|
NaNoWri2005, PetraO. Aantal woorden: 50.131 "Hels" in pdf-formaat Hels
Wanneer was ze opgehouden
met hem bewonderen? Aan bloed wen je. Evenals aan de prachtige buitenwijk in
Soestduinen. Met een bos erachter waar je zomaar kon gaan wandelen met de hond.
Van de hond hield ze nog. Van Harry misschien niet meer. Soms probeerde ze zich voor
te stellen hoe ze zich zou voelen als de politie langskwam om haar te vertellen
dat Harry was verongelukt. Kon gemakkelijk. Hij reed altijd 150 op de
linkerbaan, rakelings langs vrachtwagens, bumperklevend bij voorgangers die
zich wel aan de maximumsnelheid hielden. Ze zou wel schrikken, maar
dan balen van het feit dat het eten al op stond en dat ze dat allemaal weg kon
gooien. Want, ja, ze moest natuurlijk mee om het lichaam te identificeren, en
dan kwam er van eten niet veel. Ze riep haar gedachten een
halt toe en probeerde een keuze te maken uit de verschillende combinaties. Zou
ze de zwarte pantalon aantrekken? Of was dat juist weer te formeel voor zo'n
vergadering met het veld. Het veld zou er wel in spijkerbroek bijlopen, hoewel
je dat tegenwoordig niet met zekerheid kon zeggen. Ze had wel veldmensen
ontmoet in driedelig grijs of krijt. Ze aarzelde. De zwarte pantalon met de
kobaltblauwe blazer gaf haar iets koel afstandelijks, wat in sommige gevallen goed
werkte. Zeker als ze er weer eens op uit waren om subsidie los te krijgen voor
werk dat ook door het eerste het beste uitzendbureau gedaan kon worden. Maar
ja, dat pikte de ministers nou eenmaal niet. Onderzoek moest verricht worden in
nauwe samenwerking met professionals, en worden uitgevoerd door een bureau met
een bekende naam, anders had het geen draagvlak. Met professionals ook niet,
maar voordat de minister daar achter kon komen waren er allang weer
verkiezingen geweest en een nieuwe minister. De spijkerbroek dan. Het was
een nette, natuurlijk, zonder modieuze scheuren waarin die Nico Buitelaar van
dat onderzoeksbureau - hoe heette het toch weer - was binnengekomen in een
vergadering. Daarop een nonchalant overhemd, zogenaamd van Harry maar in werkelijkheid
in dat leuke zaakje in Bussum gekocht. Dat leuke zaakje waar ze niet raar
opkeken als je maat 58 had, waar ze er niet van uitgingen dat iedereen Anorexia
Nervosa had of alles in het werk stelde om dat alsnog te krijgen. Waar ging die vergadering
toch ook alweer over? Ze had de vorige avond een vluchtige blik op de agenda
geworpen maar er was niets tot haar doorgedrongen. Weinig althans.
Implementatie van veiligheidsbeleid, dat was het, dacht ze. Zo ongeveer. Nou,
ze kon niet tegen veiligheid zijn en de oplossing die het onderzoeksbureau -
was het die Buitelaar weer niet die een rapport moest schrijven - was
ongetwijfeld veel te duur. Haar standpunt stond vast. Het werd de zwarte broek
met kobaltblauwe blazer. Harry kreunde en werd
wakker. Ze zag hoe hij zijn oude-mannenbeen naast het bed zette. Eerst de
linker. Hij keek verdwaasd om zich heen, de wereld was hem elke dag opnieuw
vreemd. Bij haar was dat niet zo. De seconde dat ze ontwaakte, wist ze meteen
wie ze was, waar ze zich bevond en wat ze allemaal moest doen die dag. "Geef mijn badjas, nou
je daar toch staat," baste hij. Die patiënten moesten doodsbenauwd voor
hem zijn, met dat onsympathieke gegrom van hem. Je zal toch maar zo iemand
treffen die in je gaat snijden. Weerzinwekkend en angstaanjagend. Ze nam de
badjas van het haakje, een gewone blauwe maar hij had wel 250 euro gekost, en
wierp die hem toe. Voetstappen van de
zoldertrap. Aart was ook wakker. Het kind was al twintig, maar woonde nog
steeds thuis. Van andere ouders had ze begrepen dat dat nog wel even kon duren.
Kinderen woonden tegenwoordig tot hun veertigste thuis en dat kwam omdat er
geen generatiekloof meer was. Betreurenswaardig: waar moest dat naar toe met de
evolutie. Nog twintig jaar te gaan, dus. Aart studeerde economie aan het
Nijenrode-Instituut in Breukelen waar hij elke dag naar toe reed in de auto die
hij voor zijn achttiende verjaardag had gekregen van zijn vader, die hem
adoreerde. Harry was ervan overtuigd dat de jongen een succes werd en dat hij
alles moest krijgen wat zijn hartje begeerde. Zo werd het natuurlijk moeilijk
voor zo'n jongen om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Ga maar eens op
kamers van een studiebeurs. of de toelage van Harry, en probeer dan maar eens
niet het gevoel te krijgen dat je op een houtje zit te bijten. Hoewel, Harry
zou hem vast en zeker een grote toelage geven. "Mam, waar is de
kaas?", riep Aart van beneden. Ze had nog geluk dat ze hem niet meer
hoefde te voeren of de borst geven. Ze deed alsof ze niets gehoord had en
verdween in haar badkamer. Toen ze beneden kwam, in de
woonkeuken, was Harry al weg. Mariska ook, of was die niet thuis geweest? Sinds
ze een vriend had, bleef ze weleens in Utrecht overnachten. Dat was veel
gemakkelijker, zei ze, als ze de volgende dag vroeg naar college moest. Maar
ook zij verwachtte complete verzorging, kost en inwoning en bewassing als dat
zo uit kwam. Eleanor moest echter niet verwachten dat ze even doorgaf of ze wel
of niet kwam. Oh nee, dat was teveel gevraagd, dan kon ze niet meer spontaan
leven. Voor een student medicijnen een raar begrip, spontaan leven, want als
het goed was werd haar hele leven gestuurd door het collegerooster en de
practica. Maar het zou wel spontaan leven na schooltijd betekenen. Studenten
hadden vast ook een soort CAO, waarin de beperking van het aantal studie-uren
was geregeld. Gingen ze maar aan de drugs.
Dan zou er nog wat te beleven zijn. De zoon van de buurvrouw was aan de drugs.
Elk weekend zat ze wel op het politiebureau om het kind weer op te halen nadat
hij was vastgezet. Ingerekend bij een autodiefstal ofzo. Tasjesroof, daar deed
hij ook aan. Het was natuurlijk best een ellende, maar toch wel spannend. Haar
man was ex-profvoetballer, een hele beroemde al had Eleanor nog nooit van hem
gehoord. Elke ochtend reed hij naar papendal om een groep gehandicapte
voetballers te trainen. Tegen kerstmis speelden die dan een wedstrijd tegen
elkaar, want er waren zoveel gehandicapten, daar kon je wel vijf teams mee
vormen. De beste gehandicapten werden uitverkozen en die speelden dan tegen
elkaar in Zeist. Of op Papendal, net hoe het uitkwam. De buurvrouw, Sabrina,
had nog niet zolang geleden haar borsten laten doen. Ze was op een avond komen
vragen of Harry dat wilde doen. Hoopte zeker op een vriendenprijsje. Maar Harry
had geen tijd. En geen privé-kliniek en dan moest zo'n vrouw op de wachtlijst
in het ziekenhuis, waar ze aan cosmetische chirurgie deden omdat het zo lekker
bij verdiende. Toen was ze naar Bilthoven gegaan, waar wel een privé-kliniek
was. Ze had er zeker twee cups bijgekregen. Tegenwoordig droeg ze altijd een
decolleté, ook als het hartstikke koud was. Ja, als je er zo'n hoop geld tegen
aankwakte, moest je ze ook laten zien, natuurlijk. Maar goed, zij zat dus elke
zaterdagnacht in het politiebureau met haar ex-profvoetballer, om hun zoon op
te halen die daarna verbetering moest beloven maar dat tegen woensdag alweer
vergeten was. Hij werd ook weleens opgehaald van huis in een politieauto.
Mevrouw Van Damme van de overkant sprak er schande van en dat zoiets niet
hoorde in een buurt als deze, dat de buurt achteruit ging nu iedere proleet
geld had. Doe er maar eens wat aan. Wat Eleanor betreft mocht de buurt nog wel
verder achteruit gaan, trouwens. Ze was wel zo ongeveer uitgekeken op de
vrouwen-van die 's ochtends gingen tennissen, 's middags gingen joggen en 's
avonds met de man van wie zij dan van waren naar een concert gingen. Geen zwaar
concert natuurlijk. Wel klassiek maar behapbaar. Barok. Sommige zaten op een
leesclub. Ze wist dat omdat Henriette van de vastgoedhandelaar haar gevraagd
had om er ook aan deel te nemen. Elke maand kozen ze een boek uit dat was
besproken in Cosmopolitan en dat bespraken ze dan. Eleanor had gezegd dat ze
helaas helaas te weinig tijd had. Je moest ze te vriend houden, maar die draken
kon je verder maar het beste ver van je houden. "Dag mam, ik ga,"
zei Aart. Hij probeerde haar op haar wang te zoenen, maar zij ontweek hem. Ze
hield niet van lichamelijk contact, ook niet van familieleden. Op het
ministerie kusten ze je tegenwoordig al als je drie weken met vakantie ging. Ze
wilde daar niet aan meedoen, al kwam het vaak genoeg voor dat iemand door haar
defensie heen brak en een natte zoen ergens in haar gezicht duwde. Nadat Aart was vertrokken,
zette ze de ontbijtboel in de gootsteen. Fatima ruimde het straks wel op.
Heerlijk was dat, zo'n werkster die overal aan dacht en je al die zorgen uit
handen nam. Ze was nog altijd niet gewend aan de luxe al kwam Fatima al
vijftien jaar over de vloer. Voor die tijd had ze alles zelf gedaan, want ze
was toch thuis voor de kinderen. Kon best. Maakte het uit dat ze de halve dag
met haar handen in een teil met warm water stond. Als het eten maar klaar was
als Harry thuiskwam. Toen moest hij nog hard werken omdat hij zich moest
bewijzen en omhoog moest klimmen. Dan wilde het wel gebeuren dat hij 's avonds
heel laat was. Had hij de hele dag staan snijden met de adem met het hoofd
Chirurgie in zijn nek. Ja, dat waren drukke tijden. Zijn eten hield ze warm op
een waxinelichtje, waardoor het natuurlijk niet meer te vreten was. Meestal was
hij zo moe, dat hij het niet eens merkte. De baan bij het ministerie
had ze genomen 'om zich te ontplooien'. Dat hoorde nu eenmaal, dat je net deed
alsof je iets van je leven wilde maken. Dus je moest iets nuttigs doen zodra de
kinderen naar school waren en ach, zelf had ze er ook wel genoeg van gehad om
altijd en eeuwig in dat huis in Soestduinen te zitten. Dus had ze een baan
genomen. Precies op haar lijf geschreven: projectmanagement op het terrein van
de gezondheidszorg. Elke dag ging ze naar het rijksinstituut waar een
subafdeling van het ministerie was gevestigd. Ze kon er gelukkig gemakkelijk op
de fiets komen, dat was weer zo'n prettige bijkomstigheid. Haar werk bestond
uit rapporten lezen en vergaderen en lang had het niet geduurd voordat het haar
strot uitkwam. Maar ja, toen hadden ze Fatima al en die werd betaald van haar
salaris. En vind maar eens een excuus om niks, helemaal niks in het huishouden
te doen als je de hele dag thuis bent. Nu had ze haar werk. Druk druk druk. Vergadering
zus, vergadering zo en dan nog al die rapporten die ze 's avonds thuis las,
vooral als het een enorme zooi was, die om aandacht vroeg. Een dag werken betekende ook
een dag Frederik op dezelfde gang. Het Hoofd van de afdeling en dat zouden ze
weten op de gang ook. Hij had altijd zijn deur openstaan en zat de godganse dag
aan de telefoon. Waar hij het over had, hoorde Eleanor niet, maar ze stelde
zich zo voor dat hij zo langzamerhand weleens uitgeluld zou moeten zijn. Alles
was toch al aan de orde geweest. Was het niet deze week, dan was het wel de
vorige. Frederik zat bij elke vergadering. De rapporten las hij niet, hooguit
de samenvatting, maar toch had hij altijd zijn mening klaar. Of in ieder geval
een brij woorden over die alinea en dat hoofdstuk. Vergaderingen duurden altijd
minimaal twee uur, meestal veel langer. Frederik nam minstens de helft van de
spreektijd voor zijn rekening. Eleanor luisterde nooit wat hij zei. Ze zat wat
met haar pen in een schrift te kalken en hij dacht ongetwijfeld dat ze zijn
woorden woord voor woord noteerde, maar in feite schreef ze maar wat voor zich
uit. Losse woorden, zinnen zonder betekenis, af en toe tekende ze een oog of
een mond. Op gezette tijden sprak ze een enkel woord. In de notulen las ze
achteraf wat er besloten was. En zo was het goed. Of nee, natuurlijk was het
helemaal niet goed. Haar leven was een dikke mist geworden waarin ze niets meer
kon ontwaren. Heel af en toe voelde ze de behoefte om die mist opzij te
schuiven en toen ze die morgen op de fiets zat, besefte ze dat vandaag zo'n dag
was, die anders dan andere moest worden, waarop iets doorbroken moest worden. In het portiershok zat juist
die bonkige man, met de belachelijk grote zilveren oorring in zijn oor, waar ze
zo'n hekel aan had. Hoe het kwam, wist ze niet. De beste man had haar nog nooit
iets gedaan. Misschien was het zijn loerende blik in de kleine oogjes,
misschien waren het de onooglijke handen die eruit zagen alsof ze door een
worstenmakerij waren vervaardigd, handen die in het donker knepen, die konden
graaien of opgehouden worden, maar nooit iets constructiefs tot stand konden
brengen. Of misschien was het de zurige lucht die altijd om hem heen hing. Ze
wist maar al te goed dat ze hem moest groeten. Anders zou de volgende keer de
slagboom ineens niet meer open kunnen als zij eraan kwam. Of zou haar afspraak
niet gemeld worden waardoor de bezoeker in toenemende irritatie bleef wachten
op het houten bankje in de portiersloge. "Sorry hoor," zou de smiecht
zeggen als ze er achterkwam. "Ik heb u wel gebeld maar u was er
niet." Ze groette dus. Goedemorgen, meneer Timotes! Ze wachtte zijn
tegengroet, steevast in de vorm van een laag gegrom, niet af. Terwijl ze over het terrein
naar het gebouw liep waar ze werkte, bedacht ze dat ze het niet langer wilde,
iedere morgen Timotes te zien. Even vroeg haar innerlijke stemmetje, dat
pestwijf dat zich altijd in haar
verscholen hield en zich overal mee bemoeide, of het niet eerder zo was
dat ze Harry niet meer wilde zien opstaan. Ze bracht het kreng echter tot
zwijgen. Harry was Harry en ze had ooit voor hem gekozen. Ze moest de klus
klaren. Toen ze hem had ontmoet, bij Broerse in Utrecht, heel lang geleden, was
ze op hem gevallen omdat hij, jong als hij was, als een heertje tegen de bar
had gestaan, leunend op zijn hockeystick alsof dat zijn wandelstok was. Hij had
iets koninklijks, iets adelijks. Hij was toen al gezet, maar het stond hem
goed. Het gaf hem de uitstraling van betrouwbaarheid en onbetwistbare
superioriteit. De onzekerheden, en de leegte van die uitstraling was pas
geleidelijk en veel later aan bod gekomen. Een heertje was hij nog altijd wel,
zeker voor de schijn. Jammer dat ze er zo doorheen
keek. Wat was illusie toch een mooi goed. Over Timotes had ze zich nooit
illusies gemaakt. Ze wilde die rotkop gewoon nooit meer zien. Hij zou vast wel
stelen van de zaak, als ze dat nou eens bewees…. Maar nee, tijd om op de loer
te gaan liggen om hem ergens op te betrappen had ze niet. Weggaan, ophouden met
werken, alweer schoot het door haar hoofd. Niet nog een keer vergaderen met
Buitelaar, de aansteller. Hij was al minstens zestig,
maar probeerde er uit alle macht uit te zien als de aantrekkelijke jongeman die
hij ooit geweest moest zijn. Waarschijnlijk zat hij elke avond op de
sportschool, al probeerde hij de indruk te wekken dat hij zich in zijn vrije
tijd met cultuur bezighield. Mahler en moderne kunst. En poëzie. Hij schreef
gedichten, had hij haar eens toevertrouwd in de rookpauze. Waarschijnlijk
abstracte wangedrochten van zinnen onder elkaar geplakt. Zijn rapporten waren
tenminste niet te lezen. Nog stuitender was elk gebrek aan logisch
redeneervermogen. Toch werd hij door Frederik altijd weer gevraagd om het een
of andere veldonderzoek uit te voeren. Dat veld bestond meestal uit
wijkverpleegkundigen die hogerop waren geklommen en nu stafmedewerkers waren.
Geen hand meer aan het bed, dat sprak vanzelf. Nee, in leaseauto met laptop van
vergadering naar vergadering om te vertellen hoe het veld erover dacht. De
professional. Die het oh zo druk had en toch maar alles klaarspeelde. Eleanor knipte het licht aan
in haar werkkamer en zag de ongeordende stapel op haar bureau. Ze moest het
vandaag maar weer eens op een rechte stapel leggen: eentje links en de andere
rechts, zodat het net leek alsof ze hard bezig was. Terwijl het enige wat ze
deed de titels van de rapporten en de onderwerpregels van de brieven lezen.
Gelukkig was er tegenwoordig e-mail, dat kon je direct in de trash donderen. Ze
pakte het eerste rapport van de stapel, morste er zorgvuldig een koffievlek op
en legde hem op de rechterkant van haar bureau. Bij het volgende maakte ze een
ezelsoor. Dat legde aan de linkerkant. Kijk, dat schoot op! De deur zwaaide open en
Frederik kwam haar kamer binnen. “Het is geweldig goed, dat rapport van Buitelaar!”
riep hij. Net of hij het gelezen had. Ze geloofde er geen barst van. Frederik
las zelfs de titels niet. Wat dat betreft was zij toch echt degene die het
hardste werkte. “Oh ja?” bracht ze uit. “Is het nu duidelijk hoe het moet met
de veiligheid?” Even keek Frederik haar
verbaasd aan, toen herstelde hij zich en knikte. “Ja, heel duidelijk. We moeten
hem groen licht geven!” Eerst maar eens zien of hij voldoende verklaring kan
geven op de begroting. Die vind ik nogal hoog.” “Ja, ja, voor niets gaat de zon
op, voor niets gaat de zon op.” Hij streek bedachtzaam met zijn hand langs zijn
kin, waar een jonge halvedagsbaard stond. “Maar eigenlijk wil ik iets anders
aan de orde stellen,” ging hij voort. “Je werkt te hard, Eleanor! Je moet
ontspannen, je moet er even tussenuit!” “Geen denken aan! Kijk eens wat er
ligt!” Ze zwaaide met haar arm in de richting van de stapels die zich ter
linker en ter rechterzijde van het bureau vormden. Tenslotte moest je het ijzer
smeden als het heet was. “Je hebt altijd je deur dicht,” bracht Frederik in.
“Je sluit je af voor de afdeling. Dat wijst erop dat je teveel hooi op je vork
hebt genomen.” Hij pauzeerde even. Eleanor genoot met volle teugen. “Ach,
Frederik,” bracht ze in. “Ik weet wel dat het veel is, maar iemand moet het toch
doen. Je weet, met die bezuinigingen, voordat je het weet wordt de afdeling
opgeheven. En waar staan we dan? Jij en ik?” “Kijk, Eleanor, ik waardeer
je inzet, maar om erger te voorkomen vind ik dat je toch wat rustiger aan moet
doen.” Weer pauze, weer de hand bedachtzaam over de jonge baard. “Aanstaand
weekend zou ik met de club hier de hei op willen. Om de beleidsdoelstellingen
door te nemen. Daarna zou je vrij moeten nemen. Of nemen. Je krijgt het. Je
krijgt het gewoon!” Eleanor rilde nog voordat de
volle omvang van zijn bericht tot haar was doorgedrongen. Een heideweekend! Met
de collega’s! Ongetwijfeld in een hotel ergens ver weg zodat je godsonmogelijk
naar huis kon op zaterdagavond, maar wel moest blijven slapen. Dus na het
programma nog even gezellig nabomen in het hotelcafé. En er was geen
mogelijkheid om te weigeren. Dat accepteerde Frederik niet. Als ze weigerde zou
hij onmiddellijk gaan zeuren over haar gebrek aan inzet, al was dat nog zo in
tegenspraak met zijn eerdere verhaal. Hij negeerde de verbijstering die
ongetwijfeld van haar gezicht moest druipen en ging verder: “Buitelaar zal het
weekend begeleiden. Die weet van de ins en de outs, dus er is geen betere.”
Buitelaar! Natuurlijk! Waarom niet! Het werd dus echt een soort spookweekend, of
een soort horrorshow. “By the way, zou jij straks, na de vergadering met
Buitelaar aan het programma kunnen werken? Het is de bedoeling dat het geheel
er een beetje speels uit ziet, en prikkelend, vooral prikkelend. Tegen de tijd dat de
vergadering begon, had ze twee prachtige stapels aan iedere kant van het
bureau. Een vrouw die wist wat ze deed. Ze lachte hardop om dat beeld. De
afdelingssecretaresse kwam binnen. “Het is tijd,” zei ze. “Wat voor verslag wil
je hebben. Uitgebreid? Of juist kort? In de vergaderzaal zat
Buitelaar al klaar. Zijn gouden vulpen lag rechts van zijn kalfslederen
schrijfmap. Hij droeg een felroze pull-over op een gele broek, weer helemaal
het zonnetje in huis. Zodra hij Eleanor zag, liep hij op haar toe en schudde
haar krachtig de hand. Een pijnscheut vloog door de botten van haar pink, die
ze geblesseerd had bij het uitladen van de boodschappen. Het ging maar niet
over. Ze wierp een blik op de
begroting. Een veel te hoog bedrag. Dat zou ze straks gaan inbrengen. Frederik
kwam binnen en opende de vergadering. Formeel als altijd, al zagen alle
aanwezigen elkaar minstens drie keer per week. Hij meldde de berichten van
verhindering. Hij heette in het bijzonder Buitelaar welkom die er weer hard aan
getrokken had ondanks de veeleisendheid van het ministerie op het gebied van
projectomschrijving en begrotingsdiscipline en niet te vergeten de hoge
tijdsdruk. Hij meldde dat hij om twee uur een afspraak had en dat hij dus
uiterlijk om een uur de vergadering wilde sluiten. Je kan hem wat mij betreft
nu wel sluiten, dacht Eleanor. Zeg maar dat het goed is, en dan zijn we weer
klaar. Kan ik weer verder met mijn stapels. Maar natuurlijk vroeg hij Buitelaar
om het lijvige rapport toe te lichten. Zodra die zijn mond opendeed, probeerde
Eleanor uit alle macht aan iets anders te denken. De ogen van Annie Lennox. Oh
nee, niet de ogen van Annie Lennox! Maar het was al te laat. Dat blauw van jou
waar ik zo van hou, zong het door haar heen. De onderbroek van Harry. Ze
glimlachte. Dat was een forse boxershort waarin hij nog lekker kon groeien. Zat
prettig bij het opereren, beweerde hij, want daar ging je van zweten. vooral in
de lagere regionen. De nieuwe tieten van de buurvrouw. Zinnen die Buitelaar
uitsprak drongen tot haar door. Dan maar niet de nieuwe tieten van de
buurvrouw. Ze was niet zo borstminded, eigenlijk. Mijn god, wat zat ze nou toch
weer te denken. Een koel meer. Van de koele meren des doods. Dat was beter.
Doder dan dood. Ooit hield het op, borsten of geen borsten, ogen van Annie
Lennox of die van Frederik. “En dan zijn we nu toe aan
de begroting,” hoorde ze Frederik zeggen. De mensen rondom de vergadertafel
namen weer vaste vormen aan, ze nam het rapport in de hand en deed alsof ze
ernaar keek. “Ik zou graag de post projectmanagement gespecificeerd willen
zien,” zei ze. “Want 200 euro per uur, zo zonder toevoeging, dat vind ik wel
erg veel. En verder zou ik een uitsplitsing zien van de materiaalkosten.” Ze
keek Buitelaar aan. “Wat heb je in godsnaam nodig voor dat onderzoek? Een heel
nieuw rekencentrum? Een bataljon commando’s? Een kantoor op de Keizersgracht?”
Buitelaar verbleekte. “Het zijn anders reële kosten!” bracht hij in. Hij keek
naar Frederik, die zijn baardstoppels weer zat te kietelen. Het werd nu echt
tijd dat hij zich ging scheren, want hij begon er groezelig uit te zien.
“Goed,” zei hij uiteindelijk. “Zullen we dan maar zeggen dat het project is
goedgekeurd op voorwaarde dat de heer Buitelaar nog even naar de specificaties
kijkt? Eleanor, handel jij het af in praktische zin?” Jahoor, dacht ze, ik
stuur wel een mailtje naar het ministerie, afdeling Den Haag, ben ik er weer
voor een paar maanden vanaf. Ze volstond met een korte knik. Frederik keek op
zijn horloge. “Er is nog wat tijd over om het over het aanstaande weekend te
hebben,” zei hij. “Eleanor zal samen met de heer Buitelaar het programma maken,
maar misschien hebben de andere aanwezigen nog wat input. Jannie, jij
misschien?” Jannie was een ijverig en
toegewijd ambtenaar. Tenminste, dat maakte Eleanor op uit het feit dat ze van
haar in de avonduren ook vaak e-mail ontving. Ze reageerde daar nooit op. Werk
is werk en privé is privé tenslotte, maar het tekende het mens wel. “Ik wil vooropstellen dat ik
heel blij ben met het plan van het weekend,” begon Jannie. “Het zal ons goed
doen om wat meer tijd te besteden en te brainstormen om op een lijn te komen.
Ik heb nog niet duidelijk voor ogen hoe er vorm aan gegeven zou moeten worden,
maar ik zou graag aandacht besteden aan het intermenselijke aspect. In de waan
van de dag sneeuwt dat nog weleens onder.” Even later zat Eleanor met
Buitelaar op haar kamer. Beter gezegd: zij zat en hij ijsbeerde heen en weer.
Om hem alle gelegenheid te geven om te doen wat hij niet kon laten,
concentreerde ze zich op het afstoffen van haar koffiemok. Haar mobieltje
trilde. Ze keek naar het nummer:
Mariska. Kon wachten. Ze moest haar waarschijnlijk in Utrecht ophalen. "Weet je wat het met
jou is?" siste Buitelaar. "Nee, maar je gaat het
me ongetwijfeld vertellen," sprak ze. Met de papierprikker haalde ze een
stuk vuil onder een nagel weg. Buitelaar snuifde als een bronstig paard. "Inderdaad!" Hij
pakte de rand van het bureau en stond gebogen voor haar. Zijn gezicht raakte
bijna het hare. Ze deinsde achteruit: hij stonk ongelooflijk uit zijn bek. Dat
kwam ervan als je voortdurend moest vasten om op gewicht te blijven. "Dat cynische, dat
harde! Altijd maar mijn rapporten afkraken, altijd maar opmerkingen over de begroting.
Met Frederik was het allang rond. Jouw opmerkingen waren helemaal overbodig. Je
weet toch dat Frederik dat onderzoek zou doorzetten? Waarom dan die opmerkingen
met Elske van het veld erbij? Die neemt dat straks weer mee naar het veld en
dat gaat allemaal ten koste van mijn geloofwaardigheid, neem dat maar van mij
aan!" Eleanor haalde haar
schouders op. "Wat kan mij jouw geloofwaardigheid nou schelen! Het is
gewoon prut en prul wat jij presteert en dat weet je." Buitelaar werd
knalrood. Hij danste ongemakkelijk op de bal van zijn voeten. "En dat zeg jij! Wat
doe jij hier in godsnaam de hele dag! Een slome ambtenaar, die doet wat haar
gezegd wordt, die de hele dag maar achter die stapels zit, die nog nooit op een
creatieve gedachte betrapt is." "Die gele broek is
trouwens geen gezicht. Aanvaard nou eens dat je zwaar bejaard bent, man! Jij
moet een degelijke broek aan waarin je uitzakkende ballen lekker de ruimte
hebben." Deze bespreking was nog eens een aangename afwisseling met hoe
het gewoonlijk ging. Eleanor was van plan om het lang te laten duren. "Dan jij een
bloemetjesjurk met een witte kraag, zodat dat walgelijke vette olifantenlijf
van je tenminste goed verborgen wordt!" "Die rapporten van jou
zijn trouwens niet te lezen, dat taalgebruik van jou is verschrikkelijk. Weet
je zeker dat je je cv niet vervalst hebt? Volgens mij heb je de lagere school
niet eens afgemaakt. Of ben je misschien dyslectisch? Ja, dat zal het zijn,
dyslectisch! Lekker modieus, kan je mee aankomen bij je vriendjes in de sauna.
Heb je die jongen nog altijd trouwens? Of is die er al vandoor met een
lekkerder hapje?" Buitelaar balde zijn vuist
en even leek het of hij haar een volle slag in het gezicht zou geven. Dat zou
nog eens wat zijn. Kijken of Frederik hem dan nog steeds binnen wilde houden.
Ze zou geëist hebben dat alle banden met het bureau Buitelaar onmiddellijk
zouden worden verbroken. Buitelaar liet zijn arm echter vallen. Hij krabbelde
in zijn kruis, dat deed hij vaker als hij zich opwond. "Zit-ie er nog?"
vroeg Eleanor. Snel haalde hij zijn hand weg. "Het is vanwege
Frederik dat ik me professioneel opstel, hoewel dat eigenlijk niet van mij
gevergd kan worden," zei hij. "We moeten dat weekend regelen, jij en
ik. Zoals gewoonlijk zal er niet veel uit je smalle kokertje komen, maar de
schijn moet maar opgehouden. Dus ik dacht, als het intermenselijk moet zijn,
dan doen we iets met rollenspel. Bijvoorbeeld dat een deelnemer de bedreigde
speelt en de ander de bedreiger, en dan evalueren we per stukje." "Lijkt me helemaal niks
maar je gaat je gang maar. Ik ga de bedreiger spelen. En jij de bedreigde. Dan
doen we het voor! He, nou ik erover nadenk, lijkt het me toch wel leuk. Ik ga
me er nog op verheugen, als ik niet uitkijk!" "Ik wil jou zo weinig
mogelijk zien," zei hij op een benepen toontje. "Je blokkeert me. Dat
is niet effectief." "Ach man, hou toch op!
Het is sowieso verloren tijd, net als alles waar jij je mee bemoeit. Maar
Frederik is nou eenmaal onze verbindende factor en we worden ervoor betaald om
toch met elkaar te maken te hebben. Nou, dan doen we het zo. Ja. Dat is
besloten. Als je er nog verder over zeikt, dan zeg ik tegen Frederik dat ik
niet weet wat het is maar dat je je niet constructief opstelt." "Goed, als je het zo
wilt spelen…" Hij nam zijn rugzakje en sloeg de deur met een klap dicht
toen hij haar kamer verliet. Eleanor belde Mariska.
"Dag mam, kan je me straks komen halen? Bas heeft geen auto en ik moet
schone kleren ophalen want dit weekend hebben we feesten." Eleanor
zuchtte. Eens was dit kind een weerloze baby geweest, waarvan ze geen moment
wilde wijken, die ze koesterde en haar steeds als ze naar haar keek met
vertedering vervulde. Veeleisend was ze toen ook al: de hele nacht blèrde ze om
aandacht, maar een baby mocht dat. Per slot van rekening was ze net ongevraagd
de wereld ingeschopt, en enige tijd protesteren tegen dat geweld was
geoorloofd. Wanneer had ze innerlijk afstand genomen van dit kind? Misschien in
de puberteit, hoewel ze toen, in al haar verzet, ook nog aandoenlijk was
geweest. Het kwam iets later, toen ze ging studeren en het huis in Soestduinen
als een soort hotel ging gebruiken. Toen haar blik alleen nog op de
buitenwereld was gericht en ze haar moeder niet meer zag staan. Jaloezie, het
was gewoon jaloezie. Met Aart had ze dat niet, dat was altijd meer een kind van
Harry geweest. Ze sprak af dat ze Mariska zou ophalen van het Vredenburg en
weer weg zou brengen naar de Ina Boudier Bakkerlaan als ze haar kleren had
afgehaald. Te toegevend. Dat was het probleem: ze liet teveel over zich heen
lopen. En het was nu of nooit want een toekomst, een later was er niet meer. Er
moest verandering in komen. Niet nog een avond de verhalen van Harry, niet nog
een ochtend de onbeholpen aanhankelijkheid van Aart, en zeker niet nog een
vergadering met Buitelaar. Dit weekend zou ze de knoop doorhakken. Even was ze
verbaasd over zichzelf: welke knoop? Maar diep van binnen had ze het altijd
geweten en wist ze het nu: alle knopen die in de loop der jaren om haar
verstrikt zaten, die haar beknelden en net niet wurgden. Nu moest het gebeuren,
ze moest zelf gaan wurgen, of zou eraan gaan: het was in feite pure
zelfverdediging. Ze reed door het bos naar
huis en een steeds groeiende opwinding nam bezit van haar. Ze voelde zich een
vampier die ternauwernood aan de houten staak was ontsnapt, een
terdoodveroordeelde die de executie was ontkomen doordat het touw brak, een
ontsnapte uit Alcatraz. Levend dus, op de valreep aan de dood ontkomen en
daarom waren de uren, dagen, maanden, jaren die voor haar lagen des te kostbaarder.
Ineens hield ze weer van Harry, al wist ze dat ze hem uiteindelijk zou
verlaten. Even stopte ze met trappen: het was voor het eerst dat dit tot haar
doordrong. Ze zou Harry verlaten, Harry met zijn dikke buik en zijn mooie
chirurgenhanden, de deftige jongen die leunde op zijn hockeystick, de snurkende
man in ruime boxershort. Maar dat hoefde niet meteen, natuurlijk, en ze hoefde
het hem ook niet meteen te vertellen. Eerst nog wat ronddollen, om te beginnen
het aanstaande weekend. Het telefoontje naar de AIVD zou ze plegen als ze
straks thuis was. Gelukkig werkte ze op een ministerie: dat zou hun
actiebereidheid aanzienlijk vergroten. Haar kinderen zou ze
vrijlaten. Ze mochten voor zichzelf gaan zorgen. Dat wilden ze niet, ze leken
net op goudvisjes die zo gewend zijn om in een kom te zwemmen dat ze dat in de
oceaan blijven doen, maar ze moesten. Geen bewassing meer, en geen gratis taxi.
Moederliefde ook niet. Wie weet, zouden ze haar stap later waarderen, en kwam
het nog tot een soort vriendschap, maar voorlopig zouden de relaties wel
enigszins bekoelen. Geen vergadering meer met
Frederik en al helemaal niet met Buitelaar. Nooit meer hun rapport inkijken.
Nooit meer hun gezever beluisteren. Ze grinnikte bij de gedachte aan Frederiks
toestand als alles achter de rug was en hij te weten was gekomen hoe het
werkelijk was gegaan. Hij zou de schok nooit meer te boven komen en hij zou
zeker vertellen dat ze zwaar overspannen was. Wat heet: gek, gestoord, en dat
hij het wel had zien aankomen maar nooit had kunnen vermoeden dat het zulke
ernstige gevolgen zou hebben. Misschien echter was ze tegen die tijd al ver
weg. Bij een bankje stapte ze af
en ging zitten. Ze draaide een shaggie en belde Mariska. "Schat, ik kan je
toch niet komen halen." "Maar het moet! Hoe kom ik anders aan mijn
kleren! Je moet, mam!" "Sorry," zei ze en ze verbrak de
verbinding. Een gevoel van welbehagen groeide in haar borst. Op een tak in een boom
tegenover haar tikte een specht ijverig een gat. Arm dier, dacht ze, gedoemd om
een leven lang hetzelfde te doen en niet eens het benul of de macht om eruit te
stappen. Ze zoog de rook diep in haar longen. Slecht, heel slecht, voor de
gezondheid, maar tenslotte was het leven zelf slecht voor de gezondheid. Aleid,
haar secretaresse, zei dat regelmatig. Toen ze haar shaggie op had,
stapte ze weer op de fiets. Het was druilerig weer, maar dat hinderde haar
niet. Belangrijker was dat het rustig was in het bos. Geen wandelaars, geen
andere fietsers. Opvallend, hoe de wereld stukje bij beetje van haar werd. Nu
al. En alles wat daar voor nodig was, was een gedachte die zou leiden tot een
plan dat ze zou gaan uitvoeren. Dit weekend. Bij haar huis stond haar
buurvrouw Sabrina op de stoep. Ondanks het slechte weer droeg ze een zeer korte
rok en een zeer laag uitgesneden blouse. In haar hand had zij een snoeitang. Ze
zag er een beetje afwezig uit, zoals ze stond te staren met die schaar in de
aanslag terwijl haar struiken meters ver weg waren. "Dag Sabrina," zei
ze. "Lekker aan het tuinieren?" Van een ver geestelijk rijk kwam
Sabrina terug en keek haar aan. "Was ik van plan, ja,
maar het regent. Dus ik denk dat ik maar weer naar binnen ga." "Zou ik maar doen. Of
trek anders een jasje aan, want je vat nog kou, zo." Sabrina keek naar beneden
haar lijf langs, alsof ze niet wist wat ze eigenlijk droeg. "Nigel vindt me leuk
zo," sprak ze afwezig. "Het is wel koud, dat wel, maar een jas, dat
leidt zo gauw tot tuttigheid, vind je niet? Nigel houdt niet van jassen, niet
bij mij tenminste. Zelf draagt hij ze wel, van die leren, die heel veel kosten,
je wilt niet weten hoeveel Nigel aan kleren uitgeeft. Tien vrouwen kunnen er
nog niet tegenop." "Zin in een kop koffie?
Of wat sterkers?" Even later zaten ze in
Eleanors riante zithoek aan de oude jenever. "He, lekker!," verzuchtte
Sabrina. "Ik word helemaal warm van binnen! Van Nigel mag ik eigenlijk
niet drinken, want ik word er dik van, zegt hij. Maar hij blijft vannacht toch
op Papendal, dus hij merkt het niet." Steeds weer dwaalde Eleanors
blik af naar Sabrina's borsten. Mooi wel, die gebruinde bergen. Zou er nog
gevoel in zitten? Het waren tenslotte siliconen, of werden ze daar tegenwoordig
niet meer van gemaakt. Hoe zouden ze voelen? Zouden ze koud zijn? Of werden ze
opgewarmd door de rest van het lichaam. Ze schonk zich een derde
jenever in en vulde het glaasje van Sabrina bij die al aan haar vierde was. "Mag ik ze even
strelen?" vroeg ze. Ze kon haar tong wel afbijten. Hoewel ze had besloten
met alles te kappen en flink te breken met de sleur, week zo'n vraag toch wel
heel erg af van het beeld van keurige vrouw uit Soestduinen. Moest ze de schijn
niet nog een paar dagen ophouden? Tot het weekend in ieder geval? Sabrina zette haar glas neer
en deed haar truitje uit, alsof Eleanor haar gevraagd had zich even om te draaien
zodat ze kon bekijken hoe haar rok van achteren zat ofzo. Eleanor streelde voorzichtig
een borst. Het voelde hard aan, harder dan normale borsten. Onecht, dat was te
verwachten. Toch was het op een vreemde manier prettig. Ze streelde ook de
andere. Sabrina zuchtte vergenoegd. "Voel je nu wat?"
vroeg Eleanor. Nu ze bezig was, kon ze net zo goed meteen doorpakken. Ergens in
haar achterhoofd rinkelde een alarmbelletje, maar het geluid werd steeds vager. Sabrina schudde het hoofd.
"Nee, niks meer. Ze zijn er echt voor Nigel, dat hij wat heeft om mee voor
de dag te komen op die voetbalfeestjes. Die jonge jongens daar zijn er gek op.
