Bezoeking

Na de tweede kop koffie stopten de meubels met dansen en zakte de misselijkheid. Alma zette haar voeten stevig op de grond en probeerde op te staan. Ze staakte haar poging snel omdat de kamer om haar heen opnieuw begon te draaien.
In de stoel tegenover haar zat iemand, die ze zich vaag herinnerde. De vrouw, dik en groot, staarde haar grimmig aan. Er lag verwijt in haar blik. Alma vroeg zich af wat dat mens midden in de nacht in haar kamer deed. Flarden van de gebeurtenissen van de voorafgaande uren schoten door haar hoofd. Een donkere bar, een lichaam dat zich opdrong aan het hare, een gretige hand op haar borst. Er moest een verband tussen deze flarden en haar gast zijn.
"Gaat het?", vroeg de vrouw.
Alma knikte. Haar hoofd bonkte.
"Wat doe je hier eigenlijk", bracht ze met moeite uit.
"Je bent behoorlijk bezopen", zei de vrouw, "Weet je het niet meer? Je hebt me versierd, vannacht in de kroeg".
Alma bekeek haar eens goed. De vrouw had een bleek gezicht, dat ontsierd werd door lillende kwabben onder de kin en waterige oogjes. Boven een wijde bloemetjesbroek droeg ze een wit, met zweetplekken doortrokken hemd. Ze kon zich niet voorstellen dat ze deze dragonder had verleid.
Wat er aan haar vlucht naar de kroeg vooraf was gegaan, zag ze des te scherper voor zich.

Haar ouders waren op bezoek. Dat kwam gelukkig zelden voor: wat Alma betreft waren de twee, drie keer per jaar ook nog teveel. Zoals altijd kwamen ze om klokslag zeven uur en plantten ze zich in een stoel. Daar zaten ze, massief en onwrikbaar, als obstakels die door de een of andere natuurramp de huiskamer in waren geworpen.
Haar moeder beschouwde de kamer kritisch. Haar ogen gingen van het aanrecht langs de ramen en over de vloer. Neerhangende mondhoeken trokken haar lippen in smalle, bloedeloze strepen. Haar vader beefde. Af en toe mompelde hij iets onverstaanbaars: een halfslachtige poging deel te nemen aan het gesprek. Haar moeder praatte onophoudelijk en sloeg geen acht op wat hij zei.
"Tante Greet is laatst naar het ziekenhuis geweest", vertelde ze, "Er zat een cyste in haar buik. Eerst waren ze bang dat het kanker was."
Ze verhaalde met zichtbaar genoegen van de pijnlijke onderzoeken die tante Greet had moeten ondergaan, van het urenlange wachten in het ziekenhuis met een blaas die op springen stond, van de angst voor de uitslag en van de operatie, die nog bijna fout was afgelopen door een vergissing van de anesthesist. De woordenstroom ging over in een monotoon gezoem dat Alma loom en afwezig maakte. Ze keek op haar horloge. Bijna half acht. Nog minstens twee uur zouden ze blijven.
"Willen jullie nog koffie?", vroeg ze. Ze schudden het hoofd.
"Eventjes wachten", zei haar vader. Het tweede kopje koffie hoorde pas om acht uur te worden gedronken. Haar moeder praatte door over de lotgevallen van tante Greet die na de operatie ook nog eens een enkel had gekneusd. Alma zonk weer weg totdat haar moeder zei:
"Je mag hier wel eens flink schoonmaken."
Daar had je het weer. Alma kreeg het gevoel dat haar huis was bezet door een vreemde mogendheid.
"En aan je haar mag je ook wel eens wat doen", ging haar moeder verder.
Haar vader keek nerveus uit het raam.
"Dat maak ik zelf wel uit", prevelde Alma.
"Geen wonder dat niemand bij je blijft, zo'n slons als jij bent."
Haar moeder bekeek haar geringschattend.
"Je hebt niet veel meegekregen van moeder natuur, dat moet gezegd worden. Maar juist daarom zou je beter op je uiterlijk moeten letten. Juist omdat je van jezelf niet zoveel hebt."
