Het uur is 0

Midden op de dag heb ik mijn werk neergelegd om mijn gedachten te
ordenen. Het is verkeerd, want mijn innerlijke belevingen horen thuis en
niet hier. Het water staat me echter aan de lippen zodat deze werkonderbreking
aan te merken is als een noodgeval. Er is er teveel gebeurd, of liever,
er dreigt teveel te gaan gebeuren.
Een dag als alle andere, zo lijkt het. Buiten motregen en donkere
wolken. Het is kil. Ik kan de straat niet zien, want alleen in de pauze
loop ik naar het raam om naar beneden te kijken. Ongetwijfeld lopen de
mensen met gebogen hoofd en de handen in de zakken van hun jas. De motoren
van de bussen op het streekstation zullen ronken en dichte slierten uitlaatgas
dwarrelen moeizaam de regen in.
Hier boven, op de negende etage, is het altijd twintig graden. In
de kamer hiernaast is het materiaal, daar wordt het nooit warmer dan vijftien
graden want anders zouden de knipsels en rapporten snel verloren gaan.
Twintig jaar werk ik hier. Ik ben de eerste en de enige archivaris
van de Stichting Belle Verdonschot en ik ben er trots op. Toen ik begon,
was er niets dan de map met krantenknipsels die Belle Verdonschot had nagelaten.
Nu zitten de archiefkasten vol met knipsels en rapporten van Verkeer en
Waterstaat en andere instanties die zich bezighouden met ongevallen en
het terugdringen daarvan. Ik archiveer alle ongelukken, niet alleen die
met dodelijke afloop of zwaar letsel.
Elk ongeval kan ik bijna blindelings terugvinden. Voor mij zijn
de catalogi die ik heb gemaakt niet nodig, maar een bezoeker die bijvoorbeeld
een rapport wil schrijven over fietsongevallen buiten de randstad kan binnen
een half uur de benodigde documentatie vinden. Niet dat er ooit een bezoeker
komt: in al die twintig jaar is hier nooit iemand anders geweest dan de
bestuursleden.
Die komen elk jaar bijeen op de sterfdatum van Belle Verdonschot
om de oprichting van de Stichting te vieren. De werkstudenten die het materiaal
verzamelen worden wel uitgenodigd voor de Viering, maar zij verschijnen
zelden. Liever zou ook ik wegblijven, maar dat kan natuurlijk niet. De
receptie vindt immers plaats in mijn werkruimte. Anne de Wit, de voorzitter,
staat er bovendien op dat ik er bij ben.
"Je bent het hart van de zaak," zegt ze vaak. "Zonder jou zou de
Stichting er niet zijn, zouden we de bepalingen van het testament van Belle
Verdonschot niet waar kunnen maken."
Ik zorg voor de drankjes en de hapjes. Daar heb ik niet zoveel werk
aan, want ik bestel alles bij de cateraar beneden. Toch lig ik al weken
voor de datum van de Viering 's nachts wakker. Steeds zie ik de valse glimlachen
op de gezichten van de bestuursleden, hoor ik ze met geveinsde belangstelling
tegen me spreken.
"Wat heb je het weer voortreffelijk verzorgd, Niene," of "Wat Goed!
Er zijn alweer zes kasten bijgekomen." Als ik wat wil terugzeggen, draaien
ze zich om naar de mensen voor wie ze gekomen zijn. Allemaal hebben ze
in het dagelijks leven te maken met ongevallen. Cor Bezemer is van de Bovag
en zit in het bestuur om een bijdrage te leveren vanuit het belang van
de autobranche. Marnon van Hesten is van Veilig Verkeer Nederland. Altijd
merkt ze op hoe belangrijk de dataverzameling is, maar nog nooit heeft
zij het archief ingekeken. Anne de Wit was een vriendin van Belle Verdonschot,
die haar op haar sterfbed heeft gevraagd het testament uit te voeren. Zij
is een ervaren bestuurder. De penningmeester, Jos van Rhoden, vindt dat
ik veel weet te doen met een toch beperkt budget. En dan is er nog Diana
van Morsel van slachtofferhulp. Zij zegt niet veel, maar knikt me een paar
keer toe met half toegeknepen ogen. Twee uur lang vul ik hun glazen en
luister naar hun gekir en zacht gefluister, een achtergronddeuntje dat
mijn wachten begeleidt.