Volgens mij zijn ze in de war met een voetbal. Al hebben ze nog nooit
geprobeerd ertegen te schoppen." Ze schaterde het uit. Toen ze gekalmeerd
was, keek ze Eleanor aan. "Ik hou helemaal niet van grote tieten,
eigenlijk. Mijn eigen waren van die kleine dotjes, vertrouwd, lekker warm, ik
kan maar niet wennen aan die ballonnen in mijn blouse. Maar ja, Nigel, hè. Het
is een lekkere vent, hoor, daar niet van, maar hij is erg op de uiterlijke
schijn. Dat hebben al die voetballers, hoewel Johan Cruijff wel meevalt, die is
meer gewoon." "Waarom ga je niet bij
Nigel weg?" "Meid! Ben je gek? Wat
moet ik beginnen zonder Nigel! Ik hou van hem hoor! En buiten dat: hij brengt
een hoop binnen, dat is erg lekker. We kunnen alles doen. Grote SUV, drie keer
per jaar op vakantie. Naar hartstikke verre landen. Nee joh, wat zou ik nou
moeten beginnen zonder Nigel…" Ze staarde voor zich uit, alsof ze de mogelijkheden
toch aan het overwegen was. "Hoe gaat het eigenlijk
met Jordy?" vroeg Eleanor, "Nog steeds aan de drugs?" "Ach ja, daar gaat hij
nooit meer van af. Hij is teveel verwend, denk ik. Te veel in de watten gelegd
en dan krijg je dat. Hij zit in een ontwenningskliniek, maar ik weet nu al dat
dat niks zal uithalen. Hij grijpt toch iedere keer weer naar de coke." "Het zal je kind maar
wezen…" verzuchtte Eleanor meer tegen zichzelf dan tegen Sabrina. Op dat moment zwaaide de
deur open en stond Mariska in de kamer. Op huilerige toon schreeuwde ze:
"Ik ben hier helemaal naar toegekomen met de taxi! Dat kost me mijn halve
studiegeld voor deze maand! En je bent gewoon thuis, waarom ben je me niet
komen halen?" "Nou kind, je bent er
toch gekomen, zie ik," zei Eleanor. Plotseling werden Mariska's ogen zo
groot als schoteltjes: "Waarom zit de buurvrouw hier met blote borsten!
Gadverdamme! Mijn moeder is een pot!" "Kindje toch, zo heb ik
je niet opgevoed. Ik heb je geleerd om iedereen te respecteren, ook homoseksuelen,
dus het gaat niet aan om je eigen moeder voor pot uit te schelden.
Bovendien…." Hier stokten de woorden. Had ze nou zojuist bekend dat ze
lesbisch was? Nee toch zeker? Ze had Sabrina alleen maar uit nieuwsgierigheid
gevraagd haar borsten te laten voelen, anders niet. Of toch? In ieder geval,
een kind had haar moeder niet zo te bejegenen, punt uit. Bovendien had ze drie
borrels op en dan deed een mens weleens vaker wat wat ze niet deed als ze net
uit haar bed stapte of aan de kantoorkoffie was. "Hoe moet het nu
verder!" gilde Mariska. "Mijn moeder, met de buurvrouw op de bank, in
compromitterende omstandigheden. Ik heb niks tegen lesbo's, ik heb er zat onder
mijn vriendinnen, maar toevallig ben jij wel mijn moeder. Die getrouwd is met
mijn vader! Weet pa het eigenlijk al?" "Hij weet niks want er
valt niks te weten." "En iedereen kan naar
binnen kijken! Dat ook nog, dat de hele buurt meteen weet dat mijn moeder het
heeft aangelegd met de siliconenpop van Nigel het voetbaltalent met zijn
kreupele topvoetballers! Oh mijn god! Ma, denk je eigenlijk wel aan mijn
relaties? Ik heb nog een hele carrière voor me hoor. En je weet hoe zoiets
rondzingt!" "Draaf niet zo door,
Mariska! Je lijkt wel een kind van vier met die driftbuien. Als ik iets moois
zou hebben met de buurvrouw, wat dus niet zo is, dan zou dat jou helemaal niks
aangaan." Mariska stampvoette.
"Ik vind het niet goed! Ik vind het niet goed!" "Gelukkig heb je niks
goed te vinden. Nou, pak je kleren maar en zie dat je in Utrecht komt." "Brèng je me dan niet!
Ik kan toch niet weer met de taxi terug?" Eleanor wuifde de bewering
met een vermoeid zwaaigebaar weg. "Dan ga je lopen. Of
met de trein." Sabrina nam nog een slok van haar jenever en trok haar
blouse aan. "Ik ga maar weer eens," zei ze. "Bedankt voor de
borrel, het heeft me echt goed gedaan. Niks zeggen tegen Nigel hoor." Ze
giechelde. "En jij," sprak ze
tegen Mariska. "Mag ik je een raad geven? Hou vooral je eigen borsten, wat
jouw Nigel later ook tegen je zegt." Uiteindelijk was Mariska na
veel gedram met de trein naar Utrecht vertrokken. Eleanor genoot van de
namiddag, waarin de waterige zon haar kamer binnenkwam. Net zozeer genoot ze
van de jenever. De glazen telde ze al niet meer, ze liet de loomheid over haar
heen komen, en bedacht dat ze zich altijd zo wilde voelen. Tegen vijven
sukkelde ze in slaap. Ze had Harry niet horen
binnenkomen. Ineens stond hij naast de bank en keek haar onderzoekend aan. Hij
zag er moe uit met rode vlekken in zijn gezicht: dat wees op een zware dag. En
lange, lange verhalen. Aan de kringen onder zijn ogen meende zij te zien dat
een van zijn patiënten vandaag onder zijn handen de dood was ingeslopen. Hij
trok zich dat persoonlijk aan. Hij verweet die patiënt het ontijdige sterven
dat ten koste ging van zijn reputatie. Harry snoof. "Je hebt
gedronken!" zei hij. Eleanor knikte. "Anders drink je niet
overdag!" "Nu wel." "En we zouden vanavond
naar Van Aerdenhout gaan, en je bent nog niet gekleed! Trouwens, ik wil niet
dat je meegaat, je ziet er straalbezopen uit." "Ik peins er ook niet
over om mee te gaan. Nu niet en nooit niet. Die droogkloot met zijn
uitgestreken ponem. De hele avond opzitten en pootjes geven. En die vrouw van
hem…wat een karkas, volgens mij halen ze die elke ochtend uit haar doodskist en
piepen ze haar op in de oven zodat ze weer een dagje mee kan." "Eleanor! Je hebt het
over een gewaardeerde, gerespecteerde collega van mij! Jij bent mijn vrouw, ik
laat je vrij genoeg…." Eleanor sprong als gestoken
op. "Oh? Laat jij mij vrij?
En moet ik je daar dankbaar voor zijn? Wie denk je wel dat je bent, meneer
Harry? Mijn cipier soms?" "Het is normaal dat een
man af en toe verlangt dat zijn echtgenote fatsoenlijk en wel aan zijn zijde
staat! Ik zal wel zeggen dat je migraine hebt, maar dit mag niet te vaak
voorkomen. Ik heb een druk bestaan, ik bied je een comfortabel leven en daar
wil ik wat voor terugzien. In ieder geval wil ik niet dat je 's middags
straalbezopen op de bank ligt als ik thuiskom." "Jongen toch! Jij hebt
niks te willen, begrijp dat nou toch een keer! Ga nou maar naar Van Aerdenhout
en laat mij met rust." Ze stond op van de bank. Dat
ging moeizamer dan ze verwacht had. De jenever was kennelijk in haar benen
gezonken. Bij de deur zei ze: "Aanstaand weekend moet ik weg. Voor mijn
werk. Dat je het weet." "Daar komt niets van
in! Mijn moeder komt logeren!" "Mooi, dan ben je niet
alleen." Ze sloot de deur en liep de trap op naar haar kamer. Toen ze die vrijdagmiddag in
haar auto stapte, had ze nog steeds last van haar kater. Op haar kamer was ze
namelijk nog even doorgegaan met drinken: jenever, vermout en wijn door elkaar.
Pas toen diep in de donderdagnacht al haar relatiegeschenken op waren, was ze
gaan slapen. Harry had ze niet meer gezien. Wel had ze hem horen schuifelen
toen hij naar bed ging. Hij klonk wankel, alsof hij ook het een en ander achter
de kiezen had. Haar hoofd bonkte dus, en ze
voelde zich kotsmisselijk en uitgewrongen. Ze keek naar het huis van Sabrina en
Nigel: de gordijnen waren nog gesloten. Ook Sabrina was dus doorgegaan. Jammer
dat ze waren gestoord door Mariska. Hoezo jammer. Wat denk ik toch allemaal. Ik
word nog eens echt gek. Of lesbisch, of allebei. "This is the day I've been waiting for, this is the day of the
change. No man can make me stay here, I've unlocked the chain. Set me free," zong ze zacht voor zich uit. De
koppijn nam toe door haar eigen stemgeluid. Het was nog een eind rijden naar
het congresgebouw in Wieringen. Jammer dat ze ruzie had met Mariska, anders had
die haar kunnen brengen. Ze nam zich voor op de rechterbaan te blijven, al
moest ze in een slakkengangetje van zestig rijden. Harry was natuurlijk gewoon
naar zijn werk gegaan. Niets maar dan ook niets had hij laten blijken van zijn
gevoelens over het verloop van de vorige dag. Ze had verwacht dat hij woedend
haar kamer was binnengestapt en, nadat zijn woede bekoeld was, aandacht had
gevraagd voor zijn overleden patiënt. Misschien interesseerde het hem werkelijk
niet en had hij zich erg vermaakt bij Van Aerdenhout. Die was het hoofd van de
afdeling en als hij met zijn vingers knipte, deden de chirurgen wat hen gezegd
was. Ook op bezoek gaan, en naar de diashow van zijn laatste verre reis kijken.
Eleanor was meestal meegegaan, en dan was de hele avond bezig het gapen te
onderdrukken. Ze reed langzaam de straat
uit. Mevrouw Van Damme keek de straat op vanachter de vitrages. In deze buurt
hadden ze geen burgerwacht nodig, want er was weinig dat mevrouw Van Damme
ontging. Op haar aanroep verscheen de politie diverse keren per week in de
straat, want het kon er zo onschuldig niet uitzien, of mevrouw Van Damme zag er
wel een poging tot misdrijf in. Zo was er deze week nog een keurige wandelaar
opgepakt. Mevrouw Van Damme was er van overtuigd dat het een zelfmoordterrorist
was die door de straat liep: wat kon er anders in het rugzakje zitten dan
dodelijke explosieven. Het blonde haar was een camouflage, zo wist ze te
vertellen. In werkelijkheid was de man een moslimfundamentalist, want hij liep
met zijn gezicht in de richting van Mekka. Het zou nog dagen duren voor haar
verontwaardiging over de vrijlating van de man voorbij was. "Geen
bewijs," had ze geschamperd. "Wat een onzin, je ziet zo dat het niet
deugt. Die explosieven waren verborgen in de appeltjes, maar daar hebben de
heren politie natuurlijk niet naar gekeken! Nog even, en wij worden allemaal
het slachtoffer door de zwakheid van onze autoriteiten." Eleanor zwaaide. Mevrouw Van
Damme trok zich schielijk terug. Op de snelweg was het nog
niet druk. Eleanor kon half slapend honderd rijden en lette niet op de
claxonnerende bumperklever achter haar. Al rijdende nam ze een pijnstiller en
dronk ze een paar slokken water uit het flesje dat ze altijd gereed had in de
autodeur. Bij Den Bosch zou de hoofdpijn wel wat gezakt zijn. Plotseling zag ze een lifter
staan op de vluchtstrook. Iemand met lef. Dat moet beloond worden. Ze stopte.
De vrouw stapte in en knikte haar toe. "Ik ga naar
Wieringen," zei Eleanor. "Waar moet jij heen?" "Wieringen
is okay," zei de vrouw. Eleanor nam haar op terwijl ze invoegde vanaf de
vluchtstrook. De vrachtwagenchauffeur achter haar toeterde langdurig. Ze stak
haar middelvinger op. "Altijd dat ongeduld," sprak ze voor zich uit.
De vrouw zag er wel erg casual uit: een gebleekte spijkerbroek met scheuren
erin, echte, niet van die fabrieksmatig aangebrachte, een shirt vol met vlekken
en een totaal versleten leren jack. Ze stonk naar oud zweet en de vuilnisbak in
een hete zomer. Ze keek voor zich uit, alsof ze er niet echt bij was. Voor de
gezelligheid had ik het niet hoeven doen. Het kon Eleanor niet schelen, ze
tufte rustig voort richting Wieringen. Het was pas bij de afslag dat ze bedacht
dat het een leuk idee zou zijn om de vrouw mee te nemen naar haar kamer. Het
zou de sfeer al min of meer bepalen als ze aankondigde dat ze een gast had
meegenomen, met wie ze zich buiten het officiële programma wilde bezighouden. In de hal van Congrescentrum
De Wilde Weelde stond Frederik met een presentielijst. "Eleanor!"
riep hij verheugd uit. "Ik hoopte al dat je op tijd zou zijn, want ik wil
nog het een en ander met je doornemen." Hij besteedde geen aandacht
aan de vrouw die zwijgend met haar was meegelopen. De hele weg had ze geen
woord gesproken. "Ah, goed, Frederik.
Dit is mijn vriendin. Zij is meegekomen en blijft gedurende het programma op
mijn kamer, maar daarbuiten gaan we samen iets leuks doen, is het niet
Els?" De vrouw knikte en gaf Frederik een hand. "Het was eigenlijk
niet de bedoeling dat er partners meekwamen," zei Frederik. "Dat
leidt maar af, en dan de teamspirit. Maar, mevrouw Els, ik hoop dat u zich desondanks
vermaakt!" Els nam de sleutel aan. "Ik ga vast inrichten," zei
ze en ze verdween in de richting van de kamers. "In godsnaam,
Eleanor!" siste Frederik zodra ze buiten gehoorsafstand was. "Waar
ben je nu weer mee bezig? Je vriendin? Hoe moet ik dat opvatten? Weet Harry er eigenlijk van?" "Het gaat je niets aan.
Het is privé, Frederik. Ik heb mijn vriendin nodig als klankbord."
"Als je van plan bent om mevrouw mee te nemen naar het diner, zorg er dan
wel voor dat ze zich wat opknapt. Zoals ze er nu uitziet, kan het natuurlijk
niet. Wat een voddenbaal. Waar heb je haar opgedoken? In de kroeg? Waar je
trouwens kennelijk net vandaan komt, want je stinkt een uur in de wind. Maar
goed, laten we er het beste van hopen. Ik zal het door de vingers zien: het zal
allemaal aan je overspanning te wijten zijn. Ga zitten." Eleanor nam plaats in een
van de ruime fauteuils en Frederik ging tegenover haar zitten. "Vertel
eens," zei hij. "Wat zijn de plannen voor het weekend. Je hebt het
erg degelijk met Buitelaar doorgeëxerceerd, heb ik gehoord." De koppijn
was nog steeds niet over, en daar kwam een toenemende droge strot bij. Ze riep
een van de obers en bestelde een Spa Rood. Pas daarna kwam ze eraan toe zich af
te vragen wat Buitelaar verteld zou hebben. Na haar gesprek met hem had ze geen
moment meer aan de voorbereiding van het weekend gedacht en ze hoopte maar dat
Buitelaar dat wel had gedaan. Daar kon ze wel op rekenen. Hij zou nooit willen
afgaan in de ogen van Frederik. Ze schraapte haar keel, nam
een slok van de Spa die inmiddels was gebracht en zei: "Wat op onze afdeling
ontbreekt, is een intermenselijke uitwisseling. Daarmee bedoel ik: zakelijk
zijn we best goed, informatie-uitwisseling is adequaat, maar er is geen echte
chemie." Frederik knikte. Ze had de juiste toon aangeslagen. Ze vervolgde:
"Dat moet anders. Zo is er nauwelijks uitwisseling over privé-zaken
hetgeen op andere kantoren toch tamelijk gewoon is, zeker op de maandagochtend.
Ik weet niks van Jannie, niks van Aleid, van jou weet ik dat je getrouwd bent
maar daar houdt het ook mee op, en van Buitelaar, weliswaar geen collega maar
toch, hij is er zo vaak dat je hem bijna als zodanig kunt beschouwen, weet ik
ook niks." Gelukkig niet, dacht ze. Ik kan me er van alles bij
voorstellen, hij hangt vast kwijlend in homosauna's in zijn vrije tijd. Nadat
hij bij de sportschool is geweest natuurlijk. "Het is beter voor het
werkproces als we een soort familie worden, als er meer persoonlijke samenhang
is, bedoel ik." "Ik had het niet beter kunnen verwoorden!" riep
Frederik enthousiast uit. "Dat is precies wat ik altijd mis. Het werk gaat
goed, we hebben een enorme productie, zeshonderd vergaderingen per jaar is niet
niks tenslotte, maar er ontbreekt iets! En nu ben ik benieuwd te horen hoe
jullie dit gaan inkleden." "Met een rollenspel," antwoordde
Eleanor gedecideerd. "We beginnen met dat het maandagochtend is, en dat
iemand iets vreselijks heeft meegemaakt, of iets minder vreselijks om mee te
beginnen, dat hij bijvoorbeeld een blauwtje heeft gelopen, en aan niemand kon
hij dat kwijt alleen aan zijn collega's." Frederik knikte. "Het doel
is uiteindelijk dat zowel de ontvanger als de zender open zijn."
"Juist, ja, ja, ik denk dat je daar de koe bij zijn horens vat."
"Haar. Een koe is vrouwelijk." Frederik lachte bulderend. Die heeft
het naar zijn zin, dacht Eleanor, wat hem betreft is het weekend nu al
geslaagd. Buitelaar kwam binnen met
drie koffers. Hij knikte Eleanor toe zonder haar aan te kijken en schudde
Frederik de hand. "Zo, nu gaat het eens gebeuren, Fred!" fleemde hij.
"Zeker. Eleanor heeft me net verteld van jullie plannen, en wat een moed,
om het op die manier te brengen! Ik weet zeker dat we vanaf maandag anders, en
beter, in ons vel zitten!" Vanuit zijn ooghoeken loerde Buitelaar naar
Eleanor. "Nu," sprak
Frederik opgewekt. "Jannie heeft gebeld dat ze wat later kwam en ze zou
Aleid meenemen, dus laten we ons wat gaan opknappen voor de borrel en het
diner." Frederik liep voorop naar de liften. Buitelaar kwam naast Eleanor
lopen. "Wat heb jij hem verteld," fluisterde hij. "Dat we met de
billen bloot gaan, schat. En jij als eerste." Ze vatte kort samen wat de
bedoeling was. "Kutwijf!" Hij liep harder zodat hij niet langer naast
Eleanor hoefde te lopen en stapte naast Frederik in de lift. In haar kamer had de
liftster zich geïnstalleerd in een van de bedden. Ze lag in het Nieuwe
Testament te lezen, dat ze vast uit het nachtkastje had. Haar vervuilde plunje
had ze nog niet uitgedaan. "Zo dame!" zei
Eleanor, terwijl ze op het andere bed ging zitten. "Vertel me nou eerst
maar eens wie je bent en waarom je daar op de vluchtstrook stond." De
vrouw legde de bijbel weg en keek haar aan. Toen stak ze van wal. "Ik ben ontsnapt uit
een gesloten inrichting. Maanden geleden al. Ik zat daar omdat mijn man de
huisarts had wijsgemaakt dat ik hem voortdurend bedreigde met allerlei
huishoudelijke artikelen. Nu weer met een schaar, dan weer probeerde ik zijn
hersenpan de vermorzelen met de stofzuiger. Kortom, geen middel schuwde ik om
hem naar de andere wereld te helpen. De maat was vol toen ik de complete inhoud
van de servieskast naar hem had toegegooid. Het was allemaal niet waar,
natuurlijk. Ik heb nooit een vinger naar hem uitgestoken, maar hij moest gewoon
van mij af. Ik wilde namelijk van hem scheiden. En dat kon hij niet hebben voor
zijn carrière. Ik heb geen tijd om een andere vrouw te zoeken, zei hij, en een
vent die gedumpt wordt door zijn vrouw begint echt niks meer op de beursvloer.
Jij bent ziek, hartstikke ziek. Misschien was dat waar. Ik was ziek van hem,
dat volgevreten mormel dat alleen maar thuis kwam om te slapen en te vreten.
Daarom wilde ik weg. Toen ik dat had gezegd, begon hij raar te doen. Hij deed
alsof ik niet meer bij mijn volle verstand was, legde overdreven zorgzaam een
plaid over mijn benen als ik bij dertig graden boven nul in de zon zat, kookte
warme melk voor me, en herhaalde voortdurend dat ik rustig aan moest doen. Dat
duurde een paar weken. Op een dag kwam de huisarts bij ons thuis. Ik ken die
man niet, want ik ga nooit naar de dokter. Daar schiet een mens niks mee op:
voordat je het weet, hebben ze je de een of andere afwijking aangepraat. Hij
luisterde naar mijn longen, keek me in de keel en in de ogen. Ik heb er nog
spijt van dat ik die gek niet van me afgetrapt heb. Daarna klopte hij op mijn schouder
zoals je dat doet bij een kind of bij iemand waarmee echt geen woord mee te
wisselen is. In de gang overlegde hij met mijn man. Ik kon ze niet verstaan,
maar het gesprek duurde erg lang. Ik was aan het lezen geweest en pakte gewoon
mijn boek weer op. Ik nam me voor om mijn man de volgende dag de
scheidingspapieren onder de neus te leggen en niet weg te gaan voordat hij die
getekend had. Toen die huisarts weg was, kwam hij in de kamer en ging zwijgend
tegenover me zitten. Op dat moment realiseerde ik me het niet, maar nu zal ik
nooit meer dat geniepige glimlachje van hem vergeten. Dat had me moeten
alarmeren. Dan had ik echt zijn hersens kunnen inslaan met desnoods de
stofzuiger. Maar goed, ik had het dus niet door. Na een tijdje, langer dan een
uur zal het niet geweest zijn, kwam er een ambulance met twee van die broeders,
die je in de slechtste B-film nog niet tegenkomt: kort, gedrongen, met van die
varkensoogjes. Van die types die altijd overal aan meewerken. Voordat ik iets
kon zeggen grepen ze me beet, en stopten ze me in zo'n dwangbuis. Je zou denken
die dingen bestaan niet meer maar ze bestaan dus nog wel. Mijn man vertelde ze
ondertussen dat ze moesten uitkijken want dat mijn kracht verschrikkelijk was
ik had hem gisteren nog vreselijk gebeten. Hij liet een hand in verband zien.
Daar was even geleden nog niets mee aan de hand. Ik werd dus de ambulance
ingesleurd en naar een inrichting in Den Dolder gebracht. En als zoiets
gebeurt, word je echt gek, ook al ben je het niet. Ik schreeuwde alles bij elkaar
en schopte en beet. Ik ging direct de isoleercel in, nadat ze me een spuit
hadden gegeven. Het was een kamertje met gewatteerde wanden, een bed van
plastic, het was er heel warm en dat moest ook wel want er waren geen dekens.
De plee was ook van plastic en het stonk er naar stront en naar pis. Ik bleef
gillen en schreeuwen totdat ik in slaap viel. Toen ik wakker werd, lag ik nog
steeds in dat hol, maar ik had net zo goed wakker kunnen worden op Mars. Het
interesseerde me niet, er was een dofheid over me gekomen, ik voelde niets en
ik dacht niets. Ik was dood, al stroomde er nog wel bloed door mijn aderen. Ze
hadden me doodgemaakt. Ik bleef gewoon liggen op dat bed, staarde naar het
plafond, liet alles gewoon lopen, want zelfs om naar de wc te gaan, was ik te
beroerd en te belabberd. Na verloop van tijd, misschien na uren, misschien na
dagen, kwam er een man dat kamertje binnen die vertelde dat hij de
afdelingspsychiater was en dat hij kwam kijken of ik al was gekalmeerd en weer
zicht op de werkelijkheid had gekregen. Ik kon niet antwoorden, want er vormden
zich geen gedachten in mijn hoofd. Dat was leeg en dat bleef leeg. Hij praatte
maar door, die man, over dat het heel erg was voor mij, maar dat ik ook aan
mijn man moest denken, die almaar onder zware druk had geleefd door mijn
ziekte, en dat ik me gelukkig mocht prijzen dat hij op tijd had ingegrepen.
Even nadat hij was vertrokken werd ik door een andere man, een veel jongere,
naar een zaal gebracht waar allemaal vrouwen rond een tafel zaten. Ze zeiden
geen woord en keken alleen voor zich uit. Ik kreeg nog drie keer een injectie
die dag. Wat voor spul het was, weet ik niet. Dat vertelden ze niet, al lulden
ze wel de hele tijd tegen me aan. Zo ging de tijd voorbij. Hoeveel tijd, weet
ik niet. Op een gegeven moment vervingen ze de injectie door pillen en ik had
nog genoeg besef om te weten dat ik die niet moest innemen. Het duurde dagen
voor ik weer een beetje helder was, maar ik liet er niets van merken. Ik bleef
zwijgen tegen de psychiater, en ik bleef zitten staren aan die tafel. Volgens
mij slikten die andere vrouwen al die pillen wel. Ik heb tenminste nooit een
teken van leven bij een van hen gezien. Op een dag zag ik mijn kans schoon.
Toen de diensten van de verpleging wisselden, trok ik zo'n witte doktersjas aan
die gek genoeg bijna niemand ooit droeg maar die wel bij bossen aan de kapstok
hingen en wandelde ik gewoon met de verpleging naar buiten. Net doen alsof er
niks aan de hand is, dan trappen ze er altijd in. Ik was weer vrij. Alleen kon
ik niet meer terug naar huis. Ik kon me nergens meer vertonen, want de politie
zou binnen de kortste keren weten dat er een gevaarlijke gek was ontsnapt.
Reken maar dat ze me zouden vinden. Dus ik zwierf op straat, maandenlang. De
eerste dagen probeerde ik me schoon te houden door me te wassen in kanalen en
regenplassen, maar dat is geen doen. Je wordt er niet schoon van en je kunt je
de kou niet permitteren als je op straat leeft. Dus ik liet het vuil gewoon
waar het was. Eten is geen probleem, alle vuilnisbakken zitten overvol met
bruikbare spullen. Ik kon kiezen wat ik wilde eten! De eerste dagen hield ik me
nog verborgen overdag om maar niet opgepakt te worden, maar ik werd steeds
onzorgvuldiger. Je zou denken, een zwaar vervuilde vrouw op straat valt op, maar
niets is minder waar: niemand zag me. De mensen keken door me heen alsof ik een
spook was, of onzichtbaar. Maanden heb ik zo geleefd, maandenlang. Tot vandaag.
Ik had er ineens genoeg van. Vandaar dat je me tegenkwam op de snelweg: ik
wilde ergens heen, maakte me niet uit waar. Voor mijn part had ik ook
doodgereden kunnen worden, had me helemaal niet uitgemaakt." Eleanor wist niet meteen wat
te zeggen. Ze bekeek de vrouw wat grondiger dan ze tot nog toe gedaan had. Ze
was er eenvoudigweg niet eerder aan toegekomen, omdat ze haar hoofd vol had van
het weekend. De ogen van Annie Lennox, dacht ze ineens. Inderdaad, datzelfde
blauw. Haar stem had er ook wel wat van weg, dacht ze. "We gaan je eerst eens
wat opknappen," zei ze. "En omdat de nood hoog is, is diefstal
geoorloofd. Die tantes van dat advocatenkantoor ofzo, die van verderop op de
gang, zullen best wel wat over hebben op hun kamer. Blijf hier!" De vrouw
knikte. Het verwilderde in haar blik had plaatsgemaakt voor berusting. Eleanor liep de gang op. Het
was voor alle gasten tijd om zich te kleden voor het diner dus alle kamers
waren bezet. Verderop de gang logeerden een tiental dames, dat ze al had gezien
bij binnenkomst. Het waren van die keurige dames die in een mal gegoten leken:
precies slank genoeg, de juiste graad van blondheid, de juiste leeftijd, zo
tussen de vijfentwintig en dertig. Bij binnenkomst hadden ze allemaal twee of
drie koffers bij zich: daar zou vast wel wat casuals bij zitten dat de vrouw -
die ze in gedachte Els noemde - kon gebruiken. Eleanor stelde zich op bij
de branduitgang en draaide een shaggie. Dat was nooit verdacht. Rokers draaiden
tegenwoordig op de gekste plaatsen shaggies, zodat ze even een paar trekjes
konden nemen als ze los mochten, in de buitenlucht. Wat ze verwachtte, gebeurde:
dames liepen over en weer naar elkaars kamer, druk kwetterend. Het lijken wel
vrouwen-van, dacht ze, zo opgewonden als ze zijn, die een dag worden
vrijgelaten uit hun doorzonwoning in een wijk op stand. Toen één van de dames
verdween in de kamer van een ander zag ze haar kans schoon. Ze stapte de
verlaten kamer binnen en liep op de koffers af. Bij de eerste was het meteen
prijs: truien, blouses, en spijkerbroeken. Hoelang waren de dames eigenlijk van
plan te blijven? Het was duidelijk dat er veel sportiefs op het programma
stond, waarbij veel door modder moest worden gekropen en in water moest worden
gevallen, want waarom zouden ze anders zoveel combinaties bij zich hebben. Ze
luisterde nauwlettend of de eigenaresse van de koffer al op weg naar haar kamer
was en toen ze niks hoorde nam ze van elk soort kledingstuk twee exemplaren. Ze
sloot de koffer zorgvuldig. Het zou wel even duren voor de vrouw merkte dat ze
iets kwijt was, als ze het al zou merken voor ze lang en breed weer thuis was. "Zo," zei ze,
teruggekeerd op haar eigen kamer. "Hier kunnen we voorlopig wel mee
toe." Ze toonde de vrouw de kleren. "Ik zou me eerst maar eens gaan
wassen, als ik jou was." Terwijl de vrouw in bad zat,
zapte Eleanor langs de kanalen die het hotel de klanten bood per televisie.
Allemaal digitaal. Veel films waarin werd geschoten en achtervolgd. Ze liet de
beelden gedachteloos voorbijkomen. Porno ook, natuurlijk. Ze bleef hangen bij
een film waarin een man met moeite een erectie in stand hield. Dat viel niet
mee, kennelijk was het zijn opdracht om het klaarkomen zo lang mogelijk uit te
stellen en dat benam hem de lust. Logisch eigenlijk. Nu ze in haar vijftiger
jaren was beland, ontbraken de lustgevoelens steeds meer. In haar twintiger
jaren was ze gek geworden als ze langer dan een week geen seks had, maar daar
was nu geen sprake meer van. Harry en zij neukten niet meer. Ze wist niet meer
hoe en wanneer het was opgehouden, maar het was gegaan volgens het
gebruikelijke patroon: steeds minder, tot de seks op een gegeven moment
helemaal achterwege bleef. Ze kon niet zeggen dat ze het miste. Het was
eigenlijk wel rustig zo. Ze dacht aan de ogen van de vrouw, en voelde
plotseling een vage opwinding. Merkwaardig. Het moest aan de entourage liggen.
Congreshotels hadden altijd een vreemde uitwerking op haar gemoedstoestand. Na een uur verscheen de
vrouw helemaal schoongewassen in frisse kleding. De spijkerbroek paste precies,
de blouse was wat oversized maar dat stond haar wel goed. Nu ze haar
verwaarloosde uitstraling kwijt was, was ze echt mooi. Niet klassiek mooi,
zoals de dames aan het einde van de gang. Volgens de klassieke normen was haar
gezicht te hoekig, te hard, maar het had een zelfbewuste uitstraling. Hoe ver
moest deze vrouw van zichzelf verwijderd zijn om in zulke omstandigheden
terecht te komen, vroeg Eleanor zich af. Waarom had ze die kerel van haar niet
bij kop en kont gepakt en de straat op gegooid? "Staat je
prachtig!" zei ze. De vrouw glimlachte. "Hoe heet je eigenlijk?"
"Els" Hoe is het mogelijk, dacht Eleanor. Misschien weet een mens
dingen waarvan ze nog niet weet dat ze ze weet. Ze werd duizelig door haar
eigen gedachten, ook al omdat haar kater nog altijd niet helemaal verdwenen
was. Ze opende de deur van de
minibar en haalde er een half flesje champagne uit. Alcohol werkt goed tegen
katers en de zaak betaalde. Als er nog een zaak was na dit weekend. Ze schonk
twee glazen op en zei: "Proost, Els, op het vervolg van ons leven. Ga
straks maar mee naar het hele gedoe, ik beloof je dat het spannend wordt. En
voor morgenavond is het afgelopen." Els haalde haar schouders op
en zei: "Ik vind het best. Ik voel me beter dan ik me in tijden gevoeld
heb, dus alles is een cadeautje voor me." Nadat ze het flesje geledigd
hadden, gingen ze naar het restaurant. Frederik, Buitelaar, Aleid en Jannie
zaten al aan tafel. Dirk, Froukje, Mordechai en Ester waren gearriveerd, zo
vernam ze van Aleid, maar die waren zich aan het omkleden. "Fijn om zo met de hele
club bijeen te zijn!" bracht Frederik uit. Hij had een enigszins dubbele
tong, hetgeen betekende dat hij het begrip vrijdagmiddagborrel deze keer wel
erg letterlijk had opgevat. Straks zou hij wel weer bijtrekken. De eerste
rollenspellen zouden tenslotte vanavond zijn. En de laatste ook, maar dat wist
alleen Eleanor. Ester verscheen verhit aan
tafel. Ze gunde zich weinig tijd om aan sociale gebeurtenissen mee te doen.
Eleanor had de indruk dat ze zich er moedwillig aan ontrok, omdat ze de
bijeenkomsten haatte. Zelfs voor het verjaarsgebak verscheen ze niet. Maar net
als iedereen was ook zij door Frederik gedwongen om naar Wieringen te komen.
Ester zat altijd gebogen over haar toetsenbord, nooit had Eleanor haar iets
anders zien doen als zij haar kamer binnenkwam. Af en toe verscheen er een
rapport, vol met cijfers, waar haar naam bijstond en dat zou dan wel haar werk
zijn. Het rapport werd in de algemene vergadering steevast voor kennisgeving
aangenomen en dan gebeurde er nooit meer wat mee. Na een kwartier verschenen
ook Dirk, Froukje en Mordechai. Dirk was de onderhoudsman. Hij had zich voor de
gelegenheid in driedelig grijs gestoken en hij zag er doodongelukkig uit.
Frederik wilde iedereen erbij, ook de ondersteuners. Die hadden ook hun aandeel
in de totale output, beweerde hij. Het was duidelijk dat hij ze er geen plezier
mee deed: Dirk frummelde wat aan zijn stropdas, glimlachte te pas en te onpas
en zei gedurende het hele diner geen woord. Els at met smaak. Niemand
had gevraagd wie zij was. Waarschijnlijk nam iedereen aan dat ze een van de
inleiders was, want er kon geen heideweekend plaatsvinden of er was wel een
inleider bij. De vorige keer had Frederik stad en land afgebeld om Emile
Ratelband erbij te krijgen, maar die was toen druk met zijn verkiezingen. Dus
moest hij het doen met iemand van een gerenommeerd bureau, die echter bij
niemand bekend was. Na het diner begaf het
gezelschap zich naar de vergaderzaal. Eleanor porde Els in de zij. "Goed
opletten," fluisterde ze. "Dit vergeet je je leven niet meer." "Mag ik zeggen hoe fijn
ik het vind dat we vanavond voor ons gevoel uitkomen!" begon Jannie,
terwijl haar niet gevraagd was wat te zeggen. "Ik mis dat zo, dat
zusjesgevoel, ik hoop dat dat anders is na dit weekend." Jannie had zes
kinderen van wie drie met een handicap. Die was erfelijk. Eleanor had nooit
precies begrepen wat voor handicap het was, in ieder geval waren de kinderen
zwakbegaafd en zaten ze in een rolstoel. "Toch ben ik blij dat ik ze het
leven geschonken heb," had Jannie eens verteld. "Het leven is
wonderlijk en heerlijk, dat mag je niemand onthouden!" Twee jaar geleden
was haar baarmoeder verwijderd, anders zou ze ongetwijfeld weer zwanger geweest
zijn. Wat dacht ze eigenlijk? Dat in het hiervoormaals de zielen zich
verdrongen om alsjeblieft geboren te mogen worden? En dan het liefst in een
gezin zoals dat van Jannie, waarin elk kind een koningskind was, zeker als het
zwakbegaafd was. "Dank je," zei
Frederik, die zich inderdaad had hersteld van zijn vroeg invallende
dronkenschap. "Dan geef ik nu het woord aan Eleanor en Rob, die iets heel
speciaals voor ons in petto hebben, heb ik begrepen." Eleanor stond op en gebaarde
Rob Buitelaar hetzelfde te doen. Deze, voor de gelegenheid gekleed in een
appelgroen kostuum dat hem te strak zat en een gele stropdas op een knalroze
overhemd, stond onwillig op. Hij probeerde het uit alle macht te verbergen,
maar hij kon niet verhinderen dat zijn blik dodend was. Als Eleanor er gevoelig
voor was geweest tenminste. Dat was ze niet, integendeel, ze genoot van zijn
giftigheid. "Goed," begon ze.
"De man hiertegenover me is even een loketmedewerker. Laten we zeggen bij
de sociale dienst. Ik ben een cliënt die het niet met de gang van zaken eens
is, en die gewelddadig wordt. Rob moet als loketmedewerker het proces in goede
banen weten te leiden." Ze gooide haar jasje uit,
streek door haar haar om een warrige uitdrukking te krijgen en stak van wal: "Zo, huftertje! Jij
gaat er voor zorgen dat tante Sjaan een uitkering krijgt. En een flinke ook!
Want tante Sjaan hep al dagenlang niks fatsoenlijks meer te vreten gehad." "Mevrouw, u moet op uw
beurt wachten," sprak Rob ongeïnspireerd. "Niks op mijn beurt
wachten. Poen moet ik zien!" Ze gaf hem een klap in zijn gezicht. "Is dit nou
nodig!" riep Rob uit met gebalde vuisten. "Je moet wel in je rol
blijven! Beslist niet terugslaan, dan escaleert het geweld!" legde Eleanor
rustig uit. "Inderdaad, je moet wel
meespelen, Rob. Ik zag zo dat het een fake-klap was," zei Mordechai, wiens
ogen begonnen te glimmen. "Hoe voel je je nu,
Rob?" vroeg Jannie. "Bedreigd? Aangetast in de
professionaliteit?" Rob maakte een grommend
geluid. Het was duidelijk dat het antwoord dat hij wilde geven niet geheel zou
beantwoorden aan de verwachtingen. "Nou, komt er nog wat
van? Bleekscheet! Kantoorkruk! Jij zit hier maar, in mijn portemonnee te
graaien en ondertussen word ik van binnenuit opgevreten. Het is dat ik nog wat
vet op mijn lijf heb, ander was ik al kassie wijlen!" "U moet gewoon op uw
beurt wachten," zei Rob. Zijn stem was onvast. Zijn ogen blikkerden
donder. "Ach, jij,"
Eleanor duwde hem. "Met je groene apenpakje aan! Dat wat jij doet is zeker
werken! Een beetje het baasje uithangen, hè?" Ze gaf hem een trap tegen
zijn schenen. "Au! Verdomme!" riep Rob uit. "Niet zo
onprofessioneel, Rob!" riep Mordechai. "Het is anders best
moeilijk om je gevoelens om te leiden tot iets constructiefs in zo'n
situatie," vond Jannie. "Zal ik dit
notuleren?" vroeg Aleid. "Dat we er later nog eens op kunnen
terugkomen?" "Als jij nou eens even
fijn voor de centen zorgt, dan ga jij geen pijn meer lijden, huftertje!" "Ik weet niet of dit
rollenspel zijn doel niet voorbijschiet," sprak Rob tot de toehoorders. "Straks evalueren we.
Eleanor kan zich misschien iets minder inleven in haar rol," zei Frederik. "Zo gaat het juist
goed!" riep Mordechai, terwijl hij langzaam applaudisseerde. "Het is
juist heel duidelijk zo waar dit naar toe gaat! En in welk dilemma de
loketmedewerker zich bevindt " Eleanor trok Rob aan zijn
haren, net niet hard genoeg om het er met wortel en al uit te trekken. "Zo, daar heb je niet
van terug, ventje. Dat wordt nog eens wat met jou, en ga nou maar gauw de poen
halen!" "Laat me los,
klerewijf!" "Laten we even pas op
de plaats maken en dit proces evalueren om te achterhalen wat hier precies fout
ging," zei Frederik. "Ik heb het gevoel dat we hier veel van
opsteken." "Ik zie niet welk
proces met dit spel nou precies duidelijk is geworden," zei Rob, terwijl
hij Eleanor vernietigend aankeek. "Bij een dergelijke agressie roep je de
beveiliging, dat laat je niet over je heenkomen." "Wat vinden de anderen
ervan?" vroeg Frederik. "Ik denk dat de
loketmedewerker wat meer van zijn gevoel kan laten zien," zei Jannie.
