NaNoWri2005, PetraO.
Aantal woorden: 50.131

"Hels" in pdf-formaat

Hels

 

Eleanor stond voor de kledingkast in de slaapkamer. Achter haar, op het bed, lag Harry. Hij snurkte. En het was al zeven uur. Hoogste tijd. Hoeveel operaties zou hij vandaag weer hebben? Zouden het lastige zijn, met complicaties, die een paar uur duurden en met familie in angstige afwachting op de gang? Of ging het om routinezaken: blindedarm, borstvergroting, cyste verwijderen. Ja, haar Harry was van alle markten thuis. Vanavond zou hij het allemaal vertellen. Elke dag weer. Of het een nieuw wapenfeit was, dat grote bewondering verdiende.

Wanneer was ze opgehouden met hem bewonderen? Aan bloed wen je. Evenals aan de prachtige buitenwijk in Soestduinen. Met een bos erachter waar je zomaar kon gaan wandelen met de hond. Van de hond hield ze nog. Van Harry misschien niet meer.

Soms probeerde ze zich voor te stellen hoe ze zich zou voelen als de politie langskwam om haar te vertellen dat Harry was verongelukt. Kon gemakkelijk. Hij reed altijd 150 op de linkerbaan, rakelings langs vrachtwagens, bumperklevend bij voorgangers die zich wel aan de maximumsnelheid hielden.

Ze zou wel schrikken, maar dan balen van het feit dat het eten al op stond en dat ze dat allemaal weg kon gooien. Want, ja, ze moest natuurlijk mee om het lichaam te identificeren, en dan kwam er van eten niet veel.

Ze riep haar gedachten een halt toe en probeerde een keuze te maken uit de verschillende combinaties. Zou ze de zwarte pantalon aantrekken? Of was dat juist weer te formeel voor zo'n vergadering met het veld. Het veld zou er wel in spijkerbroek bijlopen, hoewel je dat tegenwoordig niet met zekerheid kon zeggen. Ze had wel veldmensen ontmoet in driedelig grijs of krijt. Ze aarzelde. De zwarte pantalon met de kobaltblauwe blazer gaf haar iets koel afstandelijks, wat in sommige gevallen goed werkte. Zeker als ze er weer eens op uit waren om subsidie los te krijgen voor werk dat ook door het eerste het beste uitzendbureau gedaan kon worden. Maar ja, dat pikte de ministers nou eenmaal niet. Onderzoek moest verricht worden in nauwe samenwerking met professionals, en worden uitgevoerd door een bureau met een bekende naam, anders had het geen draagvlak. Met professionals ook niet, maar voordat de minister daar achter kon komen waren er allang weer verkiezingen geweest en een nieuwe minister.

De spijkerbroek dan. Het was een nette, natuurlijk, zonder modieuze scheuren waarin die Nico Buitelaar van dat onderzoeksbureau - hoe heette het toch weer - was binnengekomen in een vergadering. Daarop een nonchalant overhemd, zogenaamd van Harry maar in werkelijkheid in dat leuke zaakje in Bussum gekocht. Dat leuke zaakje waar ze niet raar opkeken als je maat 58 had, waar ze er niet van uitgingen dat iedereen Anorexia Nervosa had of alles in het werk stelde om dat alsnog te krijgen.

Waar ging die vergadering toch ook alweer over? Ze had de vorige avond een vluchtige blik op de agenda geworpen maar er was niets tot haar doorgedrongen. Weinig althans. Implementatie van veiligheidsbeleid, dat was het, dacht ze. Zo ongeveer. Nou, ze kon niet tegen veiligheid zijn en de oplossing die het onderzoeksbureau - was het die Buitelaar weer niet die een rapport moest schrijven - was ongetwijfeld veel te duur. Haar standpunt stond vast. Het werd de zwarte broek met kobaltblauwe blazer.

Harry kreunde en werd wakker. Ze zag hoe hij zijn oude-mannenbeen naast het bed zette. Eerst de linker. Hij keek verdwaasd om zich heen, de wereld was hem elke dag opnieuw vreemd. Bij haar was dat niet zo. De seconde dat ze ontwaakte, wist ze meteen wie ze was, waar ze zich bevond en wat ze allemaal moest doen die dag.

"Geef mijn badjas, nou je daar toch staat," baste hij. Die patiënten moesten doodsbenauwd voor hem zijn, met dat onsympathieke gegrom van hem. Je zal toch maar zo iemand treffen die in je gaat snijden. Weerzinwekkend en angstaanjagend. Ze nam de badjas van het haakje, een gewone blauwe maar hij had wel 250 euro gekost, en wierp die hem toe.

Voetstappen van de zoldertrap. Aart was ook wakker. Het kind was al twintig, maar woonde nog steeds thuis. Van andere ouders had ze begrepen dat dat nog wel even kon duren. Kinderen woonden tegenwoordig tot hun veertigste thuis en dat kwam omdat er geen generatiekloof meer was. Betreurenswaardig: waar moest dat naar toe met de evolutie. Nog twintig jaar te gaan, dus. Aart studeerde economie aan het Nijenrode-Instituut in Breukelen waar hij elke dag naar toe reed in de auto die hij voor zijn achttiende verjaardag had gekregen van zijn vader, die hem adoreerde. Harry was ervan overtuigd dat de jongen een succes werd en dat hij alles moest krijgen wat zijn hartje begeerde. Zo werd het natuurlijk moeilijk voor zo'n jongen om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Ga maar eens op kamers van een studiebeurs. of de toelage van Harry, en probeer dan maar eens niet het gevoel te krijgen dat je op een houtje zit te bijten. Hoewel, Harry zou hem vast en zeker een grote toelage geven.

"Mam, waar is de kaas?", riep Aart van beneden. Ze had nog geluk dat ze hem niet meer hoefde te voeren of de borst geven. Ze deed alsof ze niets gehoord had en verdween in haar badkamer.

 

Toen ze beneden kwam, in de woonkeuken, was Harry al weg. Mariska ook, of was die niet thuis geweest? Sinds ze een vriend had, bleef ze weleens in Utrecht overnachten. Dat was veel gemakkelijker, zei ze, als ze de volgende dag vroeg naar college moest. Maar ook zij verwachtte complete verzorging, kost en inwoning en bewassing als dat zo uit kwam. Eleanor moest echter niet verwachten dat ze even doorgaf of ze wel of niet kwam. Oh nee, dat was teveel gevraagd, dan kon ze niet meer spontaan leven. Voor een student medicijnen een raar begrip, spontaan leven, want als het goed was werd haar hele leven gestuurd door het collegerooster en de practica. Maar het zou wel spontaan leven na schooltijd betekenen. Studenten hadden vast ook een soort CAO, waarin de beperking van het aantal studie-uren was geregeld.

Gingen ze maar aan de drugs. Dan zou er nog wat te beleven zijn. De zoon van de buurvrouw was aan de drugs. Elk weekend zat ze wel op het politiebureau om het kind weer op te halen nadat hij was vastgezet. Ingerekend bij een autodiefstal ofzo. Tasjesroof, daar deed hij ook aan. Het was natuurlijk best een ellende, maar toch wel spannend. Haar man was ex-profvoetballer, een hele beroemde al had Eleanor nog nooit van hem gehoord. Elke ochtend reed hij naar papendal om een groep gehandicapte voetballers te trainen. Tegen kerstmis speelden die dan een wedstrijd tegen elkaar, want er waren zoveel gehandicapten, daar kon je wel vijf teams mee vormen. De beste gehandicapten werden uitverkozen en die speelden dan tegen elkaar in Zeist. Of op Papendal, net hoe het uitkwam. De buurvrouw, Sabrina, had nog niet zolang geleden haar borsten laten doen. Ze was op een avond komen vragen of Harry dat wilde doen. Hoopte zeker op een vriendenprijsje. Maar Harry had geen tijd. En geen privé-kliniek en dan moest zo'n vrouw op de wachtlijst in het ziekenhuis, waar ze aan cosmetische chirurgie deden omdat het zo lekker bij verdiende. Toen was ze naar Bilthoven gegaan, waar wel een privé-kliniek was. Ze had er zeker twee cups bijgekregen. Tegenwoordig droeg ze altijd een decolleté, ook als het hartstikke koud was. Ja, als je er zo'n hoop geld tegen aankwakte, moest je ze ook laten zien, natuurlijk. Maar goed, zij zat dus elke zaterdagnacht in het politiebureau met haar ex-profvoetballer, om hun zoon op te halen die daarna verbetering moest beloven maar dat tegen woensdag alweer vergeten was. Hij werd ook weleens opgehaald van huis in een politieauto. Mevrouw Van Damme van de overkant sprak er schande van en dat zoiets niet hoorde in een buurt als deze, dat de buurt achteruit ging nu iedere proleet geld had. Doe er maar eens wat aan. Wat Eleanor betreft mocht de buurt nog wel verder achteruit gaan, trouwens. Ze was wel zo ongeveer uitgekeken op de vrouwen-van die 's ochtends gingen tennissen, 's middags gingen joggen en 's avonds met de man van wie zij dan van waren naar een concert gingen. Geen zwaar concert natuurlijk. Wel klassiek maar behapbaar. Barok. Sommige zaten op een leesclub. Ze wist dat omdat Henriette van de vastgoedhandelaar haar gevraagd had om er ook aan deel te nemen. Elke maand kozen ze een boek uit dat was besproken in Cosmopolitan en dat bespraken ze dan. Eleanor had gezegd dat ze helaas helaas te weinig tijd had. Je moest ze te vriend houden, maar die draken kon je verder maar het beste ver van je houden.

"Dag mam, ik ga," zei Aart. Hij probeerde haar op haar wang te zoenen, maar zij ontweek hem. Ze hield niet van lichamelijk contact, ook niet van familieleden. Op het ministerie kusten ze je tegenwoordig al als je drie weken met vakantie ging. Ze wilde daar niet aan meedoen, al kwam het vaak genoeg voor dat iemand door haar defensie heen brak en een natte zoen ergens in haar gezicht duwde.

 

Nadat Aart was vertrokken, zette ze de ontbijtboel in de gootsteen. Fatima ruimde het straks wel op. Heerlijk was dat, zo'n werkster die overal aan dacht en je al die zorgen uit handen nam. Ze was nog altijd niet gewend aan de luxe al kwam Fatima al vijftien jaar over de vloer. Voor die tijd had ze alles zelf gedaan, want ze was toch thuis voor de kinderen. Kon best. Maakte het uit dat ze de halve dag met haar handen in een teil met warm water stond. Als het eten maar klaar was als Harry thuiskwam. Toen moest hij nog hard werken omdat hij zich moest bewijzen en omhoog moest klimmen. Dan wilde het wel gebeuren dat hij 's avonds heel laat was. Had hij de hele dag staan snijden met de adem met het hoofd Chirurgie in zijn nek. Ja, dat waren drukke tijden. Zijn eten hield ze warm op een waxinelichtje, waardoor het natuurlijk niet meer te vreten was. Meestal was hij zo moe, dat hij het niet eens merkte.

 

De baan bij het ministerie had ze genomen 'om zich te ontplooien'. Dat hoorde nu eenmaal, dat je net deed alsof je iets van je leven wilde maken. Dus je moest iets nuttigs doen zodra de kinderen naar school waren en ach, zelf had ze er ook wel genoeg van gehad om altijd en eeuwig in dat huis in Soestduinen te zitten. Dus had ze een baan genomen. Precies op haar lijf geschreven: projectmanagement op het terrein van de gezondheidszorg. Elke dag ging ze naar het rijksinstituut waar een subafdeling van het ministerie was gevestigd. Ze kon er gelukkig gemakkelijk op de fiets komen, dat was weer zo'n prettige bijkomstigheid. Haar werk bestond uit rapporten lezen en vergaderen en lang had het niet geduurd voordat het haar strot uitkwam. Maar ja, toen hadden ze Fatima al en die werd betaald van haar salaris. En vind maar eens een excuus om niks, helemaal niks in het huishouden te doen als je de hele dag thuis bent. Nu had ze haar werk. Druk druk druk. Vergadering zus, vergadering zo en dan nog al die rapporten die ze 's avonds thuis las, vooral als het een enorme zooi was, die om aandacht vroeg.

Een dag werken betekende ook een dag Frederik op dezelfde gang. Het Hoofd van de afdeling en dat zouden ze weten op de gang ook. Hij had altijd zijn deur openstaan en zat de godganse dag aan de telefoon. Waar hij het over had, hoorde Eleanor niet, maar ze stelde zich zo voor dat hij zo langzamerhand weleens uitgeluld zou moeten zijn. Alles was toch al aan de orde geweest. Was het niet deze week, dan was het wel de vorige. Frederik zat bij elke vergadering. De rapporten las hij niet, hooguit de samenvatting, maar toch had hij altijd zijn mening klaar. Of in ieder geval een brij woorden over die alinea en dat hoofdstuk. Vergaderingen duurden altijd minimaal twee uur, meestal veel langer. Frederik nam minstens de helft van de spreektijd voor zijn rekening. Eleanor luisterde nooit wat hij zei. Ze zat wat met haar pen in een schrift te kalken en hij dacht ongetwijfeld dat ze zijn woorden woord voor woord noteerde, maar in feite schreef ze maar wat voor zich uit. Losse woorden, zinnen zonder betekenis, af en toe tekende ze een oog of een mond. Op gezette tijden sprak ze een enkel woord. In de notulen las ze achteraf wat er besloten was. En zo was het goed. Of nee, natuurlijk was het helemaal niet goed. Haar leven was een dikke mist geworden waarin ze niets meer kon ontwaren. Heel af en toe voelde ze de behoefte om die mist opzij te schuiven en toen ze die morgen op de fiets zat, besefte ze dat vandaag zo'n dag was, die anders dan andere moest worden, waarop iets doorbroken moest worden.

 

In het portiershok zat juist die bonkige man, met de belachelijk grote zilveren oorring in zijn oor, waar ze zo'n hekel aan had. Hoe het kwam, wist ze niet. De beste man had haar nog nooit iets gedaan. Misschien was het zijn loerende blik in de kleine oogjes, misschien waren het de onooglijke handen die eruit zagen alsof ze door een worstenmakerij waren vervaardigd, handen die in het donker knepen, die konden graaien of opgehouden worden, maar nooit iets constructiefs tot stand konden brengen. Of misschien was het de zurige lucht die altijd om hem heen hing. Ze wist maar al te goed dat ze hem moest groeten. Anders zou de volgende keer de slagboom ineens niet meer open kunnen als zij eraan kwam. Of zou haar afspraak niet gemeld worden waardoor de bezoeker in toenemende irritatie bleef wachten op het houten bankje in de portiersloge. "Sorry hoor," zou de smiecht zeggen als ze er achterkwam. "Ik heb u wel gebeld maar u was er niet." Ze groette dus. Goedemorgen, meneer Timotes! Ze wachtte zijn tegengroet, steevast in de vorm van een laag gegrom, niet af.

Terwijl ze over het terrein naar het gebouw liep waar ze werkte, bedacht ze dat ze het niet langer wilde, iedere morgen Timotes te zien. Even vroeg haar innerlijke stemmetje, dat pestwijf dat zich altijd in haar  verscholen hield en zich overal mee bemoeide, of het niet eerder zo was dat ze Harry niet meer wilde zien opstaan. Ze bracht het kreng echter tot zwijgen. Harry was Harry en ze had ooit voor hem gekozen. Ze moest de klus klaren. Toen ze hem had ontmoet, bij Broerse in Utrecht, heel lang geleden, was ze op hem gevallen omdat hij, jong als hij was, als een heertje tegen de bar had gestaan, leunend op zijn hockeystick alsof dat zijn wandelstok was. Hij had iets koninklijks, iets adelijks. Hij was toen al gezet, maar het stond hem goed. Het gaf hem de uitstraling van betrouwbaarheid en onbetwistbare superioriteit. De onzekerheden, en de leegte van die uitstraling was pas geleidelijk en veel later aan bod gekomen. Een heertje was hij nog altijd wel, zeker voor de schijn.

Jammer dat ze er zo doorheen keek. Wat was illusie toch een mooi goed. Over Timotes had ze zich nooit illusies gemaakt. Ze wilde die rotkop gewoon nooit meer zien. Hij zou vast wel stelen van de zaak, als ze dat nou eens bewees…. Maar nee, tijd om op de loer te gaan liggen om hem ergens op te betrappen had ze niet. Weggaan, ophouden met werken, alweer schoot het door haar hoofd. Niet nog een keer vergaderen met Buitelaar, de aansteller.

Hij was al minstens zestig, maar probeerde er uit alle macht uit te zien als de aantrekkelijke jongeman die hij ooit geweest moest zijn. Waarschijnlijk zat hij elke avond op de sportschool, al probeerde hij de indruk te wekken dat hij zich in zijn vrije tijd met cultuur bezighield. Mahler en moderne kunst. En poëzie. Hij schreef gedichten, had hij haar eens toevertrouwd in de rookpauze. Waarschijnlijk abstracte wangedrochten van zinnen onder elkaar geplakt. Zijn rapporten waren tenminste niet te lezen. Nog stuitender was elk gebrek aan logisch redeneervermogen. Toch werd hij door Frederik altijd weer gevraagd om het een of andere veldonderzoek uit te voeren. Dat veld bestond meestal uit wijkverpleegkundigen die hogerop waren geklommen en nu stafmedewerkers waren. Geen hand meer aan het bed, dat sprak vanzelf. Nee, in leaseauto met laptop van vergadering naar vergadering om te vertellen hoe het veld erover dacht. De professional. Die het oh zo druk had en toch maar alles klaarspeelde.

Eleanor knipte het licht aan in haar werkkamer en zag de ongeordende stapel op haar bureau. Ze moest het vandaag maar weer eens op een rechte stapel leggen: eentje links en de andere rechts, zodat het net leek alsof ze hard bezig was. Terwijl het enige wat ze deed de titels van de rapporten en de onderwerpregels van de brieven lezen. Gelukkig was er tegenwoordig e-mail, dat kon je direct in de trash donderen. Ze pakte het eerste rapport van de stapel, morste er zorgvuldig een koffievlek op en legde hem op de rechterkant van haar bureau. Bij het volgende maakte ze een ezelsoor. Dat legde aan de linkerkant. Kijk, dat schoot op!

De deur zwaaide open en Frederik kwam haar kamer binnen. “Het is geweldig goed, dat rapport van Buitelaar!” riep hij. Net of hij het gelezen had. Ze geloofde er geen barst van. Frederik las zelfs de titels niet. Wat dat betreft was zij toch echt degene die het hardste werkte. “Oh ja?” bracht ze uit. “Is het nu duidelijk hoe het moet met de veiligheid?”  Even keek Frederik haar verbaasd aan, toen herstelde hij zich en knikte. “Ja, heel duidelijk. We moeten hem groen licht geven!” Eerst maar eens zien of hij voldoende verklaring kan geven op de begroting. Die vind ik nogal hoog.” “Ja, ja, voor niets gaat de zon op, voor niets gaat de zon op.” Hij streek bedachtzaam met zijn hand langs zijn kin, waar een jonge halvedagsbaard stond. “Maar eigenlijk wil ik iets anders aan de orde stellen,” ging hij voort. “Je werkt te hard, Eleanor! Je moet ontspannen, je moet er even tussenuit!” “Geen denken aan! Kijk eens wat er ligt!” Ze zwaaide met haar arm in de richting van de stapels die zich ter linker en ter rechterzijde van het bureau vormden. Tenslotte moest je het ijzer smeden als het heet was. “Je hebt altijd je deur dicht,” bracht Frederik in. “Je sluit je af voor de afdeling. Dat wijst erop dat je teveel hooi op je vork hebt genomen.” Hij pauzeerde even. Eleanor genoot met volle teugen. “Ach, Frederik,” bracht ze in. “Ik weet wel dat het veel is, maar iemand moet het toch doen. Je weet, met die bezuinigingen, voordat je het weet wordt de afdeling opgeheven. En waar staan we dan? Jij en ik?”

“Kijk, Eleanor, ik waardeer je inzet, maar om erger te voorkomen vind ik dat je toch wat rustiger aan moet doen.” Weer pauze, weer de hand bedachtzaam over de jonge baard. “Aanstaand weekend zou ik met de club hier de hei op willen. Om de beleidsdoelstellingen door te nemen. Daarna zou je vrij moeten nemen. Of nemen. Je krijgt het. Je krijgt het gewoon!”

Eleanor rilde nog voordat de volle omvang van zijn bericht tot haar was doorgedrongen. Een heideweekend! Met de collega’s! Ongetwijfeld in een hotel ergens ver weg zodat je godsonmogelijk naar huis kon op zaterdagavond, maar wel moest blijven slapen. Dus na het programma nog even gezellig nabomen in het hotelcafé. En er was geen mogelijkheid om te weigeren. Dat accepteerde Frederik niet. Als ze weigerde zou hij onmiddellijk gaan zeuren over haar gebrek aan inzet, al was dat nog zo in tegenspraak met zijn eerdere verhaal. Hij negeerde de verbijstering die ongetwijfeld van haar gezicht moest druipen en ging verder: “Buitelaar zal het weekend begeleiden. Die weet van de ins en de outs, dus er is geen betere.” Buitelaar! Natuurlijk! Waarom niet! Het werd dus echt een soort spookweekend, of een soort horrorshow. “By the way, zou jij straks, na de vergadering met Buitelaar aan het programma kunnen werken? Het is de bedoeling dat het geheel er een beetje speels uit ziet, en prikkelend, vooral prikkelend.

 

Tegen de tijd dat de vergadering begon, had ze twee prachtige stapels aan iedere kant van het bureau. Een vrouw die wist wat ze deed. Ze lachte hardop om dat beeld. De afdelingssecretaresse kwam binnen. “Het is tijd,” zei ze. “Wat voor verslag wil je hebben. Uitgebreid? Of juist kort?
Eleanor haalde haar schouders op. “Het maakt niet uit,” zei ze. “Als je Frederik maar veel citeert en ervoor zorgt dat de naam van iedereen erop komt te staan. De rest lezen ze toch niet. Ga jij trouwens ook mee, dit weekend?” Aleid knikte. “Ik zal wel moeten,” zei ze. “Frederik wil iedereen erbij, ook de ondersteuning. Voor de saamhorigheid of zoiets. Ik zit er natuurlijk niet echt op te wachten en het komt ook niet uit want Jaap zijn moeder komt dit weekend, maar ga zoiets maar eens zeggen tegen Frederik. Die pikt dat niet.” Arm mens. Moest ze weer het hele weekend met de pen in de aanslag zitten.

In de vergaderzaal zat Buitelaar al klaar. Zijn gouden vulpen lag rechts van zijn kalfslederen schrijfmap. Hij droeg een felroze pull-over op een gele broek, weer helemaal het zonnetje in huis. Zodra hij Eleanor zag, liep hij op haar toe en schudde haar krachtig de hand. Een pijnscheut vloog door de botten van haar pink, die ze geblesseerd had bij het uitladen van de boodschappen. Het ging maar niet over.

Ze wierp een blik op de begroting. Een veel te hoog bedrag. Dat zou ze straks gaan inbrengen. Frederik kwam binnen en opende de vergadering. Formeel als altijd, al zagen alle aanwezigen elkaar minstens drie keer per week. Hij meldde de berichten van verhindering. Hij heette in het bijzonder Buitelaar welkom die er weer hard aan getrokken had ondanks de veeleisendheid van het ministerie op het gebied van projectomschrijving en begrotingsdiscipline en niet te vergeten de hoge tijdsdruk. Hij meldde dat hij om twee uur een afspraak had en dat hij dus uiterlijk om een uur de vergadering wilde sluiten. Je kan hem wat mij betreft nu wel sluiten, dacht Eleanor. Zeg maar dat het goed is, en dan zijn we weer klaar. Kan ik weer verder met mijn stapels. Maar natuurlijk vroeg hij Buitelaar om het lijvige rapport toe te lichten. Zodra die zijn mond opendeed, probeerde Eleanor uit alle macht aan iets anders te denken. De ogen van Annie Lennox. Oh nee, niet de ogen van Annie Lennox! Maar het was al te laat. Dat blauw van jou waar ik zo van hou, zong het door haar heen. De onderbroek van Harry. Ze glimlachte. Dat was een forse boxershort waarin hij nog lekker kon groeien. Zat prettig bij het opereren, beweerde hij, want daar ging je van zweten. vooral in de lagere regionen. De nieuwe tieten van de buurvrouw. Zinnen die Buitelaar uitsprak drongen tot haar door. Dan maar niet de nieuwe tieten van de buurvrouw. Ze was niet zo borstminded, eigenlijk. Mijn god, wat zat ze nou toch weer te denken. Een koel meer. Van de koele meren des doods. Dat was beter. Doder dan dood. Ooit hield het op, borsten of geen borsten, ogen van Annie Lennox of die van Frederik.

“En dan zijn we nu toe aan de begroting,” hoorde ze Frederik zeggen. De mensen rondom de vergadertafel namen weer vaste vormen aan, ze nam het rapport in de hand en deed alsof ze ernaar keek. “Ik zou graag de post projectmanagement gespecificeerd willen zien,” zei ze. “Want 200 euro per uur, zo zonder toevoeging, dat vind ik wel erg veel. En verder zou ik een uitsplitsing zien van de materiaalkosten.” Ze keek Buitelaar aan. “Wat heb je in godsnaam nodig voor dat onderzoek? Een heel nieuw rekencentrum? Een bataljon commando’s? Een kantoor op de Keizersgracht?” Buitelaar verbleekte. “Het zijn anders reële kosten!” bracht hij in. Hij keek naar Frederik, die zijn baardstoppels weer zat te kietelen. Het werd nu echt tijd dat hij zich ging scheren, want hij begon er groezelig uit te zien. “Goed,” zei hij uiteindelijk. “Zullen we dan maar zeggen dat het project is goedgekeurd op voorwaarde dat de heer Buitelaar nog even naar de specificaties kijkt? Eleanor, handel jij het af in praktische zin?” Jahoor, dacht ze, ik stuur wel een mailtje naar het ministerie, afdeling Den Haag, ben ik er weer voor een paar maanden vanaf. Ze volstond met een korte knik. Frederik keek op zijn horloge. “Er is nog wat tijd over om het over het aanstaande weekend te hebben,” zei hij. “Eleanor zal samen met de heer Buitelaar het programma maken, maar misschien hebben de andere aanwezigen nog wat input. Jannie, jij misschien?”  Jannie was een ijverig en toegewijd ambtenaar. Tenminste, dat maakte Eleanor op uit het feit dat ze van haar in de avonduren ook vaak e-mail ontving. Ze reageerde daar nooit op. Werk is werk en privé is privé tenslotte, maar het tekende het mens wel.

“Ik wil vooropstellen dat ik heel blij ben met het plan van het weekend,” begon Jannie. “Het zal ons goed doen om wat meer tijd te besteden en te brainstormen om op een lijn te komen. Ik heb nog niet duidelijk voor ogen hoe er vorm aan gegeven zou moeten worden, maar ik zou graag aandacht besteden aan het intermenselijke aspect. In de waan van de dag sneeuwt dat nog weleens onder.”

 

Even later zat Eleanor met Buitelaar op haar kamer. Beter gezegd: zij zat en hij ijsbeerde heen en weer. Om hem alle gelegenheid te geven om te doen wat hij niet kon laten, concentreerde ze zich op het afstoffen van haar koffiemok. Haar mobieltje trilde. Ze  keek naar het nummer: Mariska. Kon wachten. Ze moest haar waarschijnlijk in Utrecht ophalen.