Als ze zijn verdwenen, blijf ik nog een paar uur om te genieten
van het herwinnen van mijn territorium. Een heel jaar zullen ze wegblijven,
een heel jaar lang zal ik niemand zien.
De laatste Viering was drie weken geleden. Anne hield haar gebruikelijke
toespraak over hoe geweldig het is dat er dit jaar alweer meer materiaal
is verzameld dan het vorige. Daarna werden de glazen geheven. Meestal gaat
ze na het tweede glas weg maar nu bleef ze tot de andere vier bestuursleden
waren vertrokken. Ik zette de glazen op het dienblad zodat de cateraar
de spullen direct kon meenemen en dus maar kort in mijn kantoor zou hoeven
zijn.
"Niene, luister eens," sprak ze. Ik verstarde.
"De Stichting moet veranderen," vervolgde ze. "We moeten ons actiever
opstellen, naar buiten treden met het materiaal. Voorlichtingsbijeenkomsten
over gedrag in het verkeer, symposia, congressen!" Ik concentreerde me
op een brandgat in het tapijt. "En personeelsuitbreiding!" riep ze enthousiast.
Ik schrok op. Haar blauwe ogen brandden door mijn lichaam. Mijn
handen begonnen te trillen.
"Een assistente voor jou. Jij wordt ouder en de Stichting heeft
een zekere verantwoordelijkheid voor haar personeel."
De hele dag een ander mens in mijn kantoor, iemand die zich overal
mee zou bemoeien, die ik tekst en uitleg zou moeten geven bij alles wat
ik deed. Dat betekende niet minder dan een ramp.
"Een jonger iemand!" ging Anne verder. "Iemand met organisatietalent
en praktisch inzicht."
Al die jaren had ik kunnen besteden aan het opbouwen van het archief,
helemaal volgens mijn eigen inzichten die gaandeweg waren verbeterd en
verscherpt.
Ik had aangenomen dat alles altijd zou blijven zoals het was. Elke
morgen om half negen precies was ik op mijn werk. Om vijf uur ging ik naar
huis om daar mijn maaltijd in de oven te doen, de televisie aan te zetten
en om negen uur naar bed te gaan. Een perfecte cadans in een helder leven
zonder overbodige opsmuk.
"Ik heb een sollicitante. Donderdag komt ze voor een gesprek." Anne
klopte me op de schouder. Ik kromp ineen. Ze sloeg haar cape om zich heen
en verdween naar de lift.
Thuis leek het leger dan anders. Ik had geen zin om te eten en ging
direct naar bed. Daar lag ik op mijn rug met een bonzend hart. Na een paar
uur stond ik op zonder dat ik een oog dicht had kunnen doen. De bank in
de woonkamer leek me aan te grijnzen met die knopen in de kussens en de
spleet tussen zitvlak en ruggedeelte vervormd tot een reusachtige mond.
Ik ging er tegenover zitten in de leunstoel die nog van mijn vader is geweest.
Het werd kouder naarmate het later werd. Ik trok een deken om me
heen. Om zeven uur stond ik op. Ik wilde naar mijn werk, ook nu mocht ik
mijn plicht niet verzaken. Bovendien was er altijd een kans dat het niks
zou worden met die sollicitante. Wellicht zelfs ging het hele plan niet
door. Immers, Anne zat in wel dertig besturen, dus lag het niet voor de
hand dat ze de voornemens van het bestuur zou vergeten tot de volgende
bestuursvergadering?
Ik nam de post uit de bus en opende de eerste enveloppe. Veel knipsels
uit dagbladen uit het Noorden van het land. Er was alweer een ongeluk gebeurd
op de provinciale weg van Leeuwarden naar Drachten. Daar heb ik een dikke
map van, meest frontale botsingen. De gevolgen zijn vaak ernstig. Al die
mensen haasten zich om maar op tijd in Lauwersoog te zijn, waar vandaan
de boot naar Schiermonnikoog drie keer per dag vertrekt. Waarom ze niet
eerder van huis vertrekken, zal mij altijd een raadsel blijven.
