De mensen begrijpen mij niet, ze zijn blind voor de Waarheid. Het is zoals J. destijds zei:
"God, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen." Ik vergeef ze. Mijn zoon had gelijk. Toch is Hij niet voor niets aan het kruis gestorven, al denkt hij van wel. Sinds het Laatste Avondmaal zit hij depressief in zijn zetel en niets kan hem opbeuren. De Kerstening deed hem niets, net zo min als de geweldige kathedralen die ze door de eeuwen heen voor hem oprichtten.
Voor een Moeder is het erg om toe te zien dat haar Kind ongelukkig is. Geen Engel is in staat om hem op te vrolijken, en, bij Mij, ze doen hun best!
Omdat ik het niet langer kon aanzien, ben ik zo'n twee eeuwen naar de aarde gegaan. Niet dat het veel helpt, want Ik zie immers alles. Op aarde roepen ze al zo lang om de Messias, maar op Mijzelf hebben ze niet gerekend. Daarom zien ze me niet, denk ik. Daar komt nog eens bij dat ze in hun zwarte boek hebben opgeschreven dat Ik een man ben. Hoe verzinnen ze het! Vooral aan dat eerste hoofdstuk, Genesis, heb ik me geërgerd. Dat gelul dat eerst Adam er was en toen pas Eva. En al die mannen die de ene na de andere zoon verwekken. Alsof niet aan elk begin de Moeder staat! Ze durven ook nog rustig te beweren dat ik ze het boek heb ingefluisterd. Dat is natuurlijk niet zo. Alleen Prediker, daar heb ik weleens iets aan gedaan. Alles is ijdelheid, dat vond ik een mooie zin om op verder te borduren. Het verhaal Naomi en Ruth heb ik wel zelf geschreven. Voor de rest zijn het allemaal banale verzinsels, waar ik niets mee van doen heb.
Het was trouwens een ongeluk dat J. een jongen was. Zelfs Ik ben niet onfeilbaar, zo blijkt maar weer. Zijn aardse moeder, Maria, papte aan met Jozef en voordat ik het in de gaten had, was ze zwanger van hem. Jozef was toevallig een van die mannen die alleen mannelijk nageslacht kunnen produceren. Een beperking, maar een noodzakelijke, vooral in tijden van oorlog. Toen het eenmaal een feit was, had ik me er maar bij neer te leggen, want geen van mijn Scheppingen mag ongedaan worden gemaakt.
Nu leef ik in een huur-appartement op de begane grond. Ik heb een voortuintje waar ik regelmatig bloemen snoei en onkruid wied, zodat ik contact krijg met de mensen. Meestal lopen ze voorbij zonder te groeten, maar een enkeling blijft staan. Dan pak ik mijn kans. Het tuintje is een mooie inleiding tot een gesprek. Via de bloemen kom ik tot de kern. Gisteren gebeurde het nog. De buurvrouw, Natasja, liep langs met haar hond. Ze had haar haar geblondeerd, weer zo een die niet genoeg heeft aan wat Ik haar gegeven heb, maar goed.
"Mooie rozen, hoe doe je dat toch?" vroeg ze. Ja, hoe zou ik dat toch doen. Ik ben de Moeder van al het levende en al het dode en dan zal ik niet weten hoe je rozen kweekt! Maar dat zei ik natuurlijk niet, dat zou haar maar afschrikken.
"Liefde en zorg," zei ik. "Daar bloeit alles van op."
"En een beetje rozenmest misschien?"
"Rozenmest!" Ik kon niet nalaten om verachtelijk te snuiven. Ik heb de mens naar Mijn evenbeeld geschapen, maar steeds slaagt zij erin om mij te verbijsteren met haar onnozelheid. Ik dwong mezelf tot het besef dat Natasja niet wist wie ik werkelijk was, en voegde op zachtere toon toe:
"Dat is echt niet nodig. Voor mij niet althans." Met de nadruk op 'mij'. Ze keek me bevreemd aan en deed een stap achteruit. Ik bedacht dat het tijd werd om mezelf te openbaren, want voordat deze mens het vanzelf zou snappen, zou de Big Bang allang weer geïmplodeerd zijn.