"Dan is er kans dat de geweldsspiraal doorbroken wordt. Nu liet hij zich
meeslepen door zijn eigen agressie. Het was te zien dat het hem veel moeite
kostte om niet terug te slaan." "Zeg dat wel,"
siste Rob. "Excuses?" vroeg
Frederik om opheldering. "Sorry," zei Rob,
nu hardop. "Het spel beviel me niet. Ik vraag me af of Eleanor de opzet
wel duidelijk voor ogen had." "Zeker had ik dat. Je
moest kalm blijven en zorgen dat ik tevreden wegging zonder geld." "Hoe kan dat nou, als
je begint te slaan en te schoppen. En trouwens, wat hebben beleidsmedewerkers
op een ministerie te maken met loketten." "Oh, maar het gaat om
het gevoel!" riep Jannie. "Juist omdat wij daar niet veel mee te
maken hebben is het goed dat we ons eens in leven in zo'n situatie. Dan kunnen
we beter anticiperen op beveiligingsbeleid." "Ik ga me niet nog een
keer in elkaar laten slaan door dat wijf!" riep Rob Buitelaar plotseling
uit. Direct bloosde hij tot diep in zijn nek. Het was duidelijk niet de
bedoeling dat hij zo uit zijn rol schoot. "Niet zo emotioneel,
Rob. We zijn hier aan het evalueren. Dit is helemaal niet jouw stijl,"
vermaande Frederik. Buitelaar legde zijn armen
over elkaar en keek stuurs naar buiten. "Ik dacht dat er nog
iets kwam met een maandagochtend?" vroeg Frederik. "Dat leek me nou
zo'n aardig idee. Persoonlijk verheug ik me er altijd weer op om jullie te zien
op maandagochtend, maar zoals Eleanor mij straks in de vestibule duidelijk
maakte, we hebben het nooit over ons andere leven, het leven dat zich buiten de
kantooruren afspeelt en dat eigenlijk zoveel belangrijker is dan het leven
binnen de muren van het instituut. Neem mij nou: ik werk zeker zestig uur per
week. Jullie weten allemaal hoe dat gaat: nog even dit, toch maar die
vergadering 's avonds en voor je het weet, heb je de hele week je vrouw niet
gezien. Jullie moeten weten dat ik een erg gelukkig huwelijk heb, met een erg
lieve vrouw, die mij in alles ondersteunt. Zonder haar zou ik niet half zoveel
presteren als ik nu doe." De tranen sprongen hem in de ogen. Jannie stond
op en legde een arm om zijn schouder. "Heel goed. Laat je
maar gaan. Een heel goed begin." "Ik vis in het
weekend," vertelde Mordechai. "En eerlijk gezegd heb ik daar geen
gevoel bij. Wat willen jullie weten, wat ik gevangen heb? Nou, afgelopen
weekend weer mooie vis, hoor, kon zo de pan in, met worteltjes en botersaus, we
hebben weer heerlijk gegeten! En ik vond het stukje van zojuist trouwens erg
goed." Aleid noteerde driftig. Vast
geen verslag van het gezegde, dacht Eleanor. Ze keek op haar horloge: tien voor
negen, lang kon het nu niet meer duren. Dirk bekeek zijn vingers aandachtig.
Nog niet met bedreiging van de dood zou hij in dit gezelschap gaan zitten
vertellen wat hij in het weekend deed. "Hè, wat zijn we
heerlijk open!" zei Jannie vergenoegd. "Jammer genoeg heb ik mijn
breiwerk niet meegenomen, anders zou ik zo gaan zitten breien!" En dat meende ze. Eleanor
kende Jannie goed genoeg om te weten dat ze dit niet ironisch had bedoeld. Ze
bedoelde alles serieus. Ironie bestond voor haar niet, tenminste niet in
werktijd. En daarbuiten hoogstwaarschijnlijk ook niet. "Dames en heren, we
gaan verder, Eleanor, wil jij…" De deur sprong open alsof er
van de buitenkant tegen getrapt was. Een stuk of tien ME-ers voorzien van
automatische geweren en helmen drongen naar binnen. Ze renden op Rob Buitelaar
af, die door twee of drie van die kerels hardhandig tegen de grond werd
gegooid. De ME-ers schreeuwden Amerikaans-klinkende termen tegen elkaar, maar
waren niet te verstaan. Ze deden Rob Buitelaar handboeien om en sleepten hem
mee, de deur uit. Zo snel als ze waren gekomen
waren ze ook weer weg. De achtergeblevenen keken elkaar verbouwereerd aan en
enige tijd was het stil. "Waar ging dat
over?" vroeg Frederik. Els, die de hele avond nog
niets had gezegd, zei: "Vast iets met drugs ofzo, ik vond die man er wel
een beetje eng uitzien." "Rob Buitelaar is van
onbesproken gedrag!" riep Frederik uit. "Tenminste, dat heb ik altijd
zo gevoeld. Het lijkt er misschien op dat ik het bij het verkeerde eind heb
gehad, maar er kan heel goed een vergissing in het spel zijn, ja, dat kan heel
goed nu ik erover nadenk. Dat gebeurt immers voortdurend, dat mensen worden
aangehouden en dan later worden vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs!" Eleanor zweeg. Alles was
precies gegaan volgens plan. Een knappe Buitelaar wilde hij zich hier nog uit
redden. Een paar weken lang was hij zeker opgeborgen. Ze had moeite niet in
lachen uit te barsten. "Wat zou de aanklacht
eigenlijk zijn?" vroeg Mordechai gretig. "Pedo? Terrorisme? Zware
verkeersovertreding? Moord?" "We zullen het te
zijner tijd wel horen, Bram," zei Frederik op afgemeten toon. "Het is
niet de tijd en niet de plaats om hierover te speculeren. Het was een
vergissing, ja, het moet een vergissing geweest zijn." Dat laatste
prevelde hij meer voor zich uit dan dat hij zich tot de groep richtte. Hij
hernam zich en een paar seconden later was hij weer helemaal het gedecideerde
afdelingshoofd, dat nauwlettend en accuraat de wensen van de minister vertaalde
in uitvoerbaar beleid. "Ik denk dat we dit
weekend maar moeten afblazen. De schok is te groot om op een constructieve
manier verder te werken." Hij stond op, knikte zijn mensen toe, en verliet
de zaal. "Kom, Els, wij gaan
naar onze kamer. Ik moet hier ook even van bijkomen, hoor!" "Wat zou hij toch
gedaan hebben?" vroeg Els, toen ze eenmaal op de kamer terug waren. Ze
nipte van haar glas Champagne. Gelukkig werd de minibar bijgevuld als de gasten
hun kamer even hadden verlaten. Het was een goede locatie. "Hij heeft niets
gedaan," antwoordde Eleanor. "Niets? Hoe weet jij
dat? Ze komen toch niet zomaar met grof geschut iemand ophalen?" "Wel als ze wordt
ingefluisterd dat het om een gevaarlijke infiltrant gaat die het gemunt heeft
op het leven van de minister en die relaties heeft met de Hofstadgroep." "En dat geloven ze
zomaar?" "Wel als het bericht
komt van een betrouwbare ambtenaar die e-mails en telefoontjes heeft weten te
onderscheppen." "Nee, hè? Goh, op de
snelweg leek je zo'n keurige vrouw. Ik begin je steeds leuker te vinden!" Voordat ze wist wat ze deed,
zat Eleanor naast Els en kuste haar hartstochtelijk. Het was de goede daad op
het goede moment zonder dat een van de twee dat had weten aan te geven. Het
gebeurde omdat het gebeuren moest en toen Eleanor er tussen twee kussen over
nadacht, wist ze dat het er de hele tijd al had in gezeten. Ze brachten de nacht door in
de rustige hartstocht van mensen die elkaar weliswaar net hebben ontmoet, maar
elkaar altijd al hebben gekend zodra ze elkaar zien. Misschien is er een soort
collectief bewustzijn, dacht Eleanor, waarmee we allemaal in contact staan met
elkaar en was er de hele tijd al een lijntje naar Els. Hoe was de opstandigheid
waarmee ze zich de laatste dagen had gedragen tegen Harry en de kinderen anders
te verklaren. Tegen zessen vielen ze in
elkaars armen in slaap. Ze werden gewekt door een klop op de deur. Eleanor
schoot een T-shirt aan, opende de deur op een kier en keek Frederik aan, die nu
een volledagsbaard had en wallen onder zijn ogen. "Het schijnt dat Rob
betrokken was bij die Hofstadgroep!" fluisterde hij verbouwereerd.
"Het schijnt dat ze ternauwernood een aanslag hebben weten te voorkomen.
Wat voor aanslag wilden ze niet zeggen, maar het is ernstig, heel ernstig. Hoe
heb ik dat niet kunnen merken?" Zonder haar antwoord af te wachten, liep
hij weg. Bij de trap draaide hij zich om en zei: "Jullie kunnen naar huis.
Ik had je vrij gegeven vanaf maandag maar ik zou het op prijs stellen als je
toch naar het afdelingsoverleg kwam. We moeten de gebeurtenissen op een rijtje
zien te krijgen." Els was ook wakker geworden.
Ze trok Eleanor terug in bed. Ze gingen zo in elkaar op dat ze het geklop op de
deur, vast van het kamermeisje dat de bedden moest opmaken, nauwelijks merkten.
Pas tegen vijf uur in de middag vonden ze het tijd om op te staan en zich te
kleden. Vrijen maakt hongerig, dat wist iedereen. Het diner voor vanavond was
al besteld, dus ze konden zo aanschuiven. Els en Eleanor hadden een
heerlijk weekend waarin ze vooral op hun kamer bleven om de liefde te bedrijven
en elkaar over hun leven te vertellen tussen het vrijen door. De eerste avond
hadden ze zich nog netjes gekleed voor het diner, maar zaterdag- en zondagavond
hadden ze zich daarvoor de tijd niet gegund en waren ze gewoon verschenen in
joggingpak, dat ze uit de kamers van de dames verderop in de gang hadden
gehaald. Tijd om te gaan winkelen in Wieringen hadden ze uiteraard ook niet en
Eleanor had alleen formele kleding meegenomen. Ze was ervan uitgegaan dat ze na
de arrestatie van Rob Buitelaar weg kon. Tegen zondagavond had
Eleanor een vrij compleet beeld van het leven van Els tot nu toe. Haar man
heette Jaap en ze was al dertig jaar met hem getrouwd. Aanvankelijk was hij een
aardige, rustige jongen die op een accountantskantoor werkte en in zijn vrije
tijd schilderde. Een tijdlang, gedurende hun eerste huwelijksjaren, vond hij
het schilderen belangrijker dan zijn werk. Dat was niet zo saai als het aan de
buitenkant lijkt, zeker als hij op het spoor was van fraude, steevast
uitgevoerd door de penningmeester of de directeur, beleefde hij spannende
tijden. "Ik werk om te leven, ik leef niet om te werken," zei hij
vaak. Dit cliché had natuurlijk alle waarschuwingslichten moeten doen branden,
maar Els had niet door dat deze zin een bezwering was, geen weergave van de
werkelijkheid. Hun eerste grote probleem
was dat Jaap onvruchtbaar bleek. Ze hadden ziekenhuizen afgelopen,
bijeenkomsten van Jomanda bezocht, geneukt met kalender en klok bij de hand
maar niets had geholpen. Jaap had eenvoudigweg geen levende zaadcellen. Het had
een tijd geduurd voor ze erachter waren dat de onvruchtbaarheid bij hem lag:
iedereen ging ervan uit dat Els onvruchtbaar was. Stiekem vond ze dat niet eens
erg, want ze hield niet van kinderen. Niet van allemaal, tenminste. Niet van de
verwende, schreeuwende krengen van haar zuster die ze op verjaarsfeestjes
tegenkwam en ook niet van de hangjongeren bij de school in haar buurt. Zo'n
kleine peuter, die maar nauwelijks op zijn benen kon staan en wat voortwaggelde
en steeds weer omviel, die vond ze leuk, maar altijd als ze vertederd dreigde
te raken, stelde ze zich voor dat zo'n kind heel snel opgroeide tot zo'n jongen
met de baard in de keel die alle kanten uitgroeide en pukkels had, wekenlang in
dezelfde onderbroek liep en op het schoolplein ging hangen. Soms werd haar
angst daarvoor zo groot, dat ze blij was als ze weer ongesteld werd. Dat liet
ze niet merken aan Jaap. Zijn leven was pas compleet als hij een zoon zou
hebben. Een zoon, geen dochter, daar had hij het nooit over. Dat had de
volgende alarmbel moeten zijn die afging. Toen eenmaal duidelijk was
dat Jaap de onvruchtbare was, overwogen ze kunstmatige inseminatie. Els durfde
dat voor te stellen, omdat ze wist dat Jaap daar nooit mee akkoord zou gaan.
Dat bleek al snel: "Een kind van een andere man? Nooit van mijn
leven!" had hij uitgeroepen. Daarna had hij wel gevraagd of de kinderloosheid voor haar een groot
probleem vormde, maar zij had gezegd dat ze ermee kon leven, dat het zwaar was,
maar dat ze dit kruis maar moesten dragen ze hadden immers elkaar en een kind
was niet de enige voorwaarde waaronder je gelukkig kon worden. Eleanor werd steeds
nieuwsgieriger hoe ze toch aan die Jaap was geraakt: de twee leken immers
helemaal niet bij elkaar te passen. Els vertelde dat ze in haar jonge jaren
ernstig in de war was geweest. Halverwege de jaren zeventig volgde ze het ene
gevoel na het andere en dat leidde tot een zeer onrustig leven. Als ze erop
terugkeek, leek het alsof ze jaren op haar rug had doorgebracht in het bed van
een naamloze geliefde of in een met rode lampen verlichte kamer waarin veertien
mensen lagen te blowen. Ze was student, maar dat ze ooit had gestudeerd kon ze
zich niet herinneren. Nadat ze heel vaak was gezakt voor haar tentamens had ze
haar studie wiskunde eraan gegeven en was ze naar de Sociale Academie in
Driebergen gegaan. Ook daar had ze niet veel meer gedaan dan op haar rug
liggen. Toen ze na jaren heel erg moe werd, en haar nog lange leven zich als
een woestijn voor zich uitstrekte, ze kon alleen maar omkomen van de dorst en
er was geen enkel richtpunt, had ze Jaap ontmoet op het veertigjarig
ambtsjubileum van haar vader. Hij was betrokken bij het accountantskantoor van
haar zaak. Ze vond hem een lieve jongen, en een verademing naast alle zogenaamd
feministische mannen met wie ze in bed en op zitkussens had gelegen. Het duurde
niet lang voordat ze was getrouwd. Niet lang nadat duidelijk
was geworden dat Jaap onvruchtbaar was, had hij zijn baan opgezegd en was hij
voor een beleggingskantoor gaan werken. Hij werkte met opties. Dat was heel
hectisch maar kennelijk ook heel spannend, want als hij thuis was, deed hij
niets anders dan beurskoersen volgen. Hij begon andere eisen aan haar te stellen.
Ze moest zich representatiever kleden. Ze moest in gezelschap van zijn
collega's, die hij vaak mee naar huis nam, niet gedragen als een geitenwollen
sok. De uitdrukking was van hem. In die tijd gaf ze nog Neuro-Linguistische
therapieën aan managers en mensen met een kink in hun creatieve stroom en hij
eiste dat zij daarmee ophield. Aanvankelijk weigerde ze verbouwereerd. Ze
voelde de grond onder zich wegzakken, alsof ze met iemand was getrouwd die ze
nu pas goed leerde kennen en waarschijnlijk was dat ook zo. Of misschien waren
er altijd al twee kanten aan Jaap geweest en had ze verzuimd de kant die zich
nu zo sterk openbaarde te zien. Dat bracht haar zo van haar stuk, dat ze
inderdaad moest stoppen met therapie geven. Voortaan zat ze thuis, in afwachting
van Jaaps thuiskomst, in angstige afwachting, als ze er op terugkeek. Eleanor werd woedend om dit
weggegooide leven. Ze wilde iemand de schuld geven, en Jaap was de eerst
aangewezene, maar ze wist dat dit onterecht was. Els had zich moeten
ontworstelen, en niet afwachten tot Jaap haar in een inrichting had gedwongen.
Els had het heft in eigen handen moeten nemen en Jaap moeten verlaten. En ik dan, vroeg het
teringwijf in haar binnenste keer op keer, ben ik niet veel te lang doorgegaan
met het waden door de grauwe mist? Was mijn hele leven niet een soort
isoleercel waar ik bedwelmd lag te wachten op mijn bevrijding? Ze zag Harry
voor zich, zoals hij zich 's morgens loom aankleedde en 's avonds de verhalen
uit het ziekenhuis vertelde, daarbij nooit vergetend zijn eigen heroïsche rol
te benadrukken. Nu had ze het achter zich gelaten, had de stroom van het niets
doorbroken, maar hoe lang had dat niet geduurd. Waarom weten we niet als kind
al hoe snel de jaren voorbijgaan en dat gemiste kansen nooit terugkeren maar
voor altijd gemist zijn en bepalen hoe de jaren die volgen zullen verlopen? Na het eten op zondagavond
reden ze naar Eleanors huis. Zij had bepaald dat Els voorlopig in Soestduinen
zou logeren, want waar moest ze anders heen. De rit verliep zwijgend. Het
weekend was zo buiten alle werkelijkheid geweest dat ze moeite hadden daarnaar
terug te keren. De confrontatie met de rest van de wereld zou spoedig volgen en
het zag ernaar uit dat die niet aangenaam zou zijn. Toen ze het pad naar de
garage opreden, keek Eleanor Els aan. "Nou, daar gaat-ie dan, denk erom,
we krijgen van alles over ons heen maar we houden voet bij stuk." Zodra ze de gang in liep,
kwam Harry haar tegemoet. Hij droeg zijn zondagse slobberbroek en een
verschoten T-shirt, hetgeen erop wees dat hij geen dienst had gehad of nog
kreeg vanavond. "Waar ben je verdomme
geweest!" riep hij uit. "Frederik heeft nog gebeld, dat heide-weekend
van jullie is afgeblazen nadat die terrorist was gearresteerd en hij wou weten
hoe het met je ging!" Hij zweeg, leek op dat
moment pas Els op te merken. "En wie is dat?" vroeg hij onhoffelijk.
Meestal was hij niet zo onbeleefd. Wel tegen zijn patiënten maar dat waren geen
mensen, dat was een verzameling vlees waarin gesneden moest worden. Toen zij
hem daarmee had geconfronteerd, had hij gezegd dat het wel meeviel maar dat het
nodig was om een zekere afstand te bewaren tot zijn patiënten anders kon hij ze
godsonmogelijk opereren. "Dit is Els,"
antwoordde Eleanor. "Zij komt hier voorlopig wonen. Zij is mijn vriendin
en ik ga verder met haar door het leven. We blijven hier tot we een andere
oplossing hebben. Of misschien wil jij vertrekken. Maar dat zal wel niet." "Ho even!" Harry
greep naar zijn hoofd. "Wat zeg je nu allemaal. Frederik liet al zoiets
vallen, van dat je niet helemaal in orde bent de laatste tijd. Hoezo komt zij
hier wonen? Nee, dat kan niet." "Laten we eerst even
naar de kamer gaan, hier in de gang praat het zo lastig. Al valt er niet heel
veel te praten." Toen ze gedrieën in de kamer
zaten, keek Harry ongemakkelijk om zich heen. Hij wist niet of hij moest huilen
of bulderend van woede moest uitvallen. "De situatie is zo,
lieve Harry, ik ga je verlaten, of beter gezegd, ik heb je al verlaten. Het is
alleen nog een kwestie van de praktische zaken regelen." "Maar waarom dan? Heb
ik een vriendin? Doe ik je financieel tekort. Vertel dan wat ik fout heb gedaan
in jouw ogen. Wat jij fout hebt gedaan is wel duidelijk! Je bent de laatste
tijd schromelijk tekort geschoten als echtgenote en als moeder! Van Mariska, die
belde gisteren nog om te overleggen over die taxikosten, hoorde ik dat de buurvrouw hier laatst zat
met ontblote borsten! Die siliconentrut van hiernaast nota bene! Je bent
duidelijk niet in orde! Frederik heeft dat goed gezien. Stuur dat mens weg en probeer
tot rust te komen. Ik heb nog wel wat pillen voor je, kan ik zo aankomen, dat
weet je, die pillen liggen voor het grijpen in het ziekenhuis en geen haan die
ernaar kraait." "Dat mens over wie je
het hebt, is toevallig wel mijn huidige levenspartner en naar alle
waarschijnlijkheid mijn toekomstige vrouw! Heb je die taxikosten trouwens
betaald voor Mariska? Zal wel weer, zo worden die kinderen nooit
volwassen!" Dat laatste was een beetje oneerlijk. Nog geen week geleden
zou ze de kosten zelf hebben betaald. En nog een kleinigheid erbovenop gegeven
hebben ook. "Inderdaad! Die heb ik
betaald! Want ik geef nog wel om mijn kinderen! Ik hang niet de sloerie uit en
ik kom niet doodleuk vertellen dat ik een punt zet achter een evenwichtig
huwelijk!" "Evenwichtig, wat je
zegt. Doodsaai! Ons huwelijk is uitgeblust en dat moet jij ook voelen. Hoewel,
soms vraag ik me af of je wel in staat bent om iets anders te voelen dan het
zweet dat langs je reet druipt tijdens een operatie." "Gek! Je bent
gek!" schreeuwde Harry. Voordat Eleanor besefte wat er gebeurde was hij op
haar toegelopen met gebalde vuist en had Els hem gevloerd door zijn arm achter
op zijn rug te draaien en hem op de grond te dwingen. Terwijl ze haar knie in
zijn rug plantte om hem in bedwang te houden, haalde ze haar schouders op. "Sorry hoor, het moest
even. Ik kan niet aanzien dat iemand jou slaat." "Laat me los,
trut!" kermde Harry. "Je doet me pijn! Als je mijn arm blesseert,
vermoord ik je. Als ik door jouw schuld straks niet meer kan werken, zul je
ervan lusten. Je hele leven ruïneer ik, versta je me, je hele leven!" Els drukte haar knie nog wat
steviger aan en draaide zijn arm nog een keer om. "Ik laat je los als je
belooft je rustig te houden," zei ze. Harry gromde iets onverstaanbaars.
Zoals altijd zou hij eieren voor zijn geld kiezen, dacht Eleaonor en zo
gebeurde het ook. "Ik doe niks, maar laat
me gaan," zei hij. Toen hij overeind was
gekomen, keek hij Eleanor vernietigend aan. Hij had wel iets van Rob Buitelaar
zo, vond ze. Ze besefte dat er deze avond niet veel met Harry te overleggen
viel en als ze eerlijk was, moest ze bekennen dat ze hem wel wat rauw op het
dak was gevallen met de aankondiging van de scheiding. Maar bij sommige mensen
gaat het gewoon niet anders, die kun je de dingen alleen op heel duidelijke
manier vertellen anders dringt het niet door. De telefoon ging. Eleanor nam op.
Frederik. "Godzijdank dat ik je
te pakken krijg," verzuchtte hij. "Ik heb je het hele weekend
proberen te bellen, maar je was er niet. Harry wist ook niets. Ik dacht dat het
te maken had met de terroristenzaak van Buitelaar. Daar wilde ik je over
spreken. Hij zit nog steeds vast. Er zijn ernstige vermoedens dat hij het echt
gedaan heeft, dat hij van plan was om de minister te vermoorden. Kan je je dat
voorstellen? De berekende voorbereiding! Jaren en jaren heeft hij bij ons
gewerkt, waarschijnlijk met alleen dat doel voor ogen. En wat ik ook heb
gehoord: het schijnt dat jij alles op het spoor bent gekomen. Zoiets liet de
politie tenminste vallen al waren ze er niet al te duidelijk over. Waarom heb
je mij nooit iets verteld, Eleanor? Ik weet wel, je kan niet voorzichtig genoeg
zijn in dat soort gevallen, maar mij kun je toch wel vertrouwen? Als hoofd van
de afdeling had ik moeten weten wat zich onder onze ogen afspeelde. Stel je
toch eens voor dat het was gebeurd, dat hij inderdaad de kans had gezien de
minister te vermoorden. Stel je toch eens voor! Dat had gemakkelijk kunnen
gebeuren, want jij had bepaalde aanwijizingen over het hoofd kunnen zien, dat
je niet alles goed had doorgegeven aan de AIVD bedoel ik. Alleen het toeval
heeft ons voor een ramp behoed. Ik wil dat je nooit meer zoiets voor mij
verzwijgt, Eleanor, nooit!" Hij pauzeerde. Eleonor gaf geen antwoord.
"Goed," ging hij verder. "Ik ben toch enigszins opgelucht door
dit gesprek. Het heeft toch zin gehad. Ik verwacht je morgen om tien uur op
kantoor, Eleanor. We moeten dit bespreken. Eerst onderling, dan met de
afdeling." Zonder een reactie af te wachten, hing hij op. Harry was in een stoel
gezakt en keek wezenloos voor zich uit. Al zijn krachten had hij aan zijn
uitval besteed en hij leek nu pas goed te beseffen wat hem boven het hoofd
hing. Hij was er de man niet naar om dat toe te geven. Oh nee, hij niet. Harry
was foutloos, en onschuldig. Er kon geen fout zo grof zijn, of hij had er wel
een excuus voor. Eleanor herinnerde zich heel goed de keer dat een jongen van
twintig onder zijn handen was overleden. De jongen onderging een eenvoudige
operatie aan zijn enkel, maar Harry had een slagader geraakt en doordat hij op
dat moment in discussie was met een co-assistent over de voetbalwedstrijd van
de vorige avond had hij dat niet tijdig opgemerkt. De jongen bleef er dus in.
Natuurlijk had ze die informatie niet van Harry zelf. Dat had ze later gehoord,
van een verpleegkundige die overstuur had opgebeld en haar hart had gelucht.
Harry beweerde dat de jongen een zeldzame afwijking aan zijn aderen had die hij
als arts onmogelijk had kunnen voorzien. Het was heel tragisch allemaal, maar
hij kon er niets aan doen. Hij was zelfs verontwaardigd geweest toen de ouders
van de jongen bij het ziekenhuis hadden aangedrongen op nader onderzoek. Zij
vertrouwden het namelijk niet en dat was Harry teveel. Wat hij zei moest
geloofd worden. Wat hij zei geloofde hij zelf. Dat iemand aan hem twijfelde was
ondenkbaar. De directie van het ziekenhuis, die was ingelicht door dezelfde
verpleegkundige, had er alle belang bij om de zaak in de doofpot te stoppen. De
reputatie van het ziekenhuis stond immers op het spel? De verpleegkundige was
niet lang daarna ontslagen, de enige manier om haar monddood te maken. Als
reden voor het ontslag was opgegeven dat ze niet in de organisatie paste.
Succes verzekerd. In dit geval zou hij zijn
scheiding aan haar wijten. Daar was ook wel aanleiding toe, omdat zij er
tenslotte vandaar ging met een ander, maar dat was slechts de aanleiding. De
oorzaak lag in zijn ongeïnteresseerde houding tegenover haar en zijn gebrek aan
inspanning om toch nog iets van het tanende huwelijk te maken. Of moest ze de fout
toch bij zichzelf zoeken? Fout, wat voor fout, er was helemaal geen sprake van
een fout. Ze moest ermee ophouden om in die beperkte kaders te denken. Die
waren haar ingegeven door haar opvoeding, haar omgeving - neem alleen al de
dagelijkse aanblik van al die vrouwen-van - en door haar huwelijk met een man uit het
allerconservatiefste establishment. Die kaders moest ze doorbreken, alles was
nu anders. Er was Els en er was vrijheid. De volgende dag zou ze nog wel naar
het ministerie gaan, maar daarna niet meer. Ooit zou ze het huis in Soestduinen
verlaten voor een andere omgeving, een omgeving waar zij en Els beter pasten
maar niet direct. "Mijn moeder zit nog
steeds thee te drinken op haar kamer!" riep Harry plotseling uit.
"Vanaf vanmiddag al! Dat komt er van, van dat wachten op jou en dan nog al
die telefoontjes van Frederik en het toenemende terrorisme!" Hij stoof
naar boven. Het duurde niet lang voor
hij met zijn moeder aan de arm weer beneden was. Zij was in de negentig,
geestelijk nog een dertigjarige, maar lichamelijk mankeerde ze het een en
ander. Zo kon ze slecht lopen en had ze een hekel aan beweging gekregen.
Logisch als je zoveel moeite moet doen om een beetje vooruit te komen. Als er
niemand in de buurt was die haar aanspoorde bleef ze gewoon zitten. "De
dood komt wel naar me toe," zei ze als iemand er een opmerking over
maakte. "Die hoef ik niet op te zoeken." Dat een wandeling naar de
keuken iemand zelden het leven kostte, overtuigde haar niet. Ze bleef gewoon
zitten waar ze zat. Dat was ook nu weer gebeurd. "Kijk moeder," zei
Harry vals. "Daar is dus mijn vrouw. Eindelijk weer terug van haar wilde
omzwervingen terwijl ze het weekend had moeten doorbrengen met haar gezin. En
weet je wat het mooiste is? Ze heeft haar vriendin meegenomen! Ja, mijn vrouw,
dat voorbeeldige meisje van voorheen, met die goede achtergrond, die goede
moeder voor haar kinderen, is lesbisch
geworden. Zij wil met die vrouw daar door het leven, en dat heeft ze me zojuist
koelbloedig meegedeeld. Alsof onze liefde niet meer telt! Alsof huwelijkstrouw
nergens meer voor staat!" Zijn moeder ging zitten en
keek Els en Eleanor geamuseerd aan. Haar ogen twinkelden. Ondanks de diepe
groeven in haar gezicht leek ze even een schoolmeisje. "Gut kind, ben je
lesbisch geworden? Wat enig! Ik heb altijd al een lesbische schoondochter
willen hebben!" Ze pauzeerde even en er ontstond een denkrimpel op haar
voorhoofd. "Tja, dat is toch moeilijk, eigenlijk, zeker als je alleen maar
zoons hebt." Ze keek opgelucht op. alsof ze zojuist het buskruit had
uitgevonden. "Maar het is me nu dan toch gelukt! Zonder dat ik het erop
aangelegd heb. Zo gaat het nu altijd in het leven, als je de dingen niet te erg
forceert, niet probeert te krijgen wat je niet krijgen kunt, komt het vanzelf
naar je toe. Kom in mijn armen, kinderen!" "Moeder! Ik ben je
kind! Je kunt toch niet zomaar goedvinden wat Eleanor mij aandoet! En haar
kinderen! Ze is tegenwoordig zo onverschillig dat ze ze zelfs per trein laat
reizen naar Utrecht! Terwijl ze weet hoe gevaarlijk dat is. Wat kan er niet
allemaal gebeuren tussen Soest en Utrecht. Die zelfmoordterroristen hebben het
altijd gemunt op die drukke lijnen." "Harry, hou op, dram
niet zo door. Ik heb je teveel verwend, maar ja, vroeger was je zo'n schattig
jongetje. Daar kon ik gewoonweg niet tegenop, tegen die vertedering. Maar nu is
het wel genoeg geweest en zo vertederend ben je trouwens niet meer. Nou,
meisjes, waar wachten we op. Kom in mijn armen!" Eleanor en Els keken
elkaar aan en liepen toen op Moeder toe. Ze lieten zich hartelijk omhelzen en
accepteerden de natte zoenen op hun wangen gelaten. Erg prettig was het op zich
niet, al waren ze allebei geroerd door het hartelijke welkom. "Let maar niet op die
pislucht van mij," ging Moeder voort. "Dat komt omdat Harry me al die
tijd boven heeft laten zitten. De badkamer is me net iets te ver en dan laat ik
het maar lopen. In het verpleeghuis doe ik dat ook als zo'n zuster niet op tijd
is. Hebben ze lekker wat te doen. Ik was even vergeten dat hier geen zuster is.
Maar een verschoninkje zou ik wel kunnen gebruiken, Harry." "Gek, zijn jullie,
allemaal, hartstikke gek," zei Harry. "Kom, moeder, dan breng ik je
terug naar het verpleeghuis. Mijn vrouw en ik hebben nog het een en ander te
bespreken, En jij," sprak hij tegen Els. "Jij kunt nu ook wel
vertrekken. Dat zou wel zo beleefd zijn. Ik wil met mijn vrouw alleen zijn,
daar heb ik recht op als haar man." "Bedaar toch eens,
jongen," zei Moeder. "En geef me een schone luier. Ik peins er niet
over om te vertrekken. Het wordt juist leuk nu Eleanor thuis is, en dan nog met
haar nieuwe vriendin. Wat een ogen heb je trouwens, meisje. Ze doen me aan
iemand denken. Het zijn beroemde ogen, al weet ik niet zo gauw waar ze beroemd
in zijn." Harry hielp zijn moeder
grommend met opstaan en nam haar mee naar de eerste badkamer, die beneden was.
Boven waren er nog twee. "Wat een enig
mens," fluisterde Els. "Wat doet zij nou in een verpleeghuis? Daar is
ze toch veel te goed voor?" "Dat heeft Harry zo
geregeld," zei Eleanor. "Zodra ze enige tekenen van verval begon te
vertonen, heeft hij dat verpleeghuis voor haar geregeld. Hij wilde er alles aan
doen om te voorkomen dat hij voor haar moest zorgen. Ik wilde haar in huis
nemen, ruimte zat hier, maar daar voelde hij niet voor." "Nou, dan nemen wij
haar toch in huis?" "Hmmmm, als we zo'n
groot huis konden vinden. Vergeet niet, we hebben straks nauwelijks nog
inkomen, want ik hou op met werken en jij hebt ook geen werk. Nee, ik zou er
wel voor voelen, maar ik zou niet weten hoe we dat zouden moeten regelen." "Geen inkomen?
Natuurlijk wel! Ik krijg nog een forse schadevergoeding van Jaap, want reken
maar dat hij zal gaan boeten voor die insluiting en jij hebt toch recht op
alimentatie. Je hebt immers altijd de carrière van je man ondersteund. Daar mag
best wat tegenover staan." Eleanor dacht hierover na.
Het idee van een riant inkomen zonder ervoor te hoeven werken, was best
aantrekkelijk, maar eigenlijk druiste het in tegen haar principes. Een vrouw
moest zelfstandig kunnen leven, en niet afhankelijk zijn van het inkomen van
een man. Tot nog toe was ze altijd min of meer afhankelijk van Harry geweest,
want van haar salaris alleen had ze immers nooit het huis kunnen onderhouden,
maar toch… Alimentatie was iets heel anders. Dan bond je een man aan je waar je
eigenlijk vanaf wilde. Aan de andere kant was het een aantrekkelijk
vooruitzicht om Moeder in huis te hebben. Ze stond in dubio, maar ach, een
beslissing hoefde niet direct te worden genomen. Harry kwam weer met moeder
de kamer in. Hij was een andere man geworden in die korte tijd. Zijn adellijke
voorkomen en uitstraling waren verdwenen. Ineens stond er een oude man in de
kamer. Duidelijk was dat tot hem door begon te dringen dat hij de situatie niet
met gezag en woorden naar zijn hand kon zetten, maar dat hij was overgeleverd
aan de wil van Eleanor. Waarschijnlijk was het voor het eerst in zijn leven dat
hij zijn zin niet kon krijgen. Hij zette zijn moeder weer neer in haar
favoriete stoel en bleef zelf staan met zijn handen in zijn zakken. "Zo, dat voelt lekker,
zo'n schone broek. Ik voel me net een babietje, maar vertel eens, meisjes, hoe
hebben jullie elkaar ontmoet? Tijdens het dansen? Oh nee, daar zijn jullie nu
ook weer niet jong genoeg voor." "Tijdens het liften. Uw
schoondochter heeft mij opgepikt toen ik stond te liften." "Liften? Dat heb ik nou
ook altijd eens willen doen. Lijkt me buitengewoon spannend, wie je meeneemt
enzo. Misschien wel een enge griezel, dat heb ik op televisie weleens gezien,
leek het een hele gewone man maar dan vermoordde hij zo'n vrouw met een mes, of
met iets wat in zijn auto lag, een krik of iets anders. Mannen hebben altijd
zoveel in zo'n auto, daar wordt een normaal mens geen wijs uit. Maar ik dwaal
een beetje af. Sorry, kinderen. Op mijn leeftijd gaan de gedachten veel
sneller. Ze verdringen elkaar om eruit te mogen want voordat ze het weten is
het te laat. En dan wordt het wel eens een beetje warrig, natuurlijk. En
Eleanor, je gaat nu scheiden van Harry. Heeft mij ook altijd zo leuk geleken,
scheiden. Al dat drama, je voelt je vast een soort Ingrid Bergman of Sophia
Loren, die scheiden immers ook altijd al is het maar in de film. Al schijnt die
Sophia diverse mannen te hebben gehad. Dat snap ik dan weer niet. Ben je
eenmaal gescheiden en dan ga je weer trouwen. Dan weet je het zo onderhand wel,
zou je zeggen. Maar nee hoor, ze beginnen gewoon weer opnieuw." "Moeder, je begint te
raaskallen!" riep Harry uit. "Wat wil je, jongen,
jij hebt het hele weekend geen boe of ba tegen me gezegd. En ik moet ook wel
eens mijn verhaal kwijt, hoor!" Harry stampvoette als een
peuter. "Ik heb er genoeg van! De hele avond al heb ik een stel gekke
wijven om me heen! Jullie zijn allemaal hartstikke gestoord! Mijn moeder
voorop! Een demente ouwe gek is het anders niet!" Zich bewust van wat hij
had gezegd, zweeg hij abrupt. Hij staarde naar de grond alsof hij zo achteraf
nog kon voorkomen dat iemand hem hoorde. "Bedaar, jongen, zo
praat je niet tegen je moeder. Die je altijd in de watten heeft gelegd. Die
gesappeld heeft op haar eigen knieën met een boenlap in haar hand. Die jouw
vader verdragen heeft alleen maar om haar zoons te laten studeren, zodat ze
niet zelf met hun knieën op een vloer moesten boenen of nog erger, op straat.
Stratenmaker, dat had je ook nog kunnen worden. Je neef Karel is dat geweest,
die is nog geen zestig en hij heeft een totaal versleten rug. En een flatje
zonder lift waar je je kont niet kunt keren. Dat had met jou ook kunnen
gebeuren, hoor je, heel gemakkelijk." Moeders wangen werden rood van
opwinding. "Je eigen moeder! Je eigen moeder! Stank voor dank, zeggen ze
dan, maar dat zeg ik niet. Oh nee, ik weet wel dat je me geen dank verschuldigd
bent alleen omdat je me op de wereld hebt gezet, maar dat wil nog niet zeggen
dat alles me rauw op het dak valt, heel rauw valt het op mijn dak als ik te
horen krijg van jou dat ik niet goed bij mijn hoofd ben. En dat alleen omdat ik
af en toe wat zeg. Ik zit de godganse dag in die kamer in dat verpleeghuis,
hoor. En ik zie alleen de zusters, van die jonge wichten, die heus wel aardig zijn, maar af en toe heb je
behoefte aan gezelschap van je eigen familie, en dat je dan eens een woord
teveel praat, dat moet je dan niet kwalijk worden genomen. Het is een goed
verpleeghuis, en je betaalt er vast veel voor, maar het is er wel
eenzaam." "Zou u niet liever bij
ons willen wonen?" zei Els. "Nou wordt-ie
mooi!" riep Harry uit. "Bij ons! Alsof ze hier al jaren woont! Alsof
ik haar niet zo meteen het huis uitdonder en haar vermoord als ze niet maakt
dat ze wegkomt!" "Harry, hou je mond! Laat
dat meisje uitpraten. Ik vind het helemaal geen gek voorstel!" zei moeder.
Haar blik was hoopvol. "Nu je het zegt,
Els," zei Eleanor bedachtzaam. "Dat zou een oplossing kunnen zijn.