"Weet je wat het met jou is?" siste Buitelaar.

"Nee, maar je gaat het me ongetwijfeld vertellen," sprak ze. Met de papierprikker haalde ze een stuk vuil onder een nagel weg. Buitelaar snuifde als een bronstig paard.

"Inderdaad!" Hij pakte de rand van het bureau en stond gebogen voor haar. Zijn gezicht raakte bijna het hare. Ze deinsde achteruit: hij stonk ongelooflijk uit zijn bek. Dat kwam ervan als je voortdurend moest vasten om op gewicht te blijven.

"Dat cynische, dat harde! Altijd maar mijn rapporten afkraken, altijd maar opmerkingen over de begroting. Met Frederik was het allang rond. Jouw opmerkingen waren helemaal overbodig. Je weet toch dat Frederik dat onderzoek zou doorzetten? Waarom dan die opmerkingen met Elske van het veld erbij? Die neemt dat straks weer mee naar het veld en dat gaat allemaal ten koste van mijn geloofwaardigheid, neem dat maar van mij aan!"

Eleanor haalde haar schouders op. "Wat kan mij jouw geloofwaardigheid nou schelen! Het is gewoon prut en prul wat jij presteert en dat weet je." Buitelaar werd knalrood. Hij danste ongemakkelijk op de bal van zijn voeten.

"En dat zeg jij! Wat doe jij hier in godsnaam de hele dag! Een slome ambtenaar, die doet wat haar gezegd wordt, die de hele dag maar achter die stapels zit, die nog nooit op een creatieve gedachte betrapt is."

"Die gele broek is trouwens geen gezicht. Aanvaard nou eens dat je zwaar bejaard bent, man! Jij moet een degelijke broek aan waarin je uitzakkende ballen lekker de ruimte hebben." Deze bespreking was nog eens een aangename afwisseling met hoe het gewoonlijk ging. Eleanor was van plan om het lang te laten duren.

"Dan jij een bloemetjesjurk met een witte kraag, zodat dat walgelijke vette olifantenlijf van je tenminste goed verborgen wordt!"

"Die rapporten van jou zijn trouwens niet te lezen, dat taalgebruik van jou is verschrikkelijk. Weet je zeker dat je je cv niet vervalst hebt? Volgens mij heb je de lagere school niet eens afgemaakt. Of ben je misschien dyslectisch? Ja, dat zal het zijn, dyslectisch! Lekker modieus, kan je mee aankomen bij je vriendjes in de sauna. Heb je die jongen nog altijd trouwens? Of is die er al vandoor met een lekkerder hapje?"

Buitelaar balde zijn vuist en even leek het of hij haar een volle slag in het gezicht zou geven. Dat zou nog eens wat zijn. Kijken of Frederik hem dan nog steeds binnen wilde houden. Ze zou geëist hebben dat alle banden met het bureau Buitelaar onmiddellijk zouden worden verbroken. Buitelaar liet zijn arm echter vallen. Hij krabbelde in zijn kruis, dat deed hij vaker als hij zich opwond.

"Zit-ie er nog?" vroeg Eleanor. Snel haalde hij zijn hand weg.

"Het is vanwege Frederik dat ik me professioneel opstel, hoewel dat eigenlijk niet van mij gevergd kan worden," zei hij. "We moeten dat weekend regelen, jij en ik. Zoals gewoonlijk zal er niet veel uit je smalle kokertje komen, maar de schijn moet maar opgehouden. Dus ik dacht, als het intermenselijk moet zijn, dan doen we iets met rollenspel. Bijvoorbeeld dat een deelnemer de bedreigde speelt en de ander de bedreiger, en dan evalueren we per stukje."

"Lijkt me helemaal niks maar je gaat je gang maar. Ik ga de bedreiger spelen. En jij de bedreigde. Dan doen we het voor! He, nou ik erover nadenk, lijkt het me toch wel leuk. Ik ga me er nog op verheugen, als ik niet uitkijk!"

"Ik wil jou zo weinig mogelijk zien," zei hij op een benepen toontje. "Je blokkeert me. Dat is niet effectief."

"Ach man, hou toch op! Het is sowieso verloren tijd, net als alles waar jij je mee bemoeit. Maar Frederik is nou eenmaal onze verbindende factor en we worden ervoor betaald om toch met elkaar te maken te hebben. Nou, dan doen we het zo. Ja. Dat is besloten. Als je er nog verder over zeikt, dan zeg ik tegen Frederik dat ik niet weet wat het is maar dat je je niet constructief opstelt."

"Goed, als je het zo wilt spelen…" Hij nam zijn rugzakje en sloeg de deur met een klap dicht toen hij haar kamer verliet.

 

Eleanor belde Mariska. "Dag mam, kan je me straks komen halen? Bas heeft geen auto en ik moet schone kleren ophalen want dit weekend hebben we feesten." Eleanor zuchtte. Eens was dit kind een weerloze baby geweest, waarvan ze geen moment wilde wijken, die ze koesterde en haar steeds als ze naar haar keek met vertedering vervulde. Veeleisend was ze toen ook al: de hele nacht blèrde ze om aandacht, maar een baby mocht dat. Per slot van rekening was ze net ongevraagd de wereld ingeschopt, en enige tijd protesteren tegen dat geweld was geoorloofd. Wanneer had ze innerlijk afstand genomen van dit kind? Misschien in de puberteit, hoewel ze toen, in al haar verzet, ook nog aandoenlijk was geweest. Het kwam iets later, toen ze ging studeren en het huis in Soestduinen als een soort hotel ging gebruiken. Toen haar blik alleen nog op de buitenwereld was gericht en ze haar moeder niet meer zag staan. Jaloezie, het was gewoon jaloezie. Met Aart had ze dat niet, dat was altijd meer een kind van Harry geweest. Ze sprak af dat ze Mariska zou ophalen van het Vredenburg en weer weg zou brengen naar de Ina Boudier Bakkerlaan als ze haar kleren had afgehaald. Te toegevend. Dat was het probleem: ze liet teveel over zich heen lopen. En het was nu of nooit want een toekomst, een later was er niet meer. Er moest verandering in komen. Niet nog een avond de verhalen van Harry, niet nog een ochtend de onbeholpen aanhankelijkheid van Aart, en zeker niet nog een vergadering met Buitelaar. Dit weekend zou ze de knoop doorhakken. Even was ze verbaasd over zichzelf: welke knoop? Maar diep van binnen had ze het altijd geweten en wist ze het nu: alle knopen die in de loop der jaren om haar verstrikt zaten, die haar beknelden en net niet wurgden. Nu moest het gebeuren, ze moest zelf gaan wurgen, of zou eraan gaan: het was in feite pure zelfverdediging.

 

Ze reed door het bos naar huis en een steeds groeiende opwinding nam bezit van haar. Ze voelde zich een vampier die ternauwernood aan de houten staak was ontsnapt, een terdoodveroordeelde die de executie was ontkomen doordat het touw brak, een ontsnapte uit Alcatraz. Levend dus, op de valreep aan de dood ontkomen en daarom waren de uren, dagen, maanden, jaren die voor haar lagen des te kostbaarder. Ineens hield ze weer van Harry, al wist ze dat ze hem uiteindelijk zou verlaten. Even stopte ze met trappen: het was voor het eerst dat dit tot haar doordrong. Ze zou Harry verlaten, Harry met zijn dikke buik en zijn mooie chirurgenhanden, de deftige jongen die leunde op zijn hockeystick, de snurkende man in ruime boxershort. Maar dat hoefde niet meteen, natuurlijk, en ze hoefde het hem ook niet meteen te vertellen. Eerst nog wat ronddollen, om te beginnen het aanstaande weekend. Het telefoontje naar de AIVD zou ze plegen als ze straks thuis was. Gelukkig werkte ze op een ministerie: dat zou hun actiebereidheid aanzienlijk vergroten.

Haar kinderen zou ze vrijlaten. Ze mochten voor zichzelf gaan zorgen. Dat wilden ze niet, ze leken net op goudvisjes die zo gewend zijn om in een kom te zwemmen dat ze dat in de oceaan blijven doen, maar ze moesten. Geen bewassing meer, en geen gratis taxi. Moederliefde ook niet. Wie weet, zouden ze haar stap later waarderen, en kwam het nog tot een soort vriendschap, maar voorlopig zouden de relaties wel enigszins bekoelen.

Geen vergadering meer met Frederik en al helemaal niet met Buitelaar. Nooit meer hun rapport inkijken. Nooit meer hun gezever beluisteren. Ze grinnikte bij de gedachte aan Frederiks toestand als alles achter de rug was en hij te weten was gekomen hoe het werkelijk was gegaan. Hij zou de schok nooit meer te boven komen en hij zou zeker vertellen dat ze zwaar overspannen was. Wat heet: gek, gestoord, en dat hij het wel had zien aankomen maar nooit had kunnen vermoeden dat het zulke ernstige gevolgen zou hebben. Misschien echter was ze tegen die tijd al ver weg.

Bij een bankje stapte ze af en ging zitten. Ze draaide een shaggie en belde Mariska. "Schat, ik kan je toch niet komen halen." "Maar het moet! Hoe kom ik anders aan mijn kleren! Je moet, mam!" "Sorry," zei ze en ze verbrak de verbinding. Een gevoel van welbehagen groeide in haar borst.

Op een tak in een boom tegenover haar tikte een specht ijverig een gat. Arm dier, dacht ze, gedoemd om een leven lang hetzelfde te doen en niet eens het benul of de macht om eruit te stappen. Ze zoog de rook diep in haar longen. Slecht, heel slecht, voor de gezondheid, maar tenslotte was het leven zelf slecht voor de gezondheid. Aleid, haar secretaresse, zei dat regelmatig.

Toen ze haar shaggie op had, stapte ze weer op de fiets. Het was druilerig weer, maar dat hinderde haar niet. Belangrijker was dat het rustig was in het bos. Geen wandelaars, geen andere fietsers. Opvallend, hoe de wereld stukje bij beetje van haar werd. Nu al. En alles wat daar voor nodig was, was een gedachte die zou leiden tot een plan dat ze zou gaan uitvoeren. Dit weekend.

Bij haar huis stond haar buurvrouw Sabrina op de stoep. Ondanks het slechte weer droeg ze een zeer korte rok en een zeer laag uitgesneden blouse. In haar hand had zij een snoeitang. Ze zag er een beetje afwezig uit, zoals ze stond te staren met die schaar in de aanslag terwijl haar struiken meters ver weg waren.

"Dag Sabrina," zei ze. "Lekker aan het tuinieren?" Van een ver geestelijk rijk kwam Sabrina terug en keek haar aan.

"Was ik van plan, ja, maar het regent. Dus ik denk dat ik maar weer naar binnen ga."

"Zou ik maar doen. Of trek anders een jasje aan, want je vat nog kou, zo."

Sabrina keek naar beneden haar lijf langs, alsof ze niet wist wat ze eigenlijk droeg.

"Nigel vindt me leuk zo," sprak ze afwezig. "Het is wel koud, dat wel, maar een jas, dat leidt zo gauw tot tuttigheid, vind je niet? Nigel houdt niet van jassen, niet bij mij tenminste. Zelf draagt hij ze wel, van die leren, die heel veel kosten, je wilt niet weten hoeveel Nigel aan kleren uitgeeft. Tien vrouwen kunnen er nog niet tegenop."

"Zin in een kop koffie? Of wat sterkers?"

 

Even later zaten ze in Eleanors riante zithoek aan de oude jenever. "He, lekker!," verzuchtte Sabrina. "Ik word helemaal warm van binnen! Van Nigel mag ik eigenlijk niet drinken, want ik word er dik van, zegt hij. Maar hij blijft vannacht toch op Papendal, dus hij merkt het niet."

Steeds weer dwaalde Eleanors blik af naar Sabrina's borsten. Mooi wel, die gebruinde bergen. Zou er nog gevoel in zitten? Het waren tenslotte siliconen, of werden ze daar tegenwoordig niet meer van gemaakt. Hoe zouden ze voelen? Zouden ze koud zijn? Of werden ze opgewarmd door de rest van het lichaam.

Ze schonk zich een derde jenever in en vulde het glaasje van Sabrina bij die al aan haar vierde was.

"Mag ik ze even strelen?" vroeg ze. Ze kon haar tong wel afbijten. Hoewel ze had besloten met alles te kappen en flink te breken met de sleur, week zo'n vraag toch wel heel erg af van het beeld van keurige vrouw uit Soestduinen. Moest ze de schijn niet nog een paar dagen ophouden? Tot het weekend in ieder geval?

Sabrina zette haar glas neer en deed haar truitje uit, alsof Eleanor haar gevraagd had zich even om te draaien zodat ze kon bekijken hoe haar rok van achteren zat ofzo.

Eleanor streelde voorzichtig een borst. Het voelde hard aan, harder dan normale borsten. Onecht, dat was te verwachten. Toch was het op een vreemde manier prettig. Ze streelde ook de andere. Sabrina zuchtte vergenoegd.

"Voel je nu wat?" vroeg Eleanor. Nu ze bezig was, kon ze net zo goed meteen doorpakken. Ergens in haar achterhoofd rinkelde een alarmbelletje, maar het geluid werd steeds vager.

Sabrina schudde het hoofd. "Nee, niks meer. Ze zijn er echt voor Nigel, dat hij wat heeft om mee voor de dag te komen op die voetbalfeestjes. Die jonge jongens daar zijn er gek op. Volgens mij zijn ze in de war met een voetbal. Al hebben ze nog nooit geprobeerd ertegen te schoppen." Ze schaterde het uit. Toen ze gekalmeerd was, keek ze Eleanor aan. "Ik hou helemaal niet van grote tieten, eigenlijk. Mijn eigen waren van die kleine dotjes, vertrouwd, lekker warm, ik kan maar niet wennen aan die ballonnen in mijn blouse. Maar ja, Nigel, hè. Het is een lekkere vent, hoor, daar niet van, maar hij is erg op de uiterlijke schijn. Dat hebben al die voetballers, hoewel Johan Cruijff wel meevalt, die is meer gewoon."

"Waarom ga je niet bij Nigel weg?"

"Meid! Ben je gek? Wat moet ik beginnen zonder Nigel! Ik hou van hem hoor! En buiten dat: hij brengt een hoop binnen, dat is erg lekker. We kunnen alles doen. Grote SUV, drie keer per jaar op vakantie. Naar hartstikke verre landen. Nee joh, wat zou ik nou moeten beginnen zonder Nigel…" Ze staarde voor zich uit, alsof ze de mogelijkheden toch aan het overwegen was.

"Hoe gaat het eigenlijk met Jordy?" vroeg Eleanor, "Nog steeds aan de drugs?"

"Ach ja, daar gaat hij nooit meer van af. Hij is teveel verwend, denk ik. Te veel in de watten gelegd en dan krijg je dat. Hij zit in een ontwenningskliniek, maar ik weet nu al dat dat niks zal uithalen. Hij grijpt toch iedere keer weer naar de coke."

"Het zal je kind maar wezen…" verzuchtte Eleanor meer tegen zichzelf dan tegen Sabrina.

Op dat moment zwaaide de deur open en stond Mariska in de kamer. Op huilerige toon schreeuwde ze: "Ik ben hier helemaal naar toegekomen met de taxi! Dat kost me mijn halve studiegeld voor deze maand! En je bent gewoon thuis, waarom ben je me niet komen  halen?"

"Nou kind, je bent er toch gekomen, zie ik," zei Eleanor. Plotseling werden Mariska's ogen zo groot als schoteltjes: "Waarom zit de buurvrouw hier met blote borsten! Gadverdamme! Mijn moeder is een pot!"

"Kindje toch, zo heb ik je niet opgevoed. Ik heb je geleerd om iedereen te respecteren, ook homoseksuelen, dus het gaat niet aan om je eigen moeder voor pot uit te schelden. Bovendien…." Hier stokten de woorden. Had ze nou zojuist bekend dat ze lesbisch was? Nee toch zeker? Ze had Sabrina alleen maar uit nieuwsgierigheid gevraagd haar borsten te laten voelen, anders niet. Of toch? In ieder geval, een kind had haar moeder niet zo te bejegenen, punt uit. Bovendien had ze drie borrels op en dan deed een mens weleens vaker wat wat ze niet deed als ze net uit haar bed stapte of aan de kantoorkoffie was.

"Hoe moet het nu verder!" gilde Mariska. "Mijn moeder, met de buurvrouw op de bank, in compromitterende omstandigheden. Ik heb niks tegen lesbo's, ik heb er zat onder mijn vriendinnen, maar toevallig ben jij wel mijn moeder. Die getrouwd is met mijn vader! Weet pa het eigenlijk al?"

"Hij weet niks want er valt niks te weten."

"En iedereen kan naar binnen kijken! Dat ook nog, dat de hele buurt meteen weet dat mijn moeder het heeft aangelegd met de siliconenpop van Nigel het voetbaltalent met zijn kreupele topvoetballers! Oh mijn god! Ma, denk je eigenlijk wel aan mijn relaties? Ik heb nog een hele carrière voor me hoor. En je weet hoe zoiets rondzingt!"

"Draaf niet zo door, Mariska! Je lijkt wel een kind van vier met die driftbuien. Als ik iets moois zou hebben met de buurvrouw, wat dus niet zo is, dan zou dat jou helemaal niks aangaan."

Mariska stampvoette. "Ik vind het niet goed! Ik vind het niet goed!"

"Gelukkig heb je niks goed te vinden. Nou, pak je kleren maar en zie dat je in Utrecht komt."

"Brèng je me dan niet! Ik kan toch niet weer met de taxi terug?"

Eleanor wuifde de bewering met een vermoeid zwaaigebaar weg.

"Dan ga je lopen. Of met de trein." Sabrina nam nog een slok van haar jenever en trok haar blouse aan. "Ik ga maar weer eens," zei ze. "Bedankt voor de borrel, het heeft me echt goed gedaan. Niks zeggen tegen Nigel hoor." Ze giechelde.

"En jij," sprak ze tegen Mariska. "Mag ik je een raad geven? Hou vooral je eigen borsten, wat jouw Nigel later ook tegen je zegt."

 

Uiteindelijk was Mariska na veel gedram met de trein naar Utrecht vertrokken. Eleanor genoot van de namiddag, waarin de waterige zon haar kamer binnenkwam. Net zozeer genoot ze van de jenever. De glazen telde ze al niet meer, ze liet de loomheid over haar heen komen, en bedacht dat ze zich altijd zo wilde voelen. Tegen vijven sukkelde ze in slaap.

Ze had Harry niet horen binnenkomen. Ineens stond hij naast de bank en keek haar onderzoekend aan. Hij zag er moe uit met rode vlekken in zijn gezicht: dat wees op een zware dag. En lange, lange verhalen. Aan de kringen onder zijn ogen meende zij te zien dat een van zijn patiënten vandaag onder zijn handen de dood was ingeslopen. Hij trok zich dat persoonlijk aan. Hij verweet die patiënt het ontijdige sterven dat ten koste ging van zijn reputatie. Harry snoof.

"Je hebt gedronken!" zei hij. Eleanor knikte.

"Anders drink je niet overdag!"

"Nu wel."

"En we zouden vanavond naar Van Aerdenhout gaan, en je bent nog niet gekleed! Trouwens, ik wil niet dat je meegaat, je ziet er straalbezopen uit."

"Ik peins er ook niet over om mee te gaan. Nu niet en nooit niet. Die droogkloot met zijn uitgestreken ponem. De hele avond opzitten en pootjes geven. En die vrouw van hem…wat een karkas, volgens mij halen ze die elke ochtend uit haar doodskist en piepen ze haar op in de oven zodat ze weer een dagje mee kan."

"Eleanor! Je hebt het over een gewaardeerde, gerespecteerde collega van mij! Jij bent mijn vrouw, ik laat je vrij genoeg…."

Eleanor sprong als gestoken op.

"Oh? Laat jij mij vrij? En moet ik je daar dankbaar voor zijn? Wie denk je wel dat je bent, meneer Harry? Mijn cipier soms?"

"Het is normaal dat een man af en toe verlangt dat zijn echtgenote fatsoenlijk en wel aan zijn zijde staat! Ik zal wel zeggen dat je migraine hebt, maar dit mag niet te vaak voorkomen. Ik heb een druk bestaan, ik bied je een comfortabel leven en daar wil ik wat voor terugzien. In ieder geval wil ik niet dat je 's middags straalbezopen op de bank ligt als ik thuiskom."

"Jongen toch! Jij hebt niks te willen, begrijp dat nou toch een keer! Ga nou maar naar Van Aerdenhout en laat mij met rust."

Ze stond op van de bank. Dat ging moeizamer dan ze verwacht had. De jenever was kennelijk in haar benen gezonken. Bij de deur zei ze: "Aanstaand weekend moet ik weg. Voor mijn werk. Dat je het weet."

"Daar komt niets van in! Mijn moeder komt logeren!"

"Mooi, dan ben je niet alleen." Ze sloot de deur en liep de trap op naar haar kamer.

 

Toen ze die vrijdagmiddag in haar auto stapte, had ze nog steeds last van haar kater. Op haar kamer was ze namelijk nog even doorgegaan met drinken: jenever, vermout en wijn door elkaar. Pas toen diep in de donderdagnacht al haar relatiegeschenken op waren, was ze gaan slapen. Harry had ze niet meer gezien. Wel had ze hem horen schuifelen toen hij naar bed ging. Hij klonk wankel, alsof hij ook het een en ander achter de kiezen had.

Haar hoofd bonkte dus, en ze voelde zich kotsmisselijk en uitgewrongen. Ze keek naar het huis van Sabrina en Nigel: de gordijnen waren nog gesloten. Ook Sabrina was dus doorgegaan. Jammer dat ze waren gestoord door Mariska. Hoezo jammer. Wat denk ik toch allemaal. Ik word nog eens echt gek. Of lesbisch, of allebei.

"This is the day I've been waiting for, this is the day of the change. No man can make me stay here, I've unlocked the chain. Set me free," zong ze zacht voor zich uit. De koppijn nam toe door haar eigen stemgeluid. Het was nog een eind rijden naar het congresgebouw in Wieringen. Jammer dat ze ruzie had met Mariska, anders had die haar kunnen brengen. Ze nam zich voor op de rechterbaan te blijven, al moest ze in een slakkengangetje van zestig rijden.

Harry was natuurlijk gewoon naar zijn werk gegaan. Niets maar dan ook niets had hij laten blijken van zijn gevoelens over het verloop van de vorige dag. Ze had verwacht dat hij woedend haar kamer was binnengestapt en, nadat zijn woede bekoeld was, aandacht had gevraagd voor zijn overleden patiënt. Misschien interesseerde het hem werkelijk niet en had hij zich erg vermaakt bij Van Aerdenhout. Die was het hoofd van de afdeling en als hij met zijn vingers knipte, deden de chirurgen wat hen gezegd was. Ook op bezoek gaan, en naar de diashow van zijn laatste verre reis kijken. Eleanor was meestal meegegaan, en dan was de hele avond bezig het gapen te onderdrukken.

Ze reed langzaam de straat uit. Mevrouw Van Damme keek de straat op vanachter de vitrages. In deze buurt hadden ze geen burgerwacht nodig, want er was weinig dat mevrouw Van Damme ontging. Op haar aanroep verscheen de politie diverse keren per week in de straat, want het kon er zo onschuldig niet uitzien, of mevrouw Van Damme zag er wel een poging tot misdrijf in. Zo was er deze week nog een keurige wandelaar opgepakt. Mevrouw Van Damme was er van overtuigd dat het een zelfmoordterrorist was die door de straat liep: wat kon er anders in het rugzakje zitten dan dodelijke explosieven. Het blonde haar was een camouflage, zo wist ze te vertellen. In werkelijkheid was de man een moslimfundamentalist, want hij liep met zijn gezicht in de richting van Mekka. Het zou nog dagen duren voor haar verontwaardiging over de vrijlating van de man voorbij was. "Geen bewijs," had ze geschamperd. "Wat een onzin, je ziet zo dat het niet deugt. Die explosieven waren verborgen in de appeltjes, maar daar hebben de heren politie natuurlijk niet naar gekeken! Nog even, en wij worden allemaal het slachtoffer door de zwakheid van onze autoriteiten."

Eleanor zwaaide. Mevrouw Van Damme trok zich schielijk terug.

Op de snelweg was het nog niet druk. Eleanor kon half slapend honderd rijden en lette niet op de claxonnerende bumperklever achter haar. Al rijdende nam ze een pijnstiller en dronk ze een paar slokken water uit het flesje dat ze altijd gereed had in de autodeur. Bij Den Bosch zou de hoofdpijn wel wat gezakt zijn.

Plotseling zag ze een lifter staan op de vluchtstrook. Iemand met lef. Dat moet beloond worden. Ze stopte. De vrouw stapte in en knikte haar toe.

"Ik ga naar Wieringen," zei Eleanor. "Waar moet jij heen?" "Wieringen is okay," zei de vrouw. Eleanor nam haar op terwijl ze invoegde vanaf de vluchtstrook. De vrachtwagenchauffeur achter haar toeterde langdurig. Ze stak haar middelvinger op. "Altijd dat ongeduld," sprak ze voor zich uit. De vrouw zag er wel erg casual uit: een gebleekte spijkerbroek met scheuren erin, echte, niet van die fabrieksmatig aangebrachte, een shirt vol met vlekken en een totaal versleten leren jack. Ze stonk naar oud zweet en de vuilnisbak in een hete zomer. Ze keek voor zich uit, alsof ze er niet echt bij was. Voor de gezelligheid had ik het niet hoeven doen. Het kon Eleanor niet schelen, ze tufte rustig voort richting Wieringen. Het was pas bij de afslag dat ze bedacht dat het een leuk idee zou zijn om de vrouw mee te nemen naar haar kamer. Het zou de sfeer al min of meer bepalen als ze aankondigde dat ze een gast had meegenomen, met wie ze zich buiten het officiële programma wilde bezighouden.

 

In de hal van Congrescentrum De Wilde Weelde stond Frederik met een presentielijst. "Eleanor!" riep hij verheugd uit. "Ik hoopte al dat je op tijd zou zijn, want ik wil nog het een en ander met je doornemen."

Hij besteedde geen aandacht aan de vrouw die zwijgend met haar was meegelopen. De hele weg had ze geen woord gesproken.

"Ah, goed, Frederik. Dit is mijn vriendin. Zij is meegekomen en blijft gedurende het programma op mijn kamer, maar daarbuiten gaan we samen iets leuks doen, is het niet Els?" De vrouw knikte en gaf Frederik een hand. "Het was eigenlijk niet de bedoeling dat er partners meekwamen," zei Frederik. "Dat leidt maar af, en dan de teamspirit. Maar, mevrouw Els, ik hoop dat u zich desondanks vermaakt!" Els nam de sleutel aan. "Ik ga vast inrichten," zei ze en ze verdween in de richting van de kamers.

"In godsnaam, Eleanor!" siste Frederik zodra ze buiten gehoorsafstand was. "Waar ben je nu weer mee bezig? Je vriendin? Hoe moet ik dat opvatten?  Weet Harry er eigenlijk van?"

