Om een halfje volkoren

Pas toen Odilde de maandag erop in de krant keek, herinnerde ze zich
het voorval. Als een schim maakte de scène zich los uit een gebied
van haar geheugen dat door de pijn afgegrendeld was geweest: de donkere
steeg, de magere, schlemielige jongen in kort rood jack die op haar af
kwam lopen, bedeesd zei: "mevrouw.." Daarna het zwart voor haar ogen door
die flits van herkenning, door het weten dat ergens anders zetelde dan
in haar hersenen. Haar arm die zich als vanzelf ophief, de kaakslag, het
wankelen en de klap van zijn hoofd dat tegen de muur sloeg.
Wat er daarna was gebeurd, kon ze zich niet herinneren. Ze was thuisgekomen,
want zondagmorgen was ze wakker geworden in haar eigen bed.
24-jarige man dood gevonden op straat. Daders nog niet gevonden.
Explosie van zinloos geweld.
Het hoefde natuurlijk niet dezelfde te zijn. Er liepen op zaterdagavond
zoveel jongemannen van die leeftijd rond in de stad. Er kregen er zoveel
een klap. Even overwoog ze Dolores te bellen, maar ze bedacht dat ze haar
telefoonnummer niet had. Het zou toch nergens goed voor zijn geweest. Dolores
had ze achtergelaten in het café, die zou voorlopig nog niet uitgelachen
zijn. Misschien zat ze nog altijd wel te schuddebuiken.
Dolores had tegenover haar aan het tafeltje gezeten en blies sigarettenrook
in haar gezicht. Aanvankelijk had ze een geamuseerde glimlach op haar gezicht.
Die ene zin, die alles kapot gemaakt had, sneed nog altijd door
Odilde's ziel, alsof hij steeds opnieuw werd uitgesproken en steeds opnieuw
de grond onder haar bestaan wegsloeg. Sinds Odilde de eerste keer de bakker
was binnengegaan en Dolores achter de toonbank had zien staan, had ze nergens
anders meer aan gedacht. Dolores was blond en had blauwpaarse ogen, die
je doordringend aankeken, waarachter een diepte zat, die ontgonnen moest
worden. Toen ze aan de beurt was, was ze nauwelijks in staat om het brood
te bestellen, want haar keel zat dicht en bovendien wist ze de juiste woorden
niet zo gauw te vinden.
Odilde zette het halfje volkoren op het aanrecht toen ze thuis was
en keek er naar, alsof het Dolores zelf was die daar stond. Even streelde
ze de harde korst, daarna legde ze het voorzichtig in de broodtrommel.
Ze ging elke dag naar de bakker. Als het druk was, liet ze andere
klanten voorgaan, zodat ze langer naar Dolores kon kijken. Die zorgvuldig
gebaksdoosjes openvouwde en daarin de gebakjes netjes naast elkaar legde,
die lange, slanke vingers had met rond geknipte, korte nagels, wier borsten
stonden afgetekend in het smetteloos witte schort. Na een paar dagen liet
Dolores met een korte hoofdknik en een vage glimlach blijken dat ze Odilde
herkende als ze binnenkwam.
"Hetzelfde?", vroeg ze dan. De vraag zong de hele dag door Odilde's
hoofd. Dolores zag uit naar haar komst. Wat kon die zachte glimlach, die
de professionele beleefdheid oversteeg, anders betekenen?
Het slachtoffer heette Jaap Schoener, hoorde ze op de regionale zender.
Morgenavond zou er een stille tocht worden georganiseerd ter zijner nagedachtenis
en uit protest tegen het toenemend geweld op straat. Jaaps vader werd geïnterviewd.
Hij riep iedereen op om te komen. Hij was nu een zoon verloren en hij wilde
voorkomen dat andere ouders hetzelfde moesten doormaken.
Duizenden mensen op straat om haar, Odilde, aan te klagen. Vanwege
een klap die ze in een opwelling had gegeven. Nogmaals riep ze de scène
in haar herinnering: het was stil geweest in die straat. Behalve de jongen
had ze er niemand gezien. Niemand hoefde het ooit te weten. Hoe zouden
ze haar ooit op het spoor moeten komen?
Op televisie ontvouwde een deskundige een theorie over jongeren
die geen doel hadden in hun leven, die niet gestuurd werden door hun ouders
en die veiligheid zochten binnen hun groep. Daarom nam dit soort excessen
toe. Het had te maken met de toenemende individualisering en de daarmee
samenhangende afname van sociale controle.
Geen mens zou denken dat de dader een veertigjarige vrouw was die
zojuist vreselijk was vernederd. Ze zat goed.
Die wetenschap stelde haar echter niet gerust. Ergens knaagde het
besef dat haar leven voorbij was, dat ze dat met die klap had vermorzeld.
Soms, als het stil was in de winkel, maakte ze een praatje met Dolores,
meestal over onbeduidende zaken, zoals het weer, broodsoorten, vaak over
de lijn, want Dolores vond dat ze te dik was. Ze kon het niet laten om
de stukgevallen gebakjes op te eten, ook al wist ze dat dat slecht voor
haar figuur was.