Lijkt me een goed idee. We denken er nog verder over, maar voorlopig blijft u
maar hier. Die verpleeghuiskamer kunnen we altijd nog opzeggen." "Kind toch, kind.." Moeder
begon zachtjes te huilen. Even maar. "Sorry dat ik me zo aanstel, ik lijk
wel een oud wijf, wat zeg ik, ik ben een oud wijf, nog erger dus. Maar
natuurlijk wil ik graag blijven!" "Dit is een
overval!" schreeuwde Harry. "Muiterij! Een verkrachting!" Hij
verliet de kamer en bij het sluiten vloog de deur haast uit de sponning, zo
hard sloeg hij hem dicht. Ook de voordeur werd met een kwak dichtgeslagen. "Zo, dames, daar moet een
glaasje op worden gedronken," zei Eleanor. Ze haalde de fles jenever
tevoorschijn en schok voor hun alledrie een glas in. Ze zorgde ervoor dat het
goed gevuld was. Maandag. De dag die God niet
had moeten maken, maar het was toevallig wel de eerste dag geweest waarop Hij
begonnen was met de uitvoering van zijn onzalige plan: het scheppen van de
wereld. Zo zag je maar dat de maandag al in voorwereldlijke tijden een saaie,
grauwe dag was geweest. De maandag was al onverdraaglijk voor hij bestond, want
hoe was God anders op het idee gekomen om een bol te scheppen waarin louter
moord en doodslag heerste, waarin het een kwestie was van vreten of opgevreten
worden. Dat kon Hij alleen hebben besloten in een moment van uiterste
verveling, van verschrikkelijke hopeloosheid. Die maandag, die vooraf gang aan
alle dagen tot het einde der tijden, had het begin ingeluid van een gruwelijk
plan. Eleanor wist dat ze dat God
niet kwalijk kon nemen. Want bij wie moest je Hem ter verantwoording roepen?
Wie was er voor God geweest? Of had Hij ook zichzelf geschapen. Ze kwam er niet
uit en fietste door de druilerige regen naar het instituut. De vorige avond was
gezellig genoeg geweest, met Els en Moeder. Frederik had zich niet meer
vertoond al was hij wel thuisgekomen. Ze had hem diep in de nacht op de
overloop gehoord. Nu echter was alle glans en glorie die haar het hele weekend
hadden omringd verdwenen. Haar haar stond op half zeven, ze voelde zich vet en
slodderig, de spiegel had een oude vrouw met wallen onder haar ogen laten zien
en haar hoofd zat vol met dofmakende watten. Toen ze vertrok, sliep Els nog.
Moeder uiteraard ook: die stond zelden op voor elf uur. Ze zou haar bed wel
weer hebben onder gepist. Vreemd, normaal gesproken vond ze Moeders weigering
om de moeite te nemen naar de wc te lopen charmant en prettig eigenzinnig, maar
nu stoorde ze zich eraan. Het was natuurlijk ook wel wat anders of je een
verpleegster kon roepen om de rotzooi op te ruimen of dat je het zelf moest
doen. Het stond vast dat daar verandering in moest komen. Had ze er wel goed
aan gedaan om haar in huis te nemen? Gisteren leek het zo'n geweldig idee, maar
nu twijfelde ze. Ze mocht haar graag maar nu de kinderen volwassen waren, had
ze niet zoveel zin in zorgtaken. Toen ze bij het instituut
aankwam, stond Timotes voor de portiersloge te roken. Hij glimlachte met dat
geniepige glimlachje dat het volk zo eigen is sinds de moord op Pim Fortuijn.
Althans het volk dat zichzelf tot volk heeft benoemd en iedereen buitensluit. "Er is er weer een
gepakt, hè?" grauwde hij. Zoals alles aan hem was ook zijn stem
onaangenaam: een krakend geluid dat ergens diep vanuit zijn stinkende maag
kwam, dat niet tot doel had te communiceren met de buitenwereld, maar die af te
katten en te sarren. "Ik begrijp niet wat u
bedoelt," zei Eleanor zo afgemeten mogelijk. "Die flikker, in die
apenpakjes die hier altijd rondloopt, die hebben ze gepakt, zo'n geitenneuker
was hij, al is hij dan blond. Of tenminste, hij is geen buitenlander, die kleur
zal wel niet echt zijn. Zo'n mietje blondeert zijn haar natuurlijk." "Ik vind wel dat u zich
erg ongenuanceerd uitlaat. En bovendien kwetsend." "En jij hebt het
ontdekt, heb ik gehoord. Dat is geheim, maar je bent Kees Timotes of niet dus
ik weet het toch. Jij hebt hem al die tijd al in de smiezen gehad!" "Daar laat ik me liever
niet over uit." "Nou, toch is het zo.
Jij bent een held! Ze hadden er wel achter kunnen komen dat jij hem door had.
En reken maar dat ze je dan hadden gekeeld. Wat ze met een schaap doen op hun
balkons doen ze even gemakkelijk met mensen!" Even schemerde er iets van
bewondering over zijn groezelige gezicht. Ze rilde ervan. Als zij binnenkort
onverhoopt mocht komen te overlijden, zou hij vast gaan collecteren om haar in
een praalgraf te kunnen leggen. Ze moest maar opschrijven wat ze wilde na haar
dood. Voor alle zekerheid. Ze mocht er dan niet bij zijn, misschien, maar
zoiets zou toch behoorlijk gênant zijn. "Ik ben zeer zeker geen
held. En ik zou het op prijs stellen als u hierover verder zweeg. Alles wat
hierover naar buiten komt, kan ons instituut in gevaar brengen." "Van Kees Timotes hoort
niemand iets, ik kan zwijgen, anders zou ik niet in deze positie zitten." "Nee, vast niet."
Eleanor liep snel door. Als Timotes wist dat zij Buitelaar had aangegeven, wist
het hele instituut het, en als het hele instituut het wist, stond het vanavond,
uiterlijk morgen, in de krant. Tot nog toe was er geen publiciteit over de
aanhouding geweest, maar die kon niet lang meer uitblijven. Haar benen waren zwaar toen
ze de afdeling op liep. Ze had er heel wat voor over gehad om deze dag over te
slaan en aan morgen te beginnen, als haar nieuwe, vrije leven begon. Maar door
sommige dingen moest je nu eenmaal heen. Als investering en om erger te
voorkomen. Het was nog vroeg - tien uur
- maar Frederiks was er al. Ze hoorde zijn bulderende stem door de gang. Hij
zat aan de telefoon. "Natuurlijk, Hans, wij lossen het op! En er komt
helemaal niets naar buiten. Niets lekt uit, wij hebben hier geen lekken, ik sta
voor de volle honderd procent voor mijn medewerkers in!" Dat moest er nog bijkomen,
dat de minister zelf er zich mee ging bemoeien. Misschien werden alle
medewerkers wel in quarantaine gestopt! Het stond al bijna vast dat hen een
spreekverbod werd opgelegd. Daar was de minister steeds sneller mee de laatste
tijd. Ze ging naar haar kamer en
bekeek de stapels rapporten die keurig gerangschikt op haar bureau lagen. Om
wat te doen te hebben, nam ze de bovenste van tafel: het rapport over
veiligheidsbeleid van Rob Buitelaar. Ze zette er "spoed" op en legde
het weer terug. Aleid kwam binnen.
"Frederik wil dat we nu komen," zei ze. "En hij is nog drukker
en lawaaiiger dan anders dus bereid je maar voor op een lange en vermoeiende
sessie. Toen Eleanor de vergaderzaal
binnenkwam, was iedereen er al op Frederik na. Die belde nog met de minister en
dat ging natuurlijk voor. Mordechai knipoogde naar haar en dat vond ze
enigszins verontrustend. Was het mogelijk dat hij wist hoe de vork in de steel
zat? Of was hij gewoon blij om de arrestatie van Rob Buitelaar? Jannie zat te
breien aan iets zwarts zonder duidelijke vormen. Een omslagsjaal misschien.
Haar ogen waren rood. Ze had gehuild. Dirk zat afwezig poppetjes te tekenen. "Nu we toch bij elkaar
zijn," begon Jannie "Wil ik even het weekend doornemen. Dan lijken we
nog even een normaal kantoor en we zullen het nog zwaar genoeg krijgen. Ik wil
het zusjesgevoel graag gestalte geven, waar we het vrijdag over hebben
gehad." Ze keek om zich heen. Niemand reageerde. "Ik heb het heel fijn
gehad met mijn kinderen," vervolgde ze. "Maar ik heb wel moeite gehad
om de gebeurtenissen van vrijdag van me af te zetten. Rob was toch een van ons,
en dat hij dan zoiets gedaan heeft, of wilde doen, ik weet eigenlijk niet hoe
ik het moet uitdrukken, het was ontluisterend, net toen we op het goede pad
zaten. Ik had het gevoel dat ons gezinnetje, ik bedoel ons werkgezinnetje, in
al zijn prilheid uiteen werd geslagen." Weer keek ze om zich heen.
"Hebben jullie dat nou ook?" vroeg ze. Mordechai haalde zijn
schouders op. "Ik ben gewoon gaan vissen," zei hij. "Buitelaar
is een afgesloten hoofdstuk voor mij, al zal Frederik daar anders over
denken." Op dat moment kwam Frederik binnen. Zonder inleiding stak hij van
wal: "Ik heb net Hans even gesproken." Hij keek om zich heen om zich
er van te vergewissen dat het tot iedereen doordrong dat hij de minister bij
zijn voornaam aansprak, een feit waar hij bijzonder trots op was. Zijn
medewerkers lieten echter niets blijken en wachtten het vervolg af. "Hans
wil dat de aanhouding van Rob Buitelaar niet bekend wordt. Ik heb hem ervan
kunnen overtuigen dat dat niet zal lukken. Elke aanhouding van een terrorist
komt uitgebreid in de media. Dat kan al pijnlijk genoeg zijn: hoe heeft een
instituut als dit maandenlang, wat zeg ik, jarenlang, zo iemand onder zich
kunnen dulden zonder door te hebben met wat voor plannen hij rondliep. Dat we
het hebben opgemerkt is natuurlijk te danken aan Eleanor, dat we het te laat
hebben gemerkt is te wijten aan haar nalatigheid om haar vermoedens meteen te
melden." Ja, nogal wiedes, dacht
Eleanor, ik was pas vorige week op het idee gekomen. Ze reageerde niet op
Frederiks verwijt. "Maar het is toch fijn
dat ze zo oplettend is geweest," riep Jannie uit. "Ik denk dat zij
het niet eerder gezegd heeft omdat ze ons niet onnodig bezorgd wilde maken, dat
ze het eerst zeker wilde weten. Dat is toch te prijzen in haar." "Misschien,
misschien," zei Frederik. "Ondertussen speelt wel het feit dat we in
de moeilijkheden zitten. Want ga maar na: als de pers er lucht van krijgt, gaan
ze spitten, staat er morgen een grote kop in de Telegraaf: Ministerie betaalt
terrorist voor beveiligingsonderzoek. Daarom wil ik voorstellen dat niemand tot
nader orde met de pers mag spreken, niemand behalve ik. En Eleanor, jij al
helemaal niet. Jou zullen ze wel opzoeken. Gelukkig is je naam nog niet naar
buiten gekomen. Ik wil dat je je vanaf vandaag ziek meldt, of nee, misschien is
het beter dat ik je gewoon verlof geef, zo'n ziekmelding kan ook al verdacht
zijn. En Aleid, jij zoekt vandaag alle afschriften van de rapporten van
Buitelaar bij elkaar, en legt die in mijn kamer. Niemand mag die rapporten
lezen. Gelukkig zijn ze nooit buiten de afdeling geweest, dus op een andere
manier kunnen ze niet uitlekken. De politie zal Buitelaars privé-pc wel in beslag
hebben genomen, dus van die kant hoeven we niks te vrezen. De politie zal die
rapporten niet lekken. Daar kunnen we toch wel vanuit gaan." Bij de
laatste zin klonk enige twijfel in zijn stem door. "Arme Eleanor!"
zei Mordechai. "Mag ze niet eens meer op het instituut komen! En dat na
zo'n heldendaad!" "Ik heb gewoon mijn
plicht gedaan," zei Eleanor. Dat moest ze maar volhouden. Weer twijfelde
ze aan de achtergrond van Mordechai's opmerking. Zijn toon was ironisch
geweest, net of hij de hele situatie als een spel zag. Meer en meer ging ze
vermoeden dat hij iets wist. "En geen telefoonnummer
doorgeven, Aleid!" "Ja zeg! Ik ben toch
niet achterlijk!" De bespreking ging uren
door. Frederik herhaalde almaar hoe belangrijk het was dat iedereen bleef
zwijgen. Hij liep nog een paar keer weg om met de minister te telefoneren. Het
was ver na tweeën toen Eleanor eindelijk naar huis kon. Ze had geen zin om direct
naar huis te gaan en besloot naar het bos te gaan. Alleen. Weliswaar hield ze
veel van Els, dat wist ze zeker al had ze haar vrijdag pas ontmoet, en
verlangde ze naar de rest van haar leven samen met haar, maar ze had even tijd
voor zichzelf nodig. De indrukken van de laatste dagen waren haar teveel
geweest. Of eerder: geworden. Leefde ze sinds donderdagmiddag op vleugels, nu
waren die vleugels even afgezakt, hingen ze langs haar lijf alsof ze een meeuw
in een olievlek op zee was. Alles even op een rijtje zetten, heette dat, alleen
was er wel erg veel op een rijtje te zetten. Zo maakte ze zich zorgen om
Harry. Zou hij het wel redden zonder haar? Het leek erop dat ze de laatste
jaren nog weinig met elkaar te schaften hadden, maar misschien was dat schijn.
Aan sleur wen je zo, dat je de goede momenten ook niet meer ziet. Even ging er
een steek van pijn door haar heen toen ze aan zijn verweesdheid dacht als hij
's morgens opstond. Dat kwetsbare in hem, dat hij steeds minder vaak liet zien,
daar hield ze van. Het heertje met de hockeystick, dat een pose aannam, zag ze soms nog door hem heen schemeren.
Zelfs zijn verhalen zou ze missen al waren ze nog zo vol van Harry, die alles
zo perfect deed, die zo'n redder van de mensheid was, die precies wist waar hij
moest snijden en bovendien kon snijden alsof de duivel hem op de hielen zat
waarmee hij het ziekenhuis veel kosten bespaarde. Die ook zo kwaad werd, als
een patiënt zich daar niet naar gedroeg maar ging lijden aan complicaties of
zelfs overleed. Dat zelfverzekerde, dat macho-achtige, misschien was het maar
een schilletje. Goed, een wat dikke schil. Misschien was hij nog te pellen. Haar kinderen kwamen ook
voor haar geestesoog. Aart die zo'n voorbeeldige bal was, dat hij zich een
andere omgeving dan de villawijk in Soestduinen niet kon voorstellen. Wat moest
er van hem worden als hij het met minder moest doen. Ooit. Als de tijden
slechter werden. Of als het hem gewoon niet lukte om een goedbetaalde baan te
vinden. Maar die zou hij wel vinden, daarvan was ze overtuigd. Hij was het type
jongen dat overal werd aangenomen. Gladde praatjes, mooi om te zien, de juiste
proportie arrogantie. Nog even, en hij reed in zijn leasebak naar een duur
kantoorgebouw op zo'n bedrijventerrein waar niets anders was dan
kantoorkolossen en mensen die op weg naar hun werk waren, in de pauze een
ommetje maakten met collega's of mensen die van hun werk vertrokken naar huis.
Hij zou niet eens veel hoeven te presteren, want iedereen in zijn omgeving zou
aannemen dat hij goed was in zijn werk en alles wat hij zei tijdens
vergaderingen zou genotuleerd worden als ware het diepgaande wijsheden. Binnen
enkele jaren zou hij zichzelf een villawoning kunnen permitteren. Zorgen hoefde
ze zich over hem niet te maken. Toch, hij hing nog altijd aan haar, al was hij
vooral de oogappel van Harry. Hij liet haar alles aandragen. Hij vond het heel
gewoon dat ze zijn eten kookte, ervoor zorgde dat zijn overhemden gestreken in
de kast hingen, dat ze extra aardig voor hem was als hij tentamen moest doen.
Er zou altijd een vrouw zijn die dat voor hem deed, bedacht ze. Er zou er gauw
een verschijnen die haar zou vervangen. Laatst was ze midden in de nacht, toen
ze niet kon slapen, naar zijn kamer geslopen. Hij sliep in een foetushouding,
met het dekbed om zich heen, een been buitenboord. Het was een behaard been,
maar toch herkende ze de kleuter die hij was geweest in hem. Met een gevoel van
spijt had ze de deur gesloten. De tijd gaat snel, veel te snel. Mariska was zelfstandiger.
En eigenlijk op haar manier nog veeleisender dan Aart. Zij wilde met egards
worden behandeld, verwachtte dat Eleanor altijd voor haar klaar stond, wat niet
vreemd was omdat Eleanor haar in bijna alles haar zin had gegeven. Vroeger,
toen ze nog klein was, had Eleanor wel eens het visioen van moeder en dochter
die bijna als vriendinnen met elkaar omgingen. Ze wist allang dat daar nooit
iets van zou komen: de aanblik van degene die haar heeft opgevoed, haalt het
laagste naar boven in een mens. Dat is immers degene die haar het leven heeft
geschonken, en dat verplicht. Niets maakt een mens zo agressief als iemand die
iets voor haar doet dat verplichtingen schept. Leven redden, leven geven, niet
doen, je haalt je de eeuwige wrok van degene die gaat leven of wordt gered op
de hals. Ze hoopte toch dat Aart en
Mariska haar nog zouden bezoeken, als ze wisten dat ze samenwoonde met Els.
Toch wel. Ondanks alle kwellingen van de laatste jaren, en verzuchtingen naar
rust. Zou Harry niet gewoon bij hen kunnen blijven wonen? Vreemde gedachte, dat
zou hij nooit willen. Hij moest in het middelpunt van de belangstelling staan,
en hij zou toch wel aanvoelen dat daar
geen sprake van kon zijn in een huis vol vrouwen. Aan de andere kant: hij
wilde ook niet weg. Vreemd dat hij nooit een verhouding was begonnen, want hij
hield zo van aandacht en hij kon niet alleen zijn. Misschien dat het er van
kwam, nu ze hem verlaten had. Moeder zou het aanmoedigen. Had ze haar eigen
soap in huis. Haar eigen leven was een soap geweest, maar als je er middenin
zit, heb je dat niet door. Ze was heel jong getrouwd met een loodgieter. Heel
handig scheen hij geweest te zijn, maar toen Eleanor hem leerde kennen, was hij
al in de WAO. Vanwege zijn rug, beweerde hij. Moeder had vier kinderen bij hem
gehad, allemaal mannen. De loodgieter was dus iemand die alleen maar jongens
kon produceren, en dat was misschien maar goed ook, want hoe zou het leven van
een dochter geweest zijn bij die bullebak. Hij zat altijd in dezelfde stoel om
zich heen te loeren. Vooral toen hij eenmaal thuis was, lette hij erop dat
Moeder niets deed wat hem niet zinde. En dat was heel veel. Hij stoorde zich
eraan dat zij de Margriet las. Een wijvenblad vol met onzin was dat. Zonde van
het geld. En ze had wel wat beters te doen, bier voor hem halen bijvoorbeeld.
Daar had hij nooit genoeg van. Als ze naar de kapper was geweest, zei hij dat
ze er niet uitzag met die bloempot op haar kop. Of ze wel eens in de spiegel
keek. Nee zeker. Anders zou ze wel zien dat ze zo lelijk als de nacht was, en
die rotkop niet accentueren door zo'n opvallend kapsel. Hij kon niet naar de
koelkast lopen als ze thuis was. Merkwaardig genoeg lukte dat beter als ze weg
was: de koelkast was meestal zo goed als leeg als ze terugkwam. Ze werkte als
schoonmaker in ziekenhuizen en kantoren en hij dacht dat dat een mooie
aanvulling was op zijn uitkering. Hij eiste keer op keer dat zij hem het geld overhandigde, maar zo gek was
ze niet. Ze spaarde om haar zoons te laten studeren en dat doel was haar zo
heilig, dat ze regelmatig geld van zijn rekening haalde. Gelukkig was hij te
lui om het allemaal te gaan narekenen. Op een dag was hij van de
trap gevallen en had hij zijn nek gebroken. Moeder kon niet verklaren hoe dat
zo gekomen was. Wat had hij boven gedaan waar hij jaren niet was geweest?
Waarom was hij zo hard gevallen dat hij de trapleuning had losgerukt die zich
vervolgens dwars door zijn lijf had geboord? En het allerbelangrijkste: waarom
had er acht uur gezeten tussen het vermoedelijke tijdstip van overlijden en
haar telefoontje naar het alarmnummer? Tegen die tijd was hij al behoorlijk
afgekoeld en een ambulance was niet meer zo nodig. Moeder was gewoon thuis
geweest. Ze beweerde dat ze had geslapen en niet had gemerkt dat hij van de
trap was gevallen. Het moest een enorme klap zijn geweest want de buren van
twee huizen verderop hadden het gehoord, maar moeder hield bij hoog en bij laag
vol dat ze er doorheen had geslapen. De politie bleef het verdacht vinden, maar
kon er niets tegenin brengen. Op de begrafenis was Moeder opvallend opgewerkt
geweest. Ze had geen zin om de schijn op te houden, beweerde ze. De loodgieter
was een etter geweest en ze was blij dat hij dood was. Bij het gebruikelijke
afscheidsrondje langs de kist spuwde ze er zelfs op. Harry en zijn broers waren
ook niet kapot van de dood van hun vader, hadden gezellig koffie gedronken met
de familie nadat de kist de grond in was gegaan en achteraf hadden ze nog
gezegd hoe leuk het was om iedereen weer eens te zien. Harry was een half uur
na de begrafenis gaan opereren. Gek, hoe vrouwen door de
eeuwen heen altijd weer genoegen namen met de positie van pispaal voor een
mislukte man. Moeder had dat gedaan, en Els ook. Eleanor realiseerde zich dat
ze nog niet zo heel veel wist van het huwelijk van Els. Ze had tijdens het
weekend in De Wilde Weelde van alles verteld, maar ze had weinig over haar man
gesproken. Die moesten ze binnenkort maar eens opzoeken, de hufter. Hij zou wel
schrikken als ze bij hem op de stoep stonden. In haar gedachten maakte ze een
aantekening hiervan: ze moesten er maar niet al te lang mee wachten.
Waarschijnlijk zagen al die vrouwen door de arrogante bullebak toch nog steeds
de jongen die ze destijds in bedeesder vorm het hof had gemaakt, en bleven ze
hopen dat die jongen terugkwam. Dat gebeurde zelden. Net als Harry niet zou
terugkomen, niet in die vorm. Het speet haar. Toen ze uren later
thuiskwam, zaten Els en Moeder in de woonkamer. De televisie stond aan.
"Nou, kind, je bent er op geweest hoor!" zei Moeder. "Je bent
een ster! Je komt vast bij Ivo Niehe!" Eleanor ging zitten en keek naar de
beelden. De minister was net aan het beweren dat zijn instituut geen blaam trof
want alle veiligheidsmaatregelen die nodig waren waren genomen. Maar honderd
procent beveiliging bestond niet dat moesten we allemaal goed beseffen. Het
bewijs was nog niet rond, maar de netten rondom de gearresteerde
terroristenverdachte Roberto B. sloten zich steeds nauwer. Eigenlijk was men er
wel zo'n 99 procent van overtuigd dat hij betrokken was bij een netwerk, Al
Kaida, waarschijnlijk en iedereen wist toch hoe sluw dat netwerk opereerde. Hoe
hadden ze anders de Twin Towers kunnen binnenvliegen in het perfect georganiseerde
Amerika waar men heus niet zo voorzichtig was met allerlei privacy-wetgeving.
Die laatste schoot haar doel behoorlijk voorbij in Nederland, dat was ook een
oorzaak van de late, bijna te late ontdekking. Als Roberto B. eerder gescreend
had kunnen worden, als zijn telefoon had kunnen worden afgetapt, als hij eerder
was aangehouden voor een verhoor, dan was het niet bijna te laat geweest. Want
beseften de dames en heren wel dat zijn leven, het leven van een minister, een
democratisch gekozen minister, op het spel had gestaan? Hij was bedreigd, en
met hem natuurlijk de democratie en het vrije woord, maar men mocht hem toch
niet kwalijk nemen dat hij behoorlijk geschokt was. Zijn kinderen waren angstig
als hij 's morgens vertrok en zijn hart was bijna gebroken toen zijn jongste
zoon hem had gevraagd je komt toch wel terug papa ze gaan je toch niet
vermoorden. Er zouden stevige maatregelen moeten worden genomen, daar had hij
al over gesproken met de minister van Justitie. Aanhouding moest sneller. Verdachten
moesten langer worden vastgehouden zonder dat de rechter daar eerst een
uitspraak over deed. De bewijslast moest worden omgedraaid bij verdenking van
betrokkenheid bij terrorisme.: je was pas onschuldig als je het kon bewijzen.
De politie moest iedereen die zij ook maar enigszins verdacht van wat voor
misdrijf dan ook kunnen fouilleren en mogen meenemen naar het bureau voor
verhoor. Immers, achter de eenvoudigste diefstal, de lulligste
verkeersovertreding kon een terroristisch plan schuilen. Het was helemaal de
verkeerde kant opgegaan in dit land: criminelen werden beschermd en
slachtoffers werden aan hun lot overgelaten. Vooruitlopend op het proces wilde
hij wel kwijt dat Roberto B. wat hem betreft levenslang moest krijgen. En
eenzame opsluiting. En inbeslagname van al zijn bezittingen. Het was trouwens
een teken aan de wand dat nu de eerste terrorist van Nederlandse afkomst
ontdekt was. Roberto B. was ongetwijfeld een Islamist, al was hij tijdens de
verhoren blijven beweren dat hij atheïst was en hooguit op kerstavond de kerk
bezocht. Ongetwijfeld een nieuwe strategie van de islamisten, om hun geloof te
ontkennen. Maar ze zouden het wel uit hem krijgen, de gedragsregels voor
verhoren zouden niet naar de letter worden gevolgd, daarover was al overeenstemming
bereikt met de Minister van Justitie. De banden met de Hofstadgroep, de
trainingen in Libië, de plannen voor een zelfmoordactie die na de moord zou
plaatsvinden, alles zouden ze uit hem persen. Zo werkten ze nu kennelijk: Eerst
deed de terrorist een aanslag waar hij zelf levend uitsprong en in een latere
fase werd hem bevolen een zelfmoordactie uit te voeren. Het was een combinatie
van hersenspoeling en chantage. "Is dat niet die man
die laatst in de Tweede Kamer zijn broek liet zakken en zijn achterste
toonde?" vroeg Els. "Nou je het zegt,"
zei moeder. "Dat heb ik gezien. Ik dacht nog wat een lelijke, vette reet
en je kon zo zien dat er pukkels op zaten." De minister beantwoordde een
vraag die Eleanor niet had verstaan. De ambtenares in kwestie is
geschorst. Zij heeft verzuimd haar verdenkingen direct te melden. Haar
overwegingen heeft ze wel duidelijk gemaakt maar omdat dit een
personeelsaangelegenheid was op zijn ministerie kon hij daar geen uitspraken
over doen. Het was in haar te prijzen dat ze het plan op het spoor was gekomen
maar ze had veel te laat de AIVD ingeschakeld. Dat had ze trouwens niet mogen
doen, ze had haar afdelingshoofd moeten inschakelen die dan weer de minister
had moeten waarschuwen. Of ze ontslagen zou worden, was nog niet duidelijk en
ook daar wilde de minister geen uitspraken over doen. De minister verdween uit
beeld en aan tafel waren enkele deskundigen genodigd om hun visie op het
gebeurde te geven. Specialist in terrorisme en criminoloog dr. Bezwaan beweerde
dat de dader in het profiel paste wat we allang kennen: hoog opgeleid,
frustraties, het gevoel langs de zijlijn te worden geparkeerd. Op de opmerking
van de interviewer dat het in dit geval om een hoogopgeleide Nederlander met
een eigen adviesbureau ging reageerde dr. Bezwaan met een wegwuivend armgebaar.
"Maar gefrustreerd is hij wel," hield hij vol. "Dat merk je aan
alles wat er tot nog toe over de man naar buiten is gekomen. Het schijnt dat
hij ondanks zijn leeftijd, hij was toch al over de zestig, wild gekleurde pakken
droeg, en dat wijst toch op een zekere tegendraadsheid." "Wat een
geleuter," mompelde Eleanor. "Er bestaat geen grotere retenlikker dan
Rob Buitelaar, als het maar om een afdelingshoofd gaat. Of iets anders hoogs.
Ik weet zeker dat hij de leuter van de minister zou likken als dat hem ergens
zou brengen." "Nee, kindje, dat
geloof ik niet, zo slecht kan een mens niet zijn!" bracht Moeder
verbouwereerd uit. Els lag loom op de bank, als
een kat die bij het moment leeft en zich niet druk maakt zolang er op dat
moment eten en warmte. Wat een verschil met de verslagen en vervuilde vrouw die
ze nog maar een paar dagen geleden op de snelweg was tegengekomen. Eleanor zapte verder. Op een
donker veld, alleen verlicht met waxinelichtjes, stonden massa's mensen. Een verslaggever
verscheen in beeld, de blonde kortharige vrouw die altijd bij rampen en andere
onzaligheden aanwezig was. Zou ze daar nou niet moe van worden? "De stille tocht is
geëindigd hier op het Pim Fortuijnplein en heeft tienduizenden mensen
aangetrokken. Mevrouw," vroeg ze aan een willekeurige voorbijganger.
"Waarom neemt u vanavond deel aan deze tocht?" "Dat zal ik u
zeggen," zei de vrouw met van emotie overslaande stem. "We willen nu
eens iets doen als het nog net goed is gegaan! We willen de aandacht vestigen
op het gevaar dat ons omringt, dat overal op de loer ligt. Wij zijn blij dat de
minister niet is vermoord, zoals toen met Pim, maar dat het nog net voorkomen
is!" De vrouw knikte goedendag en liep verder in gedragen tred, alsof ze
in een begrafenisstoet liep. "De emotie is hoog opgelopen," sprak de
verslaggever tot de kijkers. "Er zijn hier mensen met beertjes, met
waxinelichtjes en er is verbijstering op de gezichten te lezen. Zojuist sprak
ik iemand die vertelde dat hij tot nu toe veel had meegemaakt, maar zoiets als
vandaag, of in het weekend dan, was niet meer voorkomen sinds de moord op J.F.
Kennedy." "Dit had ik nou ook
weer niet bedoeld," zei Eleanor voor zich heen. De twee andere vrouwen
reageerden niet. "Ben je nu vrij,
Eleanor?" vroeg Els. "Ik hoorde straks zoiets, dat je geschorst was
ofzo." "Inderdaad, ik ben
verlost van het instituut, ik moet alleen nog zien dat ik er een beetje leuk
uitspring, qua financiën." "Meid, vrijheid, dat is
je alles, dat is zo kostbaar!" zei Moeder. Ze stond op, minder moeizaam
dan Eleanor gewend was. "Even naar de wc," zei ze. Toen ze de deur achter zich
had gesloten, vroeg Eleonor: "Naar
de wc? Dat heeft ze al tijden verdomd.. Weet jij hoe dat zo is gekomen?" "Ik heb gewoon gezegd
dat ik het vertikte om haar luier te gaan verschonen en dat ze zichzelf maar
moest zien te redden. En toen ging ze gewoon naar de plee, alsof er niets aan
de hand was. Er was natuurlijk niets aan de hand. Dat mens is opstandig
geworden van het almaar in dat verpleeghuis zitten, van het idee dat ze gedumpt
is door haar eigen kinderen." "Wonderlijk, jij krijgt
voor elkaar wat nog geen tien mensen voor jou voor elkaar hebben
gekregen." Eleanor liep op Els toe en kuste haar. Ze vlijde zich naast
haar op de bank, die daar eigenlijk veel te smal voor was, maar ach, ze waren
nog verliefd en dan kon je een hoop hebben. Moeder kwam terug.
"Ach, wat schattig!" zei ze. "Prille liefde is altijd zoiets
moois! Na mijn loodgieter durfde ik niet meer, ik was veel te bang dat hij weer
tegen zou vallen, maar anders had ik ook nog wel eens verliefd willen worden.
Zal ik thee zetten, meisjes? Thee past goed bij de liefde, bij alles trouwens,
je kan het zo gek niet bedenken of thee past erbij." "Het is wel heel erg
revolutionair! Ze heeft sinds de Tweede Wereldoorlog geen thee meer gezet, dat
liet ze voor zich doen. Of was het nou sinds de Russische revolutie?" "Zo zie je maar wat een
goed idee het is dat we haar in huis hebben genomen. Ze knapt er nu al van op.
Over een paar weken gaat ze op zaterdag dansen, let maar op." "Zeg," begon
Eleanor. "Zullen we morgenavond je man eens een bezoekje brengen?" "Ik heb helemaal geen
zin om die eikel te zien." "Nee, natuurlijk niet.
Maar we moeten het ijzer smeden als het heet is. Hij moet dokken, we moeten hem
zo bang maken dat jij je hele leven op rozen zit. Dat is hij je wel
verschuldigd. Hij heeft het verdiend dat hij voorlopig een tijdje goed angstig
is." "Nou, vooruit dan maar,
kan ik meteen wat spullen meenemen. Als hij die nog niet heeft weggegooid,
tenminste." De volgende avond waren
Eleanor en Els al vroeg op pad gegaan naar Jaap, Els’ echtgenoot en aanstaande
ex-echtgenoot, want hij woonde in Wassenaar en dat was een eind rijden. “Fijn, om weer even alleen
te zijn,” zei Els. Ze streelde Eleanor over haar been. “Je mag de bestuurder niet
afleiden,” zei Eleanor. “Maar inderdaad, het wordt wat druk de laatste tijd.
Moeder is wel aangenaam gezelschap, maar ze neemt veel ruimte in.” “Ze bedaart wel. Ze kan haar
geluk niet op, daarom is ze zo druk.” Els stak een sigaret op. “Je mag niet roken van
Harry, in deze auto.” “Nou en? Hij zit er toch
niet bij?” “En het is zijn auto niet.
Toch vindt hij het vervelend, voor de paar keer per jaar dat zijn eigen auto
naar de garage is en hij de mijne leent.” “Het is een zeikerd, die
Harry van jou. Wees maar blij dat je van hem af bent.” Eleanor antwoordde niet. Nu
het eindelijk zover was, was ze niet echt blij om van hem verlost te zijn. Ze
wist echter niet wat ze ertegen moest doen, want Els wilde ze ook niet meer
missen. Het was alleen allemaal zoveel tegelijk. Na veel gehobbel door files
en fout geparkeerde auto’s kwamen ze eindelijk in Wassenaar aan. Jaaps en Els’
huis stond in een gewone straat, en het was een rijtjeshuis, al was het wel
groot. Voor het huis stond een jaguar gepakeerd. “Zou die van hem zijn?”
vroeg Els meer aan zichzelf dan aan Eleanor. “Hij had eerst een ford, al had
hij het er wel altijd over dat hij een jaguar wilde.” “Dat willen ze allemaal. Of
een nog duurdere. Nu jij er niet meer bent om op hem te letten, zal hij vast
wel meteen zo’n auto zijn gaan kopen.” “Nou, dat is dan mooi, dan
is die auto wel voor de helft van mij. Hij was zeker vergeten dat hij nog met
mij getrouwd was.” “Zo is het,” zei Eleanor. Els belde aan. Haar
bezittingen waren in de psychiatrische inrichting achtergebleven en daar zat
haar sleutel ook bij. Immers, ook met een sleutel kan een mens zelfmoord
plegen? Zij kan er mee op haar eigen kop slaan tot het bloedt en er een
schedelbasisfractuur ontstaat of hem inslikken zodat ze overlijdt aan een
infectie. Want zo’n sleutel komt er niet meer vanzelf uit, natuurlijk en zeer
beslist niet zonder schade. Het duurde even voordat Jaap
open deed, maar daar stond hij dan. “Els, lieverd!” riep hij
uit. “Niks lieverd, vuile ploert,
laat me naar binnen.” Hij deed een stap opzij om
Eleanor en Els binnen te laten. Eleanor negeerde zijn uitgestoken hand. Deze
man was ze geen verklaring schuldig. “Ik heb me zoveel zorgen
gemaakt sinds je ontsnapt bent,” bracht hij uit toen ze in de design zithoek
zaten. “Overal hebben we gezocht. De politie ging er eigenlijk van uit dat je
iets overkomen was, dat je het slachtoffer was van een misdrijf of een
ongeluk.” “Nou, ik ben hier, in
levende lijve, en je zorgen zijn voorbij.” Els lachte schamper. Uit haar ogen
sprong vlammende haat. Eleanor was blij dat ze was meegegaan, anders had deze
ontmoeting nog slecht kunnen aflopen. “Ik ben zo blij schat,” riep
hij uit. “Maar je kunt wel beter teruggaan naar het ziekenhuis, want je was nog
niet genezen, nog lang niet. Wacht, ik zal dr. Spoelstra bellen.” Hij stond op.
Els duwde hem ruw terug op de bank. “Niks dr. Spoelstra, die eikel sleep ik
voor het Medisch Tuchtcollege!” zei Els. “Maar hij had alleen het beste met je
voor!” bracht Jaap uit. Misschien geloofde hij het zelf. Kennelijk was hij nog
niet zo heel lang terug van zijn werk, want hij droeg een blauw kostuum, een
maatkostuum dat nooit comfortabel kon zitten. Op het instituut droeg behalve
Frederik niemand een kostuum, en Eleanor
vroeg zich altijd af waarom mannen zich in zo’n koud, eenvormig kledingstuk
persten. En dan nog die stropdas erbij. Jaap was wat aan de mollige kant, de
molligheid van iemand die veel snelle snacks eet tussen zijn drukke
werkzaamheden door. Het gaf hem een vierkant uiterlijk, want hij was niet erg
groot. Iets langer dan Eleanor misschien. Els gaf hem een klap in het
gezicht. Hij keek verbijsterd, maar deed niets terug. “Die heb je alvast te
pakken,” zei ze. “Eigenlijk wil ik doorgaan, maar de edelvrouw in mij
verhindert dan. Jij bent echter niets meer dan een laaghartige, egoïstische,
achterlijke, vette rotzak! Zo een die onder een steen vandaan is geslopen, zo
een die niks maar dan ook helemaal niks waard is. Ja, op de beursvloer
misschien maar niet als mens. Je eigen vrouw in een inrichting stoppen, omdat
ze iets wil wat jou niet zint…Hoe kom je erbij? Razend word ik als ik eraan
terugdenk! Die vuile opzet van jou, en dan dat misbaksel van een Spoelstra
erbij halen. Waar heeft die zijn studie gedaan eigenlijk? En hoe heeft hij zijn
eed gezworen? Met gekruiste vingers op zijn rug ongetwijfeld. Maar jij zult er
voor bloeden, mannetje, want ik weet heel goed dat ik je met gemak achter slot
en grendel kan krijgen. Voorgoed. Of in ieder geval voor een paar jaar.” “Je deed anders heel vreemd,
de laatste tijd,” verdedigde Jaap zich. “Je had het maar over scheiden. Dat is
toch raar. Het was duidelijk dat je niet in orde was.” Els stoof op. Eleanor
hield haar tegen anders was ze zeker op Jaap gaan los timmeren. “Denk aan ons
doel, Els,” zei ze. Els bedaarde. Ze vervolgde: “De kwestie is
als volgt: jij hebt je schuldig gemaakt aan een misdrijf. Daar lul je je heus
niet uit. Deze mevrouw hier is psychiater, en die heeft geconstateerd dat er
niets met mij aan de hand is.” Eleanor knikte bevestigend. “Dus ik kan aangifte
doen. Iemand willens en wetens op valse gronden laten opsluiten, is strafbaar,
dat weet jij heel goed.” Eleanor wist niet zeker of dit wel een strafbaar feit
was. Maar daar ging het niet om. Als Jaap maar afdoende zou schrikken, dan was
het goed. “Ik kan ook geen aangifte
doen,” hier pauzeerde Els. “Ik kan over mijn hart strijken en denken, die
jongen moet ik nog een kans geven, ik kan hem niet zijn hele leven overboord
laten gooien. Of hem daar zo voor straffen.” “Dat zou heel coulant van je
zijn, Els, want ik dacht echt dat ik je tegen jezelf moest beschermen..” zei
Jaap gretig. “Dat dacht je helemaal niet.