"Het gaat je niets aan. Het is privé, Frederik. Ik heb mijn vriendin nodig als klankbord." "Als je van plan bent om mevrouw mee te nemen naar het diner, zorg er dan wel voor dat ze zich wat opknapt. Zoals ze er nu uitziet, kan het natuurlijk niet. Wat een voddenbaal. Waar heb je haar opgedoken? In de kroeg? Waar je trouwens kennelijk net vandaan komt, want je stinkt een uur in de wind. Maar goed, laten we er het beste van hopen. Ik zal het door de vingers zien: het zal allemaal aan je overspanning te wijten zijn. Ga zitten."

Eleanor nam plaats in een van de ruime fauteuils en Frederik ging tegenover haar zitten. "Vertel eens," zei hij. "Wat zijn de plannen voor het weekend. Je hebt het erg degelijk met Buitelaar doorgeëxerceerd, heb ik gehoord." De koppijn was nog steeds niet over, en daar kwam een toenemende droge strot bij. Ze riep een van de obers en bestelde een Spa Rood. Pas daarna kwam ze eraan toe zich af te vragen wat Buitelaar verteld zou hebben. Na haar gesprek met hem had ze geen moment meer aan de voorbereiding van het weekend gedacht en ze hoopte maar dat Buitelaar dat wel had gedaan. Daar kon ze wel op rekenen. Hij zou nooit willen afgaan in de ogen van Frederik.

Ze schraapte haar keel, nam een slok van de Spa die inmiddels was gebracht en zei:

"Wat op onze afdeling ontbreekt, is een intermenselijke uitwisseling. Daarmee bedoel ik: zakelijk zijn we best goed, informatie-uitwisseling is adequaat, maar er is geen echte chemie." Frederik knikte. Ze had de juiste toon aangeslagen. Ze vervolgde: "Dat moet anders. Zo is er nauwelijks uitwisseling over privé-zaken hetgeen op andere kantoren toch tamelijk gewoon is, zeker op de maandagochtend. Ik weet niks van Jannie, niks van Aleid, van jou weet ik dat je getrouwd bent maar daar houdt het ook mee op, en van Buitelaar, weliswaar geen collega maar toch, hij is er zo vaak dat je hem bijna als zodanig kunt beschouwen, weet ik ook niks." Gelukkig niet, dacht ze. Ik kan me er van alles bij voorstellen, hij hangt vast kwijlend in homosauna's in zijn vrije tijd. Nadat hij bij de sportschool is geweest natuurlijk. "Het is beter voor het werkproces als we een soort familie worden, als er meer persoonlijke samenhang is, bedoel ik." "Ik had het niet beter kunnen verwoorden!" riep Frederik enthousiast uit. "Dat is precies wat ik altijd mis. Het werk gaat goed, we hebben een enorme productie, zeshonderd vergaderingen per jaar is niet niks tenslotte, maar er ontbreekt iets! En nu ben ik benieuwd te horen hoe jullie dit gaan inkleden." "Met een rollenspel," antwoordde Eleanor gedecideerd. "We beginnen met dat het maandagochtend is, en dat iemand iets vreselijks heeft meegemaakt, of iets minder vreselijks om mee te beginnen, dat hij bijvoorbeeld een blauwtje heeft gelopen, en aan niemand kon hij dat kwijt alleen aan zijn collega's." Frederik knikte. "Het doel is uiteindelijk dat zowel de ontvanger als de zender open zijn." "Juist, ja, ja, ik denk dat je daar de koe bij zijn horens vat." "Haar. Een koe is vrouwelijk." Frederik lachte bulderend. Die heeft het naar zijn zin, dacht Eleanor, wat hem betreft is het weekend nu al geslaagd.

Buitelaar kwam binnen met drie koffers. Hij knikte Eleanor toe zonder haar aan te kijken en schudde Frederik de hand. "Zo, nu gaat het eens gebeuren, Fred!" fleemde hij. "Zeker. Eleanor heeft me net verteld van jullie plannen, en wat een moed, om het op die manier te brengen! Ik weet zeker dat we vanaf maandag anders, en beter, in ons vel zitten!" Vanuit zijn ooghoeken loerde Buitelaar naar Eleanor.

"Nu," sprak Frederik opgewekt. "Jannie heeft gebeld dat ze wat later kwam en ze zou Aleid meenemen, dus laten we ons wat gaan opknappen voor de borrel en het diner." Frederik liep voorop naar de liften. Buitelaar kwam naast Eleanor lopen. "Wat heb jij hem verteld," fluisterde hij. "Dat we met de billen bloot gaan, schat. En jij als eerste." Ze vatte kort samen wat de bedoeling was. "Kutwijf!" Hij liep harder zodat hij niet langer naast Eleanor hoefde te lopen en stapte naast Frederik in de lift.

 

In haar kamer had de liftster zich geïnstalleerd in een van de bedden. Ze lag in het Nieuwe Testament te lezen, dat ze vast uit het nachtkastje had. Haar vervuilde plunje had ze nog niet uitgedaan.

"Zo dame!" zei Eleanor, terwijl ze op het andere bed ging zitten. "Vertel me nou eerst maar eens wie je bent en waarom je daar op de vluchtstrook stond." De vrouw legde de bijbel weg en keek haar aan. Toen stak ze van wal.

 

"Ik ben ontsnapt uit een gesloten inrichting. Maanden geleden al. Ik zat daar omdat mijn man de huisarts had wijsgemaakt dat ik hem voortdurend bedreigde met allerlei huishoudelijke artikelen. Nu weer met een schaar, dan weer probeerde ik zijn hersenpan de vermorzelen met de stofzuiger. Kortom, geen middel schuwde ik om hem naar de andere wereld te helpen. De maat was vol toen ik de complete inhoud van de servieskast naar hem had toegegooid.

Het was allemaal niet waar, natuurlijk. Ik heb nooit een vinger naar hem uitgestoken, maar hij moest gewoon van mij af. Ik wilde namelijk van hem scheiden. En dat kon hij niet hebben voor zijn carrière. Ik heb geen tijd om een andere vrouw te zoeken, zei hij, en een vent die gedumpt wordt door zijn vrouw begint echt niks meer op de beursvloer. Jij bent ziek, hartstikke ziek. Misschien was dat waar. Ik was ziek van hem, dat volgevreten mormel dat alleen maar thuis kwam om te slapen en te vreten. Daarom wilde ik weg. Toen ik dat had gezegd, begon hij raar te doen. Hij deed alsof ik niet meer bij mijn volle verstand was, legde overdreven zorgzaam een plaid over mijn benen als ik bij dertig graden boven nul in de zon zat, kookte warme melk voor me, en herhaalde voortdurend dat ik rustig aan moest doen. Dat duurde een paar weken. Op een dag kwam de huisarts bij ons thuis. Ik ken die man niet, want ik ga nooit naar de dokter. Daar schiet een mens niks mee op: voordat je het weet, hebben ze je de een of andere afwijking aangepraat. Hij luisterde naar mijn longen, keek me in de keel en in de ogen. Ik heb er nog spijt van dat ik die gek niet van me afgetrapt heb. Daarna klopte hij op mijn schouder zoals je dat doet bij een kind of bij iemand waarmee echt geen woord mee te wisselen is. In de gang overlegde hij met mijn man. Ik kon ze niet verstaan, maar het gesprek duurde erg lang. Ik was aan het lezen geweest en pakte gewoon mijn boek weer op. Ik nam me voor om mijn man de volgende dag de scheidingspapieren onder de neus te leggen en niet weg te gaan voordat hij die getekend had. Toen die huisarts weg was, kwam hij in de kamer en ging zwijgend tegenover me zitten. Op dat moment realiseerde ik me het niet, maar nu zal ik nooit meer dat geniepige glimlachje van hem vergeten. Dat had me moeten alarmeren. Dan had ik echt zijn hersens kunnen inslaan met desnoods de stofzuiger. Maar goed, ik had het dus niet door. Na een tijdje, langer dan een uur zal het niet geweest zijn, kwam er een ambulance met twee van die broeders, die je in de slechtste B-film nog niet tegenkomt: kort, gedrongen, met van die varkensoogjes. Van die types die altijd overal aan meewerken. Voordat ik iets kon zeggen grepen ze me beet, en stopten ze me in zo'n dwangbuis. Je zou denken die dingen bestaan niet meer maar ze bestaan dus nog wel. Mijn man vertelde ze ondertussen dat ze moesten uitkijken want dat mijn kracht verschrikkelijk was ik had hem gisteren nog vreselijk gebeten. Hij liet een hand in verband zien. Daar was even geleden nog niets mee aan de hand. Ik werd dus de ambulance ingesleurd en naar een inrichting in Den Dolder gebracht. En als zoiets gebeurt, word je echt gek, ook al ben je het niet. Ik schreeuwde alles bij elkaar en schopte en beet. Ik ging direct de isoleercel in, nadat ze me een spuit hadden gegeven. Het was een kamertje met gewatteerde wanden, een bed van plastic, het was er heel warm en dat moest ook wel want er waren geen dekens. De plee was ook van plastic en het stonk er naar stront en naar pis. Ik bleef gillen en schreeuwen totdat ik in slaap viel. Toen ik wakker werd, lag ik nog steeds in dat hol, maar ik had net zo goed wakker kunnen worden op Mars. Het interesseerde me niet, er was een dofheid over me gekomen, ik voelde niets en ik dacht niets. Ik was dood, al stroomde er nog wel bloed door mijn aderen. Ze hadden me doodgemaakt. Ik bleef gewoon liggen op dat bed, staarde naar het plafond, liet alles gewoon lopen, want zelfs om naar de wc te gaan, was ik te beroerd en te belabberd. Na verloop van tijd, misschien na uren, misschien na dagen, kwam er een man dat kamertje binnen die vertelde dat hij de afdelingspsychiater was en dat hij kwam kijken of ik al was gekalmeerd en weer zicht op de werkelijkheid had gekregen. Ik kon niet antwoorden, want er vormden zich geen gedachten in mijn hoofd. Dat was leeg en dat bleef leeg. Hij praatte maar door, die man, over dat het heel erg was voor mij, maar dat ik ook aan mijn man moest denken, die almaar onder zware druk had geleefd door mijn ziekte, en dat ik me gelukkig mocht prijzen dat hij op tijd had ingegrepen. Even nadat hij was vertrokken werd ik door een andere man, een veel jongere, naar een zaal gebracht waar allemaal vrouwen rond een tafel zaten. Ze zeiden geen woord en keken alleen voor zich uit. Ik kreeg nog drie keer een injectie die dag. Wat voor spul het was, weet ik niet. Dat vertelden ze niet, al lulden ze wel de hele tijd tegen me aan. Zo ging de tijd voorbij. Hoeveel tijd, weet ik niet. Op een gegeven moment vervingen ze de injectie door pillen en ik had nog genoeg besef om te weten dat ik die niet moest innemen. Het duurde dagen voor ik weer een beetje helder was, maar ik liet er niets van merken. Ik bleef zwijgen tegen de psychiater, en ik bleef zitten staren aan die tafel. Volgens mij slikten die andere vrouwen al die pillen wel. Ik heb tenminste nooit een teken van leven bij een van hen gezien. Op een dag zag ik mijn kans schoon. Toen de diensten van de verpleging wisselden, trok ik zo'n witte doktersjas aan die gek genoeg bijna niemand ooit droeg maar die wel bij bossen aan de kapstok hingen en wandelde ik gewoon met de verpleging naar buiten. Net doen alsof er niks aan de hand is, dan trappen ze er altijd in.

Ik was weer vrij. Alleen kon ik niet meer terug naar huis. Ik kon me nergens meer vertonen, want de politie zou binnen de kortste keren weten dat er een gevaarlijke gek was ontsnapt. Reken maar dat ze me zouden vinden. Dus ik zwierf op straat, maandenlang. De eerste dagen probeerde ik me schoon te houden door me te wassen in kanalen en regenplassen, maar dat is geen doen. Je wordt er niet schoon van en je kunt je de kou niet permitteren als je op straat leeft. Dus ik liet het vuil gewoon waar het was. Eten is geen probleem, alle vuilnisbakken zitten overvol met bruikbare spullen. Ik kon kiezen wat ik wilde eten! De eerste dagen hield ik me nog verborgen overdag om maar niet opgepakt te worden, maar ik werd steeds onzorgvuldiger. Je zou denken, een zwaar vervuilde vrouw op straat valt op, maar niets is minder waar: niemand zag me. De mensen keken door me heen alsof ik een spook was, of onzichtbaar. Maanden heb ik zo geleefd, maandenlang. Tot vandaag. Ik had er ineens genoeg van. Vandaar dat je me tegenkwam op de snelweg: ik wilde ergens heen, maakte me niet uit waar. Voor mijn part had ik ook doodgereden kunnen worden, had me helemaal niet uitgemaakt."

Eleanor wist niet meteen wat te zeggen. Ze bekeek de vrouw wat grondiger dan ze tot nog toe gedaan had. Ze was er eenvoudigweg niet eerder aan toegekomen, omdat ze haar hoofd vol had van het weekend. De ogen van Annie Lennox, dacht ze ineens. Inderdaad, datzelfde blauw. Haar stem had er ook wel wat van weg, dacht ze.

"We gaan je eerst eens wat opknappen," zei ze. "En omdat de nood hoog is, is diefstal geoorloofd. Die tantes van dat advocatenkantoor ofzo, die van verderop op de gang, zullen best wel wat over hebben op hun kamer. Blijf hier!" De vrouw knikte. Het verwilderde in haar blik had plaatsgemaakt voor berusting.

Eleanor liep de gang op. Het was voor alle gasten tijd om zich te kleden voor het diner dus alle kamers waren bezet. Verderop de gang logeerden een tiental dames, dat ze al had gezien bij binnenkomst. Het waren van die keurige dames die in een mal gegoten leken: precies slank genoeg, de juiste graad van blondheid, de juiste leeftijd, zo tussen de vijfentwintig en dertig. Bij binnenkomst hadden ze allemaal twee of drie koffers bij zich: daar zou vast wel wat casuals bij zitten dat de vrouw - die ze in gedachte Els noemde - kon gebruiken.

Eleanor stelde zich op bij de branduitgang en draaide een shaggie. Dat was nooit verdacht. Rokers draaiden tegenwoordig op de gekste plaatsen shaggies, zodat ze even een paar trekjes konden nemen als ze los mochten, in de buitenlucht. Wat ze verwachtte, gebeurde: dames liepen over en weer naar elkaars kamer, druk kwetterend. Het lijken wel vrouwen-van, dacht ze, zo opgewonden als ze zijn, die een dag worden vrijgelaten uit hun doorzonwoning in een wijk op stand. Toen één van de dames verdween in de kamer van een ander zag ze haar kans schoon. Ze stapte de verlaten kamer binnen en liep op de koffers af. Bij de eerste was het meteen prijs: truien, blouses, en spijkerbroeken. Hoelang waren de dames eigenlijk van plan te blijven? Het was duidelijk dat er veel sportiefs op het programma stond, waarbij veel door modder moest worden gekropen en in water moest worden gevallen, want waarom zouden ze anders zoveel combinaties bij zich hebben. Ze luisterde nauwlettend of de eigenaresse van de koffer al op weg naar haar kamer was en toen ze niks hoorde nam ze van elk soort kledingstuk twee exemplaren. Ze sloot de koffer zorgvuldig. Het zou wel even duren voor de vrouw merkte dat ze iets kwijt was, als ze het al zou merken voor ze lang en breed weer thuis was.

"Zo," zei ze, teruggekeerd op haar eigen kamer. "Hier kunnen we voorlopig wel mee toe." Ze toonde de vrouw de kleren. "Ik zou me eerst maar eens gaan wassen, als ik jou was."

Terwijl de vrouw in bad zat, zapte Eleanor langs de kanalen die het hotel de klanten bood per televisie. Allemaal digitaal. Veel films waarin werd geschoten en achtervolgd. Ze liet de beelden gedachteloos voorbijkomen. Porno ook, natuurlijk. Ze bleef hangen bij een film waarin een man met moeite een erectie in stand hield. Dat viel niet mee, kennelijk was het zijn opdracht om het klaarkomen zo lang mogelijk uit te stellen en dat benam hem de lust. Logisch eigenlijk. Nu ze in haar vijftiger jaren was beland, ontbraken de lustgevoelens steeds meer. In haar twintiger jaren was ze gek geworden als ze langer dan een week geen seks had, maar daar was nu geen sprake meer van. Harry en zij neukten niet meer. Ze wist niet meer hoe en wanneer het was opgehouden, maar het was gegaan volgens het gebruikelijke patroon: steeds minder, tot de seks op een gegeven moment helemaal achterwege bleef. Ze kon niet zeggen dat ze het miste. Het was eigenlijk wel rustig zo. Ze dacht aan de ogen van de vrouw, en voelde plotseling een vage opwinding. Merkwaardig. Het moest aan de entourage liggen. Congreshotels hadden altijd een vreemde uitwerking op haar gemoedstoestand.

Na een uur verscheen de vrouw helemaal schoongewassen in frisse kleding. De spijkerbroek paste precies, de blouse was wat oversized maar dat stond haar wel goed. Nu ze haar verwaarloosde uitstraling kwijt was, was ze echt mooi. Niet klassiek mooi, zoals de dames aan het einde van de gang. Volgens de klassieke normen was haar gezicht te hoekig, te hard, maar het had een zelfbewuste uitstraling. Hoe ver moest deze vrouw van zichzelf verwijderd zijn om in zulke omstandigheden terecht te komen, vroeg Eleanor zich af. Waarom had ze die kerel van haar niet bij kop en kont gepakt en de straat op gegooid?

"Staat je prachtig!" zei ze. De vrouw glimlachte. "Hoe heet je eigenlijk?" "Els" Hoe is het mogelijk, dacht Eleanor. Misschien weet een mens dingen waarvan ze nog niet weet dat ze ze weet. Ze werd duizelig door haar eigen gedachten, ook al omdat haar kater nog altijd niet helemaal verdwenen was.

Ze opende de deur van de minibar en haalde er een half flesje champagne uit. Alcohol werkt goed tegen katers en de zaak betaalde. Als er nog een zaak was na dit weekend. Ze schonk twee glazen op en zei: "Proost, Els, op het vervolg van ons leven. Ga straks maar mee naar het hele gedoe, ik beloof je dat het spannend wordt. En voor morgenavond is het afgelopen."

Els haalde haar schouders op en zei: "Ik vind het best. Ik voel me beter dan ik me in tijden gevoeld heb, dus alles is een cadeautje voor me."

 

Nadat ze het flesje geledigd hadden, gingen ze naar het restaurant. Frederik, Buitelaar, Aleid en Jannie zaten al aan tafel. Dirk, Froukje, Mordechai en Ester waren gearriveerd, zo vernam ze van Aleid, maar die waren zich aan het omkleden.

"Fijn om zo met de hele club bijeen te zijn!" bracht Frederik uit. Hij had een enigszins dubbele tong, hetgeen betekende dat hij het begrip vrijdagmiddagborrel deze keer wel erg letterlijk had opgevat. Straks zou hij wel weer bijtrekken. De eerste rollenspellen zouden tenslotte vanavond zijn. En de laatste ook, maar dat wist alleen Eleanor.

Ester verscheen verhit aan tafel. Ze gunde zich weinig tijd om aan sociale gebeurtenissen mee te doen. Eleanor had de indruk dat ze zich er moedwillig aan ontrok, omdat ze de bijeenkomsten haatte. Zelfs voor het verjaarsgebak verscheen ze niet. Maar net als iedereen was ook zij door Frederik gedwongen om naar Wieringen te komen. Ester zat altijd gebogen over haar toetsenbord, nooit had Eleanor haar iets anders zien doen als zij haar kamer binnenkwam. Af en toe verscheen er een rapport, vol met cijfers, waar haar naam bijstond en dat zou dan wel haar werk zijn. Het rapport werd in de algemene vergadering steevast voor kennisgeving aangenomen en dan gebeurde er nooit meer wat mee.

Na een kwartier verschenen ook Dirk, Froukje en Mordechai. Dirk was de onderhoudsman. Hij had zich voor de gelegenheid in driedelig grijs gestoken en hij zag er doodongelukkig uit. Frederik wilde iedereen erbij, ook de ondersteuners. Die hadden ook hun aandeel in de totale output, beweerde hij. Het was duidelijk dat hij ze er geen plezier mee deed: Dirk frummelde wat aan zijn stropdas, glimlachte te pas en te onpas en zei gedurende het hele diner geen woord.

Els at met smaak. Niemand had gevraagd wie zij was. Waarschijnlijk nam iedereen aan dat ze een van de inleiders was, want er kon geen heideweekend plaatsvinden of er was wel een inleider bij. De vorige keer had Frederik stad en land afgebeld om Emile Ratelband erbij te krijgen, maar die was toen druk met zijn verkiezingen. Dus moest hij het doen met iemand van een gerenommeerd bureau, die echter bij niemand bekend was.

 

Na het diner begaf het gezelschap zich naar de vergaderzaal. Eleanor porde Els in de zij. "Goed opletten," fluisterde ze. "Dit vergeet je je leven niet meer."

"Mag ik zeggen hoe fijn ik het vind dat we vanavond voor ons gevoel uitkomen!" begon Jannie, terwijl haar niet gevraagd was wat te zeggen. "Ik mis dat zo, dat zusjesgevoel, ik hoop dat dat anders is na dit weekend." Jannie had zes kinderen van wie drie met een handicap. Die was erfelijk. Eleanor had nooit precies begrepen wat voor handicap het was, in ieder geval waren de kinderen zwakbegaafd en zaten ze in een rolstoel. "Toch ben ik blij dat ik ze het leven geschonken heb," had Jannie eens verteld. "Het leven is wonderlijk en heerlijk, dat mag je niemand onthouden!" Twee jaar geleden was haar baarmoeder verwijderd, anders zou ze ongetwijfeld weer zwanger geweest zijn. Wat dacht ze eigenlijk? Dat in het hiervoormaals de zielen zich verdrongen om alsjeblieft geboren te mogen worden? En dan het liefst in een gezin zoals dat van Jannie, waarin elk kind een koningskind was, zeker als het zwakbegaafd was.

"Dank je," zei Frederik, die zich inderdaad had hersteld van zijn vroeg invallende dronkenschap. "Dan geef ik nu het woord aan Eleanor en Rob, die iets heel speciaals voor ons in petto hebben, heb ik begrepen."

Eleanor stond op en gebaarde Rob Buitelaar hetzelfde te doen. Deze, voor de gelegenheid gekleed in een appelgroen kostuum dat hem te strak zat en een gele stropdas op een knalroze overhemd, stond onwillig op. Hij probeerde het uit alle macht te verbergen, maar hij kon niet verhinderen dat zijn blik dodend was. Als Eleanor er gevoelig voor was geweest tenminste. Dat was ze niet, integendeel, ze genoot van zijn giftigheid.

"Goed," begon ze. "De man hiertegenover me is even een loketmedewerker. Laten we zeggen bij de sociale dienst. Ik ben een cliënt die het niet met de gang van zaken eens is, en die gewelddadig wordt. Rob moet als loketmedewerker het proces in goede banen weten te leiden."

Ze gooide haar jasje uit, streek door haar haar om een warrige uitdrukking te krijgen en stak van wal:

"Zo, huftertje! Jij gaat er voor zorgen dat tante Sjaan een uitkering krijgt. En een flinke ook! Want tante Sjaan hep al dagenlang niks fatsoenlijks meer te vreten gehad."

"Mevrouw, u moet op uw beurt wachten," sprak Rob ongeïnspireerd.

"Niks op mijn beurt wachten. Poen moet ik zien!" Ze gaf hem een klap in zijn gezicht.

"Is dit nou nodig!" riep Rob uit met gebalde vuisten.

"Je moet wel in je rol blijven! Beslist niet terugslaan, dan escaleert het geweld!" legde Eleanor rustig uit.

"Inderdaad, je moet wel meespelen, Rob. Ik zag zo dat het een fake-klap was," zei Mordechai, wiens ogen begonnen te glimmen.

"Hoe voel je je nu, Rob?" vroeg Jannie. "Bedreigd? Aangetast in de professionaliteit?"

Rob maakte een grommend geluid. Het was duidelijk dat het antwoord dat hij wilde geven niet geheel zou beantwoorden aan de verwachtingen.

"Nou, komt er nog wat van? Bleekscheet! Kantoorkruk! Jij zit hier maar, in mijn portemonnee te graaien en ondertussen word ik van binnenuit opgevreten. Het is dat ik nog wat vet op mijn lijf heb, ander was ik al kassie wijlen!"

"U moet gewoon op uw beurt wachten," zei Rob. Zijn stem was onvast. Zijn ogen blikkerden donder.

"Ach, jij," Eleanor duwde hem. "Met je groene apenpakje aan! Dat wat jij doet is zeker werken! Een beetje het baasje uithangen, hè?" Ze gaf hem een trap tegen zijn schenen.

"Au! Verdomme!" riep Rob uit.

"Niet zo onprofessioneel, Rob!" riep Mordechai.

"Het is anders best moeilijk om je gevoelens om te leiden tot iets constructiefs in zo'n situatie," vond Jannie.

"Zal ik dit notuleren?" vroeg Aleid. "Dat we er later nog eens op kunnen terugkomen?"

"Als jij nou eens even fijn voor de centen zorgt, dan ga jij geen pijn meer lijden, huftertje!"

"Ik weet niet of dit rollenspel zijn doel niet voorbijschiet," sprak Rob tot de toehoorders.

"Straks evalueren we. Eleanor kan zich misschien iets minder inleven in haar rol," zei Frederik.

"Zo gaat het juist goed!" riep Mordechai, terwijl hij langzaam applaudisseerde. "Het is juist heel duidelijk zo waar dit naar toe gaat! En in welk dilemma de loketmedewerker zich bevindt "

Eleanor trok Rob aan zijn haren, net niet hard genoeg om het er met wortel en al uit te trekken.

"Zo, daar heb je niet van terug, ventje. Dat wordt nog eens wat met jou, en ga nou maar gauw de poen halen!"

"Laat me los, klerewijf!"

"Laten we even pas op de plaats maken en dit proces evalueren om te achterhalen wat hier precies fout ging," zei Frederik. "Ik heb het gevoel dat we hier veel van opsteken."

"Ik zie niet welk proces met dit spel nou precies duidelijk is geworden," zei Rob, terwijl hij Eleanor vernietigend aankeek. "Bij een dergelijke agressie roep je de beveiliging, dat laat je niet over je heenkomen."

"Wat vinden de anderen ervan?" vroeg Frederik.

"Ik denk dat de loketmedewerker wat meer van zijn gevoel kan laten zien," zei Jannie. "Dan is er kans dat de geweldsspiraal doorbroken wordt. Nu liet hij zich meeslepen door zijn eigen agressie. Het was te zien dat het hem veel moeite kostte om niet terug te slaan."

"Zeg dat wel," siste Rob.

"Excuses?" vroeg Frederik om opheldering.

"Sorry," zei Rob, nu hardop. "Het spel beviel me niet. Ik vraag me af of Eleanor de opzet wel duidelijk voor ogen had."

"Zeker had ik dat. Je moest kalm blijven en zorgen dat ik tevreden wegging zonder geld."

"Hoe kan dat nou, als je begint te slaan en te schoppen. En trouwens, wat hebben beleidsmedewerkers op een ministerie te maken met loketten."