"Kom binnen voor een kop koffie," zei ik. "Dan leg ik het uit." Natasja wees op haar hond.
"Hij maakt alles vies," zei ze. Ze wees op haar witte legging met moddervlekken erop. Door de broek schemerde het blauw van haar bloemetjesonderbroek.
"Dat geeft niet," zei ik. "Het gaat om het Woord." Ik draaide me om om te tonen dat ik geen tegenspraak duldde.
Ze volgde me, hoorde ik aan het tik-tak van haar hakken.
"Je moet braaf zijn, Tarzan," sprak ze de hond toe. Tarzan leek me een wat vreemde naam voor deze kruising-dwergpoedel. Het dier deed in geen enkel opzicht denken aan de stoere knul die ik eens bij wijze van experiment door wolven heb laten grootbrengen. Ik aaide het beestje en het kwispelde.
Natasja ging op het puntje van de bank zitten. Alsof ze haast had. Alsof ik niet wist dat ze de hele dag niks te doen had. Haar man zat alweer een tijdje vast, ze werkte niet, en elke avond zag ik haar voorbij komen met een plastic zak vol junk-food van de snackbar. Dat had ik niet eens hoeven zien om te weten dat haar hart leeg was. Het werd tijd dat ze Mij vond.
"Wil je koffie?" vroeg ik.
Ze knikte. Ik spoedde me naar de keuken. Deze afleiding is nu eenmaal noodzakelijk wil je tot een dialoog komen, maar wat heb ik een hekel aan koffiezetten. Ik kan het niet goed, in de hemel dronk ik alleen honingdrank, gebrouwen door de lieflijkste Engelen. Ik gooide koffie in de filter, en daarna het hete water uit de waterkoker. Even later zette ik het kopje bruine drab neer voor Natasja, die er voorzichtig, als was ze bang om vergiftigd te worden, een slokje van nam.
"Wat heb jij veel van die Jezusdingen," zei ze, terwijl ze knikte naar de houten afbeeldingen van Mijn Zoon. "Ben je zo christelijk?"
"Ach, ik kijk nu eenmaal graag naar mijn jongen," zei ik. "Je kunt ze nooit echt loslaten, vind je wel?"
"Oh, is je zoon priester?" vroeg ze. Ik zuchtte. Sommige mensen zijn niet gevoelig voor subtiliteit.
"Priester, niet echt. Meer de Priester van alle priesters," legde ik uit.
"De Paus? Jij bent toch geen Poolse?" Op Natasja's voorhoofd ontstond een diepe frons. Het werd tijd voor duidelijkheid die aan botheid grensde. Het was niet anders.
"Ik ben de Almachtige," zei ik, terwijl ik haar diep in de ogen keek. "Het begin en het einde, de onbewogen beweegster, de Moeder van Alles." Ik pauzeerde om te zien welk effect mijn woorden hadden. Natasja staarde me glazig aan en schoof haar kopje wat verder van zich af. Het hondje blafte.
"Goh," zei ze even later, "Dat is nogal wat. Maar nu moet ik gaan, want Tarzan moet nodig."
Ik stond op, wees naar haar en riep:
"Blijf!"
Ze keek me geschrokken aan en zweeg. Als om haar meest kwetsbare delen te beschermen, perste ze haar knieën tegen elkaar.
"Ik probeer je hart te vinden," vervolgde ik. "En daar mijn Liefde te planten, zodat ook jij Mij gaat liefhebben."
"Ik ben niet zo!" sprak ze op afwerende toon. "Ik hou van mannen, van mijn man, alleen is die er even niet."
"Vrouw, je hebt geen idee van de Almacht, de Grootsheid van mijn Liefde. Alleen als je Mij in je hart sluit, vindt je verlossing, rust, het eeuwige leven."
"Nou, tot ziens!" riep Natasja nerveus. Tarzan lichtte zijn poot op en piste tegen de bank. Natasja sprong op en rende naar de deur. Toen ze die geopend had, riep ze door de gang:
"Hier in de buurt zeiden ze al dat jij niet helemaal lekker bent!" Met een klap gooide ze de deur achter zich dicht.
Ik vergeef haar. Zij weet niet wat zij doet.