Jij dacht ik moet af van dat lastige wijf dat mijn reputatie naar de maan gaat
helpen. Maar daar gaat het nu niet om. Het gaat erom dat ik een rustig leven
zonder zorgen wil leiden en daar ga jij voor zorgen.” Ze keek om zich heen. “Zo
is de helft van het huis van mij, de helft van de dure kunst die hier aan de
muren hangt, de helft van de jaguar die buiten staat en zo kan ik nog wel even
doorgaan. Om te beginnen wil ik dat meteen innen. Maar dat is niet genoeg. Ik
eis een alimentatie, en een flinke. Drieduizend euro per maand. Zolang je nog
geen promotie hebt gemaakt tenminste, daarna wordt het meer.” “Dat kan je me niet
aandoen!” riep Jaap uit. “De koersen zijn heel laag, ik heb ook mijn kosten, en
hoe moet dat later, als ik wat rustiger aan wil doen en mijn targets niet meer
zo gemakkelijk haal?” “Als jij je targets niet
haalt dan haalt iemand anders ze maar voor je. Ben je altijd goed in geweest om
anderen dingen voor jou te laten doen. Maar ik krijg mijn drieduizend euro. Je
kan ook anders beslissen en de gevangenis in verdwijnen. Weet je wat er dan met
je gebeurt? Je wordt het liefje van zo’n grote engerd die je hele anus aan
flarden naait, en als je na jaren weer vrij bent, heb je helemaal niets meer.
Geen geld, geen huis, geen werk. Je krijgt geen werk meer, want wie wil nou een
ex-bajesklant aannemen. Niemand, je kunt het dus wel schudden. Voor jezelf
beginnen lukt ook niet, want je hebt kennisachterstand en bovendien ben je in
de gevangenis eraan gewend geraakt dat alles je wordt aangedragen. Dus je gaat
aan het zwerven. In koude nachten moet je ergens een slaapplaats zien te
bevechten. De beste zijn al bezet door de geroutineerde daklozen, met
jarenlange ervaring. Jij als nieuwkomer moet genoegen nemen met tochtige hoeken
bij stations. Je moet eten wat de pot schaft en op straat betekent dat
vuilnisbakken uitschrapen. Restjes die van borden zijn geschoven, bakken met
koude patat waar de eerste eigenaar met ongewassen vingers aan heeft gezeten,
beschimmelde sinaasappels die zijn overgebleven op de markt, rotte vis, die in
een pisgoot ligt te stinken. Zo zal jouw leven eruitzien na de bajes. Het enige
alternatief, de enige manier om hieraan te ontkomen, is mij die drieduizend te
geven, en de helft van waar ik nu al recht op heb, en zo snel mogelijk van mij
te scheiden. Zolang je je verplichtingen nakomt, zal ik je niet lastigvallen.
Zodra je in gebreke blijft, zul je ervan lusten.” “Maar dat is onredelijk! Je
kunt iemand zijn fouten toch wel vergeven? Jij leest toch de Bijbel zo graag?
Wordt daarin niet voortdurend van vergeving gesproken? Nou, daar zou ik dan
toch maar meer naar luisteren. Je ruïneert me. Zo krijg ik geen kans om een
nieuw gezin op te bouwen.” “Jij kan helemaal geen gezin
opbouwen, want jij bent onvruchtbaar. Een schrielhaantje, met lam zaad ben jij,
een eunuch, al heb je je ballen dan nog. Het zijn waardeloze ballen, die daar
voor de sier hangen ook als het geen kerstmis is, dat hele klokkenspel van jou,
dat hangt daar helemaal voor niets!” Jaap schrompelde ineen. “Dat is heel vals van je,”
bracht hij moeizaam uit. “Je weet niet half hoe het voelt voor een man, om
onvruchtbaar te zijn. Mijn hele wezen wordt er door aangetast, daarom wilde ik
ook nooit dat je erover praatte. Ik heb er heel veel moeite mee gehad om me
weer een echte man te voelen. En nu zeg je zoiets. Dat valt me van je tegen.” “Mijn beste Jaap,” zei
Eleanor. “Misschien drukt Els zich niet al te diplomatiek uit op dit moment,
maar ze heeft door jouw toedoen dan ook wel het een en ander moeten doorstaan.
Dus ik zou haar maar niet zo gauw als vals betitelen. Laten we het zakelijk
houden, dat lijkt me voor alle partijen het prettigst.” Jaap kreunde. Hij trok zijn
das wat losser. Het zweet stond op zijn voorhoofd. “En het huis? Je kan toch
niet van mij verlangen dat ik het huis verkoop? Waar moet ik dan heen? Het is
een prima locatie om relaties te ontvangen, vindt maar weer eens zoiets.” Els haalde haar schouders
op. “Het interesseert me niet waar je naar toe gaat. Je zoekt het maar uit. Of
je neemt een hypotheek. Als ik de poen maar krijg, want ik heb niks meer en het
wordt tijd dat ik een eigen leven ga leiden.” “Waar woon je nu? Dan kom ik
er over praten. Niet deze week, deze week heb ik het te druk, maar de volgende.
Wacht, ik pak even pen en papier.” “Jij hoeft nergens over te
komen praten. Het is ja of nee en onderhandelingen zijn uitgesloten: of de
poet, of de bak, dat lijkt me duidelijk.” Jaap verbleekte. Hij zag in
dat hij verloren had. “Nou goed,” mompelde hij. “Maar dan ook geen woord naar
buiten over de afgelopen maanden.” “Ik was niet van plan mijn memoires te
schrijven, maar jij kunt niet dicteren dat ik moet zwijgen. Je kunt me geen
zwijgplicht opleggen. You are in no such a position!” besloot Els die graag
naar Amerikaanse advocatenseries keek. “Goed, we zijn dus klaar,”
besloot Eleanor. Ze haalde het contract in tweevoud uit haar tas, dat ze die
ochtend samen met Els had opgesteld en legde het Jaap ter ondertekening voor.
Met een dikke frons op zijn voorhoofd ondertekende hij beide exemplaren. De hele weg terug jubelden
Els en Eleanor van vreugde. Drieduizend euro mocht dan niet veel lijken, maar
samen met de opbrengst van het huis en de jaguar konden ze er voorlopig goed
van leven. Zeker als het Eleanor lukte om een schadevergoeding te krijgen van
het instituut - was haar naam immers
niet ten grabbel gegooid, zouden ze nooit meer voor armoede hoeven vrezen. Ze
hadden het volste vertrouwen dat Jaap het niet zou durven nalatig te zijn: de
gevolgen waren te verschrikkelijk, dat moest hij nu toch wel inzien. Het huis in Soestduinen
baadde in het licht. Iemand had alle buitenverlichting ontstoken. Het was
ongetwijfeld Moeder geweest. Die hield niet van nachten en andere duisternis.
Nachten waren een markering naar de volgende stap die haar dichter bij de dood
bracht, en daar hoefde ze niet continu aan herinnerd te worden, vond ze. Binnen troffen ze Sabrina en
Moeder aan tafel. Zoals bijna gebruikelijk was geworden in het huis stond de
jenever op tafel. Eleanor moest eraan denken dat ze morgen een krat van dat
spul ging kopen. Met al die aanloop van de laatste tijd vloog het eruit. “Dag kinderen!” riep Moeder
uit. “Ik voelde me zo eenzaam vanavond, ik heb de buurvrouw uitgenodigd.
Gezellig dat jullie er zijn, ga zitten, dan kunnen we gaan klaverjassen!” “Ja, leuk,” lispelde de
buurvrouw. Ze was er zo te horen al een tijdje. En Moeder had verzuimd eerst
thee te schenken en was meteen begonnen met de jenever. Sabrina droeg een
koltrui die haar opvallend ruim zat. Haar borsten sprongen meteen nog
onmiddellijk in het oog maar toch niet zo nadrukkelijk als het geval was als ze
een laag uitgesneden blouse droeg. Alsof Moeder merkte, dat het
Eleanor opviel, zei ze: “Het arme kind had bijna geen kleren aan! Ze zat hier
helemaal te rillen. Dus ik zei kom kind,
ik geef je een drankje en een trui van Harry. Het staat haar goed,
vinden jullie niet? En het is lekker warm zo, wat jij, Sabrina. Sabrina heeft
een man die vroeger vaak op televisie kwam, wisten jullie dat? Iets met sport,
voetballer ofzo. Ik heb hem wel eens gezien, want ik herkende hem van de foto.
Nu is hij natuurlijk te oud om te voetballen, maar wat knap toch van zo’n
jongen. Alleen houdt hij er wat rare ideeën op na over damesvoorgevels. Dat ze
zo groot moeten zijn dat zelfs de meest robuuste meid er voorovergebogen van
gaat lopen. En dit arme kind hier,” ze knikte naar Sabrina. “Wilde het helemaal
niet. Maar ja, we weten allemaal hoe dat gaat. De loodgieter wilde ook van
alles wat ik helemaal niet wilde, zoals kloppen vegen zuigen en niet te
vergeten op mijn rug liggen en dat gestamp verdragen. Ja, sorry dat ik de
dingen gewoon bij de naam noem maar niemand heeft er wat aan om de zaken te
versluieren. Zeg, Sabrina, ik bedenk ineens iets, mijn Harry kan die ballonnen
wel weer doorprikken, daar heeft hij voor geleerd. Wat zou je daarvan zeggen.” “Ach,” zei Sabrina sip.
“Mijn eigen kleine schatjes krijg ik er niet mee terug natuurlijk.” “Nee, wat
gedaan is, is gedaan, maar je hebt dan wel minder last van rugpijn.” "Dat
is waar," zei Sabrina. "Maar wat zal Nigel ervan zeggen? Ik weet
zeker dat hij er niet blij mee zal zijn! Hij heeft er veel voor betaald om ze
zo te krijgen!" "Met wat Nigel ervan
vindt, hebben we niks te maken. Ik zal Harry opdragen de boel te
repareren," zei Moeder gedecideerd. De telefoon ging. Hoewel
Eleanor geen zin had om op te nemen, telefoon betekende immers altijd ellende,
deed ze dat toch. Frederik. Hij klonk hoogst geagiteerd. De arme man moest zich
door de gebeurtenissen rondom Rob Buitelaar een slag in de rondte werkte en dat
was hij bepaald niet gewend. Zijn werk bestond uit louter telefoneren, en als
hij de telefoon neerlegde, had hij nergens geen omkijken meer naar, want ofwel
hij had de opdracht gedelegeerd, ofwel hij had een opdracht aangenomen die hij
vervolgens kon declareren. Frederik verdiende meer dan de minister-president,
en dat dat de laatste tijd op bezwaren stuitte in de politiek, daar kon hij met
zijn hoofd niet bij. Al die verantwoordelijkheid die hij droeg: een hele ploeg
met eigenwijze professionals moest hij aansturen. Dat was heus niet altijd
gemakkelijk, oh nee. Maar nu moest hij dus laten zien hoe ongemakkelijk het
allemaal was: hij moest de minister vrijwaren van verdere schade en als het het
dreigende terrorisme betrof, viel dat niet mee. "Eleanor! Ik ben blij
dat ik je tref!" begon hij. Eleanor zei niets. Wat had ze moeten zeggen?
Dat zij niet zo heel erg blij was? Eerlijk duurt het langst, maar soms moet het
juist wat korter duren. "Hans heeft me al diverse keren gebeld. Buitelaar
geeft geen kick. Hij houdt vol dat hij nergens bij betrokken is, dat hij er
ingeluisd is en dat zijn aanhouding nergens op slaat. Ja, het is een harde,
hoor, die Buitelaar, al zou je dat niet zeggen op het eerste gezicht. Maar Hans
zegt dat ze het er wel uit krijgen. Tussen ons gezegd en gezwegen: ze gaan hem
martelen. Helemaal tegen de wet, maar in een dergelijk geval moeten ze wel. Wie
weet zal zijn netwerk het werk dat hij heeft laten liggen gewoon afmaken. Dus
tot elke prijs moeten ze weten wie er nog meer betrokken waren bij de
aanslag." "Er is helemaal geen aanslag geweest!" "Maar wel
bijna, wel bijna, Eleanor! Ik had er niet aan moeten denken wat er was gebeurd
als jij het niet net op tijd had gemeld bij de AIVD! Hans zei verder dat hij
elke medewerker van onze afdeling opnieuw wil screenen. Volgende week volgt er
een verhoor door de beveiligingsafdeling van het ministerie. Dat is een
onafhankelijke afdeling die hij zojuist heeft ingesteld. De bedoeling is dat de
ambtenaar aan de beveilingsfunctionaris vertelt wat hem of haar zojuist is
opgevallen. Het gesprek is tussen die twee personen alleen, de ambtenaar en de
beveilingsfunctionaris. Het is verplicht. En jij bent de eerste! Volgende week
komt er iemand bij je thuis. Je wordt nog gebeld over wanneer hij komt. Je bent
dan verplicht thuis te zijn." "Mijn God, ze maken er wel een toestand
van. Ik ben toch geschorst? Mag ik dan niet staan en gaan waar ik wil? Oh nee,
ik heb ergens gelezen dat je je dan constant beschikbaar moet houden voor
onderzoek naar ontslaggronden of zoiets. Nou, dat gaat lekker. Die persoon belt
toch wel ruim van tevoren? Dat ik niet overvallen word?" "Daar kan ik
niets over zeggen. Je moet je mobiel aan laten staan, omdat je altijd gebeld
kunt worden. Voor het gesprek maar ook voor andere vragen." "Ik heb
geen mobiel, die ben ik kwijtgeraakt." "Dan koop je een nieuwe en je
geeft mij onmiddellijk het nummer door!" Frederik hing op. Zou hij zelf ook
worden ondervraagd? Het leek er op dat niemand eronderuit kwam. Hij zou vast
veel verdachts geconstateerd hebben. Voor het eerst sinds haar telefoontjes
naar de AIVD vroeg ze zich af of ze er wel goed aan had gedaan. Rob Buitelaar
had zijn portie wel gehad. Die martelingen had hij verdiend, maar daarna moest
het toch afgelopen zijn met de grap. De vraag was alleen hoe ze dat moest
inkleden. Ze had verwacht dat hij vrij snel zou worden vrijgelaten wegens
gebrek aan bewijs, maar zo te horen zat dat er voorlopig niet in. Moeder zat met een groot
tekenblok op haar schoot en maakte een portret van Sabrina, die doodstil
poseerde. "Ze is een echt model," zei Moeder. "Zo mooi stil
krijg je ze niet vaak. De loodgieter wilde natuurlijk nooit poseren. Sterker
nog, hij vond dat ik moest ophouden met die onzin. En weet je wat nou het gekke
is? Sinds zijn dood heb ik nooit meer getekend. Ik kom er nu pas op. Wil je
morgen met me naar de stad rijden, Eleanor? Om spullen te kopen voor het
schilderen? Sabrina vertelde net dat er een hele grote zaak is in Utrecht waar
je alles kunt krijgen. Zij gaat ook mee, nietwaar Sabrien. Oh jee, ik vergeet
helemaal dat ze niks terug kan zeggen. Hou nog even vol, Sabrina, ik ben zo
klaar." Eleanor keek op het tekenvel. Het was een goedgelijkende schets
die meer bood dan een simpele foto zou doen. Hij legde Sabrina's verlatenheid
en hunkering bloot. "Natuurlijk ga ik met
je mee, Moeder!" zei Eleanor. "Frederik laat me niet
met rust. Nu sturen ze weer een veiligheidsfunctionaris op me af,"
vertelde Eleanor vermoeid. "Tja, dat was te verwachten," zei Els.
"Die minister van jou heeft nu de aandacht, die laat hij niet zomaar
schieten." "Ik moet Rob Buitelaar laten gaan. Het is welletjes
geweest." "Ik denk niet dat je daar de kans voor krijgt. Ze hebben
hem en ze houden hem. Tenzij je van plan bent om te vertellen dat je gelogen
hebt. Maar dan ben je alles kwijt." "Nee, dat kan ook weer niet. Kom,
masseer mijn schouders, ik ben gespannen geworden van alle toestanden."
Els stond op, nam plaats achter Eleanors stoel en begon haar te masseren. "Hè, gezellig,"
zei Moeder toen ze het zag. De volgende dag begon
rustig. Moeder maakte wat schetsen haar hoofd, die er allang zaten zoals ze
vertelde. Els lag op de bank met een boek. Ze zei dat ze zich voor het eerst
sinds tijden weer kon ontspannen, nu Jaap een toelage had toegezegd en de helft
van de bezittingen die hij onder zijn beheer had, had ze geen zorgen meer. Ze
dacht er niet aan om ooit nog te gaan werken. Ik heb genoeg meegemaakt, zei ze,
vanaf nu ben ik met pensioen. Sabrina was blijven slapen omdat Nigel weer op
Papendal zat en ze niet tegen eenzame nachten kon. Nigel bleef de laatste tijd
wel erg vaak op Papendal, had Moeder geconstateerd aan het ontbijt. Had hij
misschien een ander? Sabrina had haar schouders opgehaald en gezegd dat het
best mogelijk was, maar dat het haar niet meer interesseerde. Ze had zich zwaar
vergist in die kerel. Toen ze hem had ontmoet, was hij nog profvoetballer
geweest, heel beroemd, iedereen kende hem, zelfs mensen die een hekel hadden
aan voetbal, en alle vrouwen waren jaloers op
haar. Dat waren nog eens mooie tijden geweest. Toen zijn ploeg eens een
een of ander kampioenschap had gewonnen, waren ze gehuldigd op het museumplein,
waar ze naar toe waren gevaren door de grachten. Al die juichende mensen, je
voelde je echt wat als je op die boot stond. Maar dat was nu allemaal anders.
Nigel zat maar op Papendal met al die gehandicapten en die wedstrijden waar ze
nog wel eens naar toe ging, daar was helemaal niks meer aan. Toch was het een
goeie jongen, Nigel, alleen had hij er ook van te lijden dat hij niet meer zo
beroemd was, net als zij. Ze hadden ook te lijden van hun zoon. Die zat nu
gelukkig veilig opgeborgen in de ontwenningskliniek maar ze hield haar hart
vast voor de dag dat hij weer thuis zou komen. Dan begon alles weer van voor af
aan. In die ontwenningsklinieken leerden ze veel, vooral hoe je gemakkelijk aan
geld kon komen om drugs te kopen. Eleanor had geprobeerd de
zorgen van zich af te zetten en niet aan Harry te denken. Aart negeerde haar de
laatste dagen. Hij kwam nog wel thuis, maar bleef op zijn kamer. Hij kwam zelfs
niet meer beneden eten. Hij pakte wat uit de keuken of had al gegeten als hij
thuiskwam. Geen woord had hij gezegd over de veranderde situatie, maar het was
duidelijk dat die hem niet zinde. Harry kwam ook nog thuis. Hij sliep in de
echtelijke slaapkamer, alleen, want Eleanor lag met Els in een andere kamer. Ze
zag hem alleen binnenkomen en vertrekken en 's nachts hoorde ze hem zwaar
schuivelen. Alsof hij teveel dronk en zich met moeite naar bed moest slepen. En
er weer uit natuurlijk, wat ook niet gemakkelijk was in zijn toestand. Eleanor
concludeerde dat ze wel degelijk gelukkig was, maar dat voor het ervaren van
compleet geluk nog het een en ander moest worden geregeld. De bel ging. Els ging
opendoen en kwam even later terug met mevrouw van Damme. "De buurvrouw van
de overkant komt even een schroevendraaier lenen," zei ze. "Hebben we
die? Je moet me nog eens een rondleiding geven, Eleanor, want ik besef dat ik
eigenlijk niks kan vinden hier." "Komt voor
elkaar," zei Eleanor. "Mevrouw Van Damme, hoe gaat het met u?"
Mevrouw Van Damme keek om zich heen en nam alles goed in zich op. Haar
mondhoeken trokken haar lippen in een scherpe streep omlaag. "Wilt u een
kopje koffie, mevrouw?" vroeg Moeder. "Hij staat net op. Eigenlijk de
hele ochtend al, maar ik heb net nieuwe gezet. Want koffie, dat gaat er altijd
wel in, vindt u niet? Dat was wat me op de been hield in mijn jaren met de
loodgieter, koffie. Er troost niets zo goed als koffie, of was het nou
thee." "Wat doet mevrouw Brown
hier?" vroeg mevrouw Van Damme op strenge toon. "Sabrina? Oh, die is
hier bij ons. Ze blijft gezellig een paar dagen. Straks gaan we
schilderspulletjes kopen, en dan wil ze nog wel voor mij poseren later op de
dag, nietwaar Sabrien?" Sabrina knikte loom. "Dat zou een mooie boel
worden! Als buren maar over en weer bij elkaar gingen slapen! Maar ik heb
altijd wel gedacht, dat het niet veel soeps was. Ik zei laatst nog tegen
Anastasia van nummer 64, het is toch niks voor deze buurt, zo'n
voetballersechtpaar! Het doet me anders wel deugd dat u een fatsoenlijke trui
aan hebt voor de verandering, mevrouw Brown. Het leek hier anders wel een
hoerenbuurt, u zo op straat in die rare truitjes waar je je hele hebben en
houden kunt zien." "U kwam voor een
schroevendraaier?" probeerde Eleanor. Mevrouw Van Damme reageerde niet. "En dan uw man, ik wil
niet discrimineren, maar hij is natuurlijk wel van zekere kleur, en zoiets
geeft onrust in een buurt als deze. Ik zeg maar gewoon waar het op staat." "Volgens mij ben jij
gewoon een vuile racist!" riep moeder uit. Alsof ze niets had gehoord
ging mevrouw Van Damme door: "Maar nog erger is
misschien hoe dit keurige doktersgezin de laatste tijd huishoudt. Ik zie arme
meneer de chirurg elke ochtend gebroken naar zijn werk gaan. Hij loopt gebogen
naar zijn auto alsof hij niet gezien wil worden, alsof hij wat te verbergen
heeft. En zijn overhemden, mevrouw de dokter, verzorgt u zijn overhemden nog
wel eens. En nu ik het er toch over heb, ik vind het niet prettig dat u een
buitenlandse huishoudster hebt. Ze ziet er op het oog keurig uit en aan de
manier waarop ze me groet, weet ik dat ze haar plaats kent, maar zo'n meisje
heeft natuurlijk broers. Het is nog niet gebeurd, maar ik vrees toch echt dat
ze op een onbewaakt moment komen inbreken. Dat gaat altijd zo. Daar heb ik
vanochtend nog een artikel over gelezen in de Telegraaf." "De Telegraaf! Daar
veeg ik mijn gat nog niet mee af!" riep moeder. "De loodgieter
zweerde erbij, en dat zegt al genoeg, lijkt mij!" Weer reageerde Mevrouw
Van Damme niet. Misschien ging ze zo op in wat ze te zeggen had en eindelijk
kon zeggen, dat ze Moeder werkelijk niet hoorde. "Vroeger, in Indië,
voordat de inboorlingen verbeelding kregen, was het allemaal heel anders. Ze
werkten zonder klagen, en iedereen wist waar hij hoorde. Maar tegenwoordig, ik
vraag me wel eens af waar het naar toe gaat, ik vraag het me wel eens af, want
het is toch ongehoord, wat er allemaal gebeurt. Laatst nog, die blonde jongen in
de straat. Wandelen, zei hij dat hij deed, maar ik wist meteen wat voor vlees
ik in de kuip had, ik wist het meteen! Nu blijkt er weer zo'n terrorist gepakt
te zijn. Op uw instituut, mevrouw Eleanor, daar mag u me straks het fijne van vertellen. Maar om op de dokter terug
te komen: die man gaat gebukt onder zijn huiselijke situatie en het is om hem
dat ik u daar op aan kom spreken. Want het is een komen en gaan, de laatste
dagen. Deze mevrouw hier," ze wees op Els. "Is er nu ook al dagen.
Het lijkt erop dat ze bij u ingetrokken is, al heb ik nog geen verhuiswagen
gezien. Nu vraag ik u: dat kan toch niet, zoiets? We leven hier niet in
Amsterdam, waar alles schijnt te kunnen en waar ik nog niet dood aangetroffen
zou willen worden, maar in Soestduinen! In een keurige buurt van ons soort
mensen! Tenminste, tot de familie Brown hier kwam wonen, dat was al een teken
aan de wand. Eigenlijk zou er een ballotage-commissie moeten komen die bepaalt
wie er hier een huis mag kopen, en daar heb ik ook voor gepleit bij de
burgermeester maar die liet mij doodleuk weten dat ik me met mijn eigen zaken
moest bemoeien! Nou vraag ik u: wat zijn nu meer mijn eigen zaken dan de
samenstelling van de buurt. De dokter paste hier goed in de buurt en nog
steeds. U was ook keurig, mevrouw Eleanor, tot afgelopen zondag. Als ik er goed
over nadenk, had u afgelopen vrijdag al een verwilderde blik in uw ogen, dus
toen moet u al wat van plan zijn geweest. Wat er zich in uw hoofd afspeelt,
weet ik Goddank niet, maar ik heb wel gezien dat u deze vrouw hier," weer
wees ze op Els, "kuste. Terwijl de gordijnen waren geopend en iedereen zo
naar binnen kon kijken. En dat kan echt niet. Ik beveel u hiermee onmiddellijk
te stoppen en de gewone orde te laten terugkeren. En uiteraard weer als vanouds
te zorgen voor de dokter, dat hij niet in vervuilde overhemden naar het
ziekenhuis rijdt. En geen wilde toestanden hoeft aan te treffen als hij na een
lange, vermoeiende dag eindelijk thuis komt. Ik zeg maar waar het op staat,
want iedereen is het meest gebaat bij duidelijkheid. Daar is een groot gebrek
aan in dit land." Els stond op, liep naar de
tuin, de schuur in en kwam terug met een schroevendraaier. "Alstublieft, mevrouw
Van Damme, dit is toch wat u zocht?" Ze reikte haar de schroevendraaier
aan en even stond mevrouw Van Damme perplex. Ze draaide zich om en liep naar de
deur. "Als u maar niet denkt
dat ik het hier bij laat!" zei ze voordat ze het huis verliet. "Nou, dat hebben we ook
weer gehad," zei Eleanor. Mevrouw Van Damme was nog nooit bij haar binnen
geweest, al had ze diverse keren op de stoep gestaan. Altijd met een smoes. Dan
weer wilde ze een kop suiker. Nadat Aart haar erop had gewezen dat dat het
leidmotief was geweest in een pornofilm die in de jaren zeventig erg veel stof
had doen opwaaien, had ze die smoes nooit meer gebruikt. Maar er was zoveel wat
een buurvrouw kon wensen: wasmiddel, beschuit, twee aardappelen. Nooit had
Eleanor haar binnengelaten en de kinderen had ze geïnstrueerd haar nooit ook
maar een voet over de drempel te laten zetten. Nu was het haar eindelijk
gelukt. "Die vrouw is
ongelukkig," zei Moeder. "Daarom gaat ze zo tekeer. Eigenlijk moeten
we medelijden met haar hebben." De rust leek weergekeerd,
maar het duurde niet lang of er werd weer aangebeld. Voor de deur trof Eleanor
een lange, slanke man in een zwart kostuum. Hij had een haviksneus en
glimmende, donkere oogjes. Zijn lijkbleke gezicht viel bijna weg bij zijn
kraakheldere, gesteven overhemd. Hij droeg een keurig gestrikte stropdas en
onder zijn arm had hij een zwarte schrijfmap. Zelfs zijn horlogeband was zwart.
Oh God, ik ben dood, dacht Eleanor, en ik heb het niet door. Ik doe open voor
mijn eigen begrafenisondernemer. "Ik kom van het
ministerie," zei de man met een krakende grafstem. Het is de dood zelf,
dacht Eleanor, hij komt me halen. "Ik neem aan dat u is verteld dat ik
langs kon komen." "Ja, inderdaad, maar u
zou eerst bellen." "Daartoe was ik niet in
de gelegenheid. Mag ik binnenkomen?" Hij wachtte haar antwoord niet af
maar zette een voet over de drempel. Eleanor had geen keus. Ze ging hem voor
naar de kamer die als bibliotheek was ingericht, maar die ze niet zo noemde,
omdat ze dat zo nuffig vond klinken. Zonder dat het hem was
aangeboden, nam hij plaats in een van de lederen fauteuils en opende zijn map. "Ik ga u een paar
vragen stellen," kondigde hij aan. "Dat was de bedoeling,
heb ik begrepen. Ik hoop dat u het kort houdt, want ik heb niet veel
tijd." "Ik neem de tijd die
nodig is om mijn opdracht goed uit te voeren," antwoordde hij kortaf. "De eerste vraag is een
algemene. Wat is u sinds het weekend zoal opgevallen op het werk." "Niet veel, want ik ben
er nauwelijks geweest. Ik ben geschorst, dat zal vast in uw aantekeningen
staan." "Maar u bent er maandag
geweest. Wat is u opgevallen aan uw collega's. Was er iemand die zich
merkwaardig gedroeg? U weet hoe u opvallende zaken kunt herkennen. U heeft
immers de terrorist herkend in Roberto B." "Ik heb niets
bijzonders gezien," zei Eleanor. De man stond op en liep naar een van de
boekenkasten. "Marx, Lenin..,Bent u in het verleden betrokken geweest bij
een communistische partij?" "Nee, ik heb
geschiedenis gestudeerd," "Al die boeken over
anatomie. Wat heeft dat te betekenen?" "Mijn man is
arts." "Ah, ja, ik begrijp
het," hij ging weer zitten. "Mordechai Meijer, kunt u mij daar meer
over vertellen?" Mordechai? Wat haalden ze nu toch in hun hoofd? Dat hij
als moslim een joodse identiteit had aangenomen om zijn werkelijke bedoelingen
te verhullen? "Ik zou niet weten wat.
Hij is een collega, en het enige dat ik van hem weet, is dat hij van vissen
houdt." "Nooit iets bijzonders
opgevallen? Dat hij later kwam? Dat hij bijzondere belangstelling toonde voor
het rapport over beveiliging van Roberto B.?" "Nou, dat laatste zeker
niet! Hij haatte Rob Buitelaar, net als iedereen op de afdeling. Dat rapport
heeft hij nooit gelezen, hij zou niet op die manier geconfronteerd willen
worden met Rob Buitelaar. Trouwens, die rapporten waren niet te lezen. Het was
pure pulp." "Die haat kan een
dekmantel zijn geweest. Misschien hebben de twee in werkelijkheid heel nauw
samengewerkt." De man maakte een aantekening. "En Jannie van de
Horst, wat is u aan haar opgevallen?" "Ook helemaal niets,
Jannie was gewoon Jannie." "Hoe bedoelt u, gewoon
Jannie? Ik heb begrepen dat zij een nog al emotionele vrouw was. Instabiel dus.
Is het mogelijk dat zij heeft samengewerkt met Rob Buitelaar?" "Jannie? Geen sprake
van! Die zorgt voor haar gehandicapte kinderen, probeert van onze afdeling een
soort gezinnetje te maken en verder heeft ze geen bedoelingen!" "Ook dat kan heel goed
een dekmantel zijn. Of wellicht probeert ze welbewust saamhorigheid te kweken
en iedereen voor haar karretje te spannen." "Ach, welnee!" Nog
even, en de hele afdeling zat achter de tralies. Alles wat je deed, was
verdacht. En als je het niet deed, was dat weer verdacht. "Dan nog een laatste
persoon die gescreend moet worden: Aleid, de secretaresse. Die heeft toegang
tot alle gegevens. Zij heeft toch ook moeten weten van de bedoelingen van
Roberto B." "Oh nee! Buitelaar is
veel te slinks te werk gegaan. Ze kan er nooit iets van gemerkt hebben. Hij
maakte trouwens geen gebruik van haar diensten. Hij deed zijn eigen
secretariële werk." "U bent nogal overtuigd
van de onschuld van uw collega's. Hoe komt dat zo?" "Ik ken ze. Ik werk al
jaren met ze samen. Ze staan buiten elke verdenking, tenminste wat mij
betreft." "Zo, zo, wat een
vertrouwen," mompelde de man. Weer maakte hij een aantekening. Daarna
klapte hij zijn map dicht. "Dat was het, mevrouw.
Voorlopig althans. Ik laat mezelf wel uit. Goedendag." Hij stond op en
verliet het huis. Toen Eleanor terugkwam in de
woonkamer, was iedereen naar het nieuws aan het kijken. De nieuwslezer kondigde
aan dat de situatie dermate dreigend was, dat er een avondklok was ingesteld.
Tot nader orde mocht niemand zich na tien uur 's avonds op straat bevinden. Wie
dat toch deed, werd onmiddellijk gearresteerd en kon zonder vorm van proces
drie maanden worden vastgehouden. De minister kwam in beeld: "Het is
oorlog," zei hij. "Een ander woord dat de situatie definieert, is er
niet." Die dag brachten ze door
zonder zich al te veel te laten beïnvloeden door de berichten over de invoering
van de avondklok. Het zou wel weer met een sisser aflopen, zoals zo vaak. Wel
hadden ze de hele dag patrouilles op mountainbikes gezien: gespierde
politievrouwen en -mannen die langzaam door de straat waren gefietst terwijl ze
steeds om zich heen keken. Een keer was het buurjongetje van vier van de
overkant aangehouden. Els had het gezien toen ze de hond uitliet. De
politiemannen hadden zo abrupt geremd dat een van de twee bijna over zijn stuur
was heen gevlogen. "Uw identiteitsbewijs, jongeman!" had hij tegen
het ventje dat met een tol in de weer was geschreeuwd. De ogen van het jongetje
werden zo groot als schoteltjes en van schrik vergat hij te huilen. "Nou,
komt er nog wat van? Anders is het een boete van 50 euro, u zegt het
maar!" Els was op het tafereel toegelopen, want dit kon ze niet over haar
kant laten gaan. "De jongen is nog geen veertien," had ze uiterlijk
rustig uitgelegd. "Maar zeker vier jaar oud!" had de agent
geschreeuwd die om het identiteitsbewijs had gevraagd. "Uh, Henk, ik
geloof dat die mevrouw daar een punt heeft, de identificatieplicht is vanaf
veertien jaar, niet al vanaf vier. Dacht ik tenminste hoor." Hij zette zijn fiets tegen een boom, nam een
lijvig boekwerk uit zijn stuurtas en zocht het op. "Ja, hier staat het.
Veertien jaar. De jongeman in kwestie is dus niet in overtreding." De
agenten stapten weer op en reden weg, zonder Els of het kereltje te groeten.
Els had hem naar zijn moeder gebracht. Ze was bang dat hij van schrik de straat
zou uitlopen en zou verdwalen. Maar buiten dat waren er de
hele dag geen incidenten voorgevallen. Zelfs de telefoon was niet meer gegaan.
Moeder had rustig zitten schilderen met haar nieuwe schilderspullen. Allemaal
moesten ze van tijd tot tijd poseren, kort maar, het ging steeds alleen om een
bepaalde lijn van een gebogen arm, de stand van de voeten, een hoofd dat
achteroverhelt. Ze was niet veeleisend. Sabrina was de hele dag gebleven en had
geen moment aanstalten gemaakt om ook maar een kijkje te nemen in haar eigen
huis. Niemand vroeg een verklaring. Het was zoals het was. Eleanor en Els
hadden zich een paar maal afgezonderd om de liefde te bedrijven en waren daar
loom van geworden. Tegen het eind van de avond, toen de avondklok inging, leken
ze net een stel katten in de zon die veel vis hadden kunnen jatten van de markt
of de kade. En zo voelden ze zich ook. Zoals dat dan altijd gaat: het leek of
dit nooit voorbij zou gaan, of er altijd een lome, warme vrede zou heersen in
de woonkamer waar niemand werd gestoord door de buitenwereld. Die avond kwam daar
verandering in. Tegen elven werd er hard tegen de voordeur gebonkt. De vrouwen
schrokken op en keken elkaar aan. Het duurde even voordat Eleanor zich ertoe
kon zetten om te gaan kijken wat er was. Toen ze de buitendeur opende, viel
Harry bijna naar binnen. Zijn groezelige overhemd - dat had mevrouw Van Damme
goed gezien - zat onder het bloed en hij had een grote wond boven zijn
linkeroog. "Doe de deur dicht, Eleanor, help me alsjeblieft!" Ze
smeet de deur dicht en zag nog net hoe twee agenten het tuinpad oprenden. Ze
nam Harry bij de arm en liep met hem naar de woonkamer. Er werd aangebeld. Ze
negeerden de bel en na een poosje hield het op. Ondertussen was Harry op de
bank gaan liggen. Hij hijgde van inspanning. Alle vrouwen keken naar hem in
afwachting van zijn verhaal. Maar het duurde zeker een half uur voor hij een
woord kon uitbrengen. "Ze hebben me achterna
gezeten met knuppels, en ze hebben op me geschoten," begon hij. "Wie, ze?" vroeg
Eleanor. "Politie-agenten. De
hele dag waren er overal agenten. In het ziekenhuis, rondom het ziekenhuis,
overal waren ze. We hebben zoveel mogelijk gewoon doorgewerkt, al kwamen er
patiënten niet opdagen. Die werden op straat opgepakt. Uit het raam heb ik het
gezien: oude mensen werden met knuppels geslagen en in arrestatiewagens
gesleurd, kinderen werden van hun ouders gescheiden. Tegen het einde van de
middag hadden we een crèche ingericht in de hal beneden, zoveel waren het er.
En we wisten niet wat er aan de hand was. Alles wat we te horen kregen, was dat
er een avondklok was ingesteld. Maar het was klare dag! Een compleet
gekkenhuis, een nachtmerrie! En vooral rond het ziekenhuis. Het gerucht ging
dat de regering bang was voor een overval op het ziekenhuis, om materiaal te
vergaren voor een aanval met chemische wapens! Heb je ooit zoiets gestoords
gehoord? Dan is het toch veel gemakkelijker om hier in Soesterberg een
legerdepot aan te vallen zou je denken. Maar nee hoor, onze regering denkt dat
ze dat vanuit het ziekenhuis doen en iedereen die naar binnen wilde was
verdacht. Anyway, sommige gewonden
wisten binnen te komen en we waren druk met ze te behandelen. Het leek wel een
veldhospitaal. Zo'n half uur geleden ben ik naar huis gegaan, en toen ik hier
uitstapte kwamen die twee mountainbikers op me af. Ik wilde gewoon naar
binnengaan, maar ze sloegen me waar ze me raken konden, onderwijl iets
schreeuwend dat leek op avondklok en binnen zijn, zoiets." Hij zweeg
abrupt. "Zijn ze weg?" Moeder stond op om door een
kiertje in de gordijnen te gluren. "Nee, ze staan op de stoep. Het lijkt
alsof ze op iemand wachten. Gut, die jongens zullen het koud hebben. Zullen we
ze binnen vragen voor een lekker kom chocolademelk?" "Moeder! Doe niet zo
idioot! Ze staan daar niet voor de gezelligheid!" "Ach, daar kon je wel
eens gelijk in hebben. Tenslotte hebben ze aan mijn kind gezeten. Nee, ik vind
ze niet aardig. Ze moeten daar maar blijven staan. Of naar huis gaan." Harry bette zijn wond met
een zakdoek. "Het prikt erg, maar het is een oppervlakkige wond,
gelukkig," zei hij. "Dat heb ik wel anders gezien vandaag."
Moeder liep op hem toe en gaf een kus op zijn wond. "Zo jongen, dan gaat
het sneller over." Er ontstond een wrange glimlach om zijn lippen. "Het is trouwens de
eerste keer dat ik je zie, sinds de laatste dagen, sinds zondag, geloof ik. Hoe
gaat het met je?" "Ja, hoe zal het
gaan!" viel hij uit. "Klote natuurlijk! Mijn vrouw ervandoor, chaos
in het ziekenhuis, en overal waar ik loop in huis struikel ik over de
wijven!" "Kom, kom, jongen, niet
zo lelijk doen. Het zijn geen wijven, het zijn dames," zei Moeder.
"En je moet eens leren tegen je verlies te kunnen, je hebt nooit tegen je
verlies gekund, als kind al niet. Je smeet het dambord door de kamer als je
verloor van je broertjes." "Nou, ik heb nu anders
wel reden tot klagen, vind u ook niet, Moeder? Je zou wat meer steun verwachten
van je eigen Moeder, maar nee hoor, die trekt meteen in bij mijn vrouw en haar
vriendin!" Eleanor zag het aan. De
jongen in Harry was ver weg, of misschien minder ver dan zij dacht. Had zijn
opstandigheid niet iets puberaals? De houding van niet aanvaarden van de
werkelijkheid, het gevoel van tekort gedaan te zijn, ze had dat voor het laatst
waargenomen bij Aart, maar dat was alweer jaren geleden. Allesoverheersend was
echter de opluchting dat hem niets ernstigs was overkomen. "Ik heb je de situatie
uitgelegd, Harry, en er is niets meer aan te doen. Dat moet je uit je hoofd zetten.
Je kunt het beter aanvaarden zoals het is, je moet verder met je eigen
leven." Harry begon te huilen met
grote uithalen. Moeder klopte hem troostend op de schouder. "Nou, kind, zo
erg kan het toch niet zijn? Kop op, hoor, en flink zijn. Daar had de loodgieter
nou wel weer gelijk in, dat een man flink moet zijn. Al was hij dat zelf niet,
natuurlijk, ik heb nog nooit zo'n kleinzerig mens meegemaakt als de loodgieter.