"Oh, maar het gaat om het gevoel!" riep Jannie. "Juist omdat wij daar niet veel mee te maken hebben is het goed dat we ons eens in leven in zo'n situatie. Dan kunnen we beter anticiperen op beveiligingsbeleid."

"Ik ga me niet nog een keer in elkaar laten slaan door dat wijf!" riep Rob Buitelaar plotseling uit. Direct bloosde hij tot diep in zijn nek. Het was duidelijk niet de bedoeling dat hij zo uit zijn rol schoot.

"Niet zo emotioneel, Rob. We zijn hier aan het evalueren. Dit is helemaal niet jouw stijl," vermaande Frederik.

Buitelaar legde zijn armen over elkaar en keek stuurs naar buiten.

"Ik dacht dat er nog iets kwam met een maandagochtend?" vroeg Frederik. "Dat leek me nou zo'n aardig idee. Persoonlijk verheug ik me er altijd weer op om jullie te zien op maandagochtend, maar zoals Eleanor mij straks in de vestibule duidelijk maakte, we hebben het nooit over ons andere leven, het leven dat zich buiten de kantooruren afspeelt en dat eigenlijk zoveel belangrijker is dan het leven binnen de muren van het instituut. Neem mij nou: ik werk zeker zestig uur per week. Jullie weten allemaal hoe dat gaat: nog even dit, toch maar die vergadering 's avonds en voor je het weet, heb je de hele week je vrouw niet gezien. Jullie moeten weten dat ik een erg gelukkig huwelijk heb, met een erg lieve vrouw, die mij in alles ondersteunt. Zonder haar zou ik niet half zoveel presteren als ik nu doe." De tranen sprongen hem in de ogen. Jannie stond op en legde een arm om zijn schouder.

"Heel goed. Laat je maar gaan. Een heel goed begin."

"Ik vis in het weekend," vertelde Mordechai. "En eerlijk gezegd heb ik daar geen gevoel bij. Wat willen jullie weten, wat ik gevangen heb? Nou, afgelopen weekend weer mooie vis, hoor, kon zo de pan in, met worteltjes en botersaus, we hebben weer heerlijk gegeten! En ik vond het stukje van zojuist trouwens erg goed."

Aleid noteerde driftig. Vast geen verslag van het gezegde, dacht Eleanor. Ze keek op haar horloge: tien voor negen, lang kon het nu niet meer duren. Dirk bekeek zijn vingers aandachtig. Nog niet met bedreiging van de dood zou hij in dit gezelschap gaan zitten vertellen wat hij in het weekend deed.

"Hè, wat zijn we heerlijk open!" zei Jannie vergenoegd. "Jammer genoeg heb ik mijn breiwerk niet meegenomen, anders zou ik zo gaan zitten breien!"

En dat meende ze. Eleanor kende Jannie goed genoeg om te weten dat ze dit niet ironisch had bedoeld. Ze bedoelde alles serieus. Ironie bestond voor haar niet, tenminste niet in werktijd. En daarbuiten hoogstwaarschijnlijk ook niet.

"Dames en heren, we gaan verder, Eleanor, wil jij…"

De deur sprong open alsof er van de buitenkant tegen getrapt was. Een stuk of tien ME-ers voorzien van automatische geweren en helmen drongen naar binnen. Ze renden op Rob Buitelaar af, die door twee of drie van die kerels hardhandig tegen de grond werd gegooid. De ME-ers schreeuwden Amerikaans-klinkende termen tegen elkaar, maar waren niet te verstaan. Ze deden Rob Buitelaar handboeien om en sleepten hem mee, de deur uit.

Zo snel als ze waren gekomen waren ze ook weer weg. De achtergeblevenen keken elkaar verbouwereerd aan en enige tijd was het stil.

"Waar ging dat over?" vroeg Frederik.

Els, die de hele avond nog niets had gezegd, zei: "Vast iets met drugs ofzo, ik vond die man er wel een beetje eng uitzien."

"Rob Buitelaar is van onbesproken gedrag!" riep Frederik uit. "Tenminste, dat heb ik altijd zo gevoeld. Het lijkt er misschien op dat ik het bij het verkeerde eind heb gehad, maar er kan heel goed een vergissing in het spel zijn, ja, dat kan heel goed nu ik erover nadenk. Dat gebeurt immers voortdurend, dat mensen worden aangehouden en dan later worden vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs!"

Eleanor zweeg. Alles was precies gegaan volgens plan. Een knappe Buitelaar wilde hij zich hier nog uit redden. Een paar weken lang was hij zeker opgeborgen. Ze had moeite niet in lachen uit te barsten.

"Wat zou de aanklacht eigenlijk zijn?" vroeg Mordechai gretig. "Pedo? Terrorisme? Zware verkeersovertreding? Moord?"

"We zullen het te zijner tijd wel horen, Bram," zei Frederik op afgemeten toon. "Het is niet de tijd en niet de plaats om hierover te speculeren. Het was een vergissing, ja, het moet een vergissing geweest zijn." Dat laatste prevelde hij meer voor zich uit dan dat hij zich tot de groep richtte. Hij hernam zich en een paar seconden later was hij weer helemaal het gedecideerde afdelingshoofd, dat nauwlettend en accuraat de wensen van de minister vertaalde in uitvoerbaar beleid.

"Ik denk dat we dit weekend maar moeten afblazen. De schok is te groot om op een constructieve manier verder te werken." Hij stond op, knikte zijn mensen toe, en verliet de zaal.

"Kom, Els, wij gaan naar onze kamer. Ik moet hier ook even van bijkomen, hoor!"

 

"Wat zou hij toch gedaan hebben?" vroeg Els, toen ze eenmaal op de kamer terug waren. Ze nipte van haar glas Champagne. Gelukkig werd de minibar bijgevuld als de gasten hun kamer even hadden verlaten. Het was een goede locatie.

"Hij heeft niets gedaan," antwoordde Eleanor.

"Niets? Hoe weet jij dat? Ze komen toch niet zomaar met grof geschut iemand ophalen?"

"Wel als ze wordt ingefluisterd dat het om een gevaarlijke infiltrant gaat die het gemunt heeft op het leven van de minister en die relaties heeft met de Hofstadgroep."

"En dat geloven ze zomaar?"

"Wel als het bericht komt van een betrouwbare ambtenaar die e-mails en telefoontjes heeft weten te onderscheppen."

"Nee, hè? Goh, op de snelweg leek je zo'n keurige vrouw. Ik begin je steeds leuker te vinden!"

Voordat ze wist wat ze deed, zat Eleanor naast Els en kuste haar hartstochtelijk. Het was de goede daad op het goede moment zonder dat een van de twee dat had weten aan te geven. Het gebeurde omdat het gebeuren moest en toen Eleanor er tussen twee kussen over nadacht, wist ze dat het er de hele tijd al had in gezeten.

Ze brachten de nacht door in de rustige hartstocht van mensen die elkaar weliswaar net hebben ontmoet, maar elkaar altijd al hebben gekend zodra ze elkaar zien. Misschien is er een soort collectief bewustzijn, dacht Eleanor, waarmee we allemaal in contact staan met elkaar en was er de hele tijd al een lijntje naar Els. Hoe was de opstandigheid waarmee ze zich de laatste dagen had gedragen tegen Harry en de kinderen anders te verklaren.

Tegen zessen vielen ze in elkaars armen in slaap. Ze werden gewekt door een klop op de deur. Eleanor schoot een T-shirt aan, opende de deur op een kier en keek Frederik aan, die nu een volledagsbaard had en wallen onder zijn ogen.

"Het schijnt dat Rob betrokken was bij die Hofstadgroep!" fluisterde hij verbouwereerd. "Het schijnt dat ze ternauwernood een aanslag hebben weten te voorkomen. Wat voor aanslag wilden ze niet zeggen, maar het is ernstig, heel ernstig. Hoe heb ik dat niet kunnen merken?" Zonder haar antwoord af te wachten, liep hij weg. Bij de trap draaide hij zich om en zei: "Jullie kunnen naar huis. Ik had je vrij gegeven vanaf maandag maar ik zou het op prijs stellen als je toch naar het afdelingsoverleg kwam. We moeten de gebeurtenissen op een rijtje zien te krijgen."

Els was ook wakker geworden. Ze trok Eleanor terug in bed. Ze gingen zo in elkaar op dat ze het geklop op de deur, vast van het kamermeisje dat de bedden moest opmaken, nauwelijks merkten. Pas tegen vijf uur in de middag vonden ze het tijd om op te staan en zich te kleden. Vrijen maakt hongerig, dat wist iedereen. Het diner voor vanavond was al besteld, dus ze konden zo aanschuiven.

 

Els en Eleanor hadden een heerlijk weekend waarin ze vooral op hun kamer bleven om de liefde te bedrijven en elkaar over hun leven te vertellen tussen het vrijen door. De eerste avond hadden ze zich nog netjes gekleed voor het diner, maar zaterdag- en zondagavond hadden ze zich daarvoor de tijd niet gegund en waren ze gewoon verschenen in joggingpak, dat ze uit de kamers van de dames verderop in de gang hadden gehaald. Tijd om te gaan winkelen in Wieringen hadden ze uiteraard ook niet en Eleanor had alleen formele kleding meegenomen. Ze was ervan uitgegaan dat ze na de arrestatie van Rob Buitelaar weg kon.

Tegen zondagavond had Eleanor een vrij compleet beeld van het leven van Els tot nu toe. Haar man heette Jaap en ze was al dertig jaar met hem getrouwd. Aanvankelijk was hij een aardige, rustige jongen die op een accountantskantoor werkte en in zijn vrije tijd schilderde. Een tijdlang, gedurende hun eerste huwelijksjaren, vond hij het schilderen belangrijker dan zijn werk. Dat was niet zo saai als het aan de buitenkant lijkt, zeker als hij op het spoor was van fraude, steevast uitgevoerd door de penningmeester of de directeur, beleefde hij spannende tijden. "Ik werk om te leven, ik leef niet om te werken," zei hij vaak. Dit cliché had natuurlijk alle waarschuwingslichten moeten doen branden, maar Els had niet door dat deze zin een bezwering was, geen weergave van de werkelijkheid.

Hun eerste grote probleem was dat Jaap onvruchtbaar bleek. Ze hadden ziekenhuizen afgelopen, bijeenkomsten van Jomanda bezocht, geneukt met kalender en klok bij de hand maar niets had geholpen. Jaap had eenvoudigweg geen levende zaadcellen. Het had een tijd geduurd voor ze erachter waren dat de onvruchtbaarheid bij hem lag: iedereen ging ervan uit dat Els onvruchtbaar was. Stiekem vond ze dat niet eens erg, want ze hield niet van kinderen. Niet van allemaal, tenminste. Niet van de verwende, schreeuwende krengen van haar zuster die ze op verjaarsfeestjes tegenkwam en ook niet van de hangjongeren bij de school in haar buurt. Zo'n kleine peuter, die maar nauwelijks op zijn benen kon staan en wat voortwaggelde en steeds weer omviel, die vond ze leuk, maar altijd als ze vertederd dreigde te raken, stelde ze zich voor dat zo'n kind heel snel opgroeide tot zo'n jongen met de baard in de keel die alle kanten uitgroeide en pukkels had, wekenlang in dezelfde onderbroek liep en op het schoolplein ging hangen. Soms werd haar angst daarvoor zo groot, dat ze blij was als ze weer ongesteld werd. Dat liet ze niet merken aan Jaap. Zijn leven was pas compleet als hij een zoon zou hebben. Een zoon, geen dochter, daar had hij het nooit over. Dat had de volgende alarmbel moeten zijn die afging.

Toen eenmaal duidelijk was dat Jaap de onvruchtbare was, overwogen ze kunstmatige inseminatie. Els durfde dat voor te stellen, omdat ze wist dat Jaap daar nooit mee akkoord zou gaan. Dat bleek al snel: "Een kind van een andere man? Nooit van mijn leven!" had hij uitgeroepen. Daarna had hij wel gevraagd of  de kinderloosheid voor haar een groot probleem vormde, maar zij had gezegd dat ze ermee kon leven, dat het zwaar was, maar dat ze dit kruis maar moesten dragen ze hadden immers elkaar en een kind was niet de enige voorwaarde waaronder je gelukkig kon worden.

Eleanor werd steeds nieuwsgieriger hoe ze toch aan die Jaap was geraakt: de twee leken immers helemaal niet bij elkaar te passen. Els vertelde dat ze in haar jonge jaren ernstig in de war was geweest. Halverwege de jaren zeventig volgde ze het ene gevoel na het andere en dat leidde tot een zeer onrustig leven. Als ze erop terugkeek, leek het alsof ze jaren op haar rug had doorgebracht in het bed van een naamloze geliefde of in een met rode lampen verlichte kamer waarin veertien mensen lagen te blowen. Ze was student, maar dat ze ooit had gestudeerd kon ze zich niet herinneren. Nadat ze heel vaak was gezakt voor haar tentamens had ze haar studie wiskunde eraan gegeven en was ze naar de Sociale Academie in Driebergen gegaan. Ook daar had ze niet veel meer gedaan dan op haar rug liggen. Toen ze na jaren heel erg moe werd, en haar nog lange leven zich als een woestijn voor zich uitstrekte, ze kon alleen maar omkomen van de dorst en er was geen enkel richtpunt, had ze Jaap ontmoet op het veertigjarig ambtsjubileum van haar vader. Hij was betrokken bij het accountantskantoor van haar zaak. Ze vond hem een lieve jongen, en een verademing naast alle zogenaamd feministische mannen met wie ze in bed en op zitkussens had gelegen. Het duurde niet lang voordat ze was getrouwd.

Niet lang nadat duidelijk was geworden dat Jaap onvruchtbaar was, had hij zijn baan opgezegd en was hij voor een beleggingskantoor gaan werken. Hij werkte met opties. Dat was heel hectisch maar kennelijk ook heel spannend, want als hij thuis was, deed hij niets anders dan beurskoersen volgen. Hij begon andere eisen aan haar te stellen. Ze moest zich representatiever kleden. Ze moest in gezelschap van zijn collega's, die hij vaak mee naar huis nam, niet gedragen als een geitenwollen sok. De uitdrukking was van hem. In die tijd gaf ze nog Neuro-Linguistische therapieën aan managers en mensen met een kink in hun creatieve stroom en hij eiste dat zij daarmee ophield. Aanvankelijk weigerde ze verbouwereerd. Ze voelde de grond onder zich wegzakken, alsof ze met iemand was getrouwd die ze nu pas goed leerde kennen en waarschijnlijk was dat ook zo. Of misschien waren er altijd al twee kanten aan Jaap geweest en had ze verzuimd de kant die zich nu zo sterk openbaarde te zien. Dat bracht haar zo van haar stuk, dat ze inderdaad moest stoppen met therapie geven. Voortaan zat ze thuis, in afwachting van Jaaps thuiskomst, in angstige afwachting, als ze er op terugkeek.

Eleanor werd woedend om dit weggegooide leven. Ze wilde iemand de schuld geven, en Jaap was de eerst aangewezene, maar ze wist dat dit onterecht was. Els had zich moeten ontworstelen, en niet afwachten tot Jaap haar in een inrichting had gedwongen. Els had het heft in eigen handen moeten nemen en Jaap moeten verlaten.

En ik dan, vroeg het teringwijf in haar binnenste keer op keer, ben ik niet veel te lang doorgegaan met het waden door de grauwe mist? Was mijn hele leven niet een soort isoleercel waar ik bedwelmd lag te wachten op mijn bevrijding? Ze zag Harry voor zich, zoals hij zich 's morgens loom aankleedde en 's avonds de verhalen uit het ziekenhuis vertelde, daarbij nooit vergetend zijn eigen heroïsche rol te benadrukken. Nu had ze het achter zich gelaten, had de stroom van het niets doorbroken, maar hoe lang had dat niet geduurd. Waarom weten we niet als kind al hoe snel de jaren voorbijgaan en dat gemiste kansen nooit terugkeren maar voor altijd gemist zijn en bepalen hoe de jaren die volgen zullen verlopen?

 

Na het eten op zondagavond reden ze naar Eleanors huis. Zij had bepaald dat Els voorlopig in Soestduinen zou logeren, want waar moest ze anders heen. De rit verliep zwijgend. Het weekend was zo buiten alle werkelijkheid geweest dat ze moeite hadden daarnaar terug te keren. De confrontatie met de rest van de wereld zou spoedig volgen en het zag ernaar uit dat die niet aangenaam zou zijn.

Toen ze het pad naar de garage opreden, keek Eleanor Els aan. "Nou, daar gaat-ie dan, denk erom, we krijgen van alles over ons heen maar we houden voet bij stuk."

Zodra ze de gang in liep, kwam Harry haar tegemoet. Hij droeg zijn zondagse slobberbroek en een verschoten T-shirt, hetgeen erop wees dat hij geen dienst had gehad of nog kreeg vanavond.

"Waar ben je verdomme geweest!" riep hij uit. "Frederik heeft nog gebeld, dat heide-weekend van jullie is afgeblazen nadat die terrorist was gearresteerd en hij wou weten hoe het met je ging!"

Hij zweeg, leek op dat moment pas Els op te merken. "En wie is dat?" vroeg hij onhoffelijk. Meestal was hij niet zo onbeleefd. Wel tegen zijn patiënten maar dat waren geen mensen, dat was een verzameling vlees waarin gesneden moest worden. Toen zij hem daarmee had geconfronteerd, had hij gezegd dat het wel meeviel maar dat het nodig was om een zekere afstand te bewaren tot zijn patiënten anders kon hij ze godsonmogelijk opereren.

"Dit is Els," antwoordde Eleanor. "Zij komt hier voorlopig wonen. Zij is mijn vriendin en ik ga verder met haar door het leven. We blijven hier tot we een andere oplossing hebben. Of misschien wil jij vertrekken. Maar dat zal wel niet."

"Ho even!" Harry greep naar zijn hoofd. "Wat zeg je nu allemaal. Frederik liet al zoiets vallen, van dat je niet helemaal in orde bent de laatste tijd. Hoezo komt zij hier wonen? Nee, dat kan niet."

"Laten we eerst even naar de kamer gaan, hier in de gang praat het zo lastig. Al valt er niet heel veel te praten."

Toen ze gedrieën in de kamer zaten, keek Harry ongemakkelijk om zich heen. Hij wist niet of hij moest huilen of bulderend van woede moest uitvallen.

"De situatie is zo, lieve Harry, ik ga je verlaten, of beter gezegd, ik heb je al verlaten. Het is alleen nog een kwestie van de praktische zaken regelen."

"Maar waarom dan? Heb ik een vriendin? Doe ik je financieel tekort. Vertel dan wat ik fout heb gedaan in jouw ogen. Wat jij fout hebt gedaan is wel duidelijk! Je bent de laatste tijd schromelijk tekort geschoten als echtgenote en als moeder! Van Mariska, die belde gisteren nog om te overleggen over die taxikosten,  hoorde ik dat de buurvrouw hier laatst zat met ontblote borsten! Die siliconentrut van hiernaast nota bene! Je bent duidelijk niet in orde! Frederik heeft dat goed gezien. Stuur dat mens weg en probeer tot rust te komen. Ik heb nog wel wat pillen voor je, kan ik zo aankomen, dat weet je, die pillen liggen voor het grijpen in het ziekenhuis en geen haan die ernaar kraait."

"Dat mens over wie je het hebt, is toevallig wel mijn huidige levenspartner en naar alle waarschijnlijkheid mijn toekomstige vrouw! Heb je die taxikosten trouwens betaald voor Mariska? Zal wel weer, zo worden die kinderen nooit volwassen!" Dat laatste was een beetje oneerlijk. Nog geen week geleden zou ze de kosten zelf hebben betaald. En nog een kleinigheid erbovenop gegeven hebben ook.

"Inderdaad! Die heb ik betaald! Want ik geef nog wel om mijn kinderen! Ik hang niet de sloerie uit en ik kom niet doodleuk vertellen dat ik een punt zet achter een evenwichtig huwelijk!"

"Evenwichtig, wat je zegt. Doodsaai! Ons huwelijk is uitgeblust en dat moet jij ook voelen. Hoewel, soms vraag ik me af of je wel in staat bent om iets anders te voelen dan het zweet dat langs je reet druipt tijdens een operatie."

"Gek! Je bent gek!" schreeuwde Harry. Voordat Eleanor besefte wat er gebeurde was hij op haar toegelopen met gebalde vuist en had Els hem gevloerd door zijn arm achter op zijn rug te draaien en hem op de grond te dwingen. Terwijl ze haar knie in zijn rug plantte om hem in bedwang te houden, haalde ze haar schouders op.

"Sorry hoor, het moest even. Ik kan niet aanzien dat iemand jou slaat."

"Laat me los, trut!" kermde Harry. "Je doet me pijn! Als je mijn arm blesseert, vermoord ik je. Als ik door jouw schuld straks niet meer kan werken, zul je ervan lusten. Je hele leven ruïneer ik, versta je me, je hele leven!"

Els drukte haar knie nog wat steviger aan en draaide zijn arm nog een keer om.

"Ik laat je los als je belooft je rustig te houden," zei ze. Harry gromde iets onverstaanbaars. Zoals altijd zou hij eieren voor zijn geld kiezen, dacht Eleaonor en zo gebeurde het ook.

"Ik doe niks, maar laat me gaan," zei hij.

Toen hij overeind was gekomen, keek hij Eleanor vernietigend aan. Hij had wel iets van Rob Buitelaar zo, vond ze. Ze besefte dat er deze avond niet veel met Harry te overleggen viel en als ze eerlijk was, moest ze bekennen dat ze hem wel wat rauw op het dak was gevallen met de aankondiging van de scheiding. Maar bij sommige mensen gaat het gewoon niet anders, die kun je de dingen alleen op heel duidelijke manier vertellen anders dringt het niet door. De telefoon ging. Eleanor nam op. Frederik.

"Godzijdank dat ik je te pakken krijg," verzuchtte hij. "Ik heb je het hele weekend proberen te bellen, maar je was er niet. Harry wist ook niets. Ik dacht dat het te maken had met de terroristenzaak van Buitelaar. Daar wilde ik je over spreken. Hij zit nog steeds vast. Er zijn ernstige vermoedens dat hij het echt gedaan heeft, dat hij van plan was om de minister te vermoorden. Kan je je dat voorstellen? De berekende voorbereiding! Jaren en jaren heeft hij bij ons gewerkt, waarschijnlijk met alleen dat doel voor ogen. En wat ik ook heb gehoord: het schijnt dat jij alles op het spoor bent gekomen. Zoiets liet de politie tenminste vallen al waren ze er niet al te duidelijk over. Waarom heb je mij nooit iets verteld, Eleanor? Ik weet wel, je kan niet voorzichtig genoeg zijn in dat soort gevallen, maar mij kun je toch wel vertrouwen? Als hoofd van de afdeling had ik moeten weten wat zich onder onze ogen afspeelde. Stel je toch eens voor dat het was gebeurd, dat hij inderdaad de kans had gezien de minister te vermoorden. Stel je toch eens voor! Dat had gemakkelijk kunnen gebeuren, want jij had bepaalde aanwijizingen over het hoofd kunnen zien, dat je niet alles goed had doorgegeven aan de AIVD bedoel ik. Alleen het toeval heeft ons voor een ramp behoed. Ik wil dat je nooit meer zoiets voor mij verzwijgt, Eleanor, nooit!" Hij pauzeerde. Eleonor gaf geen antwoord. "Goed," ging hij verder. "Ik ben toch enigszins opgelucht door dit gesprek. Het heeft toch zin gehad. Ik verwacht je morgen om tien uur op kantoor, Eleanor. We moeten dit bespreken. Eerst onderling, dan met de afdeling." Zonder een reactie af te wachten, hing hij op.

Harry was in een stoel gezakt en keek wezenloos voor zich uit. Al zijn krachten had hij aan zijn uitval besteed en hij leek nu pas goed te beseffen wat hem boven het hoofd hing. Hij was er de man niet naar om dat toe te geven. Oh nee, hij niet. Harry was foutloos, en onschuldig. Er kon geen fout zo grof zijn, of hij had er wel een excuus voor. Eleanor herinnerde zich heel goed de keer dat een jongen van twintig onder zijn handen was overleden. De jongen onderging een eenvoudige operatie aan zijn enkel, maar Harry had een slagader geraakt en doordat hij op dat moment in discussie was met een co-assistent over de voetbalwedstrijd van de vorige avond had hij dat niet tijdig opgemerkt. De jongen bleef er dus in. Natuurlijk had ze die informatie niet van Harry zelf. Dat had ze later gehoord, van een verpleegkundige die overstuur had opgebeld en haar hart had gelucht. Harry beweerde dat de jongen een zeldzame afwijking aan zijn aderen had die hij als arts onmogelijk had kunnen voorzien. Het was heel tragisch allemaal, maar hij kon er niets aan doen. Hij was zelfs verontwaardigd geweest toen de ouders van de jongen bij het ziekenhuis hadden aangedrongen op nader onderzoek. Zij vertrouwden het namelijk niet en dat was Harry teveel. Wat hij zei moest geloofd worden. Wat hij zei geloofde hij zelf. Dat iemand aan hem twijfelde was ondenkbaar. De directie van het ziekenhuis, die was ingelicht door dezelfde verpleegkundige, had er alle belang bij om de zaak in de doofpot te stoppen. De reputatie van het ziekenhuis stond immers op het spel? De verpleegkundige was niet lang daarna ontslagen, de enige manier om haar monddood te maken. Als reden voor het ontslag was opgegeven dat ze niet in de organisatie paste. Succes verzekerd.

In dit geval zou hij zijn scheiding aan haar wijten. Daar was ook wel aanleiding toe, omdat zij er tenslotte vandaar ging met een ander, maar dat was slechts de aanleiding. De oorzaak lag in zijn ongeïnteresseerde houding tegenover haar en zijn gebrek aan inspanning om toch nog iets van het tanende huwelijk te maken. Of moest ze de fout toch bij zichzelf zoeken? Fout, wat voor fout, er was helemaal geen sprake van een fout. Ze moest ermee ophouden om in die beperkte kaders te denken. Die waren haar ingegeven door haar opvoeding, haar omgeving - neem alleen al de dagelijkse aanblik van al die vrouwen-van - en door haar  huwelijk met een man uit het allerconservatiefste establishment. Die kaders moest ze doorbreken, alles was nu anders. Er was Els en er was vrijheid. De volgende dag zou ze nog wel naar het ministerie gaan, maar daarna niet meer. Ooit zou ze het huis in Soestduinen verlaten voor een andere omgeving, een omgeving waar zij en Els beter pasten maar niet direct.

"Mijn moeder zit nog steeds thee te drinken op haar kamer!" riep Harry plotseling uit. "Vanaf vanmiddag al! Dat komt er van, van dat wachten op jou en dan nog al die telefoontjes van Frederik en het toenemende terrorisme!" Hij stoof naar boven.

Het duurde niet lang voor hij met zijn moeder aan de arm weer beneden was. Zij was in de negentig, geestelijk nog een dertigjarige, maar lichamelijk mankeerde ze het een en ander. Zo kon ze slecht lopen en had ze een hekel aan beweging gekregen. Logisch als je zoveel moeite moet doen om een beetje vooruit te komen. Als er niemand in de buurt was die haar aanspoorde bleef ze gewoon zitten. "De dood komt wel naar me toe," zei ze als iemand er een opmerking over maakte. "Die hoef ik niet op te zoeken." Dat een wandeling naar de keuken iemand zelden het leven kostte, overtuigde haar niet. Ze bleef gewoon zitten waar ze zat. Dat was ook nu weer gebeurd.