Zinnen die ze haar moeder toe zou willen schreeuwen, schoten verminkt door haar hoofd en verdwenen voordat ze ze kon vatten.
"Ik ben gisteren nog wezen vissen", begon haar vader.
Haar moeder negeerde zijn poging om van gespreksonderwerp te veranderen.
"Ik kan natuurlijk net zo goed tegen de muur praten want je luistert nooit naar je moeder. Dat heb je nooit gedaan. En zit niet zo verongelijkt te kijken. Mag ik soms de waarheid niet meer zeggen?"
"Ik ga de planten buiten water geven voordat het te donker is", zei Alma.
Ze zette de televisie aan en de twee grijze hoofden draaiden zich meteen naar het scherm, waar een quiz aan de gang was.
Eenmaal in de tuin huilde ze geluidloos. Ze balde haar vuisten en schopte een steen weg. Ze loerde door het raam en ving een glimp op van de versteende gezichten die door onzichtbare stralen aan het televisiescherm waren vastgeklonken.
Ze wilde gillen, luidkeels gillen, maar het besef dat de hele buurt daar getuige van zou zijn, weerhield haar daarvan. "Ik pik het niet meer", zei ze in plaats daarvan zacht voor zich uit. Ze doofde haar sigaret en ging naar binnen. Bij de kamerdeur aarzelde ze even. Toen ze voldoende moed had verzameld, gooide ze de deur open. Woedend rukte ze de stekker van het televisiesnoer uit het stopcontact en zei:
"Ik wil dat jullie weggaan, nu!".
Haar vader begon heviger te beven. Haar moeder keek haar verwonderd aan. Daarna was er een korte blik van verstandhouding tussen haar ouders. Alma kende die blik, die zei: 'Ach, laat maar, ze heeft weer één van die buien, je weet toch, ze is nooit helemaal in orde geweest.' Haar moeder pakte haar handtas, drukte die stevig onder haar arm en stond op. Haar vader volgde haar gedwee naar de deur. Op de drempel snauwde haar moeder haar toe:
"Bedankt voor je gastvrijheid!".
Alma wachtte niet totdat ze waren weggereden maar smeet de deur achter hen dicht.
Ze trok een fles wijn open en dronk gulzig. Pas na het vierde glas week haar woede enigszins. Een gevoel van onrust, alsof ze haast had maar niet wist waarmee, kwam ervoor in de plaats. Ze ijsbeerde door de kamer, dronk, ging zitten, sprong weer op. Vanavond kon ze niet thuis blijven. Ze wilde leven al zou ze niet kunnen zeggen hoe. Ze wist alleen dat ze het gevoel van verdorring uit haar lijf wilde schudden, dat zich daar had genesteld en haar helemaal in bezit dreigde te nemen.
Ze douchte, poetste zorgvuldig haar tanden, trok een strakke spijkerbroek en een ruimvallend shirt aan en sprong op de fiets.
Ze kon haar fiets maar met moeite in bedwang houden. Eén keer raakte ze met haar voorwiel bijna de stoeprand. Ze gooide haar stuur de andere kant op en moest haar linkerbeen op de grond zetten om in evenwicht te blijven.
Het zou veel beter zijn om naar huis terug te gaan en te gaan slapen. Maar ze zou geen oog dicht doen. Haar moeder zou in het donker aanwezig zijn, aanvankelijk nauwelijks merkbaar, maar dan zou ze zich losmaken uit het duister en haar op hoge toon vragen wat haar in godsnaam had bezield om haar eigen ouders het huis uit te zetten.
Daarom moest ze doorzetten en zich vol laten lopen tot ze de avond vergeten was.
Ze parkeerde haar fiets op de gracht en bevestigde het kettingslot aan het achterwiel. Hopelijk stond hij er straks nog als ze terugkwam. Op een avond als deze was de kans groot dat hij gestolen werd: een ongeluk kwam nooit alleen. Nadat ze had aangebeld bij de Adonisbar verscheen het gezicht van Anneke, de uitsmijter, door het kleine luikje in de deur. Even later ging de zware deur open. Anneke nam haar jas aan. Alma nam zich voor haar als ze wegging een flinke fooi te geven.