Zoals die kon zeuren bij het kleinste verkoudheidje, vreselijk gewoon." "Dit is toch godverdomme
geen verkoudheidje!" riep Harry uit. "Ik ben zowat dakloos! Ze willen
me hier niet meer! Mijn eigen vrouw heeft me de wacht aangezegd, me uit mijn
eigen huis gegooid! Ik ben verweesd!" "Niet zo
overdrijven," zei Eleanor. "Misschien ben ik wat abrupt geweest
afgelopen zondag, maar dat kwam door de euforie. En ook wel omdat jij zo slecht
naar me luistert de laatste jaren. Ik heb het gevoel dat ik met een breekijzer
bij je naar binnen moet, wil er iets tot je doordringen. Maar je kan hier best
blijven, als je wilt. En als je mij niet in de weg staat, natuurlijk. Dat staat
voorop. Els en Moeder blijven hier ook. En Sabrina wellicht, want die is hier
nu ook al een paar dagen." Harry keek verbaasd op.
"Ik dacht dat je me haatte," zei hij. "Dat je me al die jaren
gehaat hebt, en dat je me nooit meer wou zien." "Nee, dat is niet zo.
Het is meer dat het allemaal teveel was geworden. De dagelijkse herhaling van
wat al honderd keer gedaan is, opstaan, naar het werk gaan, 's avonds naar je
verhalen over je successen luisteren. Nooit eens een moment van intimiteit, van
kwetsbaarheid." "Ik moet je wat
bekennen," zei Harry. Hij sprak snel, zo snel dat ze hem bijna niet kon
verstaan. "Ik heb een verhouding." "Dus toch!" riep
Moeder uit. "En je zei nog zo dat het niet zo was, Eleanor. Ik dacht al,
ze vergist zich. Mannen van de leeftijd en status van Harry hebben altijd een
verhouding. Dat hoort gewoon zo, lijkt het wel. Met wie, Harry? Met je
secretaresse? Of met een verpleegster." "Met de medisch
secretaresse, inderdaad," zei Harry. "Gut, wat banaal,
eigenlijk," zei Moeder. "Waarom nou niet met de medisch directeur?
Maar goed, je kan niet alles hebben. Als chirurg ben je best een succes en het
zou wat veel gevraagd zijn dat ook op het persoonlijk vlak van je te verwachten." "En de medisch
secretaresse is een man," ging Harry voort. "Het is al een tijdje aan
de gang. Ik wilde het aan niemand vertellen, het helemaal geheim houden. Ik
weet niet, maar op de een of andere manier past het niet bij mij. Zo'n man bedoel
ik. Ik ben geen homo. Normaal gesproken niet tenminste, maar ik val wel op
Bertrand." "Geweldig!" riep
Moeder uit. "Dat het dan toch nog goed komt. En waar is Bertrand nu, als
ik vragen mag?" Harry haalde zijn schouders op. "Thuis, denk ik, hij
is om zes uur naar huis gegaan. Ik hoop tenminste dat ze hem ongestoord hebben
laten gaan, maar dat zal wel." Dat laatste leek een bezwering, die Harry
zelf niet helemaal leek te geloven. "En al die tijd heb jij
mij in de waan gelaten dat ik vreselijk buiten mijn boekje ging!" zei
Eleanor op verontwaardigde toon. Ze herstelde zich snel. Kwam dat even goed
uit, die verhouding met Bertrand. Ze vroeg zich af hoe oud die man zou zijn.
Jonger dan Harry waarschijnlijk, veel jonger. Els keek door de kier.
"Ze staan er nog steeds," zei ze. "En dat mens van de overkant,
Mevrouw Van Damme, is er nu bij. Ze praat en ze praat en ze wijst steeds naar
ons huis. Vuile verrader, dat mens. Ze zal wel vertellen wat voor zooi het hier
is." "Niet op letten, kind.
Ze gaan straks wel weg. Laten we de televisie aanzetten, misschien komen we dan
meer te weten." Moeder drukte op de afstandsbediening. De minister van
Justitie verscheen in beeld. "De situatie is weer onder controle,"
hoorden ze hem zeggen. "De waakzaamheid is verscherpt al kan ik niet
zeggen op welke punten, maar de dreiging is van rood naar oranje, om het zo
maar eens uit te drukken. We hebben de dreiging bij het Academisch Ziekenhuis
in Utrecht weten af te slaan, er zijn arrestaties verricht, waar ik verder geen
uitlatingen over doe, en het ziet er naar uit dat we daarmee de kern van de
terreurorganisatie te pakken hebben. De instelling van de avondklok blijft van
kracht zolang we daar nog niet helemaal van zijn overtuigd." "Ik dank
u wel," zei de reporter. "En dan gaan we nu over naar het big-brother
huis, waar zojuist een man, ja, u hoort het goed, een man, is bevallen van een gezonde zoon!"
Moeder zette de televisie weer uit. "Ze zijn wel vaker zo gek geweest,
herinner ik me. Het gevoel, tenminste, wat er precies gebeurde en wanneer dat
was, weet ik niet meer. Maar het zal wel weer overgaan. Toen ging het ook over,
al duurde het lang en gebeurden er vreselijke dingen. Het is zo gek, maar ik
ben vergeten wat voor vreselijke dingen dat waren." Els, die nog steeds door de
kier stond te kijken, zei: "Mevrouw Van Damme loopt terug naar de
overkant. Die agenten staan er nog steeds. Het lijkt wel of ze iemand
verwachten." "Ze wachten nergens
op," zei moeder. "Ze moeten daar blijven staan van hogerhand. De
loodgieter vertelde daar wel over, dat het in dienst zo ging. Dan kreeg je een
opdracht om op wacht te gaan staan bij een grens waar nooit iemand overheen
wilde. Zeker de Russen niet, waar ze toentertijd op wachtten. Dat zal met deze
jongens ook zo zijn." Aanvankelijk verwachtten ze
elk moment een klop op de deur, want dit was typisch zo'n avond waarop je alles
kon verwachten, maar naarmate de tijd vorderde, geloofden ze dat ze niet meer
gestoord zouden worden. Vandaag tenminste niet. Het was al bijna ochtend, toen
het hele gezelschap naar bed was gegaan. Eleanor deed geen oog dicht. Haar hele
huwelijksleven ging aan haar geestesoog voorbij, begeleid door het zachte
gesnurk van Els. Ook de volgende dag was er
veel politie op de been, allemaal op mountainbikes. Ministers verdrongen elkaar
voor de televisie en eentje - Eleanor kon zich niet meer herinneren welke - had
gezegd dat daar bewust voor gekozen was om de politie dichter bij het volk te
brengen. Datzelfde volk werd gevraagd zoveel mogelijk binnen te blijven en zich
alleen op straat te begeven als dat strikt noodzakelijk was. De dreiging was
weliswaar verdwenen maar kon elk moment de kop weer opsteken. Bovendien was het
van belang dat de overheid het overzicht hield en dat ging nou eenmaal
gemakkelijker als er niet al te veel mensen op straat waren. Harry was die ochtend al
vroeg vertrokken naar het ziekenhuis. Hij was erg vrolijk geweest aan het
ontbijt, waar hij zich voor het eerst sinds zondag weer had vertoond. Van zijn
verlopen groezeligheid was niets meer te zien en, wat nog nooit was
voorgekomen, hij had koffie gezet voor Eleanor. Moeder en Els lagen nog op bed,
Sabrina lag in de woonkamer te slapen. Eleanor had haar wel een logeerkamer
aangeboden toen bleek dat ze niet van plan was om naar haar eigen huis te gaan,
maar dat wilde ze niet. "Ik voel me zo dichter bij iedereen," had ze
gezegd. Ze waren dus met z'n tweeën
in de keuken. "Ik keek er wel van op,
van je verhouding," begon Eleanor. "Vooral omdat je zo kwaad was op
mij. Dat impliceert toch dat je van onbesproken gedrag bent. De onschuld zelve
als het ware." "Maar het is nu
allemaal vergeven en vergeten!" "En al die tijd had je
zelf iemand anders. Dat is toch niet zo mooi." "Ach, Eleanor, ik ben
zo blij dat ik het verteld heb. Ik zat helemaal klem, dacht dat het niet kon,
had me al die maanden in bochten gewrongen om maar niets te laten merken, en
toen kwam jij ineens met zo'n verhaal, alsof het niets was, alsof je zoiets
maar zo tussen neus en lippen kan vermelden." "Hmmmm, twijfelachtig
allemaal. In ieder geval ben ik blij dat er nu duidelijkheid is. En ik ben
vooral blij dat je je verongelijkte houding heb laten varen. Lekker eitje
trouwens." "Heerlijk, hè? Het
lijkt net een zondag van lang geleden. We hebben langs elkaar heen geleefd,
Eleanor. Ik heb er over nagedacht. Misschien heb ik te lang vast willen houden
aan het beeld van ideaal gezin: allebei een goede baan, kinderen die geen
problemen hebben, een goed huis in een goede buurt. Ik wilde er niet eens aan
denken dat daar de klad in kwam." "Maar ondertussen zat
jij wel met de medisch secretaresse in de linnenkamer." Eleanor schudde
het hoofd. "Niet in de
linnenkamer, in een fatsoenlijk hotel." "Zo, zo. Tja, ik hield
geen urenregistratie bij van je afwezigheid dus ik heb er geen moment bij
stilgestaan." "Ik ben toch zo blij
dat je het nu weet!" Harry liep op haar toe en zoende haar op de wang. Het
moest niet gekker worden. Dit soort sympathiebetuigingen had hij sinds hun
verkeringstijd niet meer vertoond. Nog even, en het werd een sentimentele
toestand. Toch zag de situatie er
alweer beter uit dan de vorige dag. Stiekem was ze blij dat hij niet weg zou
gaan. Misschien kon Bertrand ook bij hen in komen wonen. Dat was toch niks,
zo'n jongen alleen in een appartement en dan nog die dagelijkse rit naar het
ziekenhuis. Nee, hij kon beter hier komen. Niet zo doordraven, zei ze tegen
zichzelf, je kan nauwelijks nog veranderingen verwerken na alles wat er gebeurd
is. "Ik hoop dat het
vandaag wat rustiger in en om het ziekenhuis is," zei hij. "Dat ik
weer gewoon kan opereren, daar ben ik toch het beste in. Zo'n
veldhospitaalsituatie, dat is niets voor mij." "In het ziekenhuis zal
het misschien wat bedaard zijn, maar ik ben bang dat we nog lang niet klaar
zijn met de ellende. Moet je al die mountainbikers zien op straat. En mevrouw
Van Damme staat al de hele nacht op wacht. Die beleeft gouden tijden
natuurlijk." "De regering overdrijft
lichtelijk. Ik maak me sterk dat er gisteren echt wat aan de hand is." "Ik weet wel zeker dat
er niets is," besloot Eleanor. "Hoewel je dat zo niet kan zeggen. Als
iedereen denkt dat er iets is, dan is er ook iets. Dat is net zoiets als
geloven: als iemand denkt dat God bestaat, bestaat die ook." "Ik hou er niet
van," zei Harry. "Ik ben arts en ik wil gewoon mijn werk doen." Aart kwam binnen, nog zo'n
gezinslid met wie ze de laatste dagen geen contact had. Veranderingen doen
pijn, troostte ze zichzelf. Uiteindelijk zou alles goed komen. Buiten ook.
Uiteindelijk zouden de mountainbikers verdwijnen, zou iedereen weer gewoon op
straat kunnen en waren al die praatjes over dreigende aanslagen verdwenen.
Uiteindelijk. Dat kon nog best lang duren, want de regering was nog nooit zover
gegaan in haar poging massahysterie aan te wakkeren. De aanhouding van Rob
Buitelaar hadden ze aangegrepen als excuus om eens te laten zien wie hier de
baas was en wie het beste overkwam op televisie. Haar opzet had gefaald en
gevolgen gekregen die ze niet wilde, die ze niet had voorzien. Rob Buitelaar
moest vrij, er was maar een conclusie mogelijk. Hinderen zou hij haar niet
meer, want ze werkte niet meer voor het instituut. Het was haar nog niet
gezegd, maar ze wist zeker dat ze er nooit meer terug hoefde te komen. "Zo, mijn vader en
moeder bij elkaar!" sneerde Aart. "Dat is lang geleden dat ik dat
gezien heb. Het lijkt hier wel een commune, zo'n walgelijke samenwonerij uit de
jaren zeventig. Ik dacht dat jullie daar wel zo'n beetje overheen waren. Maar
nee hoor, ze beginnen juist. Verlate
puberteit heet zoiets!" "Oh ja, we moeten je
nog wat vertellen. Je vader heeft een vriend," zei Eleanor. "Het
wordt hier waarschijnlijk nog drukker." "No way dat ik dit ga
pikken!" Aart liep rood aan en bewoog zijn been om te gaan stampvoeten.
Hij bedacht zich echter. "Ik wil dat het hier normaal wordt, verstaan
jullie me? Helemaal normaal, zoals het eerst was!" "Tja, je bent
volwassen, Aart, maar dat zijn wij ook. En we leiden dus ons eigen leven. Zou
jij ook moeten doen." "Maar ik studeer nog!
Ik heb een hechte, veilige thuissituatie nodig!" "Dat hebben we
allemaal. En dat betekent niet dat je dan maar andere mensen kunt voorschrijven
hoe ze moeten leven." "De regering heeft
gelijk. Er moet meer orde komen. Het gezin is de hoeksteen van de samenleving,
dat was altijd zo en zo moet het blijven. Ik eis dat jullie je minnaars, en de
buurvrouw ook, buiten de deur zetten!" "Jij hebt niets te
eisen, mijn zoon," zei Harry. "Dat zullen we nog wel
eens zien! Daar vergissen jullie je deerlijk in!" Hij verliet het huis
zonder ontbijt. Eleanor en Harry keken elkaar aan en haalden hun schouders op.
Het zou wel weer bijtrekken, dachten ze. Harry ging naar het
ziekenhuis, Moeder zette zich aan het schilderen. Ze schilderde aan het
bezetene, ze had veel in te halen. Elk onderwerp dat haar onder ogen kwam
gebruikte ze als model. Elk mens trouwens ook. Ze werkte snel, vanuit de eerste
opzet maakte ze meteen het hele doek af. Ze was pas een dag bezig maar de kamer
lag al bezaaid met tekeningen en een stuk of vier schilderijen. "Als de
loodgieter dit toch eens zag.." mompelde ze af en toe voor zich uit.
Sabrina bleef op de bank hangen. Er was niet veel uit haar te krijgen. Ze kwam
niet ongelukkig over, zoals ze zich daar lag te wentelen in haar luiheid. In
Harry's kast had ze nog meer truien gevonden en die droeg ze om beurten. Ze was
gewend om zich diverse keren per dag te verkleden, en van zulke gewoontes stapt
een mens niet zomaar af. Els belde Jaap om hem
duidelijk te maken dat hij niet de afspraak die ze hadden gemaakt, moesten
vergeten. Verder bladerde ze wat door medische vakbladen die her en der lagen
verspreid. Harry las ze haastig, legde ze weg om later het een of andere
artikel te lezen en vergat vervolgens waar hij mee bezig was. Zo hoopten ze
zich op. "Interessant," zei
ze op een gegeven moment. "Dit is een heel nieuw gebied voor mij. Ik zou
wel medicijnen willen gaan studeren." Moeder keek op van haar
schilderwerk. "Dat moet je gewoon doen, kind. Je bent nog jong." "Ik ben 52, is dat niet
te oud? De laatste jaren had ik het gevoel dat ik overal te oud voor was, dat
ik eigenlijk al dood was, maar alleen nog moest sterven." "Als je het over de
duvel hebt," zei Eleanor. "Daar heb je de doodgraver van het
ministerie weer. Ze kunnen ons toch wel een dag met rust laten, zou je zeggen,
maar nee. Nou, ik zal hem maar binnenlaten, op een andere manier kom ik niet van
hem af." Ze wilde de
beveiligingsfunctionaris weer naar de bibliotheek leiden, maar hij eiste te
worden toegelaten in de woonkamer. "Wij hebben bericht gekregen dat zich
hier de laatste dagen veel mensen ophouden. En die wil ik even screenen."
"Gewoon vrienden en familie!" riep Eleanor uit. "Wat valt daar
nou aan te screenen." "We leven in oorlog, mevrouw, zo moet u dat
zien. Iedereen is verdacht. Als we niet kordaat optreden en reageren op elke
serieuze melding gebeuren er rampen." Zonder haar antwoord af te wachten,
betrad hij de woonkamer. "Goedenmorgen,"
zei Moeder. "U doet me aan iemand denken. Aan die vent die erbij was toen
de loodgieter dood was. Die ging de hele weg naar het kerkhof voor de lijkwagen
uitlopen, het schoot maar niet op. En we hadden nog van allerlei dingen te
doen, maar dacht u dat ze daar rekening mee hielden? Nee hoor, hij blijf gewoon
op zijn dooie akkertje voor de stoet uitlopen. Nou wil ik best toegeven dat ik
de loodgieter het liefst zo snel mogelijk zo diep mogelijk onder de grond zag, en
dat is misschien niet mooi van me, maar het was dan ook een etterbak. Die vent
die vooraan liep, trouwens ook. Die zei geen boe of bah, maar zette zo'n
treurgezicht op, dat je zou denken dat zijn eigen moeder net kassie wijlen
was." De beveiligingsfunctionaris
negeerde haar en bestudeerde Els aandachtig. Hij vouwde zijn schrijfmap
open, nam een pen die daar in was gestoken en begon zijn verhoor. "U stond
langs de snelweg, afgelopen vrijdag, wat deed u daar?" Els zocht met haar
ogen steun bij Eleanor, ongetwijfeld bang dat ze zou worden ingesloten als ze
vertelde dat ze uit de inrichting was ontsnapt. "Ik liftte," zei ze.
"Ik moest naar Brabant, en ik was mijn portemonnee vergeten."
"Vreemd," zei de man. "Ik zou verwachten dat iemand dan bij een
station staat, niet op de snelweg." Hij maakte een aantekening.
"Voorts heb ik gehoord dat u met mevrouw hier meekwam naar De Wilde
Weelde, en dat u er zeer verwaarloosd uitzag. Heeft u daarvoor een
verklaring?" "Ik had het druk gehad, ik had geen tijd gehad om me te
verkleden voor ik op weg ging." "Geen tijd, ook vreemd. U stond te
liften, kwam terecht in de Wilde Weelde, samen met mevrouw hier, dus kennelijk
had u niets te doen." "Leg toch niet op alle
slakken zout, man!" riep Moeder uit. "Dat meisje heeft een zware tijd
achter de rug, en er is niets mis met haar. Daar kan ik persoonlijk voor in
staan." Weer negeerde de veiligheidsfunctionaris haar. Hij noteerde
driftig in zijn schrijfmap. "Het is allemaal heel verdacht, mevrouw. Ik
ben bang dat ik dit moet rapporteren, zolang u niet met een bevredigende
verklaring komt." "Hoe bedoelt u, rapporteren.." vroeg Eleanor.
"Daar kan ik geen mededelingen over doen, maar detentie behoort zeker tot
de mogelijkheden." "Sluiten ze je tegenwoordig op voor liften?"
gilde moeder. "Niet voor liften, wel om de maatschappij te beschermen
tegen terroristische aanslagen, en het ziet ernaar uit dat mevrouw daar
mogelijkerwijs bij is betrokken." "Ach man! Je bent gek!" zei
Eleanor. De angst sloeg haar om het hart. Wat was er aan de hand? Straks werd
iedereen vastgezet, want ze hadden allemaal wel eens iets gedaan wat verdacht
moest zijn in de ogen van dit paranoïde overheidsapparaat. Angstig werd ze ook
bij het idee dat ze Els misschien zou verliezen. Niet voorgoed, dat kon ze zich
niet voorstellen, maar hoe lang zouden deze idioten mensen gaan vastzetten?
Drie maanden zonder vorm van proces was al mogelijk, daar konden met gemak zes
van worden gemaakt, of twaalf. De beveiligingsfunctionaris keek op van zijn
aantekeningen. "Zo, dat staat er. Als mijn inschatting juist is, wordt u
vanavond gehaald door de arrestatie-eenheid, het kan ook morgen worden want ze
hebben het nogal druk. U heeft huisarrest vanaf dit moment, en probeer niet te
vluchten, want het huis wordt bewaakt." Hij klapte zijn map dicht.
"En nu zou ik wel een kopje koffie blieven," zei hij alsof hij een
grote klus had geklaard waarvoor hij een schouderklopje had verdiend. "Een
kopje koffie!" schreeuwde Moeder. "Vitriool kun je krijgen! Eruit,
rat!" De beveiligingsfunctionaris keek haar verbaasd aan, alsof hij haar
nu pas opmerkte en al haar vorige opmerkingen niet had gehoord. "Ik heb
hier de reglementen," zei hij toen hij van zijn verbazing was bekomen.
"En daarin staat dat beveiligingsfunctionarissen toegang moeten krijgen,
ongehinderd." "Maar dat betekent hopelijk niet dat we ze van koek en
sopie moeten voorzien, hoop ik." "U mag mij niet hinderen in mijn
werkzaamheden. En mijn behoefte is nu een kopje koffie, dat hoort bij het werk,
dus mag ik u verzoeken…" Plotseling schoot Sabrina
van de bank. Ze sprong met een enorme snelheid op de man af en zette haar
nagels in zijn gezicht. Het bloed stroomde van zijn wangen en besmeurde zijn
onberispelijk witte overhemd. Met kracht zette ze een knie in zijn kruis. Ze
stootte een paar keer door. "Au! Help!" riep de man. "Ik word
vermoord!" Dat had hij niet moeten zeggen, want nu nam Moeder haar
tafelezel en beukte hem daarmee hard op het hoofd. Eleanor zag het met
ontzetting aan. Dit zette een streep onder de kalme ochtenden, de verrukkelijke
nachten en de lome namiddagen. Wat was geluk toch vluchtig. Inmiddels maakte de
man geen geluid meer, maar Moeder en Sabrina bleven slaan, krabben en schoppen.
Dat ging nog een hele tijd door. Eleanor overwoog in te grijpen, maar dat zou
geen zin hebben. Zoveel furie die na zoveel jaren was ingesloten en
samengeperst, spoot er nu uit dat een normaal mens die vloed niet meer kon
stoppen. Eindelijk, was het na minuten of was het na uren, hielden ze op. De beveiligingsfunctionaris viel slap van de
bank en ademde niet meer. Els legde twee vingers tegen zijn halsslagader.
"Dood," zei ze. "Bedankt meiden. Als dat loeder teruggegaan was
naar zijn baas, was ik vanavond opgepakt." "Tja," zei
Eleanor. "Op de korte termijn is dit misschien wel een oplossing, maar wat
moeten we met het lijk? We kunnen hem niet laten liggen. Het is geen gezicht en
bovendien gaat het stinken." "Ongebluste kalk?"
opperde Moeder. "Heb ik niet in de voorraadkast staan, toevallig,"
zei Eleanor nadenkend. Ze keek neer op het lijk. Het was niet meer dan een homp
vlees. Zo gaat dat met mensen die nauwelijks menselijk te noemen zijn, dacht
ze. Dood zijn het voorwerpen geworden, levend waren ze al niet veel meer dan
dat. "Staan de
politiejongens er nog?" vroeg ze. Els keek naar buiten en knikte.
"Nog altijd, en mevrouw Van Damme staat er weer bij." "De vraag die momenteel
voor ligt," sprak Eleanor. "Is of die jongens buiten weten dat de
doodgraver hier binnen was." "Moet wel," zei
Moeder. "Hij is tenslotte door de voordeur gekomen. Dus ze hebben hem
gezien. Kan niet anders." "Ja, inderdaad, maar
weten ze ook wat hij kwam doen? Of is er iemand anders die weet dat hij op dit
tijdstip hier zou zijn?" "Tja, dat weet je
natuurlijk niet, we kunnen moeilijk naar het ministerie bellen," zei Els. "Nou, dat weet ik zo
net nog niet. Kijk, het kreng moet verdwijnen, spoorloos verdwijnen, en wij
weten nergens van, laat dat duidelijk zijn." "Kunnen we niet gewoon
zeggen dat hij een hartaanval heeft gehad," opperde Moeder. "Nou,
daar ziet het niet echt naar uit, moet je toch eens kijken, zijn hele gezicht
is aan gort en ik ben bang dat het niet anders is met de rest van zijn
lichaam.." Eleanor staarde voor zich uit. De ene lastige situatie na de
andere moest worden opgelost. Een mens kreeg nooit even rust. Zij in ieder
geval niet. Die Nigel, en Papendal, was dat misschien de oplossing. Nigel kon
hem begraven op Papendal. Helaas was Nigel geen marionet, en helaas was hij
niet eens in de buurt. Hij wist zelfs niet dat Sabrina min of meer verhuisd was
naar het buurhuis. Plotseling ging haar een licht op en ze verbaasde zich
erover dat ze er niet meteen aan had gedacht. "Harry!" riep ze
uit. "Wat stom! Die kan hem fileren en vergruizen! Ik ga hem meteen
opbellen dat hij zijn gereedschap meeneemt vanavond." "De telefoons worden
ongetwijfeld afgeluisterd," waarschuwde Els. "Als ze mij wilden
oppakken, worden we nu afgeluisterd en op alle andere manieren in de gaten
gehouden." "Dan gaan we naar Harry
toe om het hem te vertellen! Moeder, kom mee. Je bent doodziek en ik moet met
je naar de Eerste Hulp!" "Ik mankeer helemaal
niets! Ik ben zo gezond als een vis! Ik pis geeneens meer in mijn broek! Daar
werd ik in het verpleeghuis ook zo moe van, dat ze me altijd probeerden aan te
praten dat ik wat had. Zat de verpleeghuisarts steeds aan me, dan weer dit
voelen, dan weer dat. Volgens mij was het een geriatrofiel ofzo, die heb je
ook, dat komt zelfs veel voor in verpleeghuizen, heb ik wel eens gehoord. Maar
aan mijn lijf geen polonaise, hoor! Als ik dood ben, mag je me afleggen en daar
blijft het bij!" "We doen alleen alsof
je ziek bent, Moeder. Om die jongens van de politie buiten te verleiden. We
moeten er toch voor zorgen dat Harry vanavond met zijn spullen thuiskomt. Ik
hoop dat hij vanmiddag al kan komen. Dat lijk gaat vast snel stinken met de
verwarming op 25!" "Ik heb het nou eenmaal
snel koud en ik wil niet beknibbelen op de verwarming," zei Moeder.
"Maar goed, als het voor een goed doel is, wil ik wel met je mee om mijn
jongen te gaan halen." Ze kleedden zich dik aan
hoewel het niet zo erg koud was en stapten naar buiten. Eleanor ondersteunde
Moeder wat werkelijk nodig was, want zo goed ging het lopen nou ook weer niet.
Weliswaar ging ze nu zelfstandig naar de wc, maar dat betekende niet dat dat
haar geen moeite kostte. Haar kreunen waren echter overdreven en nu ze eenmaal
in haar rol zat, was ze niet meer te stuiten: "Oh, oh, oh, ik heb zo'n
pijn, laat me alsjeblieft doodgaan! Breng me naar het ziekenhuis zodat ze me
kunnen afmaken. Oh, oh, oh, wat ben ik blij dat mijn kinderen mijn lijden niet
hoeven te zien." En zo ging het maar door. De agenten, die over hun
mountainbikes geleund stonden te roken, keken bezorgd en maakten plaats zodat
Eleanor en Moeder de kortste weg naar de auto konden nemen. Eleanor reed hard in de
richting van het ziekenhuis. Moeder kreunde nog steeds, terwijl ze smeekte om
het verlossende spuitje. "U mag nu wel weer stoppen, hoor," zei
Eleanor. "Wat weet jij er nou van! Jij weet toch helemaal niet hoeveel
pijn ik heb? Het is dat ik niet graag klaag, maar anders zou je me voortdurend
horen gillen en schreeuwen van ellende, over de grond kruipen zou ik omdat ik
niet wist waar ik het zoeken moest, hele strippen pijnstillers zou ik leeg
vreten en nog zou het niet genoeg zijn. Maar nee, zo ben ik niet. Ik hou vol,
ik klaag niet!" "Is het heus?" vroeg Eleanor. "Daarnet zei
u nog dat u zo gezond was als een vis, dat waren uw letterlijke woorden."
"Hè, kind toch, verpest het toch niet! Zit ik net lekker in mijn rol en
dan haal je me eruit. In het ziekenhuis zal ik toch ook moeten doen alsof.
Anders is het verdacht." "Misschien, misschien," zei Els
nadenkend. Het gigantische
ziekenhuiscomplex doemde op. Eleanor reed met grote vaart naar de ingang van de
Eerste Hulp en parkeerde dubbel voor de ingang. Ze sleurde Moeder bijna uit de
auto onderwijl roepend: "Maak plaats! Er is geen tijd te verliezen! Mijn
moeder is doodziek!" De massa's weken uiteen en toen pas realiseerde
Eleanor zich hoe vreemd het was, dat er zoveel mensen bij het ziekenhuis
stonden. Was de ellende nog niet over? De regering had toch gezegd dat de
dreiging was verdwenen? Of althans geluwd? De mensen zagen er moe en afgetobd
uit, alsof ze daar al dagen stonden. Het meest schrok Eleanor van de hopeloze
blikken. Alsof ze ergens op wachtten waarvan ze eigenlijk wel wisten dat het
nooit zou komen. Eleanor sleepte Moeder
achter zich aan naar de koffiekamer van de afdeling chirurgie algemeen die in
hetzelfde gebouw was gevestigd als de eerste hulp. Ook binnen stonden wachtende
mensen. Agenten liepen door de massa heen, maakten notities en foto's. Harry was gelukkig net aan
het pauzeren tussen twee operaties in. En nog een gelukkige bijkomstigheid was,
dat hij alleen in de koffiekamer was. Moeder en Eleanor legden de situatie zo
goed mogelijk uit, maar het viel niet mee om duidelijk te maken dat er een lijk
in zijn woonkamer lag, door omstandigheden, geheel aan het lijk te wijten toen
hij nog niet dood was, dat hij het als het ware zelf had uitgelokt, dat kopje
koffie, dat was de druppel die de emmer deed overlopen, een rat was het, een
vuile, smerige rioolrat (Moeder), een vertegenwoordiger van het gezag, om het
even welk gezag, een Eichmann in de dop (Eleanor), en ook dat Sabrina, die arme
meid, zo was gekweld door dat gedoe met Nigel die ze nooit zag en die haar die
vreselijke memmen had opgedrongen - daar moest Harry trouwens ook nog eens wat
aan doen - nou ja, het was toch logisch dat die een keer ontplofte en eerlijk
is eerlijk, die man deugde niet en die had een goed pak op zijn donder verdiend
maar nu zaten ze dus met het lijk. Dat wel ja. De verbijstering op Harry's
gezicht groeide. Toen hij er een woord tussen kon krijgen, zei hij: "Dus
jullie hebben een beveiligingsfunctionaris vermoord? In deze toestand? Zomaar
doodgeslagen?" Hij maakte een armgebaar alsof hij iets wilde laten zien.
"Gisteren zijn er hier honderden, misschien wel duizenden mensen opgepakt.
Al die mensen buiten wachten op bericht van familie, vrienden, geliefden. Het
is een nachtmerrie. Ik zou niet geloven dat het waar was als iemand het me
vertelde. Maar het is waar. Al die mensen, en niemand zegt waar ze zijn, of ze
nog terugkomen." Hij verzonk in gepeins. Hoewel het hem aan te zien was,
dat hij zich zorgen maakte, zag hij er gelukkiger uit dan een paar dagen
geleden. De grauwe wanhoop was verdwenen. Bertrand? Of misschien vanwege de
solidariteit die er nu ongetwijfeld moest heersen onder het
ziekenhuispersoneel. De belegering was tenslotte nogal indringend aanwezig.
"En nu vragen jullie mij dat lijk te fileren? Ja, gemakkelijk zat, natuurlijk,
maar het maakt mij wel medeplichtig. Ik weet niet hoe het komt, maar ik krijg
steeds meer het gevoel dat ik ergens word ingezogen waar ik niet wil zijn. Ik
ben arts: ik red levens, ik vernietig ze niet. " "Er valt niks te
vernietigen, jongen, want dat hebben wij al gedaan. En hou nou eens op met die
clichés, die hebben we nu wel genoeg gehoord." zei moeder. "Je hoeft
je niet schuldig te voelen, en als die rat medeplichtig is aan wat ze hier
gisteren hebben gedaan, en misschien nog doen, dan mag je trots zijn op je
Moeder, want dan is het een verzetsdaad." "Ja, ja, een
verzetsdaad," schamperde Harry. "Mooie verzetsdaad! Maar goed, ik zal
jullie helpen. Het is in niemands belang dat jullie worden opgepakt, tenslotte.
En al ben ik het niet helemaal met de oplossing eens, ik denk niet dat de
wereld een groot verlies lijdt door de dood van die man." "Ik wist wel dat je het
zou doen," zei Moeder en zoende haar zoon op de wang. Eleanor en Moeder wrongen
zich door de menigte wachtenden naar buiten. Vorige week leefde ik nog in een
sleur, dacht Eleanor, en werd ik wanhopig van het idee dat er nooit iets zou
veranderen, dat ik leefde in een landje waarin alles wordt gespeeld maar nooit
iets echt beleefd. En moet je nu zien: Argentinië onder de Junta, daar gaat het
nog op lijken. Een sleur is het beslist niet meer, maar ik weet niet of ik deze
wending wel helemaal bedoelde. De stemming in het huis in
Soestduinen was gespannen: allemaal wachtten ze de komst van Harry af, die hen
van het lijk zou bevrijden. Dat lag daar op de grond, want geen van de vrouwen
durfde het weg te slepen. Ze waren bang dat ze dan teveel sporen zouden
achterlaten. De plas bloed die er nu omheen lag, was nog gemakkelijk op te
ruimen. Hoe zou dat zijn als de hele kamer was besmeurd met bloed. Eindelijk kwam Harry thuis.
Voor zijn doen erg vroeg, het was pas drie uur, maar als je wacht, duurt elke
minuut lang. De wacht voor de deur was gewisseld. Nu stonden er twee vrouwen
met mountainbikes, wat natuurlijk een stuk ongunstiger was: die zouden veel
sneller door hebben dat er wat aan de hand was. Ze moesten uiterste
voorzichtigheid betrachten. Harry had een grote
dokterstas bij zich en de agentes hadden niet gevraagd om de inhoud te tonen.
Veel wijzer zou ze dat trouwens niet gemaakt hebben, want wat is er gewoner dan
een arts met een dokterstas. Toen hij het lijk zag, bracht hij uit:"Jezus
Christus! Jullie hebben huisgehouden, zeg! Ik hoop maar dat hij echt de creep
was die jullie van hem hebben gemaakt in je verhaal vanochtend, en dat hij dit
heeft verdiend, anders heb ik medelijden met de arme man." "Kind, de arme man is
dood en lijdt niet meer, dus wat zeur je nou. Aan stukken ermee, weg met die
rotzooi, en klaar ermee. Ik krijg het op mijn zenuwen met die meiden voor de
deur. Straks komen ze nog kijken. Op televisie was net dat de politie zonder
aankondiging en zonder huiszoekingsbevel bij iedereen moet worden binnengelaten
en dat ze overal mogen kijken. Die baas van Eleanor zei dat, de minister dan,
niet die Frederik natuurlijk. En die baas had het weer van zijn collegaatje, de
minister van Justitie, dus vooruit met de geit!" Harry pakte zijn tas uit.
Diverse messen en zagen in allerlei maten kwamen tevoorschijn. Hij stalde ze
zorgvuldig uit en vroeg Sabrina hem te assisteren. "Gut, wat leuk!"
zei Sabrina verheugd. "Ik heb altijd al verpleegster willen worden maar
vroeger mocht het niet van mijn ouders en nu mag het niet van Nigel. Zeg het
maar, dokter, zal ik uw voorhoofd even betten?" Ze nam een zakdoek uit het
pakje op tafel en wilde meteen beginnen. "Gewoon doen wat ik zeg,"
zei Harry kortaf. Zorgvuldig begon hij te
snijden en allerlei ledematen te verwijderen. Wat eraf was, gaf hij aan Sabrina
met de opdracht de onderdelen op een daartoe uitgespreide deken te leggen. Na
een tijdje was het echt nodig dat Sabrina zijn voorhoofd bette, want het was
zwaar werk, vooral om door de botten te komen. Na drie uur lag er een
verzameling vlees, weefsel en botten op de deken waarin de
beveiligingsfunctionaris niet meer was te herkennen. Al die tijd hadden de
overige drie vrouwen ademloos toegekeken. Het is gewoon kunst, dacht Eleanor.
Een soort omgekeerde geboorte. Dushes to dushes. "Nu moeten de overblijfselen nog weg," zei Harry. "Dat is
lastiger. Het lijkt me het beste als ik ze bij stukjes en beetjes mee naar het
ziekenhuis neem. Daar kan het wel in de afvalcontainer voor het
crematorium." "Kunnen we geen busje
huren?" vroeg Moeder. "Hoe eerder we eraf zijn hoe beter het
is." "Dat is verdacht!"
zei Eleanor. "We kunnen toch niet op klaarlichte dag met de resten van een
beveiligingsfunctionaris naar het ziekenhuis rijden waar alles en iedereen
wordt verdacht?" "Dat kan wel!" zei
Moeder. "Want toevallig waren we van plan vandaag mijn spulletjes te halen
bij het verpleeghuis, weet je nog wel? En toevallig moeten we dan ook even
langs het ziekenhuis, om mijn postoel af te halen die ik daar heb
besteld!" "Moeder, u bent
geniaal! Ik ben trots op u," zei Harry. "Ik ga meteen een busje
halen." Nog geen uur later kwam
Harry met een busje voorrijden. De agentes sommeerden hem de deuren te openen.
Ze gingen naar binnen en onderwierpen het busje aan een grondige inspectie. Er
zal helemaal niets in en teleurgesteld posteerden ze zich weer bij de deur. Het
viel niet mee, al dat wachthouden terwijl er niets gebeurde. Eleanor nam Moeder bij de
arm, terwijl ze in haar andere hand een grote tas droeg. Els en Sabrina hadden
flinke gereedschapskisten bij zich. Gek genoeg hadden de agentes nu niet de
aanvechting om een inspectie uit te voeren en dat was jammer voor ze, want in
de diverse tassen en kisten zat een flink deel van de resten van de
beveiligingsfunctionaris. De helft, om precies te zijn. De rest zouden ze later
komen ophalen. Ze hadden de deken dichtgevouwen en bij de wasmachine gelegd.
Daar zou niemand van opkijken, maar integendeel maken dat hij wegkwam. De lucht
die er af kwam, wees namelijk op een ongelukje in de nacht, ofwel: Moeder had
het weer eens verdomd om naar de wc te gaan. In het verpleeghuis was het
rustig alsof niet heel Nederland op zijn kop stond sinds de aanhouding van Rob
Buitelaar. Mensen zaten in de recreatie-ruimte de suffen, verpleegkundigen en
verzorgenden liepen af en aan met drankjes en eten en hier en daar was een
familielid op bezoek, die zijn vader of moeder probeerde te voeren. "Dag jongens,"
groette Moeder hartelijk. "Hebben jullie me gemist?" Een paar mensen
keken op. Het was niet duidelijk of ze Moeder herkenden. "Nou," mopperde
Moeder. "Je zou niet denken dat ik hier jaren heb gewoond als je die
reacties ziet. Moet je dat nou toch zien, ze gaan gewoon door met waar de mee
bezig zijn. Ik kwam hier toch zeker eens in de week, hoor!" Ze liepen door naar de
vleugel waar Moeders appartement was. Als niet-zorgbehoeftige woonde ze ver van
de gangen met kleine kamertjes voor vier personen. Als ze afgleed naar een
staat van kindse hulpeloosheid kon ze altijd doorschuiven. Het appartement had
drie kamers en uitzicht op het kanaal. Een armetierig kanaaltje was het, waar
geen boot doorheen kon behalve misschien een rubberbootje voor kinderen, maar dan
was het nog een kwestie van handig navigeren om de oevers niet te raken. Toch,
het uitzicht op water was een ongekende luxe in deze betonnen kolos, waar de
achterdeur van waaruit de bewoners het pand uiteindelijk verlieten in gestrekte
vorm achter grote vuilniscontainers was verborgen. Natuurlijk gaf dit
appartement geen uitzicht op die deur. Als je voor het raam stond in de
recreatiezaal kon je het wel zien. "Nou," zei Els.