"Kijk moeder," zei Harry vals. "Daar is dus mijn vrouw. Eindelijk weer terug van haar wilde omzwervingen terwijl ze het weekend had moeten doorbrengen met haar gezin. En weet je wat het mooiste is? Ze heeft haar vriendin meegenomen! Ja, mijn vrouw, dat voorbeeldige meisje van voorheen, met die goede achtergrond, die goede moeder voor haar kinderen,  is lesbisch geworden. Zij wil met die vrouw daar door het leven, en dat heeft ze me zojuist koelbloedig meegedeeld. Alsof onze liefde niet meer telt! Alsof huwelijkstrouw nergens meer voor staat!"

Zijn moeder ging zitten en keek Els en Eleanor geamuseerd aan. Haar ogen twinkelden. Ondanks de diepe groeven in haar gezicht leek ze even een schoolmeisje.

"Gut kind, ben je lesbisch geworden? Wat enig! Ik heb altijd al een lesbische schoondochter willen hebben!" Ze pauzeerde even en er ontstond een denkrimpel op haar voorhoofd. "Tja, dat is toch moeilijk, eigenlijk, zeker als je alleen maar zoons hebt." Ze keek opgelucht op. alsof ze zojuist het buskruit had uitgevonden. "Maar het is me nu dan toch gelukt! Zonder dat ik het erop aangelegd heb. Zo gaat het nu altijd in het leven, als je de dingen niet te erg forceert, niet probeert te krijgen wat je niet krijgen kunt, komt het vanzelf naar je toe. Kom in mijn armen, kinderen!"

"Moeder! Ik ben je kind! Je kunt toch niet zomaar goedvinden wat Eleanor mij aandoet! En haar kinderen! Ze is tegenwoordig zo onverschillig dat ze ze zelfs per trein laat reizen naar Utrecht! Terwijl ze weet hoe gevaarlijk dat is. Wat kan er niet allemaal gebeuren tussen Soest en Utrecht. Die zelfmoordterroristen hebben het altijd gemunt op die drukke lijnen."

"Harry, hou op, dram niet zo door. Ik heb je teveel verwend, maar ja, vroeger was je zo'n schattig jongetje. Daar kon ik gewoonweg niet tegenop, tegen die vertedering. Maar nu is het wel genoeg geweest en zo vertederend ben je trouwens niet meer. Nou, meisjes, waar wachten we op. Kom in mijn armen!" Eleanor en Els keken elkaar aan en liepen toen op Moeder toe. Ze lieten zich hartelijk omhelzen en accepteerden de natte zoenen op hun wangen gelaten. Erg prettig was het op zich niet, al waren ze allebei geroerd door het hartelijke welkom.

"Let maar niet op die pislucht van mij," ging Moeder voort. "Dat komt omdat Harry me al die tijd boven heeft laten zitten. De badkamer is me net iets te ver en dan laat ik het maar lopen. In het verpleeghuis doe ik dat ook als zo'n zuster niet op tijd is. Hebben ze lekker wat te doen. Ik was even vergeten dat hier geen zuster is. Maar een verschoninkje zou ik wel kunnen gebruiken, Harry."

"Gek, zijn jullie, allemaal, hartstikke gek," zei Harry. "Kom, moeder, dan breng ik je terug naar het verpleeghuis. Mijn vrouw en ik hebben nog het een en ander te bespreken, En jij," sprak hij tegen Els. "Jij kunt nu ook wel vertrekken. Dat zou wel zo beleefd zijn. Ik wil met mijn vrouw alleen zijn, daar heb ik recht op als haar man."

"Bedaar toch eens, jongen," zei Moeder. "En geef me een schone luier. Ik peins er niet over om te vertrekken. Het wordt juist leuk nu Eleanor thuis is, en dan nog met haar nieuwe vriendin. Wat een ogen heb je trouwens, meisje. Ze doen me aan iemand denken. Het zijn beroemde ogen, al weet ik niet zo gauw waar ze beroemd in zijn."

Harry hielp zijn moeder grommend met opstaan en nam haar mee naar de eerste badkamer, die beneden was. Boven waren er nog twee.

"Wat een enig mens," fluisterde Els. "Wat doet zij nou in een verpleeghuis? Daar is ze toch veel te goed voor?"

"Dat heeft Harry zo geregeld," zei Eleanor. "Zodra ze enige tekenen van verval begon te vertonen, heeft hij dat verpleeghuis voor haar geregeld. Hij wilde er alles aan doen om te voorkomen dat hij voor haar moest zorgen. Ik wilde haar in huis nemen, ruimte zat hier, maar daar voelde hij niet voor."

"Nou, dan nemen wij haar toch in huis?"

"Hmmmm, als we zo'n groot huis konden vinden. Vergeet niet, we hebben straks nauwelijks nog inkomen, want ik hou op met werken en jij hebt ook geen werk. Nee, ik zou er wel voor voelen, maar ik zou niet weten hoe we dat zouden moeten regelen."

"Geen inkomen? Natuurlijk wel! Ik krijg nog een forse schadevergoeding van Jaap, want reken maar dat hij zal gaan boeten voor die insluiting en jij hebt toch recht op alimentatie. Je hebt immers altijd de carrière van je man ondersteund. Daar mag best wat tegenover staan."

Eleanor dacht hierover na. Het idee van een riant inkomen zonder ervoor te hoeven werken, was best aantrekkelijk, maar eigenlijk druiste het in tegen haar principes. Een vrouw moest zelfstandig kunnen leven, en niet afhankelijk zijn van het inkomen van een man. Tot nog toe was ze altijd min of meer afhankelijk van Harry geweest, want van haar salaris alleen had ze immers nooit het huis kunnen onderhouden, maar toch… Alimentatie was iets heel anders. Dan bond je een man aan je waar je eigenlijk vanaf wilde. Aan de andere kant was het een aantrekkelijk vooruitzicht om Moeder in huis te hebben. Ze stond in dubio, maar ach, een beslissing hoefde niet direct te worden genomen.

Harry kwam weer met moeder de kamer in. Hij was een andere man geworden in die korte tijd. Zijn adellijke voorkomen en uitstraling waren verdwenen. Ineens stond er een oude man in de kamer. Duidelijk was dat tot hem door begon te dringen dat hij de situatie niet met gezag en woorden naar zijn hand kon zetten, maar dat hij was overgeleverd aan de wil van Eleanor. Waarschijnlijk was het voor het eerst in zijn leven dat hij zijn zin niet kon krijgen. Hij zette zijn moeder weer neer in haar favoriete stoel en bleef zelf staan met zijn handen in zijn zakken.

"Zo, dat voelt lekker, zo'n schone broek. Ik voel me net een babietje, maar vertel eens, meisjes, hoe hebben jullie elkaar ontmoet? Tijdens het dansen? Oh nee, daar zijn jullie nu ook weer niet jong genoeg voor."

"Tijdens het liften. Uw schoondochter heeft mij opgepikt toen ik stond te liften."

"Liften? Dat heb ik nou ook altijd eens willen doen. Lijkt me buitengewoon spannend, wie je meeneemt enzo. Misschien wel een enge griezel, dat heb ik op televisie weleens gezien, leek het een hele gewone man maar dan vermoordde hij zo'n vrouw met een mes, of met iets wat in zijn auto lag, een krik of iets anders. Mannen hebben altijd zoveel in zo'n auto, daar wordt een normaal mens geen wijs uit. Maar ik dwaal een beetje af. Sorry, kinderen. Op mijn leeftijd gaan de gedachten veel sneller. Ze verdringen elkaar om eruit te mogen want voordat ze het weten is het te laat. En dan wordt het wel eens een beetje warrig, natuurlijk. En Eleanor, je gaat nu scheiden van Harry. Heeft mij ook altijd zo leuk geleken, scheiden. Al dat drama, je voelt je vast een soort Ingrid Bergman of Sophia Loren, die scheiden immers ook altijd al is het maar in de film. Al schijnt die Sophia diverse mannen te hebben gehad. Dat snap ik dan weer niet. Ben je eenmaal gescheiden en dan ga je weer trouwen. Dan weet je het zo onderhand wel, zou je zeggen. Maar nee hoor, ze beginnen gewoon weer opnieuw."

"Moeder, je begint te raaskallen!" riep Harry uit.

"Wat wil je, jongen, jij hebt het hele weekend geen boe of ba tegen me gezegd. En ik moet ook wel eens mijn verhaal kwijt, hoor!"

Harry stampvoette als een peuter. "Ik heb er genoeg van! De hele avond al heb ik een stel gekke wijven om me heen! Jullie zijn allemaal hartstikke gestoord! Mijn moeder voorop! Een demente ouwe gek is het anders niet!" Zich bewust van wat hij had gezegd, zweeg hij abrupt. Hij staarde naar de grond alsof hij zo achteraf nog kon voorkomen dat iemand hem hoorde.

"Bedaar, jongen, zo praat je niet tegen je moeder. Die je altijd in de watten heeft gelegd. Die gesappeld heeft op haar eigen knieën met een boenlap in haar hand. Die jouw vader verdragen heeft alleen maar om haar zoons te laten studeren, zodat ze niet zelf met hun knieën op een vloer moesten boenen of nog erger, op straat. Stratenmaker, dat had je ook nog kunnen worden. Je neef Karel is dat geweest, die is nog geen zestig en hij heeft een totaal versleten rug. En een flatje zonder lift waar je je kont niet kunt keren. Dat had met jou ook kunnen gebeuren, hoor je, heel gemakkelijk." Moeders wangen werden rood van opwinding. "Je eigen moeder! Je eigen moeder! Stank voor dank, zeggen ze dan, maar dat zeg ik niet. Oh nee, ik weet wel dat je me geen dank verschuldigd bent alleen omdat je me op de wereld hebt gezet, maar dat wil nog niet zeggen dat alles me rauw op het dak valt, heel rauw valt het op mijn dak als ik te horen krijg van jou dat ik niet goed bij mijn hoofd ben. En dat alleen omdat ik af en toe wat zeg. Ik zit de godganse dag in die kamer in dat verpleeghuis, hoor. En ik zie alleen de zusters, van die jonge wichten, die  heus wel aardig zijn, maar af en toe heb je behoefte aan gezelschap van je eigen familie, en dat je dan eens een woord teveel praat, dat moet je dan niet kwalijk worden genomen. Het is een goed verpleeghuis, en je betaalt er vast veel voor, maar het is er wel eenzaam."

"Zou u niet liever bij ons willen wonen?" zei Els.

"Nou wordt-ie mooi!" riep Harry uit. "Bij ons! Alsof ze hier al jaren woont! Alsof ik haar niet zo meteen het huis uitdonder en haar vermoord als ze niet maakt dat ze wegkomt!"

"Harry, hou je mond! Laat dat meisje uitpraten. Ik vind het helemaal geen gek voorstel!" zei moeder. Haar blik was hoopvol.

"Nu je het zegt, Els," zei Eleanor bedachtzaam. "Dat zou een oplossing kunnen zijn. Lijkt me een goed idee. We denken er nog verder over, maar voorlopig blijft u maar hier. Die verpleeghuiskamer kunnen we altijd nog opzeggen."

"Kind toch, kind.." Moeder begon zachtjes te huilen. Even maar. "Sorry dat ik me zo aanstel, ik lijk wel een oud wijf, wat zeg ik, ik ben een oud wijf, nog erger dus. Maar natuurlijk wil ik graag blijven!"

"Dit is een overval!" schreeuwde Harry. "Muiterij! Een verkrachting!" Hij verliet de kamer en bij het sluiten vloog de deur haast uit de sponning, zo hard sloeg hij hem dicht. Ook de voordeur werd met een kwak dichtgeslagen.

"Zo, dames, daar moet een glaasje op worden gedronken," zei Eleanor. Ze haalde de fles jenever tevoorschijn en schok voor hun alledrie een glas in. Ze zorgde ervoor dat het goed gevuld was.

 

Maandag. De dag die God niet had moeten maken, maar het was toevallig wel de eerste dag geweest waarop Hij begonnen was met de uitvoering van zijn onzalige plan: het scheppen van de wereld. Zo zag je maar dat de maandag al in voorwereldlijke tijden een saaie, grauwe dag was geweest. De maandag was al onverdraaglijk voor hij bestond, want hoe was God anders op het idee gekomen om een bol te scheppen waarin louter moord en doodslag heerste, waarin het een kwestie was van vreten of opgevreten worden. Dat kon Hij alleen hebben besloten in een moment van uiterste verveling, van verschrikkelijke hopeloosheid. Die maandag, die vooraf gang aan alle dagen tot het einde der tijden, had het begin ingeluid van een gruwelijk plan.

Eleanor wist dat ze dat God niet kwalijk kon nemen. Want bij wie moest je Hem ter verantwoording roepen? Wie was er voor God geweest? Of had Hij ook zichzelf geschapen. Ze kwam er niet uit en fietste door de druilerige regen naar het instituut. De vorige avond was gezellig genoeg geweest, met Els en Moeder. Frederik had zich niet meer vertoond al was hij wel thuisgekomen. Ze had hem diep in de nacht op de overloop gehoord. Nu echter was alle glans en glorie die haar het hele weekend hadden omringd verdwenen. Haar haar stond op half zeven, ze voelde zich vet en slodderig, de spiegel had een oude vrouw met wallen onder haar ogen laten zien en haar hoofd zat vol met dofmakende watten. Toen ze vertrok, sliep Els nog. Moeder uiteraard ook: die stond zelden op voor elf uur. Ze zou haar bed wel weer hebben onder gepist. Vreemd, normaal gesproken vond ze Moeders weigering om de moeite te nemen naar de wc te lopen charmant en prettig eigenzinnig, maar nu stoorde ze zich eraan. Het was natuurlijk ook wel wat anders of je een verpleegster kon roepen om de rotzooi op te ruimen of dat je het zelf moest doen. Het stond vast dat daar verandering in moest komen. Had ze er wel goed aan gedaan om haar in huis te nemen? Gisteren leek het zo'n geweldig idee, maar nu twijfelde ze. Ze mocht haar graag maar nu de kinderen volwassen waren, had ze niet zoveel zin in zorgtaken.

Toen ze bij het instituut aankwam, stond Timotes voor de portiersloge te roken. Hij glimlachte met dat geniepige glimlachje dat het volk zo eigen is sinds de moord op Pim Fortuijn. Althans het volk dat zichzelf tot volk heeft benoemd en iedereen buitensluit.

"Er is er weer een gepakt, hè?" grauwde hij. Zoals alles aan hem was ook zijn stem onaangenaam: een krakend geluid dat ergens diep vanuit zijn stinkende maag kwam, dat niet tot doel had te communiceren met de buitenwereld, maar die af te katten en te sarren.

"Ik begrijp niet wat u bedoelt," zei Eleanor zo afgemeten mogelijk.

"Die flikker, in die apenpakjes die hier altijd rondloopt, die hebben ze gepakt, zo'n geitenneuker was hij, al is hij dan blond. Of tenminste, hij is geen buitenlander, die kleur zal wel niet echt zijn. Zo'n mietje blondeert zijn haar natuurlijk."

"Ik vind wel dat u zich erg ongenuanceerd uitlaat. En bovendien kwetsend."

"En jij hebt het ontdekt, heb ik gehoord. Dat is geheim, maar je bent Kees Timotes of niet dus ik weet het toch. Jij hebt hem al die tijd al in de smiezen gehad!"

"Daar laat ik me liever niet over uit."

"Nou, toch is het zo. Jij bent een held! Ze hadden er wel achter kunnen komen dat jij hem door had. En reken maar dat ze je dan hadden gekeeld. Wat ze met een schaap doen op hun balkons doen ze even gemakkelijk met mensen!" Even schemerde er iets van bewondering over zijn groezelige gezicht. Ze rilde ervan. Als zij binnenkort onverhoopt mocht komen te overlijden, zou hij vast gaan collecteren om haar in een praalgraf te kunnen leggen. Ze moest maar opschrijven wat ze wilde na haar dood. Voor alle zekerheid. Ze mocht er dan niet bij zijn, misschien, maar zoiets zou toch behoorlijk gênant zijn.

"Ik ben zeer zeker geen held. En ik zou het op prijs stellen als u hierover verder zweeg. Alles wat hierover naar buiten komt, kan ons instituut in gevaar brengen."

"Van Kees Timotes hoort niemand iets, ik kan zwijgen, anders zou ik niet in deze positie zitten."

"Nee, vast niet." Eleanor liep snel door. Als Timotes wist dat zij Buitelaar had aangegeven, wist het hele instituut het, en als het hele instituut het wist, stond het vanavond, uiterlijk morgen, in de krant. Tot nog toe was er geen publiciteit over de aanhouding geweest, maar die kon niet lang meer uitblijven.

Haar benen waren zwaar toen ze de afdeling op liep. Ze had er heel wat voor over gehad om deze dag over te slaan en aan morgen te beginnen, als haar nieuwe, vrije leven begon. Maar door sommige dingen moest je nu eenmaal heen. Als investering en om erger te voorkomen.

Het was nog vroeg - tien uur - maar Frederiks was er al. Ze hoorde zijn bulderende stem door de gang. Hij zat aan de telefoon. "Natuurlijk, Hans, wij lossen het op! En er komt helemaal niets naar buiten. Niets lekt uit, wij hebben hier geen lekken, ik sta voor de volle honderd procent voor mijn medewerkers in!"

Dat moest er nog bijkomen, dat de minister zelf er zich mee ging bemoeien. Misschien werden alle medewerkers wel in quarantaine gestopt! Het stond al bijna vast dat hen een spreekverbod werd opgelegd. Daar was de minister steeds sneller mee de laatste tijd.

Ze ging naar haar kamer en bekeek de stapels rapporten die keurig gerangschikt op haar bureau lagen. Om wat te doen te hebben, nam ze de bovenste van tafel: het rapport over veiligheidsbeleid van Rob Buitelaar. Ze zette er "spoed" op en legde het weer terug.

Aleid kwam binnen. "Frederik wil dat we nu komen," zei ze. "En hij is nog drukker en lawaaiiger dan anders dus bereid je maar voor op een lange en vermoeiende sessie.

 

Toen Eleanor de vergaderzaal binnenkwam, was iedereen er al op Frederik na. Die belde nog met de minister en dat ging natuurlijk voor. Mordechai knipoogde naar haar en dat vond ze enigszins verontrustend. Was het mogelijk dat hij wist hoe de vork in de steel zat? Of was hij gewoon blij om de arrestatie van Rob Buitelaar? Jannie zat te breien aan iets zwarts zonder duidelijke vormen. Een omslagsjaal misschien. Haar ogen waren rood. Ze had gehuild. Dirk zat afwezig poppetjes te tekenen.

"Nu we toch bij elkaar zijn," begon Jannie "Wil ik even het weekend doornemen. Dan lijken we nog even een normaal kantoor en we zullen het nog zwaar genoeg krijgen. Ik wil het zusjesgevoel graag gestalte geven, waar we het vrijdag over hebben gehad." Ze keek om zich heen. Niemand reageerde.

"Ik heb het heel fijn gehad met mijn kinderen," vervolgde ze. "Maar ik heb wel moeite gehad om de gebeurtenissen van vrijdag van me af te zetten. Rob was toch een van ons, en dat hij dan zoiets gedaan heeft, of wilde doen, ik weet eigenlijk niet hoe ik het moet uitdrukken, het was ontluisterend, net toen we op het goede pad zaten. Ik had het gevoel dat ons gezinnetje, ik bedoel ons werkgezinnetje, in al zijn prilheid uiteen werd geslagen." Weer keek ze om zich heen. "Hebben jullie dat nou ook?" vroeg ze. Mordechai haalde zijn schouders op. "Ik ben gewoon gaan vissen," zei hij. "Buitelaar is een afgesloten hoofdstuk voor mij, al zal Frederik daar anders over denken." Op dat moment kwam Frederik binnen. Zonder inleiding stak hij van wal: "Ik heb net Hans even gesproken." Hij keek om zich heen om zich er van te vergewissen dat het tot iedereen doordrong dat hij de minister bij zijn voornaam aansprak, een feit waar hij bijzonder trots op was. Zijn medewerkers lieten echter niets blijken en wachtten het vervolg af. "Hans wil dat de aanhouding van Rob Buitelaar niet bekend wordt. Ik heb hem ervan kunnen overtuigen dat dat niet zal lukken. Elke aanhouding van een terrorist komt uitgebreid in de media. Dat kan al pijnlijk genoeg zijn: hoe heeft een instituut als dit maandenlang, wat zeg ik, jarenlang, zo iemand onder zich kunnen dulden zonder door te hebben met wat voor plannen hij rondliep. Dat we het hebben opgemerkt is natuurlijk te danken aan Eleanor, dat we het te laat hebben gemerkt is te wijten aan haar nalatigheid om haar vermoedens meteen te melden."

Ja, nogal wiedes, dacht Eleanor, ik was pas vorige week op het idee gekomen. Ze reageerde niet op Frederiks verwijt.

"Maar het is toch fijn dat ze zo oplettend is geweest," riep Jannie uit. "Ik denk dat zij het niet eerder gezegd heeft omdat ze ons niet onnodig bezorgd wilde maken, dat ze het eerst zeker wilde weten. Dat is toch te prijzen in haar."

"Misschien, misschien," zei Frederik. "Ondertussen speelt wel het feit dat we in de moeilijkheden zitten. Want ga maar na: als de pers er lucht van krijgt, gaan ze spitten, staat er morgen een grote kop in de Telegraaf: Ministerie betaalt terrorist voor beveiligingsonderzoek. Daarom wil ik voorstellen dat niemand tot nader orde met de pers mag spreken, niemand behalve ik. En Eleanor, jij al helemaal niet. Jou zullen ze wel opzoeken. Gelukkig is je naam nog niet naar buiten gekomen. Ik wil dat je je vanaf vandaag ziek meldt, of nee, misschien is het beter dat ik je gewoon verlof geef, zo'n ziekmelding kan ook al verdacht zijn. En Aleid, jij zoekt vandaag alle afschriften van de rapporten van Buitelaar bij elkaar, en legt die in mijn kamer. Niemand mag die rapporten lezen. Gelukkig zijn ze nooit buiten de afdeling geweest, dus op een andere manier kunnen ze niet uitlekken. De politie zal Buitelaars privé-pc wel in beslag hebben genomen, dus van die kant hoeven we niks te vrezen. De politie zal die rapporten niet lekken. Daar kunnen we toch wel vanuit gaan." Bij de laatste zin klonk enige twijfel in zijn stem door.

"Arme Eleanor!" zei Mordechai. "Mag ze niet eens meer op het instituut komen! En dat na zo'n heldendaad!"

"Ik heb gewoon mijn plicht gedaan," zei Eleanor. Dat moest ze maar volhouden. Weer twijfelde ze aan de achtergrond van Mordechai's opmerking. Zijn toon was ironisch geweest, net of hij de hele situatie als een spel zag. Meer en meer ging ze vermoeden dat hij iets wist.

"En geen telefoonnummer doorgeven, Aleid!"

"Ja zeg! Ik ben toch niet achterlijk!"

De bespreking ging uren door. Frederik herhaalde almaar hoe belangrijk het was dat iedereen bleef zwijgen. Hij liep nog een paar keer weg om met de minister te telefoneren. Het was ver na tweeën toen Eleanor eindelijk naar huis kon.

 

Ze had geen zin om direct naar huis te gaan en besloot naar het bos te gaan. Alleen. Weliswaar hield ze veel van Els, dat wist ze zeker al had ze haar vrijdag pas ontmoet, en verlangde ze naar de rest van haar leven samen met haar, maar ze had even tijd voor zichzelf nodig. De indrukken van de laatste dagen waren haar teveel geweest. Of eerder: geworden. Leefde ze sinds donderdagmiddag op vleugels, nu waren die vleugels even afgezakt, hingen ze langs haar lijf alsof ze een meeuw in een olievlek op zee was. Alles even op een rijtje zetten, heette dat, alleen was er wel erg veel op een rijtje te zetten.

Zo maakte ze zich zorgen om Harry. Zou hij het wel redden zonder haar? Het leek erop dat ze de laatste jaren nog weinig met elkaar te schaften hadden, maar misschien was dat schijn. Aan sleur wen je zo, dat je de goede momenten ook niet meer ziet. Even ging er een steek van pijn door haar heen toen ze aan zijn verweesdheid dacht als hij 's morgens opstond. Dat kwetsbare in hem, dat hij steeds minder vaak liet zien, daar hield ze van. Het heertje met de hockeystick, dat een pose aannam,  zag ze soms nog door hem heen schemeren. Zelfs zijn verhalen zou ze missen al waren ze nog zo vol van Harry, die alles zo perfect deed, die zo'n redder van de mensheid was, die precies wist waar hij moest snijden en bovendien kon snijden alsof de duivel hem op de hielen zat waarmee hij het ziekenhuis veel kosten bespaarde. Die ook zo kwaad werd, als een patiënt zich daar niet naar gedroeg maar ging lijden aan complicaties of zelfs overleed. Dat zelfverzekerde, dat macho-achtige, misschien was het maar een schilletje. Goed, een wat dikke schil. Misschien was hij nog te pellen.

Haar kinderen kwamen ook voor haar geestesoog. Aart die zo'n voorbeeldige bal was, dat hij zich een andere omgeving dan de villawijk in Soestduinen niet kon voorstellen. Wat moest er van hem worden als hij het met minder moest doen. Ooit. Als de tijden slechter werden. Of als het hem gewoon niet lukte om een goedbetaalde baan te vinden. Maar die zou hij wel vinden, daarvan was ze overtuigd. Hij was het type jongen dat overal werd aangenomen. Gladde praatjes, mooi om te zien, de juiste proportie arrogantie. Nog even, en hij reed in zijn leasebak naar een duur kantoorgebouw op zo'n bedrijventerrein waar niets anders was dan kantoorkolossen en mensen die op weg naar hun werk waren, in de pauze een ommetje maakten met collega's of mensen die van hun werk vertrokken naar huis. Hij zou niet eens veel hoeven te presteren, want iedereen in zijn omgeving zou aannemen dat hij goed was in zijn werk en alles wat hij zei tijdens vergaderingen zou genotuleerd worden als ware het diepgaande wijsheden. Binnen enkele jaren zou hij zichzelf een villawoning kunnen permitteren. Zorgen hoefde ze zich over hem niet te maken. Toch, hij hing nog altijd aan haar, al was hij vooral de oogappel van Harry. Hij liet haar alles aandragen. Hij vond het heel gewoon dat ze zijn eten kookte, ervoor zorgde dat zijn overhemden gestreken in de kast hingen, dat ze extra aardig voor hem was als hij tentamen moest doen. Er zou altijd een vrouw zijn die dat voor hem deed, bedacht ze. Er zou er gauw een verschijnen die haar zou vervangen. Laatst was ze midden in de nacht, toen ze niet kon slapen, naar zijn kamer geslopen. Hij sliep in een foetushouding, met het dekbed om zich heen, een been buitenboord. Het was een behaard been, maar toch herkende ze de kleuter die hij was geweest in hem. Met een gevoel van spijt had ze de deur gesloten. De tijd gaat snel, veel te snel.

