met me mee.
"Ik heb het toch steeds gezegd, we komen er niet door met haar!"
zei mijn moeder op huilerige toon.
"Er is nog niets besloten," zei mijn vader. "Straks wordt ze verder
onderzocht en dan zien ze heus hoe gezond dat kind voor de rest is. Het
zijn geen idioten hier."
Ik wist niet wat er aan de hand was, alleen dat het iets ergs was
en mijn schuld. Ik wilde mijn vaders hand pakken maar het was beter als
hij me nu niet op zou merken.
De hele middag moesten we wachten. Af en toe werd er iemand opgehaald
door een verpleegster, die verschrikkelijk oud was, veel ouder nog dan
mijn ouders. We kregen soep die me niet smaakte. Al die tijd zwegen we,
zelfs mijn broer.
Eindelijk kwam de verpleegster mij halen. Ze bracht me naar een
klein kamertje aan het einde van een lange gang. Er stonden allerlei instrumenten
met haken en lampen eraan. Achter een bureau zaten twee dokters.
"Walk!" beet een van hen me toe.
Ik aarzelde. Ik had het idee dat het beter was als hij me niet zag
lopen, maar hij keek zo streng dat ik niet durfde te weigeren. Mijn been
leek nog korter dan anders toen ik een paar loden stappen in de richting
van de muur deed.
"Die komt er niet in," zei de ene dokter tegen de andere, kennelijk
in de veronderstelling dat ik hem niet verstond. "Stel je voor dat zo eentje
kinderen krijgt!"
De verpleegster nam mij mee naar de deur waar een man in uniform
me overnam. Hij greep me stevig bij de schouder alsof hij bang was dat
ik zou ontvluchten. Hij bracht me terug naar mijn familie bij het touw.
"Ze moet terug," zei de man. Mijn vader verbleekte. Ik probeerde
zijn blik te vangen om te zien of hij erg kwaad op mij was maar hij keek
me niet aan.
"De familie gaat bij een jong kind meestal mee terug," zei de man.
"Er is niets aan te doen."
Mijn vader streek een hand door zijn haar, zoals hij vaker deed
als hij diep nadacht.
"Het kan niet," stamelde hij. "We hebben niets meer in Nederland.
Er is niets om naar terug te gaan. Alles hebben we verkocht."
"Zo zijn de regels nu eenmaal. Het lijkt hard maar in dit land kunnen
we alleen gezonde mensen gebruiken. Anders gaan we ten onder."
Mijn vader haalde zijn portefeuille tevoorschijn en deed een stap
naar voren zodat hij dichter bij de man kwam te staan.
"Laat haar alleen terug gaan," fluisterde hij. "Dan zijn we allemaal
beter af." Hij hield de man een bankbiljet voor. Die keek aarzelend om
zich heen.
"Is er opvang voor haar?" vroeg hij.
"Mijn zuster, ze kan bij mijn zuster Jopie wonen." sprak mijn vader
haastig. De man nam het bankbiljet aan en maande mij met hem mee te lopen.
"Ik wil blijven!" gilde ik. "Ik wil niet naar tante Jopie!" Mijn
ouders bleven met gebogen hoofden staan. Alleen mijn broer keek me aan
met grote ogen en een open mond. Toen ik bij de uitgang achterom keek,
waren ze verdwenen. De hele reis terug stond ik bij de reling en maakte
ik me zorgen over hoe ik bij tante Jopie moest komen. Ik wist de weg niet.
Toen het schip aankwam in Rotterdam stond ze op de kade. Ik zag haar van
verre. Op de loopplank kwam ze me tegemoet. "Ik dacht het wel," zei ze.
Mijn opwinding neemt toe naarmate de tijd verstrijkt. Ik kan bijna
niet wachten tot het vijf uur is, ik wil mijn broer zien. Alles moet hij
me vertellen. Ik wil weten hoe ze het is vergaan, of mijn vader werk heeft
gevonden en dat heeft kunnen houden. Of ze ooit de armoede te boven zijn
gekomen. Tante Jopie kreeg soms brieven van hen maar ze wilde er me nooit
iets over vertellen.
"Sommige dingen kun je beter niet weten," zei ze als ik er om vroeg.
Mijn broer moet mijn geschiedenis compleet maken, de gapende gaten
tussen mijn geheugenflarden overbruggen.
Eindelijk komt hij aangelopen. Hij ziet er ouder uit dan aan het
begin van de middag, de festiviteiten hebben hem waarschijnlijk geen goed
gedaan. Het was beter geweest als hij bij mij op het terras was gebleven.
Hij gaat op de stoel vlak naast mij zitten.
"Laten we eerst nog wat drinken," zeg ik. Ik wil hem vragen hoe
hij heet al heb ik zijn naam niet nodig om zijn identiteit te bevestigen.
Maar ik besluit even te wachten. Eerst moet hij tot rust komen. Straks
zal hij urenlang aan het woord zijn.
"Het was slopend," verzucht hij. "Al die verhalen. Het was beter
geweest als we toen gesneuveld waren."
"Ach, zo te zien vermaken ze zich wel," zeg ik. Na een borrel of
wat zal zijn stemming vast opklaren.
"Belachelijk, al die oude mannen in uniform," snuift hij. "Het ergste
is nog dat ik erbij hoor!" Met een woest gebaar neemt hij zijn militaire
pet af en smijt hem op tafel.
"Ik had hier niet moeten komen," vervolgt hij. "Ik hoopte dat ik
me weer levend zou voelen, zoals toen. Maar het tegendeel is het geval.
Die vijfenvijftig jaar vol niksigheid zijn nog zwaarder gaan wegen."
Ik leg mijn hand op zijn arm en wenk de ober.
"Ik bestel wat te drinken," zeg ik. "De vermoeienissen van de dag
breken u op. Dat is heel begrijpelijk." De ober noteert de bestelling en
nog geen tel later staan er twee glaasjes jenever op de tafel. Als die
leeg zijn, zeg ik:
"Laten we gaan eten. Ik weet een goed restaurant hier vlak in de
buurt."
Gelukkig heb ik vanmorgen gezocht op internet. Apeldoorn is vooruit
gegaan, je kan er Grieks en Italiaans eten, zelfs op zondag. Maar het belangrijkste
is dat het restaurant dat ik heb uitgezocht vlakbij is. Ver zou ik niet
meer kunnen lopen want mijn benen doen pijn.
Hij biedt me zijn arm aan als hij ziet dat ik trek met mijn been.
"Hoe komt dat?" vraagt hij bezorgd. "Een ongeluk?"
"Nee, zo ben ik geboren. Daarom ben ik hier, door dat been werd
ik teruggestuurd van Ellis Island."
Ik kijk naar hem of ik een glimp van herkenning zie, maar zijn uitdrukking
van vermoeide gekweldheid verandert niet.
"Ellis Island? Ik heb gehoord dat het er daar vreselijk aan toe
ging. In Canada was de ontvangst een stuk hartelijker, ook toen al."
Bijna begin ik hardop te lachen. Wat een dwaas ben ik toch. Wat
weg is, komt niet meer terug, dat zou ik zo onderhand toch moeten weten.
Ik klem mijn arm steviger in de zijne en zeg:
"Laten we doorlopen. Ik heb honger."
|