"Het lijkt me het beste als we dat dressoir meenemen, daar kunnen we de
beveiligingsfunctionaris in vervoeren." Ze sleepten het dressoir
naar de lift, waarin ze ondertussen de gedeelten van de
beveiligingsfunctionaris hadden gelegd. De lift stopte. Een oude man, die door
zijn volle grijze haar toch iets jeugdigs had, of lag dat misschien aan zijn
oorbellen, wie zal het zeggen, stapte uit. "Mien! Waar ben je
geweest! Weer op stap naar het casino zeker!" riep hij verheugd uit. "Jos, hou je mond. Je
hoeft niet meteen mijn hele privé op straat te gooien! Mag ik je trouwens
voorstellen aan mijn zoon en zijn vrouw? Ik ga bij hem intrekken. De twee dames
wonen ook bij ons." Jos reikte hen de hand, wat
lastig was want nu moesten ze het dressoir neerzetten en dat hadden ze net met
veel moeite opgetild. "Wat leuk u te
ontmoeten," zei Jos. "Ik dolde wat met uw moeder toen ze hier nog
woonde. Gewoon vriendschappelijk dollen, hoor. Niets wat niet hoort of wat ik
niet aan mijn moeder zou durven vertellen. Wat fijn voor Mien dat ze bij u kan
wonen. Dit is soms best een deprimerende omgeving. Trouwens, Mien, ik ben net
bij de achterdeur geweest en er zijn er weer twee weg." "Wie?" vroeg
Moeder. "Schuitema en Van
Borstelen." "Nu ja, dat is
misschien maar goed ook. Daar was niet veel meer van over. Toch triest, je komt
de hoofdingang binnen, en je gaat de achterdeur weer uit, en in de tussentijd
is er helemaal niets gebeurd. Nou ja, ik heb dan het geluk dat ik de
hoofdingang kan verlaten." Jos liet het hoofd hangen.
"Tja, dat zou ik ook zo graag willen, bij mijn kinderen wonen, maar ja, ik
heb geen kinderen." "Als je je wel had, moest je ook maar afwachten
of ze bij je in wilden trekken. Er heeft zich wel het een en ander afgespeeld
voor het bij mij zo ver was. Daar vertel ik je nog wel over, als ik je eens op
kom zoeken, of jij mij." "Of laat hem meteen bij
ons intrekken," zei Eleanor. Alles was nu toch al zo gek dat het niet
gekker kon. Ze mocht de man wel. En hij zou prettig gezelschap zijn voor
Moeder. "Meen je dat?"
vroeg Moeder. Ze bloosde van plezier. "Wat zou ik dat fijn vinden, Jos is
de enige die ik zou missen als ik hier wegga." Harry opende zijn mond om te
protesteren maar bedacht zich. In plaats daarvan zei hij: "Als we zo
doorgaan, kan ik nu ook wel stellen dat Bertrand bij ons in komt wonen. Ik vind
het maar niks dat hij zo ver weg is en dat gedoe in hotels zijn we zat. Ik wil
hem een normale, stabiele huiselijke omgeving bieden." "Ach ja, waarom
niet," zei Eleanor. Ze was niet in de positie om Harry dit te weigeren,
maar dat wilde ze ook niet. Hoe meer zielen hoe meer vreugd. Ze had nooit
gedacht dat ze dit zou denken. Het was eerder zo geweest dat ze niemand om zich
heen wilde. Alle mensen deden een beroep op haar zorgzaamheid en haar aandacht
en die had ze niet. Of wilde ze niet hebben, wat op hetzelfde neerkwam. "Kan ik dan meteen
meeverhuizen?" vroeg Jos. "Ik heb vanmiddag toevallig toch niets te
doen." "Dat kan misschien
moeilijk in het busje," zei Sabrina. "Dat is al vol, bijna." Ze
knipoogde opvallend naar Eleanor, alsof die zich niet realiseerde dat er een
homp vlees in het dressoir zat waarvan Jos nog maar niet op de hoogte moest
worden gebracht. Binnen de kortste keren zou hij volledig op de hoogte zijn van
alle gebeurtenissen rondom de bewoners van de Soestduinse villa, maar nu was
dat nog te vroeg. "We komen je straks
halen," zei Eleanor. "Eerst even de spullen van Moeder
verhuizen." "Ik ga vast
pakken!" Jos liep zijn kamer in. Bij de hoofdingang kwamen ze
een van de hoofdzusters tegen. "Ik heb gehoord dat u gaat verhuizen,
mevrouw," zei ze tegen Moeder. "Wat heerlijk voor u dat u bij de
kinderen gaat wonen. Vergeet niet dat u altijd op ons terug kunt vallen in
geval van vragen en nood. Daar zijn we voor." "Je bent een lieve
meid, maar toch zie ik je liever niet dan wel," zei Moeder. Het gezicht
van de vrouw verstrakte. Toch wist ze na luttele seconden een glimlach te
forceren. "Hahaha, ja, mevrouw heeft altijd haar woordje klaar. We zullen
u missen op de bingo-avond en het zal altijd wel een geheim blijven hoe u er
toch altijd weer in slaagde om met de eerste prijs naar huis te gaan." "Dat zal het
zeker," zei Moeder. "Vooruit, jongens, we hebben niet de hele dag de
tijd. En we moeten Jos straks nog halen." Bij het ziekenhuis was het
rustiger geworden. Over vrijlating van de gearresteerden was met geen woord
gerept, maar over de arrestaties ook niet. Misschien waren ze toch vrijgelaten
en deed iedereen vervolgens of er nooit zoiets was gebeurd. In de hal waren nog
wel enkele wachtenden, maar geen drommen meer. Alsof het hun dagelijks werk
was, sleepten ze de tassen naar de containerruimte bij Chirurgie waar
geamputeerde ledematen werden verzameld. Er was een klein crematorium bij, waar
het afval dagelijks werd verbrand. Ze stopten de resten diep weg in de grote,
blauwe zakken. "Aan het eind van de
middag gaan ze cremeren," zei Harry. "Dan kraait er geen haan meer
naar." Ze spoedden zich naar huis
om de rest op te halen. Het dressoir sleepten ze alvast naar binnen. Dat zou
het verhaal van de verhuizing geloofwaardiger maken en misschien voorkomen dat
de agentes nog een speurtocht zouden houden. In de wasruimte stond Aart
over de deken gebogen. Dat was een zware tegenvaller. Niemand verwachtte hem
thuis op dit uur. "Wat is dit in godsnaam
voor smeerboel!" zei hij. "Heeft oma weer in het rond liggen
schijten?" "Let wel op je taal,
jongeman!" zei Moeder. "Jij wordt ook nog eens zo oud, eens kijken
wat je dan allemaal mankeert!" Eleanor bekwam van haar
schrik. Ze was er niet zeker van dat Aart niet onmiddellijk naar de politie zou
lopen als hij ontdekte wat er in de deken zat. Nu pas viel haar op dat hij er
vreemd uitzag. Helemaal duiden kon ze het niet. Hij droeg een kostuum, maar dat
droeg hij altijd. Alleen in het weekend wilde hij wel eens een spijkerbroek
aantrekken. Er was iets met het kostuum. Het was blauw, donkerblauw, en het zat
als gegoten. Het was zonder twijfel een maatkostuum, maar zelfs dat was niet
vreemd. Ineens wist ze het: het kostuum had de uitstraling van een uniform. "Opruimen, die
rommel!" beval Aart. "Pardon?" Het werd
Eleanor koud om het hart. Zijn toon was koud, buitenmenselijk bijna. "Je hebt me gehoord,
opruimen! Ik ben aangewezen als gezinshoofd, dat hadden jullie toch kunnen
weten. En ik heb de taak orde op zaken te stellen, en wel zo snel
mogelijk" "Wie heeft je dan
ingesteld?" vroeg Moeder. "Dat zou me wat moois zijn, als mensen
zomaar werden ingesteld terwijl verder niemand er wat vanaf weet. En ik heb je
nog uit de moederschoot zien kruipen, hoe kan jij dan gezinshoofd zijn? Het is
trouwens sowieso een slecht idee om mannen als gezinshoofd aan te stellen want
die maken overal een puinhoop van. Maar dat is natuurlijk weer een ander
verhaal. De loodgieter dacht ook altijd dat hij het voor het zeggen had, nou,
wie het laatst lacht, lacht het best, zullen we maar zeggen over hem." "Kijken jullie dan geen
nieuws? Dat is verplicht gesteld, iedereen moet naar het nieuws luisteren om de
laatste decreten te horen." "Nou wordt-ie nog
mooier. Een mens mag toch zeker zelf wel weten of hij naar het nieuws kijkt of
niet? Het moet niet veel gekker worden," zei Moeder. Aart zuchtte en begon te
vertellen. Die morgen had de regering bepaalt dat voor elk gezin een
gezinshoofd zou worden aangewezen. Dat hoefde niet persé het al fungerende
gezinshoofd te zijn. Het plaatselijke politiebureau zou in de loop van de dag
iemand aanwijzen die dan direct in functie zou treden. Het was een enorme
logistieke operatie en de regering vroeg om begrip en medewerking. Het
gezinshoofd zou rapporteren over alles wat in het gezin voorviel. Hij moest ook
orde op zaken stellen zodra er iets vreemds aan de hand was. De regering zou
heel spoedig duidelijke criteria opstellen voor wat als normaal gezinsleven
werd beschouwd. De maatregelen konden worden opgevat als inbreuk op de privacy,
maar dat moest men toch anders zien. Ze waren nodig om de bevolking te beschermen
tegen het terrorisme, dat enorme vormen aannam. De regering nam maatregelen
waarover geen mededelingen konden worden gedaan. Iedereen werd opgeroepen alle
medewerking aan de autoriteiten te verlenen. En iedereen was verplicht om
tussen 10.00 uur en 11.00 uur 's morgens naar de televisie te kijken om kennis
te nemen van de laatste instructies. "Mijn eerste taak is om
al die plotselinge inwoners hier te verwijderen," zei Aart. "Oma mag
blijven, maar de rest moet weg. Het overzicht is volledig zoek." Merkwaardig
hoe de pruilende jongen van die ochtend zich in een dag tijd zo'n houding van
autoriteit had aangemeten. "We gaan eerst door met
oma verhuizen," besloot Els. "En dan zullen we nog wel eens zien of
we vertrekken." "Huh?" deed Eleanor. Els
knipoogde heimelijk. "Zullen we die rotzooi," ze wees op de deken,
"dan maar meteen in de grote wasruimte van het verpleeghuis wassen?"
Iedereen kon daarmee instemmen en met vereende kracht sleepten ze de deken met
ongeveer de helft van de overblijfselen van de beveiligingsfunctionaris het
busje in. De agentes sloegen hen nauwlettend gade, maar ze grepen niet in. Aart
kwam naar buiten. "Ik ga nu een week in training," zei hij. "En
als ik terugkom, verwacht ik dat alles is opgelost. Ik wijs Pa aan als vice-gezinshoofd
en ik verwacht van julllie dat jullie allemaal naar hem luisteren. Het moet
anders worden dan het de afgelopen week is geweest, dat iedereen maar wat doet
en zijn plichten verzaakt. Ook anders dan de afgelopen jaren, want ma heeft
weinig respect getoond voor Pa, die in feite het natuurlijke gezinshoofd
was." "Het is goed hoor,
jongen," zei Eleanor. "Ik eis dat iedereen
hardop belooft zich te houden aan de voorschriften!" zei Aart. Hij werd
verder genegeerd en even zag Eleanor een klein jongetje op de stoep staan, dat
in huilen uit wilde barsten omdat hij niet mee mocht spelen. Maar degene die
zich omdraaide, was een man die onderdeel was van een groter geheel, dat hen
meer en meer leek te verstikken. Waar was het einde, hoe kon de ramp die zich
over dit land voltrok nog gestopt worden. Het dumpen van de laatste
helft van de beveiligingsambtenaar verliep vlot en zonder problemen. De
hoofdzuster had hen vriendelijk toegeknikt toen ze binnen kwamen, ze hadden het
stereomeubel meegenomen en alvast wat tassen van Jos, die daar op aandrong. Ze
beloofden hem later te komen halen, voordat de avondklok inging. Ook in het ziekenhuis verliep alles naar
wens. De crematoriummedewerker was al bezig met het cremeren van de resten van die
dag en wat zij kwamen brengen, kon er nog wel bij. Het was een pak van hun
hart, want hoe rechtvaardig ook, een moord bezwaart het menselijk hart.
Tenminste, in eerste instantie. Het wordt gemakkelijker naarmate je het vaker
doet, maar geen van de vrouwen, en zeker Harry niet, was van zins om nog eens
iemand dood te slaan, hoe verleidelijk het ook mocht blijken in de toekomst.
Het was een stressdag geweest, die ze niet graag nog eens over zouden doen. Ze gingen naar de
afhaalchinees. Thuis zaten ze stil uit de plastic bakjes te eten. Ieder met
haar eigen gedachten, dacht Eleanor. De toestand ging haar meer en meer
bedrukken. Ze wilde de rustige middagen in laat licht, waarbij iedereen zich
loom koesterde in de warmte van de centrale verwarming. Ze wilde vrijen met
Els, en niet bang zijn voor de volgende ramp die zich zou voltrekken. Ze wilde
de kop van de minister niet op televisie en ze wilde niet verplicht worden om
de televisie aan te zetten. De telefoon ging. Frederik. "Dag Eleanor, hoe gaat
het met je?" vroeg hij. "Goed, Frederik, goed.
Waar bel je voor?" "Ik sprak zojuist met
Hans. Morgen is er een rechtszaak tegen Rob Buitelaar. En jij moet
getuigen." "Morgen al? En dat
vertellen ze nu pas?" "De regering wil het
snel doen om te voorkomen dat bepaalde elementen worden aangetrokken die de boel
gaan verstoren." "Maar ik heb niets
voorbereid. Ik ben niet eens benaderd door de officier van justitie!" "Dat is ook helemaal
niet nodig. Vertel wat je de AIVD hebt verteld, en hij wordt veroordeeld. Dit
zeg ik je in vertrouwen." "Mijn lijn wordt afgeluisterd,
zoals je ongetwijfeld weet. Hoe kan je zeggen dat hij veroordeeld wordt voordat
de rechtszaak is geweest?" "Dat heeft Hans mij
verteld. Alles wat nodig is, is dat jij herhaalt wat je aan de AIVD hebt
verteld." "Ik heb er eigenlijk
niet zo'n zin in. Die hele zaak komt me de strot uit. Ik denk dat ik het maar
niet doe." "Je moet. Je hebt geen
keuze. Je moet en als je niet komt opdagen word je gearresteerd. En je familie
ook, want die wordt dan beschouwd als medeplichtig. Jullie zullen allemaal
worden veroordeeld wegens obstructie van de rechtsgang." "Nou, als de zaken zo
liggen, dan zal ik wel moeten," zei Eleanor. "Jij bent er zeker ook
bij?" "Ja, ik moet ook
getuigen." "Getuigen? Maar je hebt
niets gezien of gehoord?" "Achteraf kan een mens
ook wel eens tot bepaalde inzichten komen, Eleanor. Jannie heeft tijdens het
breien bedacht dat haar toch ook bepaalde dingen zijn opgevallen aan Rob
Buitelaar. Ze breidt nu aan een grote zware lap om neer te leggen op het Pim
Fortuijnplein bij de stille tocht." "Stille tocht? Die was
toch al geweest?" "Er komt er nog een.
Een stille tocht tegen het dreigende terrorisme. De regering heeft mensen
opgeroepen die er bij aanwezig moeten zijn en Jannie is aangewezen. Als enige
van het instituut overigens." "Mijn God, ze zijn daar
echt helemaal gek geworden." "Dat zou ik maar niet
te vaak herhalen, Eleanor. Er zijn veel oren die open staan dezer dagen." "Ik zal er zijn,
morgen." Eleanor hing op. Ze had nog maar weinig tijd om haar houding te
bepalen. Ze moest een keuze maken, waarvan heel veel kon afhangen. Ze zuchtte.
Het lag nu in haar macht om alles te verpesten. Of om ervoor te zorgen dat
alles weer normaal werd, dat de agenten van straat verdwenen, dat de wetten
weer werden gerespecteerd, dat ministers nog maar eens per week op televisie
waren, dat er geen beveiligingsfunctionarissen hoefden te worden vermoord en in
stukken gesneden. Bij het gerechtsgebouw was
het druk. Honderden ME-ers hadden zich opgesteld rondom het plein. Op het plein
stonden cameramannen verslaggevers uit allerlei landen te filmen. Eleanor moest
zich legitimeren om het gerechtsgebouw binnen te komen en hetzelfde gold voor
Moeder, Harry, Els en Sabrina. Ze had geen moment getwijfeld aan het idee ze
mee te nemen: dit was een dag voor de hele gemeenschap, allereerst haar kleine
gemeenschap van het Soestduinse huis en waarschijnlijk voor heel Nederland. Op
televisie had de minister die ochtend gezegd dat vandaag het recht zou
zegevieren. Dat het recht de komende tijd voortdurend zou zegevieren. De overheid
was op dit moment druk met het verhoren van mensen met terroristische gedachten
en deze actie zou Nederland veel veiliger maken. De regering had een inhaalslag
gemaakt en de laatste dagen acties laten uitvoeren door leger en politie. Een
aanval met chemische wapens was op het nippertje verijdeld, in Utrecht was
iemand aangetroffen met een schets op zak waarmee hij in staat zou zijn geweest
atoomwapens te maken (het was natuurlijk een fluitje van een cent om aan
uranium te komen met al die criminele elementen in het land die overal een
slaatje uitsloegen, daar zou ook spoedig wat aan worden gedaan), en op straat
liep iedereen maar wat rond zonder geldig identiteitsbewijs wat kon wijzen op
de intentie de identiteit te verbergen en daarom werd ook daar hard tegenop
getreden. Eleanor werd naar de
getuigenbank geleid waar ook Frederik en Jannie zaten. Jannie breide driftig
aan haar zwarte doek en knikte Eleanor toe. "Voor de stille
tocht," zei ze zachtjes en hield de lap omhoog. Het zou een mooie
omslagdoek zijn. Misschien was hij van wol, lekker warm om koele zomeravonden
buiten en op barse winteravonden binnen. "Ik vind het allemaal zo
vreselijk," fluisterde Jannie. "Al die tijd speelde het kwaad zich
onder mijn ogen af en ik heb het niet gemerkt. Achteraf pas gingen de stukjes
in elkaar passen. Dat beveiligingsrapport bevat alle aanwijzingen en we zagen
het maar niet. Hoe kan dat toch." Ze schudde langzaam haar hoofd en
richtte haar blik op de tafel waarachter de rechters straks zouden plaatsnemen.
Het beveiligingsrapport? Eleanor ging in gedachten de inhoud nog eens na. Het
sprak voor zichzelf dat ze nooit de moeite had genomen het hele rapport te
lezen, maar wat ze eruit had kunnen opmaken, kon nauwelijks aanleiding zijn
voor verdenkingen. Het stond bol van warrige taal, die geen ander doel had dan
bladvulling. De grafiekjes waren allemaal gejat uit andere bronnen en waren
evenmin erg veelzeggend. Kortom, het was rotzooi. Rotzooi waarmee Rob Buitelaar
tot voor kort ruim in zijn onderhoud had kunnen voorzien en die hem nu de nek
om zou doen. Hoewel, als ze erover nadacht, moest ze tot de conclusie komen dat
het weinig uitmaakte wat er wel of niet in het rapport stond. Het zou toch wel
tegen hem gebruikt worden. Twee grote kerels verschenen
met een kooi-constructie in hun midden. Ze zetten die in de open ruimte voor de
rechterstafel en monteerden hem vast aan de vloer. Ze vertrokken en even later
werd Rob Buitelaar binnengebracht door zes bewakers. Zijn armen waren met forse
kettingen achter zijn rug gebonden. De kooi werd geopend door een van de
bewakers en Rob Buitelaar werd naar binnen geduwd. De kettingen werden niet
losgemaakt. Hij droeg een grijs kostuum. Eleanor vond dat het in de gegeven
situatie passender geweest zou zijn als hij een gevangenispak had gedragen, een
vale jute zak met broekspijpen en mouwen. In die paar dagen was hij vermagerd.
Van zijn spiermassa, die hij zo zorgvuldig had opgekweekt op de sportschool,
was niet veel meer over. Om zijn hoofd droeg hij een bloederig verband. In de
kooi stond een bankje waarop hij plaats nam. Zijn hoofd was voortdurend
gebogen, alsof hij zich schaamde en de wereld van zich af wilde laten glijden.
Eleanor kreeg medelijden met hem en dat was een gevoel waarvan ze nooit had
gedacht dat ze dat voor hem zou krijgen. De rechters kwamen binnen.
Het waren er vijf en de president van de rechtbank ging in het midden zitten.
De bef op haar toga hing wat scheef, en de toga zelf was gekreukeld, alsof ze
erin had geslapen. En misschien was dat ook wel zo, want voor deze zaak hadden
ze vast lang moeten overleggen. De president nam een fles sherry uit haar tas
en zette die voor zich. "Zo, die zal ik nodig
hebben," zei ze. "Laat de minister maar binnen, en zijn collegaatjes
ook maar meteen, dan kunnen we beginnen. En doe die man zijn boeien af!" "Maar president! Die
man is gevaarlijk! Ik moet u dit afraden, want de gevolgen kunnen vreselijk
zijn," zei een van de bewakers. "Ik ben hier de
rechter! Dus ik bepaal of die man gevaarlijk is of niet. Af, die boeien!"
De bewaker gehoorzaamde haar en sloot na zijn verrichting snel de kooi alsof
Rob Buitelaar hem midden in de rechtszaal zou aanvallen. De deuren aan de andere kant
van de zaal gingen open. Er verschenen mannen in blauwe pakken met
oortelefoontjes in. Ze droegen automatische wapens. In hun midden liepen de
ministers en ook de minister-president. Ze namen plaats op pluchen stoelen, die
speciaal voor hen waren neergezet. De president van de
rechtbank nam een slok sherry uit de fles en veegde haar mond met de bovenkant
van haar linkerhand. "Zo, we beginnen maar.
Officier, roep de eerste getuige maar op." Eleanor stond op want ze ging
er vanuit dat zij de eerste zou zijn, maar Frederiks naam werd afgeroepen. Hij
nam plaats in het getuigenbankje. "Brandt maar los,"
maande de president de officier van justitie. "Meneer Corst Wegener,
u heeft geconstateerd dat er bepaalde elementen in het rapport van de verdachte
waren, die aanleiding gaven tot zorgen. Kunt u vertellen welke dat waren?" Frederik draaide in zijn
stoel en vouwde zijn handen bedachtzaam onder zijn kin. "Het was zo
subtiel," zei hij. "Er is moeilijk de vinger op te leggen." "Daar bent u voor, om
de vinger op de zaak te leggen," zei de president, terwijl ze nog een slok
nam. "Wat doet u hier als u dat niet kunt." "Natuurlijk kan ik dat
wel!" riep Frederik verbolgen. "Ik wil er alleen op letten dat ik het
zorgvuldig formuleer. Het was de toonzetting. Alles leek op het eerste gezicht
normaal in het rapport. Er was een inleiding, er waren aanbevelingen en
conclusies en er zaten tabellen en grafieken in, maar bepaalde zaken wezen op
een andere bedoeling!" "Kunt u aangeven welke
zaken dat waren?" vroeg de officier van justitie die enigszins schichtig
in de richting van de president keek. "Ik mag het hopen, dat
hij dat kan," mompelde de president zo hard dat iedereen het kon horen. Ze
ondersteunde haar hoofd met haar hand en bekeek de getuige. "Zoals dat cijfer over
de criminaliteit. Als je het druk hebt, en zo'n rapport vluchtig doorleest,
valt het je niet zo op, maar het is duidelijk dat de stijging veel te laag was
weergegeven, veel te laag." "Nou, vooralsnog ben ik
nog niet overtuigd, moet ik zeggen," zei de president. Ze werd aangestoten
door haar collega die aan haar rechterzijde zat. "Blijf van me af!"
bitste ze. "Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg, dat was het motto
toch voor deze tijd." Tegen Frederik: "Kom op man, vooruit met de
geit. Geef ons nou eens iets hards waaruit overduidelijk blijkt dat deze man
een terroristische aanslag aan het voorbereiden was. Een terroristische aanslag
op één persoon, namelijk de minister. Als daar sprake van was, dan was het toch
voornemen tot moord, zou ik zeggen, maar goed, wie ben ik. Gaat u verder." "Zijn kleding. Die
beschouwde ik als een uiting van excentriciteit, maar later ging ik beseffen
dat die felle kleuren een soort code vormden. Daarmee kon hij immers gezien
worden vanaf de overkant en met allerlei lichaamsbewegingen kon hij zo seinen.
Zijn lichaamsbewegingen waren vreemd: al die armgebaren. Ik dacht altijd dat
die bedoeld waren om zijn betoog te ondersteunen, maar die waren een soort
enigma." "Dus iedereen in een
felgekleurde broek is verdacht, moet ik dat uit uw betoog opmaken?" zei de
president. "Niet bij voorbaat,
natuurlijk niet. Maar alle factoren bij elkaar, ja, die wijzen toch in een
bepaalde richting." "Mag ik daar wat over
opmerken?" riep de minister. "Nee, dat mag u
niet," antwoordde de president. "We hebben hier nog altijd scheiding
der machten al zal het niet lang meer duren voordat die worden opgeheven, maar
voor het zover is, tolereer ik niet dat de wetgevende macht er zich tegenaan
komt bemoeien." "Maar ik ben wel een
slachtoffer!" ging de minister verder. "Er is veel te weinig oog voor
slachtoffers. Ik ben weliswaar minister maar in de eerste plaats vooral mens. En
ik heb ook emoties!" "Die bewaart u maar
voor thuis. Hier kunnen we ze niet hebben," sprak de president. "Ik
ben een getuige aan het horen, en tot zover zijn zijn getuigenissen niet erg
indrukwekkend. Nou, ga verder. Wanneer merkte u het voor het eerst?" "En ik ben hier de
officier van justitie!" sprak de officier verontwaardigd. "Ik hoor
die vraag te stellen." "Vooruit dan, vraag hem
wanneer hij het voor het eerst merkte." De officier maakte een
handgebaar ten teken dat Frederik moest antwoorden. "Vlak na de arrestatie
van Rob Buitelaar. Toen vielen de puzzelstukjes in elkaar. De schellen vielen
van mijn ogen, om het zo maar eens uit te drukken." "Mag ik hier toch even
op inbreken," zei de minister, terwijl hij naar voren stapte. "De
heer Corst Wegener kan niet worden verweten dat hij een en ander te laat
opmerkte, want hij werd daarop te laat gewezen door zijn ex-medewerker, mevrouw
Eleanor Buitenhorst, die hier ook aanwezig is. Zij is schromelijk in gebreke
gebleven." "In gebreke bij wat? Om
door te geven dat er helemaal niets aan de hand was?" "U trekt voorbarige
conclusies!" zei de officier van justitie. "De rechtbank heeft nog
niet eens alle getuigen gehoord!" "Nou, als ze allemaal
van het kaliber zijn als deze meneer hier, dan weet ik de uitkomst wel,"
smaalde de president. "Maar goed, wat je eenmaal bent begonnen, moet je
afmaken. Nou, meneer Corst Wegener, heeft u nog iets toe te voegen? Anders gaan
we verder." De president nam de fles aan haar mond en nam enkele flinke
slokken. Ze wenkte de griffier en wees op de fles. De griffier verliet de
rechtszaal. "Ik heb niets meer toe
te voegen," zei Frederik benepen. Hij werd terugverwezen naar zijn plaats. Daar fluisterde hij:
"Ik word gewoon niet serieus genomen. Ik ben benieuwd welke maatregel de
minister gaat nemen tegen dit soort rechtsspraak, want dit kan echt niet langer
door de beugel. Als we er niet met zijn allen voor waken, komt Rob Buitelaar
nog vrij!" Hij komt zeker vrij, dacht
Eleanor. En zolang ze maar nooit meer iets met hem te maken hoefde te hebben,
kon ze daarmee leven. Als ze het goed had begrepen, had de minister haar
zojuist ontslag gegeven, dus ze hoefde niet te vrezen dat ze ooit nog een
rapport van Rob Buitelaar moest doornemen. Die zou trouwens wel eieren voor
zijn geld kiezen. Ze kon zich niet voorstellen dat hij in dit land zou blijven
na alles wat hij had doorgemaakt de laatste week. De griffier kwam binnen met
een nieuwe fles sherry. De president opende die en nam een slok. "Eens kijken, waar zijn
we," zei ze terwijl ze in haar papieren bladerde. "Volgens het
scenario moet ik de volgende getuige horen, maar die vond ik zo oninspirerend,
dat ik bang ben dat ik in slaap val als ik nog eens zo'n verhaal moet aanhoren.
Daarom de verdachte zelf maar. Ja, die wil ik wel eens horen. Kom, bevrijd die
man uit die belachelijke kooi." "Maar president!"
riep de hoofdbewaker uit. "Dat kan toch zomaar niet? Deze man is
gevaarlijk. Het is al onverantwoord dat zijn boeien zijn verwijderd, en dan nu
ook nog de kooi uit!" "Nou, hij zal vast geen
zelfmoordaanslag plegen midden in de rechtszaal. Tenzij hijzelf explosief is,
natuurlijk." De president lachte luid. "Vooruit, open met dat ding en
zet de heer Buitelaar op een fatsoenlijke stoel." "Ik protesteer hier met
kracht tegen," riep de minister-president. "Wil de wetgevende
macht nu even zwijgen, ja? U heeft het altijd over eigen verantwoordelijkheid
nemen, nu, die neem ik nu." "Ik kom hier op
terug," zei de minister-president. Hij verdween weer achter zijn
lijfwachten. Rob Buitelaar zat inmiddels
buiten de kooi. Hij had nog steeds het hoofd gebogen. De president keek hem
aan. Haar blik fonkelde. Met kracht zette ze de fles op tafel. "Zo, meneer Buitelaar,
nu wil ik uw kant van het verhaal wel eens horen. Eens kijken wat ik hier heb.
U bent de aanstichter van terroristische aanslagen. Jawel, hier staat het. In
meervoud! Tot nog toe heb ik begrepen dat het alleen om een voorgenomen aanslag
op de minister ging maar u ziet het: de aanklachten nemen met de minuut toe. De
aanslag op de minister is verijdeld omdat een medewerker van het instituut de
zaak heeft ontdekt en daarom de AIVD tijdig tot aanhouding kon overgaan. Nou,
nou, nou, het is me wat. Wat een geluk, zou je zeggen, dat alles net op tijd is
ontdekt want stel je voor dat die moord was doorgegaan. Dan hadden we hier toch
heel anders gezeten vandaag." De minister stapte naar
voren: "Maar ik ben wel getraumatiseerd hierdoor! Het is heel moeilijk om
mijn werk als minister te blijven doen onder deze omstandigheden. Deze
president maakt een lachertje van de zaak." "Kop dicht!"
schreeuwde de president. "Ik ben aan het woord, de regering is al genoeg
aan het woord geweest de laatste dagen, meer dan genoeg. "Goed,"
vervolgde ze op kalmere toon. "Meneer Buitelaar, hier staat dat u een moslimfundamentalist
bent, die in korte tijd ernstig is geradicaliseerd. Voorts maakt u deel uit van
een netwerk. Al Kaida, de Hofstadgroep, van welke precies daar is men niet
geheel uitgekomen. Vertel eens, is dat allemaal waar." Rob Buitelaar rechtte zijn
rug en ging staan. Plotseling was het geslagene uit zijn houding verdwenen en
had het plaats gemaakt voor strijdbaarheid. Geen wonder, zijn kop zat bij wijze
van spreken al in de strop. "Nee, edelachtbare,
daar is helemaal niets van waar. Tijdens een training van het instituut van
afgelopen weekend ben ik opgepakt, terwijl ik geen flauw idee had van de
beschuldiging. Ik werd in de boeien geslagen, in een arrestantenwagen geduwd
waar tien politie-agenten zaten, gewapend en wel, die mij aankeken alsof ik een
gevaarlijk beest was. Natuurlijk vroeg ik waarom ik was gearresteerd, maar ze
deden alsof ze me niet hoorden. Ze bekeken me alsof ik het laagste van het
laagste was, een drol, of nog erger. In ieder geval iets wat stonk, wat
vernietigd moest worden. Ik werd naar een politiebureau gebracht, naar een
verhoorkamer. Daar waren mannen in hemdsmouwen. Eentje had een bungelende
sigaret in zijn mond. De andere speelde met een elastiekje. Ze vroegen waar ik
de vorige dag was geweest. Ik haalde mijn schouders op, waarmee ik wilde zeggen
dat zo'n vraag futiel is. Wat ging het ze aan, waar ik de vorige dag was
geweest. Ik wilde het niet zeggen. Ik had toen nog het belachelijk gebleken
idee dat ik iets had van een privé-leven dat beschermd zou worden. Dat ik
rechten had. Maar al spoedig bleek dat die rechten er niet waren. Verdwenen
waren. Of misschien waren ze er nooit geweest. De man met het elastiekje,
Donkers heette hij, zo begreep ik later, gaf me een klap in het gezicht.
"Nu wil je misschien praten," zei hij. "Waar was je gisteren?"
Ik hou er niet van om geslagen te worden, zeker niet door zo'n proleet als die
Donkers, dus ik werd furieus. "Dat ga ik u niet aan de neus hangen!"
zei ik. "Want het gaat u helemaal niets aan. Het is belachelijk dat ik
hier ben, het is een schande, en als ik hier weg ben, zal ik alles op alles
zetten om u te laten veroordelen." Hij gaf me een harde stomp in de maag.
Ik klapte dubbel en die stomp benam me de adem. Die met de bungelende sigaret,
Kleunders, zei tegen Donkers: "Rustig aan, hij moet wel het hele verhaal
kunnen vertellen, als je hem tot moes slaat, hebben we niets meer aan
hem." En ik had nog steeds geen flauw idee waar ik van werd beschuldigd.
Je reinste Kafka was het, niets meer. "Okay," zei Donkers, "Dan
gooien we het over een andere boeg, dan gaan we wat directer te werk, de
details komen later wel." Hij keek me doordringend aan met zijn domme
oogjes, die zwommen in het traanvocht van teveel drank die zoals u weet mensen
overmatig sentimenteel maakt, en vroeg: "Wanneer kwam je op het idee om de
minister te vermoorden, vuile flikker!" Kleunders greep in: "Ho
ho," zei hij. "Dat laatste heeft er niets mee te maken."
"Maar het is een vuile flikker," protesteerde Donkers, "Dat zie
je zo. Moet je kijken, wat voor raar pakje hij aan heeft. Nou, vooruit, wanneer
kwam je op het idee." Ik was sprakeloos en dat ben ik niet vaak. De
minister vermoorden! Het idee alleen al. Waarom zou ik zoiets willen doen. Ik
ben heel vredelievend, ik ben totaal a-politiek, ik weet nauwelijks wie de
minister is. Ik werd voor mezelf, heb een adviesbureau en ik schrijf
beleidsrapporten en geef trainingen." "Bent u Moslim?"
vroeg de president. "Want dat was het hele idee achter de
beschuldiging." "Nee! Helemaal niet! Ik
ben atheïst!" "Dan is hij een
atheïstische fundamentalist!" riep de minister. "Dat kan namelijk
ook. We moeten het niet altijd bij de moslims zoeken. Terroristische dreiging
is er overal." "Zwijg! Als de
wetgevende macht nog een keer ongevraagd zijn mond opendoet, laat ik hem
verwijderen. En aanklagen wegens belediging van het hof." De minister deed
morrend een stap naar achteren. "Ga verder," zei
de president. "We zijn benieuwd naar de rest van uw verhaal." "Kleunders en Donkers
vroegen uren door. Tussen de regels door begreep ik dus dat ik werd verdacht
van terroristische activiteiten, in het bijzonder van het plannen van een moord
op de minister. Daar was ik al maanden mee bezig geweest, misschien zelfs al
jaren. Op slinkse wijze had ik me weten binnen te dringen bij het ministerie,
niemand had kunnen verhinderen dat ik ongestoord mijn gang kon gaan. De aanslag
zou zeer binnenkort plaatsvinden. Het was een groot geluk dat hij net was
verijdeld door de ontdekking, de aanwijzingen in het beveiligingsrapport door
een van de ambtenaren van het instituut. Ik bleef ontkennen. Natuurlijk bleef
ik ontkennen, want ik was onschuldig. Donkers en Kleunders bleven echter
doorhameren: wat had ik de vorige dag gedaan, wat was ik van plan na de
trainingssessie van vrijdagavond, hoe wist ik dat de minister de volgende dag
zou gaan golven in Wassenaar met de rest van het kabinet, wie waren mijn
handlangers, bij welke groep was ik betrokken, hoe was het zo gekomen dat ik
moslim was geworden. Zo ging het maar
door, uren en uren. Ik werd moe, murw door al die herhalingen en tegen de
zaterdagochtend wist ik niet meer waar ik was, of wie ik was. Ik wist alleen
dat ik nooit zou toegeven, nooit. Kleunders en Donkers waren kennelijk ook moe,
want ze stopten met ondervragen en lieten mij naar een cel brengen. Daar viel
ik in slaap, hoewel ik erg gespannen was. Er hing iets boven mijn hoofd wat ik
niet kon duiden, en waar ik niets tegen kon doen. Toen ik wakker werd, was het
licht. Nog steeds of alweer, ik was het besef van tijd al helemaal kwijt. Ik
kreeg wat te eten, een paar boterhammen met plastic kaas, niet te vreten en ik
liet het dan ook staan. Omdat ik had geslapen, voelde ik me wat rustiger en zo
kon ik me afvragen waar de beschuldiging vandaan kwam. Van een ambtenaar van
het instituut. Daar werd ik hogelijk gewaardeerd, moet ik er bij zeggen. Het
afdelingshoofd, de heer Corst Wegener, hier ook aanwezig, schakelde mij vaak in
als er een beleidsnotitie moest worden geschreven. Hij nam mijn opvattingen
hoogst serieus en meer en meer voelde ik me een collega van de ambtenaren van
het instituut. Alleen was er een met wie ik het aan de stok had, namelijk
Eleanor Buitenzorg. Daar had ik diezelfde week nog een conflict mee gehad. Ik
wist wel dat zij zich niet coöperatief opstelde. Zij was zo iemand die niets
uitvoerde, niets constructiefs teweeg bracht, en dus jaloers was op mijn
prestaties, die zoveel aanzienlijker waren. En u weet misschien, edelachtbare,
waar een jaloers mens toe in staat is. Zij heeft mij aangegeven bij de AIVD,
dat weet ik bijna zeker, al zal ze het nooit toegeven." De president onderbrak hem. "Mevrouw Buitenzorg
heeft u inderdaad aangegeven. Dat is algemeen bekend. We gaan haar straks nog
ondervragen en dan komen vast en zeker haar overwegingen aan bod." Eleanor kreeg het warm. Al
die tijd die ze in de rechtszaal doorbracht was ze bang geweest om door de mand
te vallen, maar ze had niet verwacht dat Rob Buitelaar haar door had. Toch een
slimme jongen, die Rob. Moeder trad naar voren. "Ik pik het niet dat
mijn schoondochter vals wordt beschuldigd!" zei ze. "Eleanor is de
eerlijkheid zelve. Ze heeft mij pas in huis genomen, puur uit de goedheid van
haar hart! Vind maar eens zo'n schoondochter in deze barre tijden. En ze is
even lief voor Sabrina hier, die door haar man gedwongen is grote borsten te
laten inplanten, en die daar vanaf moet worden geholpen door mijn zoon Harry.
Harry is een goede chirurg, moet u weten. Ik ben zo trots op die jongen, al is
hij wel erg eigenwijs en brengt hij niet altijd het juiste respect op voor zijn
oude moeder die gesappeld heeft en de loodgieter veel te lang heeft verdragen
om hem en zijn broers te kunnen laten studeren. Als u mijn knieën eens kon
zien, edelachtbare. Die zijn helemaal stuk en vereelt door het boenen van
ziekenhuisvloeren, dag in, dag uit, maar het was allemaal voor de jongens. En
dan kan ik het niet aanzien dat zo'n schat van een vrouw wordt beschuldigd van
valse aangiftes. Ze zal vast wel gedacht hebben dat er iets echt gevaarlijks in
die rapporten stond. Ik vind het trouwens knap dat iemand die rapporten kan
lezen. Ik heb er wel eens een ingekeken die ze mee naar huis had genomen, en ik
moet zeggen, ik werd er geen wijs uit, hoor!" "Dit is geheel buiten
de orde!" riep de officier van justitie. "Roep haar tot de orde,
edelachtbare!" "Nou wordt-ie
mooi!" zei de president van de rechtbank, die zojuist de derde fles sherry
had laten aanrukken. "Wie is hier de president, zo vraag ik me af. Het
verhaal van deze dame geeft weer een ander licht op deze zaak en bovendien is
het een stuk boeiender dan het verhaal van de eerste getuige. Dank u wel,
mevrouw, ik wil straks meer horen van uw visie op het geheel. Nu kan de heer
Buitelaar weer verder gaan. Wat gebeurde er verder in de dagen dat u was
ingesloten, meneer Buitelaar." Rob Buitelaar schraapte zijn
keel en vervolgde: "Ik bracht in dat ik vals was beschuldigd, en ik uitte
mijn vermoeden over de persoon die dat gedaan had. Maar ze lachten me vierkant
uit. Donkers gaf me weer een klap en deze keer zei Keunders er niets van.