Mariska was zelfstandiger. En eigenlijk op haar manier nog veeleisender dan Aart. Zij wilde met egards worden behandeld, verwachtte dat Eleanor altijd voor haar klaar stond, wat niet vreemd was omdat Eleanor haar in bijna alles haar zin had gegeven. Vroeger, toen ze nog klein was, had Eleanor wel eens het visioen van moeder en dochter die bijna als vriendinnen met elkaar omgingen. Ze wist allang dat daar nooit iets van zou komen: de aanblik van degene die haar heeft opgevoed, haalt het laagste naar boven in een mens. Dat is immers degene die haar het leven heeft geschonken, en dat verplicht. Niets maakt een mens zo agressief als iemand die iets voor haar doet dat verplichtingen schept. Leven redden, leven geven, niet doen, je haalt je de eeuwige wrok van degene die gaat leven of wordt gered op de hals.

Ze hoopte toch dat Aart en Mariska haar nog zouden bezoeken, als ze wisten dat ze samenwoonde met Els. Toch wel. Ondanks alle kwellingen van de laatste jaren, en verzuchtingen naar rust. Zou Harry niet gewoon bij hen kunnen blijven wonen? Vreemde gedachte, dat zou hij nooit willen. Hij moest in het middelpunt van de belangstelling staan, en hij zou toch wel  aanvoelen dat daar geen sprake van kon zijn in een huis vol vrouwen.

Aan de andere kant: hij wilde ook niet weg. Vreemd dat hij nooit een verhouding was begonnen, want hij hield zo van aandacht en hij kon niet alleen zijn. Misschien dat het er van kwam, nu ze hem verlaten had. Moeder zou het aanmoedigen. Had ze haar eigen soap in huis. Haar eigen leven was een soap geweest, maar als je er middenin zit, heb je dat niet door. Ze was heel jong getrouwd met een loodgieter. Heel handig scheen hij geweest te zijn, maar toen Eleanor hem leerde kennen, was hij al in de WAO. Vanwege zijn rug, beweerde hij. Moeder had vier kinderen bij hem gehad, allemaal mannen. De loodgieter was dus iemand die alleen maar jongens kon produceren, en dat was misschien maar goed ook, want hoe zou het leven van een dochter geweest zijn bij die bullebak. Hij zat altijd in dezelfde stoel om zich heen te loeren. Vooral toen hij eenmaal thuis was, lette hij erop dat Moeder niets deed wat hem niet zinde. En dat was heel veel. Hij stoorde zich eraan dat zij de Margriet las. Een wijvenblad vol met onzin was dat. Zonde van het geld. En ze had wel wat beters te doen, bier voor hem halen bijvoorbeeld. Daar had hij nooit genoeg van. Als ze naar de kapper was geweest, zei hij dat ze er niet uitzag met die bloempot op haar kop. Of ze wel eens in de spiegel keek. Nee zeker. Anders zou ze wel zien dat ze zo lelijk als de nacht was, en die rotkop niet accentueren door zo'n opvallend kapsel. Hij kon niet naar de koelkast lopen als ze thuis was. Merkwaardig genoeg lukte dat beter als ze weg was: de koelkast was meestal zo goed als leeg als ze terugkwam. Ze werkte als schoonmaker in ziekenhuizen en kantoren en hij dacht dat dat een mooie aanvulling was op zijn uitkering. Hij eiste keer op keer dat zij  hem het geld overhandigde, maar zo gek was ze niet. Ze spaarde om haar zoons te laten studeren en dat doel was haar zo heilig, dat ze regelmatig geld van zijn rekening haalde. Gelukkig was hij te lui om het allemaal te gaan narekenen.

Op een dag was hij van de trap gevallen en had hij zijn nek gebroken. Moeder kon niet verklaren hoe dat zo gekomen was. Wat had hij boven gedaan waar hij jaren niet was geweest? Waarom was hij zo hard gevallen dat hij de trapleuning had losgerukt die zich vervolgens dwars door zijn lijf had geboord? En het allerbelangrijkste: waarom had er acht uur gezeten tussen het vermoedelijke tijdstip van overlijden en haar telefoontje naar het alarmnummer? Tegen die tijd was hij al behoorlijk afgekoeld en een ambulance was niet meer zo nodig. Moeder was gewoon thuis geweest. Ze beweerde dat ze had geslapen en niet had gemerkt dat hij van de trap was gevallen. Het moest een enorme klap zijn geweest want de buren van twee huizen verderop hadden het gehoord, maar moeder hield bij hoog en bij laag vol dat ze er doorheen had geslapen. De politie bleef het verdacht vinden, maar kon er niets tegenin brengen. Op de begrafenis was Moeder opvallend opgewerkt geweest. Ze had geen zin om de schijn op te houden, beweerde ze. De loodgieter was een etter geweest en ze was blij dat hij dood was. Bij het gebruikelijke afscheidsrondje langs de kist spuwde ze er zelfs op. Harry en zijn broers waren ook niet kapot van de dood van hun vader, hadden gezellig koffie gedronken met de familie nadat de kist de grond in was gegaan en achteraf hadden ze nog gezegd hoe leuk het was om iedereen weer eens te zien. Harry was een half uur na de begrafenis gaan opereren.

Gek, hoe vrouwen door de eeuwen heen altijd weer genoegen namen met de positie van pispaal voor een mislukte man. Moeder had dat gedaan, en Els ook. Eleanor realiseerde zich dat ze nog niet zo heel veel wist van het huwelijk van Els. Ze had tijdens het weekend in De Wilde Weelde van alles verteld, maar ze had weinig over haar man gesproken. Die moesten ze binnenkort maar eens opzoeken, de hufter. Hij zou wel schrikken als ze bij hem op de stoep stonden. In haar gedachten maakte ze een aantekening hiervan: ze moesten er maar niet al te lang mee wachten. Waarschijnlijk zagen al die vrouwen door de arrogante bullebak toch nog steeds de jongen die ze destijds in bedeesder vorm het hof had gemaakt, en bleven ze hopen dat die jongen terugkwam. Dat gebeurde zelden. Net als Harry niet zou terugkomen, niet in die vorm. Het speet haar.

 

Toen ze uren later thuiskwam, zaten Els en Moeder in de woonkamer. De televisie stond aan. "Nou, kind, je bent er op geweest hoor!" zei Moeder. "Je bent een ster! Je komt vast bij Ivo Niehe!" Eleanor ging zitten en keek naar de beelden. De minister was net aan het beweren dat zijn instituut geen blaam trof want alle veiligheidsmaatregelen die nodig waren waren genomen. Maar honderd procent beveiliging bestond niet dat moesten we allemaal goed beseffen. Het bewijs was nog niet rond, maar de netten rondom de gearresteerde terroristenverdachte Roberto B. sloten zich steeds nauwer. Eigenlijk was men er wel zo'n 99 procent van overtuigd dat hij betrokken was bij een netwerk, Al Kaida, waarschijnlijk en iedereen wist toch hoe sluw dat netwerk opereerde. Hoe hadden ze anders de Twin Towers kunnen binnenvliegen in het perfect georganiseerde Amerika waar men heus niet zo voorzichtig was met allerlei privacy-wetgeving. Die laatste schoot haar doel behoorlijk voorbij in Nederland, dat was ook een oorzaak van de late, bijna te late ontdekking. Als Roberto B. eerder gescreend had kunnen worden, als zijn telefoon had kunnen worden afgetapt, als hij eerder was aangehouden voor een verhoor, dan was het niet bijna te laat geweest. Want beseften de dames en heren wel dat zijn leven, het leven van een minister, een democratisch gekozen minister, op het spel had gestaan? Hij was bedreigd, en met hem natuurlijk de democratie en het vrije woord, maar men mocht hem toch niet kwalijk nemen dat hij behoorlijk geschokt was. Zijn kinderen waren angstig als hij 's morgens vertrok en zijn hart was bijna gebroken toen zijn jongste zoon hem had gevraagd je komt toch wel terug papa ze gaan je toch niet vermoorden. Er zouden stevige maatregelen moeten worden genomen, daar had hij al over gesproken met de minister van Justitie. Aanhouding moest sneller. Verdachten moesten langer worden vastgehouden zonder dat de rechter daar eerst een uitspraak over deed. De bewijslast moest worden omgedraaid bij verdenking van betrokkenheid bij terrorisme.: je was pas onschuldig als je het kon bewijzen. De politie moest iedereen die zij ook maar enigszins verdacht van wat voor misdrijf dan ook kunnen fouilleren en mogen meenemen naar het bureau voor verhoor. Immers, achter de eenvoudigste diefstal, de lulligste verkeersovertreding kon een terroristisch plan schuilen. Het was helemaal de verkeerde kant opgegaan in dit land: criminelen werden beschermd en slachtoffers werden aan hun lot overgelaten. Vooruitlopend op het proces wilde hij wel kwijt dat Roberto B. wat hem betreft levenslang moest krijgen. En eenzame opsluiting. En inbeslagname van al zijn bezittingen. Het was trouwens een teken aan de wand dat nu de eerste terrorist van Nederlandse afkomst ontdekt was. Roberto B. was ongetwijfeld een Islamist, al was hij tijdens de verhoren blijven beweren dat hij atheïst was en hooguit op kerstavond de kerk bezocht. Ongetwijfeld een nieuwe strategie van de islamisten, om hun geloof te ontkennen. Maar ze zouden het wel uit hem krijgen, de gedragsregels voor verhoren zouden niet naar de letter worden gevolgd, daarover was al overeenstemming bereikt met de Minister van Justitie. De banden met de Hofstadgroep, de trainingen in Libië, de plannen voor een zelfmoordactie die na de moord zou plaatsvinden, alles zouden ze uit hem persen. Zo werkten ze nu kennelijk: Eerst deed de terrorist een aanslag waar hij zelf levend uitsprong en in een latere fase werd hem bevolen een zelfmoordactie uit te voeren. Het was een combinatie van hersenspoeling en chantage.

"Is dat niet die man die laatst in de Tweede Kamer zijn broek liet zakken en zijn achterste toonde?" vroeg Els.

"Nou je het zegt," zei moeder. "Dat heb ik gezien. Ik dacht nog wat een lelijke, vette reet en je kon zo zien dat er pukkels op zaten."

De minister beantwoordde een vraag die Eleanor niet had verstaan.

De ambtenares in kwestie is geschorst. Zij heeft verzuimd haar verdenkingen direct te melden. Haar overwegingen heeft ze wel duidelijk gemaakt maar omdat dit een personeelsaangelegenheid was op zijn ministerie kon hij daar geen uitspraken over doen. Het was in haar te prijzen dat ze het plan op het spoor was gekomen maar ze had veel te laat de AIVD ingeschakeld. Dat had ze trouwens niet mogen doen, ze had haar afdelingshoofd moeten inschakelen die dan weer de minister had moeten waarschuwen. Of ze ontslagen zou worden, was nog niet duidelijk en ook daar wilde de minister geen uitspraken over doen.

De minister verdween uit beeld en aan tafel waren enkele deskundigen genodigd om hun visie op het gebeurde te geven. Specialist in terrorisme en criminoloog dr. Bezwaan beweerde dat de dader in het profiel paste wat we allang kennen: hoog opgeleid, frustraties, het gevoel langs de zijlijn te worden geparkeerd. Op de opmerking van de interviewer dat het in dit geval om een hoogopgeleide Nederlander met een eigen adviesbureau ging reageerde dr. Bezwaan met een wegwuivend armgebaar. "Maar gefrustreerd is hij wel," hield hij vol. "Dat merk je aan alles wat er tot nog toe over de man naar buiten is gekomen. Het schijnt dat hij ondanks zijn leeftijd, hij was toch al over de zestig, wild gekleurde pakken droeg, en dat wijst toch op een zekere tegendraadsheid."

"Wat een geleuter," mompelde Eleanor. "Er bestaat geen grotere retenlikker dan Rob Buitelaar, als het maar om een afdelingshoofd gaat. Of iets anders hoogs. Ik weet zeker dat hij de leuter van de minister zou likken als dat hem ergens zou brengen."

"Nee, kindje, dat geloof ik niet, zo slecht kan een mens niet zijn!" bracht Moeder verbouwereerd uit.

Els lag loom op de bank, als een kat die bij het moment leeft en zich niet druk maakt zolang er op dat moment eten en warmte. Wat een verschil met de verslagen en vervuilde vrouw die ze nog maar een paar dagen geleden op de snelweg was tegengekomen.

Eleanor zapte verder. Op een donker veld, alleen verlicht met waxinelichtjes, stonden massa's mensen. Een verslaggever verscheen in beeld, de blonde kortharige vrouw die altijd bij rampen en andere onzaligheden aanwezig was. Zou ze daar nou niet moe van worden?

"De stille tocht is geëindigd hier op het Pim Fortuijnplein en heeft tienduizenden mensen aangetrokken. Mevrouw," vroeg ze aan een willekeurige voorbijganger. "Waarom neemt u vanavond deel aan deze tocht?" "Dat zal ik u zeggen," zei de vrouw met van emotie overslaande stem. "We willen nu eens iets doen als het nog net goed is gegaan! We willen de aandacht vestigen op het gevaar dat ons omringt, dat overal op de loer ligt. Wij zijn blij dat de minister niet is vermoord, zoals toen met Pim, maar dat het nog net voorkomen is!" De vrouw knikte goedendag en liep verder in gedragen tred, alsof ze in een begrafenisstoet liep. "De emotie is hoog opgelopen," sprak de verslaggever tot de kijkers. "Er zijn hier mensen met beertjes, met waxinelichtjes en er is verbijstering op de gezichten te lezen. Zojuist sprak ik iemand die vertelde dat hij tot nu toe veel had meegemaakt, maar zoiets als vandaag, of in het weekend dan, was niet meer voorkomen sinds de moord op J.F. Kennedy."

"Dit had ik nou ook weer niet bedoeld," zei Eleanor voor zich heen. De twee andere vrouwen reageerden niet.

"Ben je nu vrij, Eleanor?" vroeg Els. "Ik hoorde straks zoiets, dat je geschorst was ofzo."

"Inderdaad, ik ben verlost van het instituut, ik moet alleen nog zien dat ik er een beetje leuk uitspring, qua financiën."

"Meid, vrijheid, dat is je alles, dat is zo kostbaar!" zei Moeder. Ze stond op, minder moeizaam dan Eleanor gewend was. "Even naar de wc," zei ze.

Toen ze de deur achter zich had gesloten, vroeg Eleonor:  "Naar de wc? Dat heeft ze al tijden verdomd.. Weet jij hoe dat zo is gekomen?"

"Ik heb gewoon gezegd dat ik het vertikte om haar luier te gaan verschonen en dat ze zichzelf maar moest zien te redden. En toen ging ze gewoon naar de plee, alsof er niets aan de hand was. Er was natuurlijk niets aan de hand. Dat mens is opstandig geworden van het almaar in dat verpleeghuis zitten, van het idee dat ze gedumpt is door haar eigen kinderen."

"Wonderlijk, jij krijgt voor elkaar wat nog geen tien mensen voor jou voor elkaar hebben gekregen." Eleanor liep op Els toe en kuste haar. Ze vlijde zich naast haar op de bank, die daar eigenlijk veel te smal voor was, maar ach, ze waren nog verliefd en dan kon je een hoop hebben.

Moeder kwam terug. "Ach, wat schattig!" zei ze. "Prille liefde is altijd zoiets moois! Na mijn loodgieter durfde ik niet meer, ik was veel te bang dat hij weer tegen zou vallen, maar anders had ik ook nog wel eens verliefd willen worden. Zal ik thee zetten, meisjes? Thee past goed bij de liefde, bij alles trouwens, je kan het zo gek niet bedenken of thee past erbij."

"Het is wel heel erg revolutionair! Ze heeft sinds de Tweede Wereldoorlog geen thee meer gezet, dat liet ze voor zich doen. Of was het nou sinds de Russische revolutie?"

"Zo zie je maar wat een goed idee het is dat we haar in huis hebben genomen. Ze knapt er nu al van op. Over een paar weken gaat ze op zaterdag dansen, let maar op."

"Zeg," begon Eleanor. "Zullen we morgenavond je man eens een bezoekje brengen?"

"Ik heb helemaal geen zin om die eikel te zien."

"Nee, natuurlijk niet. Maar we moeten het ijzer smeden als het heet is. Hij moet dokken, we moeten hem zo bang maken dat jij je hele leven op rozen zit. Dat is hij je wel verschuldigd. Hij heeft het verdiend dat hij voorlopig een tijdje goed angstig is."

"Nou, vooruit dan maar, kan ik meteen wat spullen meenemen. Als hij die nog niet heeft weggegooid, tenminste."

 

De volgende avond waren Eleanor en Els al vroeg op pad gegaan naar Jaap, Els’ echtgenoot en aanstaande ex-echtgenoot, want hij woonde in Wassenaar en dat was een eind rijden.

“Fijn, om weer even alleen te zijn,” zei Els. Ze streelde Eleanor over haar been.

“Je mag de bestuurder niet afleiden,” zei Eleanor. “Maar inderdaad, het wordt wat druk de laatste tijd. Moeder is wel aangenaam gezelschap, maar ze neemt veel ruimte in.”

“Ze bedaart wel. Ze kan haar geluk niet op, daarom is ze zo druk.”

Els stak een sigaret op.

“Je mag niet roken van Harry, in deze auto.”

“Nou en? Hij zit er toch niet bij?”

“En het is zijn auto niet. Toch vindt hij het vervelend, voor de paar keer per jaar dat zijn eigen auto naar de garage is en hij de mijne leent.”

“Het is een zeikerd, die Harry van jou. Wees maar blij dat je van hem af bent.”

Eleanor antwoordde niet. Nu het eindelijk zover was, was ze niet echt blij om van hem verlost te zijn. Ze wist echter niet wat ze ertegen moest doen, want Els wilde ze ook niet meer missen. Het was alleen allemaal zoveel tegelijk.

Na veel gehobbel door files en fout geparkeerde auto’s kwamen ze eindelijk in Wassenaar aan. Jaaps en Els’ huis stond in een gewone straat, en het was een rijtjeshuis, al was het wel groot. Voor het huis stond een jaguar gepakeerd.

“Zou die van hem zijn?” vroeg Els meer aan zichzelf dan aan Eleanor. “Hij had eerst een ford, al had hij het er wel altijd over dat hij een jaguar wilde.”

“Dat willen ze allemaal. Of een nog duurdere. Nu jij er niet meer bent om op hem te letten, zal hij vast wel meteen zo’n auto zijn gaan kopen.”

“Nou, dat is dan mooi, dan is die auto wel voor de helft van mij. Hij was zeker vergeten dat hij nog met mij getrouwd was.”

“Zo is het,” zei Eleanor.

Els belde aan. Haar bezittingen waren in de psychiatrische inrichting achtergebleven en daar zat haar sleutel ook bij. Immers, ook met een sleutel kan een mens zelfmoord plegen? Zij kan er mee op haar eigen kop slaan tot het bloedt en er een schedelbasisfractuur ontstaat of hem inslikken zodat ze overlijdt aan een infectie. Want zo’n sleutel komt er niet meer vanzelf uit, natuurlijk en zeer beslist niet zonder schade.

Het duurde even voordat Jaap open deed, maar daar stond hij dan.

“Els, lieverd!” riep hij uit.

“Niks lieverd, vuile ploert, laat me naar binnen.”

Hij deed een stap opzij om Eleanor en Els binnen te laten. Eleanor negeerde zijn uitgestoken hand. Deze man was ze geen verklaring schuldig.

“Ik heb me zoveel zorgen gemaakt sinds je ontsnapt bent,” bracht hij uit toen ze in de design zithoek zaten. “Overal hebben we gezocht. De politie ging er eigenlijk van uit dat je iets overkomen was, dat je het slachtoffer was van een misdrijf of een ongeluk.”

“Nou, ik ben hier, in levende lijve, en je zorgen zijn voorbij.” Els lachte schamper. Uit haar ogen sprong vlammende haat. Eleanor was blij dat ze was meegegaan, anders had deze ontmoeting nog slecht kunnen aflopen.

“Ik ben zo blij schat,” riep hij uit. “Maar je kunt wel beter teruggaan naar het ziekenhuis, want je was nog niet genezen, nog lang niet. Wacht, ik zal dr. Spoelstra bellen.” Hij stond op. Els duwde hem ruw terug op de bank. “Niks dr. Spoelstra, die eikel sleep ik voor het Medisch Tuchtcollege!” zei Els. “Maar hij had alleen het beste met je voor!” bracht Jaap uit. Misschien geloofde hij het zelf. Kennelijk was hij nog niet zo heel lang terug van zijn werk, want hij droeg een blauw kostuum, een maatkostuum dat nooit comfortabel kon zitten. Op het instituut droeg behalve Frederik niemand een kostuum,  en Eleanor vroeg zich altijd af waarom mannen zich in zo’n koud, eenvormig kledingstuk persten. En dan nog die stropdas erbij. Jaap was wat aan de mollige kant, de molligheid van iemand die veel snelle snacks eet tussen zijn drukke werkzaamheden door. Het gaf hem een vierkant uiterlijk, want hij was niet erg groot. Iets langer dan Eleanor misschien.

Els gaf hem een klap in het gezicht. Hij keek verbijsterd, maar deed niets terug. “Die heb je alvast te pakken,” zei ze. “Eigenlijk wil ik doorgaan, maar de edelvrouw in mij verhindert dan. Jij bent echter niets meer dan een laaghartige, egoïstische, achterlijke, vette rotzak! Zo een die onder een steen vandaan is geslopen, zo een die niks maar dan ook helemaal niks waard is. Ja, op de beursvloer misschien maar niet als mens. Je eigen vrouw in een inrichting stoppen, omdat ze iets wil wat jou niet zint…Hoe kom je erbij? Razend word ik als ik eraan terugdenk! Die vuile opzet van jou, en dan dat misbaksel van een Spoelstra erbij halen. Waar heeft die zijn studie gedaan eigenlijk? En hoe heeft hij zijn eed gezworen? Met gekruiste vingers op zijn rug ongetwijfeld. Maar jij zult er voor bloeden, mannetje, want ik weet heel goed dat ik je met gemak achter slot en grendel kan krijgen. Voorgoed. Of in ieder geval voor een paar jaar.”

“Je deed anders heel vreemd, de laatste tijd,” verdedigde Jaap zich. “Je had het maar over scheiden. Dat is toch raar. Het was duidelijk dat je niet in orde was.” Els stoof op. Eleanor hield haar tegen anders was ze zeker op Jaap gaan los timmeren. “Denk aan ons doel, Els,” zei ze. Els bedaarde.

Ze vervolgde: “De kwestie is als volgt: jij hebt je schuldig gemaakt aan een misdrijf. Daar lul je je heus niet uit. Deze mevrouw hier is psychiater, en die heeft geconstateerd dat er niets met mij aan de hand is.” Eleanor knikte bevestigend. “Dus ik kan aangifte doen. Iemand willens en wetens op valse gronden laten opsluiten, is strafbaar, dat weet jij heel goed.” Eleanor wist niet zeker of dit wel een strafbaar feit was. Maar daar ging het niet om. Als Jaap maar afdoende zou schrikken, dan was het goed.

“Ik kan ook geen aangifte doen,” hier pauzeerde Els. “Ik kan over mijn hart strijken en denken, die jongen moet ik nog een kans geven, ik kan hem niet zijn hele leven overboord laten gooien. Of hem daar zo voor straffen.”

“Dat zou heel coulant van je zijn, Els, want ik dacht echt dat ik je tegen jezelf moest beschermen..” zei Jaap gretig.

“Dat dacht je helemaal niet. Jij dacht ik moet af van dat lastige wijf dat mijn reputatie naar de maan gaat helpen. Maar daar gaat het nu niet om. Het gaat erom dat ik een rustig leven zonder zorgen wil leiden en daar ga jij voor zorgen.” Ze keek om zich heen. “Zo is de helft van het huis van mij, de helft van de dure kunst die hier aan de muren hangt, de helft van de jaguar die buiten staat en zo kan ik nog wel even doorgaan. Om te beginnen wil ik dat meteen innen. Maar dat is niet genoeg. Ik eis een alimentatie, en een flinke. Drieduizend euro per maand. Zolang je nog geen promotie hebt gemaakt tenminste, daarna wordt het meer.”

“Dat kan je me niet aandoen!” riep Jaap uit. “De koersen zijn heel laag, ik heb ook mijn kosten, en hoe moet dat later, als ik wat rustiger aan wil doen en mijn targets niet meer zo gemakkelijk haal?”

“Als jij je targets niet haalt dan haalt iemand anders ze maar voor je. Ben je altijd goed in geweest om anderen dingen voor jou te laten doen. Maar ik krijg mijn drieduizend euro. Je kan ook anders beslissen en de gevangenis in verdwijnen. Weet je wat er dan met je gebeurt? Je wordt het liefje van zo’n grote engerd die je hele anus aan flarden naait, en als je na jaren weer vrij bent, heb je helemaal niets meer. Geen geld, geen huis, geen werk. Je krijgt geen werk meer, want wie wil nou een ex-bajesklant aannemen. Niemand, je kunt het dus wel schudden. Voor jezelf beginnen lukt ook niet, want je hebt kennisachterstand en bovendien ben je in de gevangenis eraan gewend geraakt dat alles je wordt aangedragen. Dus je gaat aan het zwerven. In koude nachten moet je ergens een slaapplaats zien te bevechten. De beste zijn al bezet door de geroutineerde daklozen, met jarenlange ervaring. Jij als nieuwkomer moet genoegen nemen met tochtige hoeken bij stations. Je moet eten wat de pot schaft en op straat betekent dat vuilnisbakken uitschrapen. Restjes die van borden zijn geschoven, bakken met koude patat waar de eerste eigenaar met ongewassen vingers aan heeft gezeten, beschimmelde sinaasappels die zijn overgebleven op de markt, rotte vis, die in een pisgoot ligt te stinken. Zo zal jouw leven eruitzien na de bajes. Het enige alternatief, de enige manier om hieraan te ontkomen, is mij die drieduizend te geven, en de helft van waar ik nu al recht op heb, en zo snel mogelijk van mij te scheiden. Zolang je je verplichtingen nakomt, zal ik je niet lastigvallen. Zodra je in gebreke blijft, zul je ervan lusten.”

“Maar dat is onredelijk! Je kunt iemand zijn fouten toch wel vergeven? Jij leest toch de Bijbel zo graag? Wordt daarin niet voortdurend van vergeving gesproken? Nou, daar zou ik dan toch maar meer naar luisteren. Je ruïneert me. Zo krijg ik geen kans om een nieuw gezin op te bouwen.”

“Jij kan helemaal geen gezin opbouwen, want jij bent onvruchtbaar. Een schrielhaantje, met lam zaad ben jij, een eunuch, al heb je je ballen dan nog. Het zijn waardeloze ballen, die daar voor de sier hangen ook als het geen kerstmis is, dat hele klokkenspel van jou, dat hangt daar helemaal voor niets!” Jaap schrompelde ineen.

“Dat is heel vals van je,” bracht hij moeizaam uit. “Je weet niet half hoe het voelt voor een man, om onvruchtbaar te zijn. Mijn hele wezen wordt er door aangetast, daarom wilde ik ook nooit dat je erover praatte. Ik heb er heel veel moeite mee gehad om me weer een echte man te voelen. En nu zeg je zoiets. Dat valt me van je tegen.”