"Je bent perfect zoals je bent", had Odilde eens gezegd. Dolores
had haar een moment verbijsterd aangekeken alsof ze dat onmogelijk kon
menen, alsof ze maar wat raaskalde.
"Je bent aardig", was haar reactie geweest.
Nadat Odilde maandenlang elke dag naar de bakker was gegaan, vatte
ze het plan op een afspraak met Dolores te maken. Het idee hield haar een
hele nacht uit de slaap, maar hoe ze ook tobde, het was onmogelijk om Dolores'
reactie in te schatten.
Ze was de eerste klant toen de winkel 's morgens om acht uur openging.
Dolores was nog bezig om het verse brood in de schappen te leggen.
"Hoi!", zei ze toen ze Odilde zag. Odilde dacht blijdschap in haar
stem te horen. "Wat ben je vroeg. Zeker druk vandaag."
"Gaat wel", mompelde Odilde.
"Hetzelfde?"
"Doe er maar een saucijzenbroodje bij. Koud."
"Gelijk heb je, meid. Je leeft maar één keer."
Dolores nam een halfje volkoren van de plank en legde het op de
toonbank. Uit de vitrine met hartige broodjes nam ze een saucijzenbroodje
en stopte dat zorgvuldig in een zakje.
"Dat is dan vier vijfenzeventig."
Met trillende handen haalde Odilde haar portemonnee uit haar jaszak
en reikte Dolores een muntstuk van vijf gulden aan.
"Heb jij wat te doen, zaterdagavond?", vroeg ze.
Dolores keek haar vragend aan.
"Zaterdagavond, heb je zin om met mij naar de stad te gaan, wat
drinken."
Dolores staarde naar het plafond alsof ze diep moest nadenken over
die vraag.
"Ja, waarom niet", zei ze uiteindelijk.
Op het achtuur journaal werd gemeld dat de stille tocht op alle kanalen
integraal zou worden uitgezonden.
Odilde smeerde een boterham en at zonder te proeven.
Iedereen zou erover spreken. Ze zouden zeggen hoe verschrikkelijk
het allemaal was, dat ze die jongens naar een werkkamp moesten sturen,
dat het steeds gekker werd en je tegenwoordig niet meer veilig over straat
kon. Het was beter dat ze zich niet vertoonde, want de schuld zou van haar
gezicht te lezen zijn.
Ze balde haar vuist en keek naar de knokkels: niets te zien, nog
geen schrammetje. Niemand zou het ooit weten, herhaalde ze nog eens tegen
zichzelf. Maar ondertussen had ze wel de dood van een geliefde zoon op
haar geweten. Het moest dezelfde wel zijn, het kon bijna niet anders. Een
geketend bestaan zou ze voortaan leiden.
Aanvankelijk was het gezellig geweest in het café. Ze dronken
wijn, de ene fles na de andere. Eindelijk kon Odilde onafgebroken naar
Dolores kijken, die honderduit praatte over de zware dagen in de winkel,
over klanten die brood terug kwamen brengen omdat het van gisteren zou
zijn, over haar vakantie die ze in Italië zou doorbrengen.
"Ik hou van je", zei Odilde plotseling.
"Wat zeg je?", vroeg Dolores alsof ze haar niet goed had verstaan.
"Wat ik zeg. Ik hou van je. Al maanden."
Dolores wierp haar hoofd naar achteren en schaterde het uit. Ze
sloeg haar hand op tafel en herhaalde steeds: "Ze houdt van me, ze houdt
van me."
Even onderbrak ze het lachen, keek Odilde met die neerbuigende glimlach
aan en zei:
"Je denkt toch niet dat ik wat in jóu zie?". Daarna was ze
weer in lachen uitgebarsten. Odilde verliet het café haastig en
liep die straat in. De volgende morgen werd ze wakker met het gevoel alsof
er iets zwaars op haar drukte dat nooit meer van haar af zou gaan.
Op de avond van de stille tocht ging Odilde voor de televisie zitten.
Eigenlijk was ze van plan geweest niet te kijken maar een onzichtbare macht
dwong haar.
De opkomst was groot, vierduizend mensen hadden zich verzameld op
het plein voor de grote kerk. Allemaal hadden ze een brandend kaarsje in
de hand.
Dit collectieve verdriet had zij veroorzaakt, zij alleen, ze had
dit niet gewild maar toch had ze het gedaan.
Deelnemers aan de tocht werden geïnterviewd. Er werd hun gevraagd
waarom ze meeliepen. Allemaal vertelden ze dat het geweld hen angstig maakte
omdat het niet te verklaren was en dat ze de familie van Jaap Schoener
wilden bijstaan.
Er werd ingezoomd op de familie die vooraan liep. De vader, het
hoofd gebogen en tranen in de ogen. De moeder, die door hem werd ondersteund
en onbedaarlijk huilde. Toen stokte haar adem. Naast de moeder liep Dolores.
|