Integendeel, hij gaf me een schop tegen de schenen. Ze gingen het hard spelen,
dat voelde ik wel aankomen. Ik besloot te blijven ontkennen, al sloegen ze me
dood. Het vragen begon opnieuw. Ze hadden wapens in mijn huis aangetroffen. Ik
was stomverbaasd, want ik heb geen wapens. Ik vroeg welke wapens, en waar ze
die hadden gevonden. Een serie keukenmessen, zeiden ze. Hele scherpe
vleesmessen zaten erbij. Was het niet verdacht, dat ze die hadden gevonden in
het huis van een alleenstaande man? Die kookten toch niet? Die gingen toch
altijd buitenshuis eten? De messen waren overduidelijk gebruikt, hetgeen erop
wees dat ik mijn plannen zorgvuldig had voorbereid. Waarschijnlijk had ik de
messen gekocht op een rommelmarkt om de verdenking af te wenden dat ik ze
speciaal voor het doel van de moord op de minister had aangeschaft. Maar zij lieten
zich niet bedotten. "Geef nou maar toe, dat je hem overhoop wilde steken
op de golfbaan," zei Donkers. "Dat maakt het allemaal veel
gemakkelijker. We hebben nog andere methoden om die bekentenis uit je te
krijgen, maar ik zou het er maar niet op aan laten komen. Dat wordt namelijk
erg onaangenaam voor jou. Voor ons niet, hoor. Ons zou je een groot plezier
doen. Ik zou wel eens willen zien hoe een vieze flikker als jij kermt en smeekt
om genade als wij zijn mooie gezichtje onder handen nemen, om nog maar te
zwijgen over zijn edele delen, hoewel daar niets edels aan is, vuile viezerik,
wat jij daarmee allemaal hebt uitgevreten, daar lusten de honden geen brood
van." Ik moet toegeven dat ik bang werd. Die Donkers was zo'n
gefrustreerde proleet, die zou er inderdaad niet voor terugdeinzen om mij van
alles aan te doen. Ik zweeg. Ik deed alsof ik hem aankeek, maar in feite deed
ik mijn best om hem niet te zien. Ik besloot te blijven zwijgen en dat hield ik
uren vol. Uren waarin Donkers en Keunders almaar herhaalde dat ik een
moordenaar was, die de strop had verdiend, dat het jammer was dat de doodstraf
niet bestond in dit land, dat die maar snel moest worden ingevoerd, als het aan
hun lag, was dat al gebeurd. Dat ik kon zwijgen wat ik wilde, maar dat de bewijzen
helemaal rond waren, en mijn bekentenis een kwestie van formaliteit was. Na
hele lange tijd werd ik weer in de cel gegooid. Deze keer kreeg ik niets te
eten. En hoewel ik moe was, was ik zo geagiteerd dat ik niet kon slapen. Ik
begon te malen. Ik begon na te gaan of ik echt niet van plan was geweest om de
minister te vermoorden en dat misschien was vergeten. Maar ik wist mezelf
duidelijk te maken dat dat onzin was, dat ik altijd a-politiek was geweest, en
nooit een groepsmens ben geweest. Zo ver ging het dus, ze kunnen je van alles
wijsmaken, desnoods dat je met de koningin naar bed bent geweest, als ze maar
lang genoeg aandringen, dan ga je het geloven." "Majesteitsschennis!"
riep de minister-president. "Dit is nou typisch een voorbeeld van het
gebrek aan respect waar ik zo vaak op gewezen heb. Het gezag wordt besmeurd en
bespot en niemand die er iets tegen doet. Eigen verantwoordelijkheid en
respect, voor de naasten en vooral voor het gezag, dat moet terugkomen, dat
blijf ik herhalen." "Stil!" zei de president
van de rechtbank. "Ik wil jullie niet meer horen voordat je wat wordt
gevraagd. Er zijn de laatste dagen veel mensen over de schreef gegaan, en ik
krijg meer en meer het gevoel dat dat niet de verdachte is geweest. Gaat u
verder, meneer Buitelaar. Ik wil het beeld compleet krijgen." "Ik hield voet bij
stuk. Inmiddels kon ik de dagen niet meer van elkaar onderscheiden, wist ik
niet meer of het dag of nacht was. Keunders en Donkers bleven slaan en vragen
en ik bleef zwijgen. Op den duur hoorde ik niet meer wat ze zeiden, en de pijn
van een enkele stomp ging op in een algemene, steeds aanwezige pijn. Ik voelde
mijn lichaam verdwijnen, steeds een stukje, ik werd van binnenuit opgevreten,
ik werd ter plekke vernietigd. Vanochtend hebben ze me door de verhoorkamer
gesmeten. Ze riepen dat het mijn laatste kans was, dat ik terecht zou komen
tussen allemaal zware criminelen in de gevangenis die wel raad wisten met types
zoals ik in een gevangenis. Als ik zou bekennen, kreeg ik ook levenslang, maar
zou ik beschermd worden, kreeg ik een cel alleen en dan mocht ik van geluk
spreken dat ik zo weg kwam, vuile terrorist die ik was, in Libië of zo'n soort
langs zouden ze wel raad weten met mij, daar hadden ze me allang aan de hoogste
boom gehangen. Maar ik bekende niet. Ik had niets gedaan, hield ik mezelf voor,
en bekentenis kon alleen maar slecht uitpakken. Ik had eigenlijk elke hoop
verloren, zag mezelf al levenslang opgesloten, en ik vreesde natuurlijk die
criminelen al zitten daar heus aardige jongens bij, maar dit terzijde, maar ik
was vastbesloten voet bij stuk te houden. Toen ik bleef zwijgen, pakte Donkers
me beet en smeet me tegen de radiotor. Ik heb een gat in mijn hoofd. De
politiearts heeft het snel gehecht, vlak voordat ik hiernaartoe werd gebracht.
Maar ik heb volgehouden, en ik zal blijven volhouden, wat hierna ook
gebeurt." De president van de
rechtbank nam een slok sherry voordat ze het woord nam: "Niet erg fraai
allemaal. Ik kan vast zeggen dat ik vandaag tot veroordeling zal overgaan, maar
de veroordeling zal niet de heer Buitelaar treffen. Die is onschuldig." Een geluid van protest
doemde op vanaf de bank van de regering. De officier van justitie trad naar
voren: "Hoe kunt u dat nu zeggen? U heeft nog niet eens de belangrijkste
getuige gehoord!" "Die zal ik zo horen.
Eerst gaan we schorsen want ik moet pissen als een paard. Bovendien heb ik het
een en ander te verwerken. En mijn uitspraak is natuurlijk officieus. Straks
zal keurig netjes de officiële uitspraak volgen, u hoeft niet bang te zijn dat
ik dat zal vergeten. En," ze wendde zich tot de bewakers. "Heb het
lef niet om de verdachte de boeien en weer in die kooi op te sluiten. Weghalen
dat ding. Geef die man wat te eten en te drinken. We schorsen de zaak een uur,
daarna gaan we verder." Ze liet de hamer hard neerkomen op tafel. Nadat de vijf
rechters de zaal hadden verlaten, stond iedereen op om de benen te gaan
strekken in de koffieruimte buiten de zaal. Daar voegde Eleanor zich bij
haar uitgebreide familie. Moeder zei: "Ik geloof niet dat die jongen iets
heeft gedaan, maar dat hij jou vals beschuldigt, dat kan ik ook weer niet
hebben." Eleanor aarzelde. Na alles wat ze gehoord had, had ze spijt van
wat ze Rob Buitelaar had aangedaan. Wat een takkewijf was ze eigenlijk geweest.
Was ze jaloers geweest? Nee, dat had hij fout begrepen. Ze had alleen niet
kunnen uitstaan dat hij rapport na rapport bleef produceren, dat hij door
Frederik op handen werd gedragen, en dat ze een paar keer per week zijn lijzige
inleidingen moest aanhoren. Ze had verwacht dat hij meteen of vrij snel na zijn
aanhouding zo zijn vrijgelaten, want er was tenslotte geen greintje bewijs te
vinden. Frederik zou dan de banden met hem hebben verbroken, want zo was hij
wel. Rob Buitelaar zou van nijd de haren uit zijn kop hebben getrokken, en daar
zou ze graag getuige van zijn geweest. Maar ze had er niet op gerekend dat de
regering uitgerekend in deze dagen een verdachte nodig had om aan de schandpaal
te nagelen. Betekende dat dat zij verantwoordelijk was voor alle maatregelen
die de afgelopen dagen waren genomen? Ze voelde zich schuldig. Maar ze vertelde
zichzelf dat ze daaraan niet schuldig was, en dat ze er ook niet voor hoefde te
boeten. "Misschien heb ik het
niet helemaal goed gezien," zei Eleanor. "Misschien heb ik tekenen
van onraad gezien waar ze niet waren. Je hoort zoveel over terroristische
aanslagen de laatste tijd. Je wordt er voortdurend op gewezen dat je alert moet
zijn, overal op moet letten. Nou, dat maakt dat je wel eens overkookt. Ja, ik
denk dat ik me heb vergist." "Dat is alleen maar menselijk,
kindje," zei Moeder. "Mijn grootste vergissing was om het met de
loodgieter aan te leggen. Dat heb ik moeten bezuren, en het heeft me heel wat
jaren gekost voor ik deze kwestie kon oplossen. Nou, ik zou het maar eerlijk
aan de rechter vertellen. Die arme jongen moet maar vrij worden gelaten. Kan
hij ook niet bij ons komen wonen? Dan kunnen we hem opknappen." "Nee!" zei Eleanor
beslist. Ze voelde zich misschien wel schuldig, maar boetedoening in die orde
van grootte was nu ook weer niet nodig. In de ruimte stonden diverse
groepjes met elkaar te praten. Bij de buitendeuren werd de pers tegengehouden,
die zich daar verdrong. De ministers waren niet te bekennen, die waren
ongetwijfeld naar een zwaar beveiligde ruimte geleid, evenals de rechters en de
officier van justitie. Langs de muren hadden zich zwaar bewapende bewakers
opgesteld, die spiedend in het rond keken. Misschien verwachtten ze ter plekke
een terroristische aanslag. Misschien was hun opgedragen meteen met scherp te
schieten als ze onraad bespeurden. In het huidige tijdsgewricht kon je alles
verwachten. Een van de deuren zwaaide
open en de president van de rechtbank wankelde naar binnen. Ze liep op Eleanor
af en leidde haar mee in een hoek van de ruimte. "Jij hebt nooit iets verdachts
aangetroffen, is het niet?" zei ze op zachte toon. Eleanor knikte beschaamd.
"Maar ik had toch de indruk dat er iets verdachts in dat rapport was, en
in zijn e-mails enzo." "Nee, die indruk had je
helemaal niet. Geef dat nou maar toe, want ik heb wel door hoe de vork in de
steel zit. Wat jij hebt geflikt is niet erg fraai, en daar zou ik je zeker een
jaar voor in de bak kunnen krijgen, maar dat ga ik niet doen. Nou? Ik vraag je
het nog een keer: heb je ooit echt iets verdachts aangetroffen of niet?" Eleanor schudde het hoofd. "Precies, grote meid,
dat je het toegeeft. Ik laat je er niet voor hangen, omdat ik vind dat je niet
verantwoordelijk bent voor hoe dat gespuis van het kabinet de zaak heeft
opgepikt. En dan mag je verder je handjes dichtknijpen. Dus jij gaat straks
vertellen dat je je hebt vergist, dat bij nadere beschouwing zaken, die
misschien in eerste instantie verdacht overkwamen, niets voorstelden. Dat je
meteen de volgende dag hebt geprobeerd terug te komen op je aanvankelijke
beschuldiging, maar dat je geen gehoor vond." "Maar dat is helemaal
niet zo," zei Eleanor. "Dondert niet, zo ga je
het zeggen, en dan ga ik een streep zetten onder al dat gedoe." Eleanor knikte. De rechter
verdween uit de ruimte en Eleanor voegde zich weer bij haar familie. Moeder was
bezig met een verhaal over Jos en haar in het verpleeghuis, hoe gezellig het
altijd was, en hoe zij de enige twee daar waren die niet van plan waren door de
achterdeur te verdwijnen en dat dat nu nog gelukt was ook. Eleanor kon zich er
niet op concentreren. Ze keek uit naar het einde van deze rechtzaak en ze
hoopte dat ze dan haar nieuwe leven onbekommerd zou kunnen gaan beginnen. Els
sloeg een arm om haar heen en kuste haar. "Jaap heeft gebeld. Hij heeft
het huis verkocht. Zes ton! Dus ik ben voorlopig uit de brand."
"Mooi," zei Eleanor. Ze kon zich er nu nog niet over verheugen.
Misschien straks, als alles achter de rug was. De gong ten teken dat de
rechters weer wilden beginnen ging. De mensen in de koffieruimte begaven zich
druk keuvelend naar de rechtszaal. Daar zaten de vier rechters
al klaar. De president van de rechtbank kwam pas opdagen toen iedereen al zat.
Ze zwaaide iedereen hartelijk toe voordat ze plaatsnam. Toen ze eenmaal zat,
gaf ze een flinke dreun met de hamer op
tafel en riep: "Nou, de kroongetuige dan maar! Dat is mevrouw Buitenzorg,
lees ik hier!" "Ik protesteer!"
riep de officier van justitie. "De president heeft met de kroongetuige
gesproken tijdens de schorsing. Dat is tegen alle regels!" "Ik bepaal hier de
regels. Als ik nog wat nadere informatie wil, dan mag ik ervoor zorgen dat ik
die krijg. Ga zitten, meneer de officier, ik wil snel verder." Eleanor zat inmiddels in de
getuigenbank. Besmuikt sloeg ze Rob Buitelaar gade, die niet op of om keek.
Zijn hoofd hield hij weer recht: kennelijk had hij zijn houding weer weten te
vinden na de vernederingen die hij had ondergaan in de gevangenis. "Mevrouw
Buitenzorg," begon de president van de rechtbank. "U bent de
kroongetuige, welja. En u treedt hier zo maar op in het openbaar, terwijl u een
verdachte van een terroristische aanslag heeft ontmaskerd." Haar lach
bulderde de zaal door. Op de regeringsbank werd ongemakkelijk geschuifeld, maar
niemand zei iets. "Vertel eens, wat heeft
u aangetroffen op kantoor dat u zo heeft verontrust," vervolgde de
president. "Want dat moet nogal
wat zijn geweest!" "Er vielen me allerlei
dingen op in het beveiligingsrapport," zei Eleanor. De spottende blik van
de president ontging haar niet. "Hetzelfde als wat de heer Corst Wegener
heeft aangetroffen, zij het dat ik het al voor de aanhouding zag." Ze keek
in Frederiks richting, die met een koude blik terugkeek. Het was duidelijk: ze
was haar baan kwijt. Dat had haar manoeuvre in ieder geval opgeleverd.
"Vooruit, ga door," moedigde de president aan. "Van die tabellen
met cijfers over criminaliteit, en dat dat niet klopte enzo bedoelt u?" "Protest! De rechter
legt de getuige woorden in de mond!" riep de officier van justitie. "Nou en?"
antwoordde de president. "Ik leid de boel hier en ik dien me een juist
beeld te vormen van de situatie. Nou is dat beeld vanochtend al aardig helder
geworden moet ik zeggen. Maar ik moet toch minstens de kroongetuige horen,
vindt u niet?" Ze werd aangestoten door haar collega ten teken dat ze zich
in moest houden. Zonder hem aan te kijken, schudde ze hem van zich af. Terwijl
hij naar zijn collega aan zijn andere zijde keek, haalde hij zijn schouders op. "Gaat u verder,"
zei de president. "Het is inderdaad zoals
u zegt," zei Eleanor. "Die rare cijfers die niet klopten." Van
vreemde cijfers was werkelijk sprake geweest, maar dat kwam ongetwijfeld
doordat Rob Buitelaar te beroerd was geweest om zijn rapporten goed na te
kijken. Waarschijnlijk had hij op het allerlaatste moment een tabel uit het
verkeerde jaar van internet geplukt en in zijn rapport geplakt. Eleanor
schraapte haar keel. Nu kwam het moeilijkste gedeelte. "Maar meer en meer zag
ik in dat ik me heb vergist," zei Eleanor. "Achteraf geloof ik niet
dat hij iets met die cijfers heeft bedoeld. Het was een beroerd rapport, dat
wel, maar al zijn rapporten waren beroerd. Dat deed er verder niet toe: ze
kwamen toch nooit de afdeling af. Maar dat had ik dus eigenlijk meteen moeten
bedenken." Een zucht van verbijstering
klonk door de zaal. Moeder stond op van haar plaats en riep: "Ziet u nou
dat het meisje een hart van goud heeft? Ze geeft haar fouten eerlijk toe. Zodra
ze zich dat realiseert." "De verdachte is
gemanipuleerd door het netwerk van Roberto B.," riep de minister. "Ze
is bedreigd, anders zou ze zoiets niet zeggen!" "Hmmm," zei de
president. "Ik denk niet dat dat het geval is. Sterker nog, ik weet wel
zeker dat dat niet zo is. De heer Buitelaar is onschuldig. Ik stel hem in
onmiddellijke vrijheid. U kunt gaan, meneer Buitelaar, maar u mag ook nog even
blijven zitten om te kijken hoe ik afreken met dit zooitje. Mevrouw Buitenzorg
mag weer naar haar plaats. Bedankt mevrouw, u weet wel waarvoor." Eleanor ging opgelucht
zitten. Dat was achter de rug. Rob Buitelaar, die voor haar zat, keek achterom
en stak zijn middelvinger omhoog. Zijn lippen vormden het woord
"bitch". "Goed, de uitspraak is
gedaan. Dan roep ik nu wat mensen naar voren die ik helaas niet kan veroordelen
maar wiens kop evengoed zal gaan rollen. Het kabinet! En dan in het bijzonder
de minister, de minister-president en de minister van justitie." "U heeft het recht
niet!" klonk verontwaardigd van de regeringsbank. "Alsof ik dat niet
weet," zei de president. "Maar het gelukkige toeval wil dat de pers
aanwezig is, en dat elk woord wat u zegt op een goudschaaltje gewogen wordt.
Dus kom op, naar voren jullie." Als betrapte jongens, die
zich toch niet goed realiseerden wat ze fout hadden gedaan, trad het drietal
naar voren. De minister was klein, zag Eleanor. Dat was haar nooit eerder
opgevallen, hoewel hij enkele malen het instituut had bezocht en zij zelfs wel
eens aan hem was voorgesteld. Zijn status had hem kennelijk doen groeien in
haar ogen. Hij had een cynische glimlach die op zijn gezicht gebrand leek. Als
ze hem niet gekend had, had ze hem voor vertegenwoordiger in het een of andere
obscure product gehouden: met een eeuwige glimlach zijn bonus proberen te halen
en overnachten in goedkope hotels om nog iets van zijn onkostenvergoeding over
te houden. "Wat u de laatste dagen
met zijn drieën hebt gedaan, tart elke verbeelding," zei de rechter.
"De samenleving is volledig ontwricht, in een paar dagen tijd heeft u een
politiestaat weten te maken die in niets onder doet voor Argentinië en Chili
tijdens de perioden dat de militaire junta's daar heersten. U heeft iemand voor
het gerecht gesleept tegen wie nooit enige verdenking had mogen bestaan. De man
had een uur na zijn arrestatie al vrij gelaten moeten worden, u heeft er alles
aan gedaan om hem een bekentenis te ontlokken, kortom, heren, u heeft als het
ware een staatsgreep gepleegd. Nou leven we nog altijd in een fatsoenlijk land,
al had het maar een haartje gescheeld of er was niets meer over geweest van het
fatsoen. Ik kon mijn oren niet geloven de laatste dagen als ik de televisie aan
had: avondklok, arrestaties bij het academisch ziekenhuis waar mensen ervan
werden verdacht dat ze de medicijnkasten wilden plunderen om chemische wapens
te maken." De zweeg abrupt. "Waar zijn die mensen trouwens?" De
minister haalde zijn schouders op. "In Galgenwaard, denk ik, daar zitten
ze vast tot de rechterlijke uitspraak." "Ze moeten onmiddellijk in
vrijheid worden gesteld!" riep de president uit. "Wat denkt u
eigenlijk wel! Bah, wat een zooitje ongeregeld daar in Den Haag. Een junta in
wording, ja, ja, we mogen nog van geluk spreken dat de heer Buitelaar voor het
gerecht is gedaagd, wie weet hoe ver het anders was gegaan. Nou, wat aarzel je,
man, je bent nu nog in functie, bel de juiste personen op om te zeggen dat ze
die mensen vrijlaten." "Ik vind dat het kabinet zich daarover eerst
moet beraden," zei de minister-president. "Dit is een uitvoeringszaak
van de regering!" "Om de dooie dood niet! Die mensen moeten vrij, en
wel nu! Minister, bellen!" De minister nam met een driftig gebaar zijn
mobiele telefoon uit zijn zak en belde iemand. Hij mompelde wat toen hij
contact kreeg. "Hier hoort u meer
van," voegde hij de president toe. "Vast wel," zei de
president. "Dames en heren van de pers, hebben jullie het allemaal goed
opgeschreven? De regering heeft uit tactische overwegingen, namelijk om wat
meer macht naar zich toe te trekken, iemand vastgezet die overduidelijk
onschuldig was, en vervolgens een chaos ontketent door allerlei wilde verhalen
het land in te sturen over voornemens voor terroristische aanslagen. Ik
vertrouw erop dat de oppositie zo verstandig is dit kabinet onmiddellijk naar
huis te sturen. Of misschien is bij wijze van uitzondering het kabinet een keer
verstandig en stappen ze zelf op." Ze sloeg drie keer met de hamer op
tafel en stond op. Ze moest zich vastgrijpen om te voorkomen dat ze omviel.
Eleanor was de tel kwijtgeraakt, maar ze schatte in dat er minstens vijf
flessen sherry door waren gegaan tijdens de rechtszaak. Hoe was het mogelijk
dat de president van het hof überhaupt nog kon staan, vroeg ze zich af. De
rechters verdwenen, mensen van de pers begonnen driftig te bellen of renden
naar buiten om zich naar de camera's te begeven. Eleanor draaide zich naar haar
familie, die haar hartelijk toewuifde. Alleen Harry keek een beetje
bedenkelijk. Kennelijk was hij minder overtuigd van de juistheid van haar
handelen. Maar wat maakte het uit? Ze zou van hem scheiden, al was ze dan een
nieuw soort band met hem aangegaan. Plotseling stond Rob Buitelaar voor haar:
"Wat jij mij hebt geflikt, zal ik mijn leven niet vergeten," siste
hij. "Ik weet heus wel hoe het gegaan is, jaloerse teef. Natuurlijk heb
jij niks gevonden in mijn rapporten, want die las je nooit. Wat ik je zal
terugdoen, weet ik nog niet, maar het zal vreselijk zijn. Oog om oog, tand om
tand." "Het doet me deugd, Rob, dat je helemaal jezelf bent gebleven,
ondanks al je ontberingen en kwellingen. Nu ik zo voor je sta vind ik het
eigenlijk jammer dat je niet bent veroordeeld. Met een andere rechter was dat
zo gebeurd, die had je levenslang vastgezet en dat weet je. Dat had je ook weer
niet verdiend, vond ik, maar daar begin ik nu aan te twijfelen. Je bent en
blijft een valse nicht." "En jij een vies, vet oud wijf die nergens
goed voor is. Gadverdamme, wat een labbekak ben jij. Jij was de ergste van het
hele zooitje daar bij het instituut. Alleen Frederik, die heeft me altijd naar
waarde geschat." "Logisch, die is net zo'n lege blaasgalg als jij,
jullie hebben het goed met elkaar getroffen," zei Eleanor. Ze verkneukelde
zich. Het was bijna ouderwets, deze aanvaring. "Je ziet er trouwens
belazerd uit, Rob. Niet goed geslapen de laatste tijd? Je moet eens wat minder
naar de sauna, joh. Daar ben je trouwens toch te oud voor. Wat moet je bij al
die mooie jongens met dat oude lijf van je waar alles in vellen aan hangt." Frederik naderde. Hij sloeg
Rob Buitelaar op de schouder. "Kerel, ik ben blij voor je dat alles goed
is afgelopen. Het was anders wel een rechtszaak, hè? Ik vond de president van
de rechtbank erg scherp, al had ze wel een toontje lager mogen zingen tegen de
regering. Die doet tenslotte haar werk en heeft ons maar te beschermen tegen
allerlei dreigingen. Niet dat ik ooit echt gedacht heb dat jij een dreiging
was, Rob, ik heb altijd gedacht dat er een vergissing in het spel moest zijn.
Maar ik moest nu eenmaal afgaan op de woorden van mijn ambtenaar. Vandaar mijn
getuigenis, je weet hoe dat werkt in onze wereld, toch, Rob." Rob
glimlachte kruiperig. "Natuurlijk Frederik. Jou treft geen blaam, dat
begrijp ik maar al te goed. Het is Eleanor die erachter zat, dat is een jaloers
kreng, dat durf ik nu gerust openlijk te zeggen. Ik begin volgende week weer
aan het rapport, eerst even een paar dagen uitblazen." Frederik keek naar
zijn schoenen en haalde een hand over zijn kin. Hij had zich de hele dag nog niet
geschoren. Van zijn beoogde macho-uitstraling was echter niets over. Hij zag er
eerder uit als een verlopen kroegbezoeker met die volledagsbaard. Altijd vergat
hij weer wat het juiste tijdstip was om zich te scheren. "Dat zal helaas
niet gaan," zei Frederik. "Na alles wat er gebeurd is, kan ik het
niet meer maken om jou toe te laten op het instituut. Dat moet je kunnen
begrijpen, Rob. Het zou ons verdacht maken. We moeten zo snel mogelijk weer
naar een stabiele situatie en jouw betrokkenheid bij het instituut zou dat in
de weg kunnen staan." "Wel heb ik ooit!" bracht Rob uit.
"Word ik zomaar aan de dijk gezet omdat die trut hier mij vals heeft
beschuldigd! Daar kan ik toch niets aan doen? Moet ik daar dan maar het
slachtoffer van worden?" "Ik vind het ook niet zo leuk voor
Rob," begon Jannie, die zich bij het gezelschap had gevoegd. "Hij
heeft zich toch altijd ingezet, en dat hij nu het slachtoffer is geweest van
een vergissing, dat kan hem toch niet aangerekend worden. Ik voor mij vond zijn
rapporten altijd nogal ontoegankelijk, maar wel heel degelijk. En dat is toch
ook wat waard?" Frederik schudde het hoofd. "Nee," zei hij.
"We weten niet wie er morgen minister is en hoe die over de zaak denkt,
maar we kunnen niet voorzichtig genoeg zijn. Rob moet eruit, zoveel staat
vast." Rob Buitelaar draaide zich bruusk om en verliet de rechtszaal. Toen ze thuiskwamen, waren
de agenten met hun mountainbikes verdwenen. Harry belde met het ziekenhuis:
alles was rustig. De duizenden arrestanten waren vrijgelaten uit Galgenwaard,
waardoor het verkeer vast was komen te zitten rondom het stadion, maar dat
gebeurde wel vaker. De wachtenden hadden zich naar het stadion gespoed zodra
het bericht van de vrijlating op televisie bekend werd gemaakt. Binnen zat Jos klaar met de
thee. "Goedendag," zei
hij. "Ik ben maar met de taxi gekomen, want jullie waren vergeten om me op
te halen, gisteren. Ik verheugde me er zo op om bij jullie te komen wonen, dat
ik niet kon afwachten. Ik heb al wel thee gezet. Het schijnt dat die rare toestand
in een klap voorbij is. Jullie zoon is ook teruggekomen. Wat een bedeesde
jongen is dat, die moet toch echt iets brutaler worden, hoor, anders redt hij
het niet in deze samenleving." "Ach, Jos!" zei
Moeder. "Wat ben ik blij dat je er bent. Mijn vrienden hier zijn heel
aardig voor me, hoor, maar af en toe wil je toch met een leeftijdgenoot praten.
Je spulletjes laten we wel brengen door een verhuisbedrijf, wees daar maar niet
bang voor." "Ik ga eerst Bertrand
halen," zei Harry en hij verliet het huis. Er werd aangebeld. Eleanor deed open.
Nigel stond voor de deur. "Ik zag
op televisie dat mijn vrouw met jullie uit het gerechtsgebouw naar buiten
kwam," zei hij. "En ik wil weten hoe het zit. Ik ben vanuit Papendal
hiernaartoe gereden, terwijl ik eigenlijk niet weg kon. Midden in de training
voor het WK, u kent dat wel." "Kom binnen," zei Eleanor.
"Dan kan Sabrina je het zelf vragen." "Wat doe jij
hier?" vroeg hij aan Sabrina. "Ik heb je gebeld maar je nam niet op.
Ik heb me vreselijk ongerust gemaakt." "Ja, ja, in de armen
van die sloerie van je zeker," zei Sabrina. "Maar wees niet bang,
hoor, jongen, jij mag daar best blijven, want ik ga van je af." "Van me af? Hoe bedoel
je dat? We houden van elkaar, en we hebben het goed samen. Wat moet er trouwens
gebeuren met ons kind." Sabrina fronste. "Van je kind heb je je tot
nog toe niet veel aangetrokken," zei ze. "Die zit in de
ontwenningskliniek en als hij daaruit is, begint hij weer aan de drugs. Zo gaan
die dingen nou eenmaal. Maar ik heb me erbij neergelegd. Ik snap niet dat ik er
in getuind ben, in die wekenlange trainingen op papendal van jou, terwijl je al
die tijd bij je sloerie zat." "Sloerie, hoezo
sloerie? Er is helemaal niemand. Ik hou alleen van jou, Sabrina. Geef ik je
niet alles wat ik heb? Kijk nou eens naar die mooie voorgevel van je. Dat is
toch iets om trots om te zijn. Nou, dat moet wel allemaal verdiend worden. En
dat verdien ik in Papendal. Dat is hard werken, om de gehandicaptensport
geaccepteerd te krijgen, of dacht je soms dat het vanzelf ging. Jij zit hier
maar in huis, niet dat ik daar iets tegen heb, want het houdt je mooi als je je
niet zo hoeft in te spannen, maar jij bent niet in de positie om mij de les te
lezen, als je dat maar goed begrijpt. En nu kom je mee naar huis, want je
ondergaat hier slechte invloeden, dat begreep ik meteen toen ik je op televisie
zag." Hij wilde Sabrina bij de arm grijpen, maar Moeder sprong tussen ze
in en verhinderde dat. "Moet jij eens goed naar me luisteren, jongeman.
Jij bent nooit thuis, laat je vrouw alleen zitten met de zorgen om haar kind,
praat haar aan dat ze die borsten moet nemen en nu gaat dat kind gebukt onder
de rugpijn - mijn Harry gaat hier wat aan doen maar dit terzijde - en dan kom
je verhaal halen. Ik vind dat nogal brutaal. Een beetje nederigheid zou je wel
sieren." "Waar bemoeit u zich
mee?" vroeg Nigel en weer greep hij naar de arm van Sabrina. Moeder gaf
hem een tik op zijn hand. Hij sloeg niet terug. "Waar ik me heb mee te
bemoeien. Op mijn leeftijd mag ik me overal mee bemoeien. Verder ben ik de
oudste van het huis, zodat ik recht van spreken heb." Ze draaide zich om
naar Jos. "Jos, dat was toch zo? Jij bent toch een maand jonger dan
ik?" "Zeker," zei Jos, "Daarom is het nooit wat tussen ons
geworden, vanwege dat leeftijdsverschil." "Zo zie je maar," ging
Moeder verder. "Ik heb gelijk, en dat komt steeds vaker voor de laatste
tijd. De minister-president zei het nog zo mooi vandaag, respect, daar gaat het
om. En eigen verantwoordelijkheid. Maar om een lang verhaal kort te maken: hoe
zit dat nou met Papendal. Jij hebt een verhouding buitenshuis, natuurlijk heb
je dat, want je bent een mooie jongen, oud als ik ben heb ik daar heus nog wel
oog voor. Beken het nou maar aan Moeder, dan kunnen we de rest van de zaak
regelen." Nigel stond een ogenblik met open mond, wilde iets zeggen,
bedacht zich weer, en zei toen toch wat. "Het kwam door de druk
met onze jongen, Sabrina. Op Papendal kwam ik een zwemcoach tegen, en daar
raakte ik eens mee aan de babbel. Zij heeft zelf ook een kind dat niet deugen
wil, en van het een kwam het ander. Dat begrijp je wel." "Nou, ik begrijp er
eerlijk gezegd niets van," zei Sabrina. "Niet zo halsstarrig,
kindje, wat hij zegt is helemaal niet vreemd. Die dingen gebeuren nu eenmaal.
De vraag is alleen: hoe lossen we dit op. Nigel mag best bij zijn zwemcoach
blijven, maar daar hangt natuurlijk wel een prijskaartje aan." "Hoe bedoelt u,"
vroeg Nigel, enigszins angstig geworden. "Een prijskaartje, wat voor
prijskaartje dan?" "Ik geef het woord aan
Sabrina," zei Moeder. "Moeder heeft
gelijk," zei Sabrina. "Ik wil hier blijven. Want zwemcoach of niet,
Nigel, ik ben je eigenlijk zat. Dat realiseerde ik me pas toen ik bij deze
lieve mensen werd opgenomen. Maar ik ben natuurlijk wel een leven van een
bepaalde standing gewend. En ik heb mijn eigen carrière opgeofferd voor de
jouwe." "Jouw carrière? Je was
caissière toen we elkaar ontmoetten!" "Dat bedoel ik nou. Als
ik jou toen niet had ontmoet, en als ik niet constant met je mee had moeten
reizen om je weer op te peppen voor deze of gene wedstrijd, was ik nu
filiaalchef geweest, of regiomanager. Dus dat is toch een aardige som die ik
ben misgelopen, en die ik nu alsnog wil innen." "Regiochef mijn
neus!" riep Nigel uit. "Jij bent te stom om tot tien te tellen. Jouw
chef wilde toen nog ontslaan omdat je altijd zoveel fouten maakte." "Ik heb nu eenmaal meer
oog voor de grote lijn dan voor details," ging Sabrina onverstoorbaar
verder. "En ik hoop dat je snel tot inkeer komt, anders zijn de gevolgen
erg vervelend. Ik heb nog altijd contact met die journalist van privé, die nog
eens zo'n mooi artikel over ons heeft geschreven." "Ik ken je bijna niet
meer terug!" zei Nigel verbouwereerd. "Je was altijd zo, zo
vrouwelijk, ondersteunend en zo, niet zo berekenend!" "Tja," zei Moeder.
"Dat was een forse misrekening dan. Nou, jongen, ga nou maar terug naar je
zwemcoach en denk er over na." Nigel tikte tegen zijn voorhoofd, maar het
was geen overtuigde tik. Het ging te aarzelend, alsof hij niet meer helemaal in
zichzelf geloofde. Els zette de televisie aan.
"Even kijken of ze al afgetreden zijn," zei ze. "Ik geloof dat
het de bedoeling was dat ze er haast mee maakten." De koningin kwam in beeld.
Ze droeg een stemmige jurk, die toch niet somber was door de kobaltblauwe
accenten die waren aangebracht. Haar hoed was eenvoudig en liet het grootste
gedeelte van haar gezicht vrij. Zo waren de vermoeide groeven op haar gezicht
goed te zien. Eleanor had haar twee weken geleden nog live gezien bij de
opening van een regeringsgebouw en toen zag ze er een stuk fitter uit. "Leden van de Staten
Generaal!" begon ze. Ze zweeg verdwaasd en rommelde wat in de stapel
papieren die voor haar lag. "Excuses, foute tekst," zei ze. "Het
is wat veel wat ik op mijn bord krijg, de laatste dagen. Goed, ik begin opnieuw.
Landgenoten, zojuist heeft het hele kabinet zijn ontslag aangeboden en ik heb
dat aanvaard." Ze liet haar papieren zakken en keek de camera in met een
blik alsof ze al haar landgenoten werkelijk in de ogen kon kijken. "En ik
heb het met liefde aanvaard, mag ik wel zeggen. Ik heb nog nooit zo'n stelletje
amateurs meegemaakt. Misschien ga ik nu buiten mijn boekje maar voor deze keer
kan me dat niets schelen. Wat heb ik het de laatste dagen betreurd dat mijn
koningschap constitutioneel is en dat ik niets mag zeggen, anders had ik zeker
het leger op ze afgestuurd. Terroristische aanslagen! Het zou wat! Als elke
moord hier voortaan als terroristische aanslag wordt gekenmerkt, kunnen we nog
wat beleven. Nu, ze hebben hun boeltje gepakt. Eens kijken, op dit papier staat
dat ze het vertrouwen van de Kamer niet meer hadden. Daar zijn ze dus ook
wakker geworden. U weet verder hoe het gaat: het kabinet is demissionair,
tenminste, normaal gesproken zou dat zo zijn, maar ik zal van mijn invloed
achter de schermen gebruik maken en er op aandringen dat ze meteen vertrekken.
Dan doen we het tot de verkiezingen wel met een noodkabinet. Nou, ik hoop maar
dat iedereen het hoofd koel houdt, in deze moeilijke tijden, moeilijke tijden,
ja, dat staat hier. Vrij vertaald betekent dat dat u geen hysterische stille
tochten meer organiseert of bijwoont en het oplossen van een moord aan de
politie overlaat en er niet zo'n heisa van maakt. U gaat allemaal gewoon weer
aan het werk, en 's avonds kijkt u gezellig met zijn allen naar quizzen of u
pakt eens een boek, ook goed voor de verandering. Ik hoop dat u zich allemaal
weer gewoon Hollands gaat gedragen, dus met de nodige nuchterheid en
koelbloedigheid. Dit is een saai, ongepassioneerd land en dat moet vooral zo
blijven. Ik groet u!" De vorstin verdween uit beeld en Maartje van Weegen
verscheen. "De blauwe jurk van de koningin wees op een zekere
koelheid," begon ze. Els drukte de televisie uit. "Dat was dan dat,"
zei Eleanor. "De koningin heeft goed gesproken. Ik denk dat het nu tijd is
voor een kopje thee. Schenk eens in, Jos." Jos stond op en schonk iedereen een kopje thee in. Aanvankelijk
zaten ze een beetje onwennig bij elkaar, alsof ze na een lange strijd eindelijk
de gelegenheid kregen om uit te rusten en weer opnieuw aan elkaar moesten
wennen. Maar na een kwartiertje keerde het gevoel van welbehagen dat ze eerder
die week hadden mogen beleven terug. Sabrina strekte zich uit op de bank en
Moeder haalde haar schildersspullen tevoorschijn. "Poseren, Jos, ik heb je
altijd al eens willen nemen." "Ik hoop dat je het niet zo bedoelt als
het klinkt," zei Jos. "Hoe wil je me hebben. Stoer en mannelijk,
zeker." "Doe normaal, ouwe gek," zei Moeder. "Gewoon gaan
zitten, dan ga ik die slappe kop van je erop zetten." Harry kwam binnen met een
stel tassen in zijn handen. Achter hem volgde een jonge man van
onbeschrijflijke schoonheid die Bertrand moest zijn. Hij had smaak, haar Harry,
dat moest Eleanor toegeven. Bertrand gaf iedereen een hand en stelde zich
netjes voor. Toen hij bij Eleanor was aangekomen, zei hij: "Ik ben zo blij
dat ik hier mag komen, mevrouw, dat alles nu in het openlijke is, zal ik maar
zeggen." "Het is goed, jongen," zei ze. Verdomme, ik begin op
Moeder te lijken. Ze glimlachte bij het idee en keek om zich heen. Ze had die
morgen nog niet kunnen denken dat het zo zou lopen, maar alles was compleet en
zoals ze het zich wenste.
"
" |