“Mijn beste Jaap,” zei Eleanor. “Misschien drukt Els zich niet al te diplomatiek uit op dit moment, maar ze heeft door jouw toedoen dan ook wel het een en ander moeten doorstaan. Dus ik zou haar maar niet zo gauw als vals betitelen. Laten we het zakelijk houden, dat lijkt me voor alle partijen het prettigst.”

Jaap kreunde. Hij trok zijn das wat losser. Het zweet stond op zijn voorhoofd.

“En het huis? Je kan toch niet van mij verlangen dat ik het huis verkoop? Waar moet ik dan heen? Het is een prima locatie om relaties te ontvangen, vindt maar weer eens zoiets.”

Els haalde haar schouders op. “Het interesseert me niet waar je naar toe gaat. Je zoekt het maar uit. Of je neemt een hypotheek. Als ik de poen maar krijg, want ik heb niks meer en het wordt tijd dat ik een eigen leven ga leiden.”

“Waar woon je nu? Dan kom ik er over praten. Niet deze week, deze week heb ik het te druk, maar de volgende. Wacht, ik pak even pen en papier.”

“Jij hoeft nergens over te komen praten. Het is ja of nee en onderhandelingen zijn uitgesloten: of de poet, of de bak, dat lijkt me duidelijk.”

Jaap verbleekte. Hij zag in dat hij verloren had. “Nou goed,” mompelde hij. “Maar dan ook geen woord naar buiten over de afgelopen maanden.” “Ik was niet van plan mijn memoires te schrijven, maar jij kunt niet dicteren dat ik moet zwijgen. Je kunt me geen zwijgplicht opleggen. You are in no such a position!” besloot Els die graag naar Amerikaanse advocatenseries keek.

“Goed, we zijn dus klaar,” besloot Eleanor. Ze haalde het contract in tweevoud uit haar tas, dat ze die ochtend samen met Els had opgesteld en legde het Jaap ter ondertekening voor. Met een dikke frons op zijn voorhoofd ondertekende hij beide exemplaren.

 

De hele weg terug jubelden Els en Eleanor van vreugde. Drieduizend euro mocht dan niet veel lijken, maar samen met de opbrengst van het huis en de jaguar konden ze er voorlopig goed van leven. Zeker als het Eleanor lukte om een schadevergoeding te krijgen van het instituut  - was haar naam immers niet ten grabbel gegooid, zouden ze nooit meer voor armoede hoeven vrezen. Ze hadden het volste vertrouwen dat Jaap het niet zou durven nalatig te zijn: de gevolgen waren te verschrikkelijk, dat moest hij nu toch wel inzien.

Het huis in Soestduinen baadde in het licht. Iemand had alle buitenverlichting ontstoken. Het was ongetwijfeld Moeder geweest. Die hield niet van nachten en andere duisternis. Nachten waren een markering naar de volgende stap die haar dichter bij de dood bracht, en daar hoefde ze niet continu aan herinnerd te worden, vond ze.

Binnen troffen ze Sabrina en Moeder aan tafel. Zoals bijna gebruikelijk was geworden in het huis stond de jenever op tafel. Eleanor moest eraan denken dat ze morgen een krat van dat spul ging kopen. Met al die aanloop van de laatste tijd vloog het eruit.

“Dag kinderen!” riep Moeder uit. “Ik voelde me zo eenzaam vanavond, ik heb de buurvrouw uitgenodigd. Gezellig dat jullie er zijn, ga zitten, dan kunnen we gaan klaverjassen!”

“Ja, leuk,” lispelde de buurvrouw. Ze was er zo te horen al een tijdje. En Moeder had verzuimd eerst thee te schenken en was meteen begonnen met de jenever. Sabrina droeg een koltrui die haar opvallend ruim zat. Haar borsten sprongen meteen nog onmiddellijk in het oog maar toch niet zo nadrukkelijk als het geval was als ze een laag uitgesneden blouse droeg.

Alsof Moeder merkte, dat het Eleanor opviel, zei ze: “Het arme kind had bijna geen kleren aan! Ze zat hier helemaal te rillen. Dus ik zei kom kind,  ik geef je een drankje en een trui van Harry. Het staat haar goed, vinden jullie niet? En het is lekker warm zo, wat jij, Sabrina. Sabrina heeft een man die vroeger vaak op televisie kwam, wisten jullie dat? Iets met sport, voetballer ofzo. Ik heb hem wel eens gezien, want ik herkende hem van de foto. Nu is hij natuurlijk te oud om te voetballen, maar wat knap toch van zo’n jongen. Alleen houdt hij er wat rare ideeën op na over damesvoorgevels. Dat ze zo groot moeten zijn dat zelfs de meest robuuste meid er voorovergebogen van gaat lopen. En dit arme kind hier,” ze knikte naar Sabrina. “Wilde het helemaal niet. Maar ja, we weten allemaal hoe dat gaat. De loodgieter wilde ook van alles wat ik helemaal niet wilde, zoals kloppen vegen zuigen en niet te vergeten op mijn rug liggen en dat gestamp verdragen. Ja, sorry dat ik de dingen gewoon bij de naam noem maar niemand heeft er wat aan om de zaken te versluieren. Zeg, Sabrina, ik bedenk ineens iets, mijn Harry kan die ballonnen wel weer doorprikken, daar heeft hij voor geleerd. Wat zou je daarvan zeggen.”

“Ach,” zei Sabrina sip. “Mijn eigen kleine schatjes krijg ik er niet mee terug natuurlijk.” “Nee, wat gedaan is, is gedaan, maar je hebt dan wel minder last van rugpijn.” "Dat is waar," zei Sabrina. "Maar wat zal Nigel ervan zeggen? Ik weet zeker dat hij er niet blij mee zal zijn! Hij heeft er veel voor betaald om ze zo te krijgen!"

"Met wat Nigel ervan vindt, hebben we niks te maken. Ik zal Harry opdragen de boel te repareren," zei Moeder gedecideerd.

De telefoon ging. Hoewel Eleanor geen zin had om op te nemen, telefoon betekende immers altijd ellende, deed ze dat toch. Frederik. Hij klonk hoogst geagiteerd. De arme man moest zich door de gebeurtenissen rondom Rob Buitelaar een slag in de rondte werkte en dat was hij bepaald niet gewend. Zijn werk bestond uit louter telefoneren, en als hij de telefoon neerlegde, had hij nergens geen omkijken meer naar, want ofwel hij had de opdracht gedelegeerd, ofwel hij had een opdracht aangenomen die hij vervolgens kon declareren. Frederik verdiende meer dan de minister-president, en dat dat de laatste tijd op bezwaren stuitte in de politiek, daar kon hij met zijn hoofd niet bij. Al die verantwoordelijkheid die hij droeg: een hele ploeg met eigenwijze professionals moest hij aansturen. Dat was heus niet altijd gemakkelijk, oh nee. Maar nu moest hij dus laten zien hoe ongemakkelijk het allemaal was: hij moest de minister vrijwaren van verdere schade en als het het dreigende terrorisme betrof, viel dat niet mee.

"Eleanor! Ik ben blij dat ik je tref!" begon hij. Eleanor zei niets. Wat had ze moeten zeggen? Dat zij niet zo heel erg blij was? Eerlijk duurt het langst, maar soms moet het juist wat korter duren. "Hans heeft me al diverse keren gebeld. Buitelaar geeft geen kick. Hij houdt vol dat hij nergens bij betrokken is, dat hij er ingeluisd is en dat zijn aanhouding nergens op slaat. Ja, het is een harde, hoor, die Buitelaar, al zou je dat niet zeggen op het eerste gezicht. Maar Hans zegt dat ze het er wel uit krijgen. Tussen ons gezegd en gezwegen: ze gaan hem martelen. Helemaal tegen de wet, maar in een dergelijk geval moeten ze wel. Wie weet zal zijn netwerk het werk dat hij heeft laten liggen gewoon afmaken. Dus tot elke prijs moeten ze weten wie er nog meer betrokken waren bij de aanslag." "Er is helemaal geen aanslag geweest!" "Maar wel bijna, wel bijna, Eleanor! Ik had er niet aan moeten denken wat er was gebeurd als jij het niet net op tijd had gemeld bij de AIVD! Hans zei verder dat hij elke medewerker van onze afdeling opnieuw wil screenen. Volgende week volgt er een verhoor door de beveiligingsafdeling van het ministerie. Dat is een onafhankelijke afdeling die hij zojuist heeft ingesteld. De bedoeling is dat de ambtenaar aan de beveilingsfunctionaris vertelt wat hem of haar zojuist is opgevallen. Het gesprek is tussen die twee personen alleen, de ambtenaar en de beveilingsfunctionaris. Het is verplicht. En jij bent de eerste! Volgende week komt er iemand bij je thuis. Je wordt nog gebeld over wanneer hij komt. Je bent dan verplicht thuis te zijn." "Mijn God, ze maken er wel een toestand van. Ik ben toch geschorst? Mag ik dan niet staan en gaan waar ik wil? Oh nee, ik heb ergens gelezen dat je je dan constant beschikbaar moet houden voor onderzoek naar ontslaggronden of zoiets. Nou, dat gaat lekker. Die persoon belt toch wel ruim van tevoren? Dat ik niet overvallen word?" "Daar kan ik niets over zeggen. Je moet je mobiel aan laten staan, omdat je altijd gebeld kunt worden. Voor het gesprek maar ook voor andere vragen." "Ik heb geen mobiel, die ben ik kwijtgeraakt." "Dan koop je een nieuwe en je geeft mij onmiddellijk het nummer door!" Frederik hing op. Zou hij zelf ook worden ondervraagd? Het leek er op dat niemand eronderuit kwam. Hij zou vast veel verdachts geconstateerd hebben. Voor het eerst sinds haar telefoontjes naar de AIVD vroeg ze zich af of ze er wel goed aan had gedaan. Rob Buitelaar had zijn portie wel gehad. Die martelingen had hij verdiend, maar daarna moest het toch afgelopen zijn met de grap. De vraag was alleen hoe ze dat moest inkleden. Ze had verwacht dat hij vrij snel zou worden vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs, maar zo te horen zat dat er voorlopig niet in.

Moeder zat met een groot tekenblok op haar schoot en maakte een portret van Sabrina, die doodstil poseerde. "Ze is een echt model," zei Moeder. "Zo mooi stil krijg je ze niet vaak. De loodgieter wilde natuurlijk nooit poseren. Sterker nog, hij vond dat ik moest ophouden met die onzin. En weet je wat nou het gekke is? Sinds zijn dood heb ik nooit meer getekend. Ik kom er nu pas op. Wil je morgen met me naar de stad rijden, Eleanor? Om spullen te kopen voor het schilderen? Sabrina vertelde net dat er een hele grote zaak is in Utrecht waar je alles kunt krijgen. Zij gaat ook mee, nietwaar Sabrien. Oh jee, ik vergeet helemaal dat ze niks terug kan zeggen. Hou nog even vol, Sabrina, ik ben zo klaar." Eleanor keek op het tekenvel. Het was een goedgelijkende schets die meer bood dan een simpele foto zou doen. Hij legde Sabrina's verlatenheid en hunkering bloot.

"Natuurlijk ga ik met je mee, Moeder!" zei Eleanor.

"Frederik laat me niet met rust. Nu sturen ze weer een veiligheidsfunctionaris op me af," vertelde Eleanor vermoeid. "Tja, dat was te verwachten," zei Els. "Die minister van jou heeft nu de aandacht, die laat hij niet zomaar schieten." "Ik moet Rob Buitelaar laten gaan. Het is welletjes geweest." "Ik denk niet dat je daar de kans voor krijgt. Ze hebben hem en ze houden hem. Tenzij je van plan bent om te vertellen dat je gelogen hebt. Maar dan ben je alles kwijt." "Nee, dat kan ook weer niet. Kom, masseer mijn schouders, ik ben gespannen geworden van alle toestanden." Els stond op, nam plaats achter Eleanors stoel en begon haar te masseren.

"Hè, gezellig," zei Moeder toen ze het zag.

 

De volgende dag begon rustig. Moeder maakte wat schetsen haar hoofd, die er allang zaten zoals ze vertelde. Els lag op de bank met een boek. Ze zei dat ze zich voor het eerst sinds tijden weer kon ontspannen, nu Jaap een toelage had toegezegd en de helft van de bezittingen die hij onder zijn beheer had, had ze geen zorgen meer. Ze dacht er niet aan om ooit nog te gaan werken. Ik heb genoeg meegemaakt, zei ze, vanaf nu ben ik met pensioen. Sabrina was blijven slapen omdat Nigel weer op Papendal zat en ze niet tegen eenzame nachten kon. Nigel bleef de laatste tijd wel erg vaak op Papendal, had Moeder geconstateerd aan het ontbijt. Had hij misschien een ander? Sabrina had haar schouders opgehaald en gezegd dat het best mogelijk was, maar dat het haar niet meer interesseerde. Ze had zich zwaar vergist in die kerel. Toen ze hem had ontmoet, was hij nog profvoetballer geweest, heel beroemd, iedereen kende hem, zelfs mensen die een hekel hadden aan voetbal, en alle vrouwen waren jaloers op  haar. Dat waren nog eens mooie tijden geweest. Toen zijn ploeg eens een een of ander kampioenschap had gewonnen, waren ze gehuldigd op het museumplein, waar ze naar toe waren gevaren door de grachten. Al die juichende mensen, je voelde je echt wat als je op die boot stond. Maar dat was nu allemaal anders. Nigel zat maar op Papendal met al die gehandicapten en die wedstrijden waar ze nog wel eens naar toe ging, daar was helemaal niks meer aan. Toch was het een goeie jongen, Nigel, alleen had hij er ook van te lijden dat hij niet meer zo beroemd was, net als zij. Ze hadden ook te lijden van hun zoon. Die zat nu gelukkig veilig opgeborgen in de ontwenningskliniek maar ze hield haar hart vast voor de dag dat hij weer thuis zou komen. Dan begon alles weer van voor af aan. In die ontwenningsklinieken leerden ze veel, vooral hoe je gemakkelijk aan geld kon komen om drugs te kopen.

Eleanor had geprobeerd de zorgen van zich af te zetten en niet aan Harry te denken. Aart negeerde haar de laatste dagen. Hij kwam nog wel thuis, maar bleef op zijn kamer. Hij kwam zelfs niet meer beneden eten. Hij pakte wat uit de keuken of had al gegeten als hij thuiskwam. Geen woord had hij gezegd over de veranderde situatie, maar het was duidelijk dat die hem niet zinde. Harry kwam ook nog thuis. Hij sliep in de echtelijke slaapkamer, alleen, want Eleanor lag met Els in een andere kamer. Ze zag hem alleen binnenkomen en vertrekken en 's nachts hoorde ze hem zwaar schuivelen. Alsof hij teveel dronk en zich met moeite naar bed moest slepen. En er weer uit natuurlijk, wat ook niet gemakkelijk was in zijn toestand. Eleanor concludeerde dat ze wel degelijk gelukkig was, maar dat voor het ervaren van compleet geluk nog het een en ander moest worden geregeld.

De bel ging. Els ging opendoen en kwam even later terug met mevrouw van Damme. "De buurvrouw van de overkant komt even een schroevendraaier lenen," zei ze. "Hebben we die? Je moet me nog eens een rondleiding geven, Eleanor, want ik besef dat ik eigenlijk niks kan vinden hier."

"Komt voor elkaar," zei Eleanor. "Mevrouw Van Damme, hoe gaat het met u?" Mevrouw Van Damme keek om zich heen en nam alles goed in zich op. Haar mondhoeken trokken haar lippen in een scherpe streep omlaag. "Wilt u een kopje koffie, mevrouw?" vroeg Moeder. "Hij staat net op. Eigenlijk de hele ochtend al, maar ik heb net nieuwe gezet. Want koffie, dat gaat er altijd wel in, vindt u niet? Dat was wat me op de been hield in mijn jaren met de loodgieter, koffie. Er troost niets zo goed als koffie, of was het nou thee."

"Wat doet mevrouw Brown hier?" vroeg mevrouw Van Damme op strenge toon. "Sabrina? Oh, die is hier bij ons. Ze blijft gezellig een paar dagen. Straks gaan we schilderspulletjes kopen, en dan wil ze nog wel voor mij poseren later op de dag, nietwaar Sabrien?" Sabrina knikte loom.

"Dat zou een mooie boel worden! Als buren maar over en weer bij elkaar gingen slapen! Maar ik heb altijd wel gedacht, dat het niet veel soeps was. Ik zei laatst nog tegen Anastasia van nummer 64, het is toch niks voor deze buurt, zo'n voetballersechtpaar! Het doet me anders wel deugd dat u een fatsoenlijke trui aan hebt voor de verandering, mevrouw Brown. Het leek hier anders wel een hoerenbuurt, u zo op straat in die rare truitjes waar je je hele hebben en houden kunt zien."

"U kwam voor een schroevendraaier?" probeerde Eleanor. Mevrouw Van Damme reageerde niet.

"En dan uw man, ik wil niet discrimineren, maar hij is natuurlijk wel van zekere kleur, en zoiets geeft onrust in een buurt als deze. Ik zeg maar gewoon waar het op staat."

"Volgens mij ben jij gewoon een vuile racist!" riep moeder uit.

Alsof ze niets had gehoord ging mevrouw Van Damme door:

"Maar nog erger is misschien hoe dit keurige doktersgezin de laatste tijd huishoudt. Ik zie arme meneer de chirurg elke ochtend gebroken naar zijn werk gaan. Hij loopt gebogen naar zijn auto alsof hij niet gezien wil worden, alsof hij wat te verbergen heeft. En zijn overhemden, mevrouw de dokter, verzorgt u zijn overhemden nog wel eens. En nu ik het er toch over heb, ik vind het niet prettig dat u een buitenlandse huishoudster hebt. Ze ziet er op het oog keurig uit en aan de manier waarop ze me groet, weet ik dat ze haar plaats kent, maar zo'n meisje heeft natuurlijk broers. Het is nog niet gebeurd, maar ik vrees toch echt dat ze op een onbewaakt moment komen inbreken. Dat gaat altijd zo. Daar heb ik vanochtend nog een artikel over gelezen in de Telegraaf."

"De Telegraaf! Daar veeg ik mijn gat nog niet mee af!" riep moeder. "De loodgieter zweerde erbij, en dat zegt al genoeg, lijkt mij!" Weer reageerde Mevrouw Van Damme niet. Misschien ging ze zo op in wat ze te zeggen had en eindelijk kon zeggen, dat ze Moeder werkelijk niet hoorde.

"Vroeger, in Indië, voordat de inboorlingen verbeelding kregen, was het allemaal heel anders. Ze werkten zonder klagen, en iedereen wist waar hij hoorde. Maar tegenwoordig, ik vraag me wel eens af waar het naar toe gaat, ik vraag het me wel eens af, want het is toch ongehoord, wat er allemaal gebeurt. Laatst nog, die blonde jongen in de straat. Wandelen, zei hij dat hij deed, maar ik wist meteen wat voor vlees ik in de kuip had, ik wist het meteen! Nu blijkt er weer zo'n terrorist gepakt te zijn. Op uw instituut, mevrouw Eleanor, daar mag  u me straks het fijne van vertellen. Maar om op de dokter terug te komen: die man gaat gebukt onder zijn huiselijke situatie en het is om hem dat ik u daar op aan kom spreken. Want het is een komen en gaan, de laatste dagen. Deze mevrouw hier," ze wees op Els. "Is er nu ook al dagen. Het lijkt erop dat ze bij u ingetrokken is, al heb ik nog geen verhuiswagen gezien. Nu vraag ik u: dat kan toch niet, zoiets? We leven hier niet in Amsterdam, waar alles schijnt te kunnen en waar ik nog niet dood aangetroffen zou willen worden, maar in Soestduinen! In een keurige buurt van ons soort mensen! Tenminste, tot de familie Brown hier kwam wonen, dat was al een teken aan de wand. Eigenlijk zou er een ballotage-commissie moeten komen die bepaalt wie er hier een huis mag kopen, en daar heb ik ook voor gepleit bij de burgermeester maar die liet mij doodleuk weten dat ik me met mijn eigen zaken moest bemoeien! Nou vraag ik u: wat zijn nu meer mijn eigen zaken dan de samenstelling van de buurt. De dokter paste hier goed in de buurt en nog steeds. U was ook keurig, mevrouw Eleanor, tot afgelopen zondag. Als ik er goed over nadenk, had u afgelopen vrijdag al een verwilderde blik in uw ogen, dus toen moet u al wat van plan zijn geweest. Wat er zich in uw hoofd afspeelt, weet ik Goddank niet, maar ik heb wel gezien dat u deze vrouw hier," weer wees ze op Els, "kuste. Terwijl de gordijnen waren geopend en iedereen zo naar binnen kon kijken. En dat kan echt niet. Ik beveel u hiermee onmiddellijk te stoppen en de gewone orde te laten terugkeren. En uiteraard weer als vanouds te zorgen voor de dokter, dat hij niet in vervuilde overhemden naar het ziekenhuis rijdt. En geen wilde toestanden hoeft aan te treffen als hij na een lange, vermoeiende dag eindelijk thuis komt. Ik zeg maar waar het op staat, want iedereen is het meest gebaat bij duidelijkheid. Daar is een groot gebrek aan in dit land."

Els stond op, liep naar de tuin, de schuur in en kwam terug met een schroevendraaier.

"Alstublieft, mevrouw Van Damme, dit is toch wat u zocht?" Ze reikte haar de schroevendraaier aan en even stond mevrouw Van Damme perplex. Ze draaide zich om en liep naar de deur.

"Als u maar niet denkt dat ik het hier bij laat!" zei ze voordat ze het huis verliet.

"Nou, dat hebben we ook weer gehad," zei Eleanor. Mevrouw Van Damme was nog nooit bij haar binnen geweest, al had ze diverse keren op de stoep gestaan. Altijd met een smoes. Dan weer wilde ze een kop suiker. Nadat Aart haar erop had gewezen dat dat het leidmotief was geweest in een pornofilm die in de jaren zeventig erg veel stof had doen opwaaien, had ze die smoes nooit meer gebruikt. Maar er was zoveel wat een buurvrouw kon wensen: wasmiddel, beschuit, twee aardappelen. Nooit had Eleanor haar binnengelaten en de kinderen had ze geïnstrueerd haar nooit ook maar een voet over de drempel te laten zetten. Nu was het haar eindelijk gelukt.

"Die vrouw is ongelukkig," zei Moeder. "Daarom gaat ze zo tekeer. Eigenlijk moeten we medelijden met haar hebben."

De rust leek weergekeerd, maar het duurde niet lang of er werd weer aangebeld. Voor de deur trof Eleanor een lange, slanke man in een zwart kostuum. Hij had een haviksneus en glimmende, donkere oogjes. Zijn lijkbleke gezicht viel bijna weg bij zijn kraakheldere, gesteven overhemd. Hij droeg een keurig gestrikte stropdas en onder zijn arm had hij een zwarte schrijfmap. Zelfs zijn horlogeband was zwart. Oh God, ik ben dood, dacht Eleanor, en ik heb het niet door. Ik doe open voor mijn eigen begrafenisondernemer.

"Ik kom van het ministerie," zei de man met een krakende grafstem. Het is de dood zelf, dacht Eleanor, hij komt me halen. "Ik neem aan dat u is verteld dat ik langs kon komen."

"Ja, inderdaad, maar u zou eerst bellen."

"Daartoe was ik niet in de gelegenheid. Mag ik binnenkomen?" Hij wachtte haar antwoord niet af maar zette een voet over de drempel. Eleanor had geen keus. Ze ging hem voor naar de kamer die als bibliotheek was ingericht, maar die ze niet zo noemde, omdat ze dat zo nuffig vond klinken.

Zonder dat het hem was aangeboden, nam hij plaats in een van de lederen fauteuils en opende zijn map.

"Ik ga u een paar vragen stellen," kondigde hij aan.

"Dat was de bedoeling, heb ik begrepen. Ik hoop dat u het kort houdt, want ik heb niet veel tijd."

"Ik neem de tijd die nodig is om mijn opdracht goed uit te voeren," antwoordde hij kortaf.

"De eerste vraag is een algemene. Wat is u sinds het weekend zoal opgevallen op het werk."

"Niet veel, want ik ben er nauwelijks geweest. Ik ben geschorst, dat zal vast in uw aantekeningen staan."

"Maar u bent er maandag geweest. Wat is u opgevallen aan uw collega's. Was er iemand die zich merkwaardig gedroeg? U weet hoe u opvallende zaken kunt herkennen. U heeft immers de terrorist herkend in Roberto B."

"Ik heb niets bijzonders gezien," zei Eleanor. De man stond op en liep naar een van de boekenkasten. "Marx, Lenin..,Bent u in het verleden betrokken geweest bij een communistische partij?"

"Nee, ik heb geschiedenis gestudeerd,"

"Al die boeken over anatomie. Wat heeft dat te betekenen?"

"Mijn man is arts."

"Ah, ja, ik begrijp het," hij ging weer zitten. "Mordechai Meijer, kunt u mij daar meer over vertellen?" Mordechai? Wat haalden ze nu toch in hun hoofd? Dat hij als moslim een joodse identiteit had aangenomen om zijn werkelijke bedoelingen te verhullen?

"Ik zou niet weten wat. Hij is een collega, en het enige dat ik van hem weet, is dat hij van vissen houdt."

"Nooit iets bijzonders opgevallen? Dat hij later kwam? Dat hij bijzondere belangstelling toonde voor het rapport over beveiliging van Roberto B.?"

"Nou, dat laatste zeker niet! Hij haatte Rob Buitelaar, net als iedereen op de afdeling. Dat rapport heeft hij nooit gelezen, hij zou niet op die manier geconfronteerd willen worden met Rob Buitelaar. Trouwens, die rapporten waren niet te lezen. Het was pure pulp."

"Die haat kan een dekmantel zijn geweest. Misschien hebben de twee in werkelijkheid heel nauw samengewerkt." De man maakte een aantekening.

"En Jannie van de Horst, wat is u aan haar opgevallen?"

"Ook helemaal niets, Jannie was gewoon Jannie."

"Hoe bedoelt u, gewoon Jannie? Ik heb begrepen dat zij een nog al emotionele vrouw was. Instabiel dus. Is het mogelijk dat zij heeft samengewerkt met Rob Buitelaar?"

"Jannie? Geen sprake van! Die zorgt voor haar gehandicapte kinderen, probeert van onze afdeling een soort gezinnetje te maken en verder heeft ze geen bedoelingen!"

"Ook dat kan heel goed een dekmantel zijn. Of wellicht probeert ze welbewust saamhorigheid te kweken en iedereen voor haar karretje te spannen."

"Ach, welnee!" Nog even, en de hele afdeling zat achter de tralies. Alles wat je deed, was verdacht. En als je het niet deed, was dat weer verdacht.

"Dan nog een laatste persoon die gescreend moet worden: Aleid, de secretaresse. Die heeft toegang tot alle gegevens. Zij heeft toch ook moeten weten van de bedoelingen van Roberto B."

"Oh nee! Buitelaar is veel te slinks te werk gegaan. Ze kan er nooit iets van gemerkt hebben. Hij maakte trouwens geen gebruik van haar diensten. Hij deed zijn eigen secretariële werk."