Ik deed een geel plakkertje op het knipsel en schreef er op: Friesland,
auto-frontaal. De meeste ongevallen vallen onder meerdere categorieën,
dus moet ik de knipsels achter meerdere tabs opbergen. Mensen moeten ze
kunnen vinden met alle trefwoorden die ze kunnen associëren met een
bepaald ongeluk.
Ik legde de rest van de knipsels neer en logde in op internet. Anders
haal ik mijn e-mail pas op als ik de post heb gesorteerd en gekopieerd,
maar ik hoopte op een bevrijdend mailtje van Anne. Inderdaad had ze mij
gisterenavond geschreven zodra ze thuis was.
"Beste Niene, de sollicitante over wie ik gisterenmiddag sprak,
heet Isabel de Wit en is een dochter van mijn broer. Toch wil ik niet dat
dat feit doorslaggevend is bij jouw beoordeling van het sollicitatiegesprek
aanstaande donderdag. Wel kan ik je vast vertellen dat zij een doortastende
jonge vrouw is die je veel werk uit handen kan nemen. Bel haar even om
de afspraak te bevestigen."
Ik printte de mail en staarde naar het telefoonnummer. Ik wilde
niet bellen, dat wil ik nooit. Ik kan mijn gedachten niet vertalen naar
gesproken woorden. Zelf word ik gelukkig zelden gebeld. Als iemand mij
wat te melden heeft, doet hij dat schriftelijk.
In dit geval moest ik wel. Het sollicitatiegesprek zou zinloos zijn,
want wie was ik om de nicht van Anne de Wit af te wijzen. Toch moest het
gebeuren. De schijn moest worden opgehouden.
Na een uur draaide ik het nummer. Al die tijd had ik wezenloos op
het papier zitten staren. Niets was er uit mijn handen gekomen.
"Hallo?". Een snerpende, geïrriteerd klinkende stem. Ik stoorde
natuurlijk.
"Spreek ik met Isabel de Wit?" Ik hoopte dat het niet zo was, dat
ze niet thuis was, op vakantie was gegaan naar Australië. Misschien
wilde ze helemaal niet zo graag aan het werk als haar tante dacht.
"Jazeker!"
"Ik wil je uitnodigen voor een sollicitatiegesprek bij de Stichting
Belle Verdonschot, donderdag."
"Mij schikt het het beste om negen uur 's ochtends. De rest van
de dag heb ik afspraken. Tot dan!" Ze verbrak de verbinding.
Ik probeerde verder te werken, maar het ging zo langzaam dat ik
aan het einde van de ochtend nog de post niet had weggewerkt. Het kon me
niet eens zoveel schelen, mijn leven lag achter me.
Die donderdag zat ik om negen uur precies klaar. De koffie had ik
al ingeschonken, zodat we direct van start zouden kunnen gaan. Hoe korter
het duurde hoe liever het me was, ook al betekende dat slechts uitstel
van executie.
Isabelle kwam om tien over negen. Een slechte zaak voor een archivaris
om te laat te komen, dat duidde op een gebrek aan accuratesse.
Ze droeg een zwart broekpak en had haar donkere haar opgestoken.
Ze was langer dan ik zodat ik tegen haar op moest kijken toen ze me een
hand gaf. Een stevige greep was het, alsof ze mijn hand wilde verpulveren.
Ze nam plaats achter mijn bureau, legde haar ene been over het andere.
"Zo, dus hier kom ik werken," zei ze verveeld.
"Daar zouden we over spreken, in ieder geval."
"De bezem moet er door, zegt tante Anne. Net iets voor mij, vond
ze. Nou, ik zal wel zien. Maandag begin ik."
Ze stond op. Haar koffie had ze niet aangeraakt. Bij de deur draaide
ze zich om.
"Maandag zullen we de veranderingen bespreken," zei ze. "Ik heb
een paar ideeën."
Vrijdag is het nu en het uur is 0. Maandag zal Isabel de zaak overnemen
en alles vernietigen wat ik tot stand heb gebracht. Ik zal dat slechts
kunnen verdragen als ik me niet meer verroer en Isabel mij niet opmerkt.
Ik wil niet betrokken worden bij Isabels veranderingsdrift, die alleen
een verslechtering kan betekenen. Ik zal niet kijken naar wat zij doet
maar het beeld vasthouden van het archief zoals het nu is. Deze dag zal
ik tot in het oneindige rekken.
|