Ze nam plaats achter de bar en bestelde een duvel. In het vage schemerlicht onderscheidde ze aan de andere kant van de bar twee mannen van in de zestig die met elkaar praatten en elkaar af en toe voorzichtig zoenden. Ontluikende liefde, dacht ze. Zo nu en dan ging de barman naar hen toe en mengde zich met een enkel woord in het gesprek terwijl hij met een doek de glazen poetste.
Er werd aangebeld. Een grote vrouw stapte binnen. Ze trok haar jas uit en negeerde Anneke, die hem aan wilde nemen. Achter haar rug stak Anneke haar middelvinger omhoog. Die kwam er nooit meer in.
De vrouw kwam naast Alma zitten.
"Jij ook nog wat?", vroeg ze, terwijl ze om Alma's lege glas wees.
Alma knikte. De vrouw nam haar van top tot teen op en floot goedkeurend.
"Je mag er wezen, wijffie", zei ze.
"Oh", zei Alma. Ze dronk verder. Ze voelde nog hoe de vrouw een hand op haar knie legde.
Wat er daarna gebeurd was, kon ze zich niet herinneren. Misschien had ze met de vrouw gepraat en het was zelfs denkbaar dat ze haar echt had uitgenodigd mee te gaan naar haar huis.

In ieder geval zat ze nu tegenover haar terwijl ze duizelig en misselijk was. Het mens zat met haar armen over elkaar en keek nog steeds nors. Ze moest weg, maar hoe zou ze dat moeten brengen?
"Je moet naar je nest", zei de vrouw. Ze stond op en greep Alma ruw bij de arm. Die liet zich meevoeren naar de slaapkamer terwijl zinnen door haar hoofd schoten die ze zou kunnen gebruiken om de vrouw het huis uit te krijgen. 'Sorry, ik wil even alleen zijn', 'Mijn vriendin kan elk moment thuiskomen uit de nachtdienst', 'Ik ga zo kotsen en dat lijkt me niet prettig voor jou'.
Maar haar tong lag droog en opgezwollen in haar mond. Spreken was onmogelijk.
De vrouw kleedde haar uit en legde haar op het bed. Toen ze eenmaal haar matras voelde, sluimerde ze even weg. "Je bent niets, helemaal niets", hoorde ze haar moeder zeggen. Ze schrok wakker. In de hoek van de kamer ritselde iets. Even dacht ze dat het haar moeder was. Op het moment dat ze besefte dat het de vrouw moest zijn, werd ze bedolven onder haar logge lichaam.
Vochtige handen knepen in haar borsten, natte lippen werden op de hare gedrukt en stug schaamhaar schuurde over haar buik. Ze probeerde onder het lichaam vandaan te komen, maar het was te zwaar.
"Hou op, ga weg", riep ze, daarbij een golf van misselijkheid onderdrukkend. Haar armen deden pijn door de druk van enorme klauwen. Ze worstelde en slaagde een been te raken dat haar omknelde.
"Godverdomme, trut!". De vrouw rolde van haar af. Alma ging zitten en knipte het licht aan. In de hoek van de kamer greep de vrouw in het bundeltje kleren dat op de grond lag en kleedde zich driftig aan.
"Dat kun je niet maken, hoor je me", beet ze Alma toe, "Me zitten opgeilen in die bar en je dan zo gedragen. Daar kom je raar mee op de koffie, dametje, als je zo doorgaat!".
Snuivend verdween ze. Met een klap sloeg ze de deur achter zich dicht.
Toen het geluid van haar voetstappen op de galerij weggeëbd was, liet Alma zich achterover zakken. Het beeld van het woedende gezicht van haar moeder doemde voor haar op evenals de trillende gestalte van haar vader. Ze zouden er altijd zijn, wat ze ook deed.
Ze was klaarwakker en staarde naar het plafond.

© Petra Oomen, maart 2000