"U bent nogal overtuigd van de onschuld van uw collega's. Hoe komt dat zo?"

"Ik ken ze. Ik werk al jaren met ze samen. Ze staan buiten elke verdenking, tenminste wat mij betreft."

"Zo, zo, wat een vertrouwen," mompelde de man. Weer maakte hij een aantekening. Daarna klapte hij zijn map dicht.

"Dat was het, mevrouw. Voorlopig althans. Ik laat mezelf wel uit. Goedendag." Hij stond op en verliet het huis.

Toen Eleanor terugkwam in de woonkamer, was iedereen naar het nieuws aan het kijken. De nieuwslezer kondigde aan dat de situatie dermate dreigend was, dat er een avondklok was ingesteld. Tot nader orde mocht niemand zich na tien uur 's avonds op straat bevinden. Wie dat toch deed, werd onmiddellijk gearresteerd en kon zonder vorm van proces drie maanden worden vastgehouden. De minister kwam in beeld: "Het is oorlog," zei hij. "Een ander woord dat de situatie definieert, is er niet."

 

Die dag brachten ze door zonder zich al te veel te laten beïnvloeden door de berichten over de invoering van de avondklok. Het zou wel weer met een sisser aflopen, zoals zo vaak. Wel hadden ze de hele dag patrouilles op mountainbikes gezien: gespierde politievrouwen en -mannen die langzaam door de straat waren gefietst terwijl ze steeds om zich heen keken. Een keer was het buurjongetje van vier van de overkant aangehouden. Els had het gezien toen ze de hond uitliet. De politiemannen hadden zo abrupt geremd dat een van de twee bijna over zijn stuur was heen gevlogen. "Uw identiteitsbewijs, jongeman!" had hij tegen het ventje dat met een tol in de weer was geschreeuwd. De ogen van het jongetje werden zo groot als schoteltjes en van schrik vergat hij te huilen. "Nou, komt er nog wat van? Anders is het een boete van 50 euro, u zegt het maar!" Els was op het tafereel toegelopen, want dit kon ze niet over haar kant laten gaan. "De jongen is nog geen veertien," had ze uiterlijk rustig uitgelegd. "Maar zeker vier jaar oud!" had de agent geschreeuwd die om het identiteitsbewijs had gevraagd. "Uh, Henk, ik geloof dat die mevrouw daar een punt heeft, de identificatieplicht is vanaf veertien jaar, niet al vanaf vier. Dacht ik tenminste hoor."  Hij zette zijn fiets tegen een boom, nam een lijvig boekwerk uit zijn stuurtas en zocht het op. "Ja, hier staat het. Veertien jaar. De jongeman in kwestie is dus niet in overtreding." De agenten stapten weer op en reden weg, zonder Els of het kereltje te groeten. Els had hem naar zijn moeder gebracht. Ze was bang dat hij van schrik de straat zou uitlopen en zou verdwalen.

Maar buiten dat waren er de hele dag geen incidenten voorgevallen. Zelfs de telefoon was niet meer gegaan. Moeder had rustig zitten schilderen met haar nieuwe schilderspullen. Allemaal moesten ze van tijd tot tijd poseren, kort maar, het ging steeds alleen om een bepaalde lijn van een gebogen arm, de stand van de voeten, een hoofd dat achteroverhelt. Ze was niet veeleisend. Sabrina was de hele dag gebleven en had geen moment aanstalten gemaakt om ook maar een kijkje te nemen in haar eigen huis. Niemand vroeg een verklaring. Het was zoals het was. Eleanor en Els hadden zich een paar maal afgezonderd om de liefde te bedrijven en waren daar loom van geworden. Tegen het eind van de avond, toen de avondklok inging, leken ze net een stel katten in de zon die veel vis hadden kunnen jatten van de markt of de kade. En zo voelden ze zich ook. Zoals dat dan altijd gaat: het leek of dit nooit voorbij zou gaan, of er altijd een lome, warme vrede zou heersen in de woonkamer waar niemand werd gestoord door de buitenwereld.

 

Die avond kwam daar verandering in. Tegen elven werd er hard tegen de voordeur gebonkt. De vrouwen schrokken op en keken elkaar aan. Het duurde even voordat Eleanor zich ertoe kon zetten om te gaan kijken wat er was. Toen ze de buitendeur opende, viel Harry bijna naar binnen. Zijn groezelige overhemd - dat had mevrouw Van Damme goed gezien - zat onder het bloed en hij had een grote wond boven zijn linkeroog. "Doe de deur dicht, Eleanor, help me alsjeblieft!" Ze smeet de deur dicht en zag nog net hoe twee agenten het tuinpad oprenden. Ze nam Harry bij de arm en liep met hem naar de woonkamer. Er werd aangebeld. Ze negeerden de bel en na een poosje hield het op. Ondertussen was Harry op de bank gaan liggen. Hij hijgde van inspanning. Alle vrouwen keken naar hem in afwachting van zijn verhaal. Maar het duurde zeker een half uur voor hij een woord kon uitbrengen.

"Ze hebben me achterna gezeten met knuppels, en ze hebben op me geschoten," begon hij.

"Wie, ze?" vroeg Eleanor.

"Politie-agenten. De hele dag waren er overal agenten. In het ziekenhuis, rondom het ziekenhuis, overal waren ze. We hebben zoveel mogelijk gewoon doorgewerkt, al kwamen er patiënten niet opdagen. Die werden op straat opgepakt. Uit het raam heb ik het gezien: oude mensen werden met knuppels geslagen en in arrestatiewagens gesleurd, kinderen werden van hun ouders gescheiden. Tegen het einde van de middag hadden we een crèche ingericht in de hal beneden, zoveel waren het er. En we wisten niet wat er aan de hand was. Alles wat we te horen kregen, was dat er een avondklok was ingesteld. Maar het was klare dag! Een compleet gekkenhuis, een nachtmerrie! En vooral rond het ziekenhuis. Het gerucht ging dat de regering bang was voor een overval op het ziekenhuis, om materiaal te vergaren voor een aanval met chemische wapens! Heb je ooit zoiets gestoords gehoord? Dan is het toch veel gemakkelijker om hier in Soesterberg een legerdepot aan te vallen zou je denken. Maar nee hoor, onze regering denkt dat ze dat vanuit het ziekenhuis doen en iedereen die naar binnen wilde was verdacht.

Anyway, sommige gewonden wisten binnen te komen en we waren druk met ze te behandelen. Het leek wel een veldhospitaal. Zo'n half uur geleden ben ik naar huis gegaan, en toen ik hier uitstapte kwamen die twee mountainbikers op me af. Ik wilde gewoon naar binnengaan, maar ze sloegen me waar ze me raken konden, onderwijl iets schreeuwend dat leek op avondklok en binnen zijn, zoiets." Hij zweeg abrupt. "Zijn ze weg?"

Moeder stond op om door een kiertje in de gordijnen te gluren. "Nee, ze staan op de stoep. Het lijkt alsof ze op iemand wachten. Gut, die jongens zullen het koud hebben. Zullen we ze binnen vragen voor een lekker kom chocolademelk?"

"Moeder! Doe niet zo idioot! Ze staan daar niet voor de gezelligheid!"

"Ach, daar kon je wel eens gelijk in hebben. Tenslotte hebben ze aan mijn kind gezeten. Nee, ik vind ze niet aardig. Ze moeten daar maar blijven staan. Of naar huis gaan."

Harry bette zijn wond met een zakdoek. "Het prikt erg, maar het is een oppervlakkige wond, gelukkig," zei hij. "Dat heb ik wel anders gezien vandaag." Moeder liep op hem toe en gaf een kus op zijn wond. "Zo jongen, dan gaat het sneller over." Er ontstond een wrange glimlach om zijn lippen.

"Het is trouwens de eerste keer dat ik je zie, sinds de laatste dagen, sinds zondag, geloof ik. Hoe gaat het met je?"

"Ja, hoe zal het gaan!" viel hij uit. "Klote natuurlijk! Mijn vrouw ervandoor, chaos in het ziekenhuis, en overal waar ik loop in huis struikel ik over de wijven!"

"Kom, kom, jongen, niet zo lelijk doen. Het zijn geen wijven, het zijn dames," zei Moeder. "En je moet eens leren tegen je verlies te kunnen, je hebt nooit tegen je verlies gekund, als kind al niet. Je smeet het dambord door de kamer als je verloor van je broertjes."

"Nou, ik heb nu anders wel reden tot klagen, vind u ook niet, Moeder? Je zou wat meer steun verwachten van je eigen Moeder, maar nee hoor, die trekt meteen in bij mijn vrouw en haar vriendin!"

Eleanor zag het aan. De jongen in Harry was ver weg, of misschien minder ver dan zij dacht. Had zijn opstandigheid niet iets puberaals? De houding van niet aanvaarden van de werkelijkheid, het gevoel van tekort gedaan te zijn, ze had dat voor het laatst waargenomen bij Aart, maar dat was alweer jaren geleden. Allesoverheersend was echter de opluchting dat hem niets ernstigs was overkomen.

"Ik heb je de situatie uitgelegd, Harry, en er is niets meer aan te doen. Dat moet je uit je hoofd zetten. Je kunt het beter aanvaarden zoals het is, je moet verder met je eigen leven."

Harry begon te huilen met grote uithalen. Moeder klopte hem troostend op de schouder. "Nou, kind, zo erg kan het toch niet zijn? Kop op, hoor, en flink zijn. Daar had de loodgieter nou wel weer gelijk in, dat een man flink moet zijn. Al was hij dat zelf niet, natuurlijk, ik heb nog nooit zo'n kleinzerig mens meegemaakt als de loodgieter. Zoals die kon zeuren bij het kleinste verkoudheidje, vreselijk gewoon."

"Dit is toch godverdomme geen verkoudheidje!" riep Harry uit. "Ik ben zowat dakloos! Ze willen me hier niet meer! Mijn eigen vrouw heeft me de wacht aangezegd, me uit mijn eigen huis gegooid! Ik ben verweesd!"

"Niet zo overdrijven," zei Eleanor. "Misschien ben ik wat abrupt geweest afgelopen zondag, maar dat kwam door de euforie. En ook wel omdat jij zo slecht naar me luistert de laatste jaren. Ik heb het gevoel dat ik met een breekijzer bij je naar binnen moet, wil er iets tot je doordringen. Maar je kan hier best blijven, als je wilt. En als je mij niet in de weg staat, natuurlijk. Dat staat voorop. Els en Moeder blijven hier ook. En Sabrina wellicht, want die is hier nu ook al een paar dagen."

Harry keek verbaasd op. "Ik dacht dat je me haatte," zei hij. "Dat je me al die jaren gehaat hebt, en dat je me nooit meer wou zien."

"Nee, dat is niet zo. Het is meer dat het allemaal teveel was geworden. De dagelijkse herhaling van wat al honderd keer gedaan is, opstaan, naar het werk gaan, 's avonds naar je verhalen over je successen luisteren. Nooit eens een moment van intimiteit, van kwetsbaarheid."

"Ik moet je wat bekennen," zei Harry. Hij sprak snel, zo snel dat ze hem bijna niet kon verstaan. "Ik heb een verhouding."

"Dus toch!" riep Moeder uit. "En je zei nog zo dat het niet zo was, Eleanor. Ik dacht al, ze vergist zich. Mannen van de leeftijd en status van Harry hebben altijd een verhouding. Dat hoort gewoon zo, lijkt het wel. Met wie, Harry? Met je secretaresse? Of met een verpleegster."

"Met de medisch secretaresse, inderdaad," zei Harry.

"Gut, wat banaal, eigenlijk," zei Moeder. "Waarom nou niet met de medisch directeur? Maar goed, je kan niet alles hebben. Als chirurg ben je best een succes en het zou wat veel gevraagd zijn dat ook op het persoonlijk vlak van je te verwachten."

"En de medisch secretaresse is een man," ging Harry voort. "Het is al een tijdje aan de gang. Ik wilde het aan niemand vertellen, het helemaal geheim houden. Ik weet niet, maar op de een of andere manier past het niet bij mij. Zo'n man bedoel ik. Ik ben geen homo. Normaal gesproken niet tenminste, maar ik val wel op Bertrand."

"Geweldig!" riep Moeder uit. "Dat het dan toch nog goed komt. En waar is Bertrand nu, als ik vragen mag?" Harry haalde zijn schouders op. "Thuis, denk ik, hij is om zes uur naar huis gegaan. Ik hoop tenminste dat ze hem ongestoord hebben laten gaan, maar dat zal wel." Dat laatste leek een bezwering, die Harry zelf niet helemaal leek te geloven.

"En al die tijd heb jij mij in de waan gelaten dat ik vreselijk buiten mijn boekje ging!" zei Eleanor op verontwaardigde toon. Ze herstelde zich snel. Kwam dat even goed uit, die verhouding met Bertrand. Ze vroeg zich af hoe oud die man zou zijn. Jonger dan Harry waarschijnlijk, veel jonger.

Els keek door de kier. "Ze staan er nog steeds," zei ze. "En dat mens van de overkant, Mevrouw Van Damme, is er nu bij. Ze praat en ze praat en ze wijst steeds naar ons huis. Vuile verrader, dat mens. Ze zal wel vertellen wat voor zooi het hier is."

"Niet op letten, kind. Ze gaan straks wel weg. Laten we de televisie aanzetten, misschien komen we dan meer te weten." Moeder drukte op de afstandsbediening. De minister van Justitie verscheen in beeld. "De situatie is weer onder controle," hoorden ze hem zeggen. "De waakzaamheid is verscherpt al kan ik niet zeggen op welke punten, maar de dreiging is van rood naar oranje, om het zo maar eens uit te drukken. We hebben de dreiging bij het Academisch Ziekenhuis in Utrecht weten af te slaan, er zijn arrestaties verricht, waar ik verder geen uitlatingen over doe, en het ziet er naar uit dat we daarmee de kern van de terreurorganisatie te pakken hebben. De instelling van de avondklok blijft van kracht zolang we daar nog niet helemaal van zijn overtuigd." "Ik dank u wel," zei de reporter. "En dan gaan we nu over naar het big-brother huis, waar zojuist een man, ja, u hoort het goed, een man,  is bevallen van een gezonde zoon!" Moeder zette de televisie weer uit. "Ze zijn wel vaker zo gek geweest, herinner ik me. Het gevoel, tenminste, wat er precies gebeurde en wanneer dat was, weet ik niet meer. Maar het zal wel weer overgaan. Toen ging het ook over, al duurde het lang en gebeurden er vreselijke dingen. Het is zo gek, maar ik ben vergeten wat voor vreselijke dingen dat waren."

Els, die nog steeds door de kier stond te kijken, zei: "Mevrouw Van Damme loopt terug naar de overkant. Die agenten staan er nog steeds. Het lijkt wel of ze iemand verwachten."

"Ze wachten nergens op," zei moeder. "Ze moeten daar blijven staan van hogerhand. De loodgieter vertelde daar wel over, dat het in dienst zo ging. Dan kreeg je een opdracht om op wacht te gaan staan bij een grens waar nooit iemand overheen wilde. Zeker de Russen niet, waar ze toentertijd op wachtten. Dat zal met deze jongens ook zo zijn."

Aanvankelijk verwachtten ze elk moment een klop op de deur, want dit was typisch zo'n avond waarop je alles kon verwachten, maar naarmate de tijd vorderde, geloofden ze dat ze niet meer gestoord zouden worden. Vandaag tenminste niet. Het was al bijna ochtend, toen het hele gezelschap naar bed was gegaan. Eleanor deed geen oog dicht. Haar hele huwelijksleven ging aan haar geestesoog voorbij, begeleid door het zachte gesnurk van Els.

 

Ook de volgende dag was er veel politie op de been, allemaal op mountainbikes. Ministers verdrongen elkaar voor de televisie en eentje - Eleanor kon zich niet meer herinneren welke - had gezegd dat daar bewust voor gekozen was om de politie dichter bij het volk te brengen. Datzelfde volk werd gevraagd zoveel mogelijk binnen te blijven en zich alleen op straat te begeven als dat strikt noodzakelijk was. De dreiging was weliswaar verdwenen maar kon elk moment de kop weer opsteken. Bovendien was het van belang dat de overheid het overzicht hield en dat ging nou eenmaal gemakkelijker als er niet al te veel mensen op straat waren.

Harry was die ochtend al vroeg vertrokken naar het ziekenhuis. Hij was erg vrolijk geweest aan het ontbijt, waar hij zich voor het eerst sinds zondag weer had vertoond. Van zijn verlopen groezeligheid was niets meer te zien en, wat nog nooit was voorgekomen, hij had koffie gezet voor Eleanor. Moeder en Els lagen nog op bed, Sabrina lag in de woonkamer te slapen. Eleanor had haar wel een logeerkamer aangeboden toen bleek dat ze niet van plan was om naar haar eigen huis te gaan, maar dat wilde ze niet. "Ik voel me zo dichter bij iedereen," had ze gezegd.

Ze waren dus met z'n tweeën in de keuken.

"Ik keek er wel van op, van je verhouding," begon Eleanor. "Vooral omdat je zo kwaad was op mij. Dat impliceert toch dat je van onbesproken gedrag bent. De onschuld zelve als het ware."

"Maar het is nu allemaal vergeven en vergeten!"

"En al die tijd had je zelf iemand anders. Dat is toch niet zo mooi."

"Ach, Eleanor, ik ben zo blij dat ik het verteld heb. Ik zat helemaal klem, dacht dat het niet kon, had me al die maanden in bochten gewrongen om maar niets te laten merken, en toen kwam jij ineens met zo'n verhaal, alsof het niets was, alsof je zoiets maar zo tussen neus en lippen kan vermelden."

"Hmmmm, twijfelachtig allemaal. In ieder geval ben ik blij dat er nu duidelijkheid is. En ik ben vooral blij dat je je verongelijkte houding heb laten varen. Lekker eitje trouwens."

"Heerlijk, hè? Het lijkt net een zondag van lang geleden. We hebben langs elkaar heen geleefd, Eleanor. Ik heb er over nagedacht. Misschien heb ik te lang vast willen houden aan het beeld van ideaal gezin: allebei een goede baan, kinderen die geen problemen hebben, een goed huis in een goede buurt. Ik wilde er niet eens aan denken dat daar de klad in kwam."

"Maar ondertussen zat jij wel met de medisch secretaresse in de linnenkamer." Eleanor schudde het hoofd.

"Niet in de linnenkamer, in een fatsoenlijk hotel."

"Zo, zo. Tja, ik hield geen urenregistratie bij van je afwezigheid dus ik heb er geen moment bij stilgestaan."

"Ik ben toch zo blij dat je het nu weet!" Harry liep op haar toe en zoende haar op de wang. Het moest niet gekker worden. Dit soort sympathiebetuigingen had hij sinds hun verkeringstijd niet meer vertoond. Nog even, en het werd een sentimentele toestand.

Toch zag de situatie er alweer beter uit dan de vorige dag. Stiekem was ze blij dat hij niet weg zou gaan. Misschien kon Bertrand ook bij hen in komen wonen. Dat was toch niks, zo'n jongen alleen in een appartement en dan nog die dagelijkse rit naar het ziekenhuis. Nee, hij kon beter hier komen. Niet zo doordraven, zei ze tegen zichzelf, je kan nauwelijks nog veranderingen verwerken na alles wat er gebeurd is.

"Ik hoop dat het vandaag wat rustiger in en om het ziekenhuis is," zei hij. "Dat ik weer gewoon kan opereren, daar ben ik toch het beste in. Zo'n veldhospitaalsituatie, dat is niets voor mij."

"In het ziekenhuis zal het misschien wat bedaard zijn, maar ik ben bang dat we nog lang niet klaar zijn met de ellende. Moet je al die mountainbikers zien op straat. En mevrouw Van Damme staat al de hele nacht op wacht. Die beleeft gouden tijden natuurlijk."

"De regering overdrijft lichtelijk. Ik maak me sterk dat er gisteren echt wat aan de hand is."

"Ik weet wel zeker dat er niets is," besloot Eleanor. "Hoewel je dat zo niet kan zeggen. Als iedereen denkt dat er iets is, dan is er ook iets. Dat is net zoiets als geloven: als iemand denkt dat God bestaat, bestaat die ook."

"Ik hou er niet van," zei Harry. "Ik ben arts en ik wil gewoon mijn werk doen."

Aart kwam binnen, nog zo'n gezinslid met wie ze de laatste dagen geen contact had. Veranderingen doen pijn, troostte ze zichzelf. Uiteindelijk zou alles goed komen. Buiten ook. Uiteindelijk zouden de mountainbikers verdwijnen, zou iedereen weer gewoon op straat kunnen en waren al die praatjes over dreigende aanslagen verdwenen. Uiteindelijk. Dat kon nog best lang duren, want de regering was nog nooit zover gegaan in haar poging massahysterie aan te wakkeren. De aanhouding van Rob Buitelaar hadden ze aangegrepen als excuus om eens te laten zien wie hier de baas was en wie het beste overkwam op televisie. Haar opzet had gefaald en gevolgen gekregen die ze niet wilde, die ze niet had voorzien. Rob Buitelaar moest vrij, er was maar een conclusie mogelijk. Hinderen zou hij haar niet meer, want ze werkte niet meer voor het instituut. Het was haar nog niet gezegd, maar ze wist zeker dat ze er nooit meer terug hoefde te komen.

"Zo, mijn vader en moeder bij elkaar!" sneerde Aart. "Dat is lang geleden dat ik dat gezien heb. Het lijkt hier wel een commune, zo'n walgelijke samenwonerij uit de jaren zeventig. Ik dacht dat jullie daar wel zo'n beetje overheen waren. Maar nee hoor,  ze beginnen juist. Verlate puberteit heet zoiets!"

"Oh ja, we moeten je nog wat vertellen. Je vader heeft een vriend," zei Eleanor. "Het wordt hier waarschijnlijk nog drukker."

"No way dat ik dit ga pikken!" Aart liep rood aan en bewoog zijn been om te gaan stampvoeten. Hij bedacht zich echter. "Ik wil dat het hier normaal wordt, verstaan jullie me? Helemaal normaal, zoals het eerst was!"

"Tja, je bent volwassen, Aart, maar dat zijn wij ook. En we leiden dus ons eigen leven. Zou jij ook moeten doen."

"Maar ik studeer nog! Ik heb een hechte, veilige thuissituatie nodig!"

"Dat hebben we allemaal. En dat betekent niet dat je dan maar andere mensen kunt voorschrijven hoe ze moeten leven."

"De regering heeft gelijk. Er moet meer orde komen. Het gezin is de hoeksteen van de samenleving, dat was altijd zo en zo moet het blijven. Ik eis dat jullie je minnaars, en de buurvrouw ook, buiten de deur zetten!"

"Jij hebt niets te eisen, mijn zoon," zei Harry.

"Dat zullen we nog wel eens zien! Daar vergissen jullie je deerlijk in!" Hij verliet het huis zonder ontbijt. Eleanor en Harry keken elkaar aan en haalden hun schouders op. Het zou wel weer bijtrekken, dachten ze.

Harry ging naar het ziekenhuis, Moeder zette zich aan het schilderen. Ze schilderde aan het bezetene, ze had veel in te halen. Elk onderwerp dat haar onder ogen kwam gebruikte ze als model. Elk mens trouwens ook. Ze werkte snel, vanuit de eerste opzet maakte ze meteen het hele doek af. Ze was pas een dag bezig maar de kamer lag al bezaaid met tekeningen en een stuk of vier schilderijen. "Als de loodgieter dit toch eens zag.." mompelde ze af en toe voor zich uit. Sabrina bleef op de bank hangen. Er was niet veel uit haar te krijgen. Ze kwam niet ongelukkig over, zoals ze zich daar lag te wentelen in haar luiheid. In Harry's kast had ze nog meer truien gevonden en die droeg ze om beurten. Ze was gewend om zich diverse keren per dag te verkleden, en van zulke gewoontes stapt een mens niet zomaar af.

Els belde Jaap om hem duidelijk te maken dat hij niet de afspraak die ze hadden gemaakt, moesten vergeten. Verder bladerde ze wat door medische vakbladen die her en der lagen verspreid. Harry las ze haastig, legde ze weg om later het een of andere artikel te lezen en vergat vervolgens waar hij mee bezig was. Zo hoopten ze zich op.

"Interessant," zei ze op een gegeven moment. "Dit is een heel nieuw gebied voor mij. Ik zou wel medicijnen willen gaan studeren."

Moeder keek op van haar schilderwerk. "Dat moet je gewoon doen, kind. Je bent nog jong."

"Ik ben 52, is dat niet te oud? De laatste jaren had ik het gevoel dat ik overal te oud voor was, dat ik eigenlijk al dood was, maar alleen nog moest sterven."

"Als je het over de duvel hebt," zei Eleanor. "Daar heb je de doodgraver van het ministerie weer. Ze kunnen ons toch wel een dag met rust laten, zou je zeggen, maar nee. Nou, ik zal hem maar binnenlaten, op een andere manier kom ik niet van hem af."

Ze wilde de beveiligingsfunctionaris weer naar de bibliotheek leiden, maar hij eiste te worden toegelaten in de woonkamer. "Wij hebben bericht gekregen dat zich hier de laatste dagen veel mensen ophouden. En die wil ik even screenen." "Gewoon vrienden en familie!" riep Eleanor uit. "Wat valt daar nou aan te screenen." "We leven in oorlog, mevrouw, zo moet u dat zien. Iedereen is verdacht. Als we niet kordaat optreden en reageren op elke serieuze melding gebeuren er rampen." Zonder haar antwoord af te wachten, betrad hij de woonkamer.

"Goedenmorgen," zei Moeder. "U doet me aan iemand denken. Aan die vent die erbij was toen de loodgieter dood was. Die ging de hele weg naar het kerkhof voor de lijkwagen uitlopen, het schoot maar niet op. En we hadden nog van allerlei dingen te doen, maar dacht u dat ze daar rekening mee hielden? Nee hoor, hij blijf gewoon op zijn dooie akkertje voor de stoet uitlopen. Nou wil ik best toegeven dat ik de loodgieter het liefst zo snel mogelijk zo diep mogelijk onder de grond zag, en dat is misschien niet mooi van me, maar het was dan ook een etterbak. Die vent die vooraan liep, trouwens ook. Die zei geen boe of bah, maar zette zo'n treurgezicht op, dat je zou denken dat zijn eigen moeder net kassie wijlen was."  De beveiligingsfunctionaris negeerde haar en bestudeerde Els aandachtig.

Hij vouwde zijn schrijfmap open, nam een pen die daar in was gestoken en begon zijn verhoor. "U stond langs de snelweg, afgelopen vrijdag, wat deed u daar?" Els zocht met haar ogen steun bij Eleanor, ongetwijfeld bang dat ze zou worden ingesloten als ze vertelde dat ze uit de inrichting was ontsnapt. "Ik liftte," zei ze. "Ik moest naar Brabant, en ik was mijn portemonnee vergeten." "Vreemd," zei de man. "Ik zou verwachten dat iemand dan bij een station staat, niet op de snelweg." Hij maakte een aantekening. "Voorts heb ik gehoord dat u met mevrouw hier meekwam naar De Wilde Weelde, en dat u er zeer verwaarloosd uitzag. Heeft u daarvoor een verklaring?" "Ik had het druk gehad, ik had geen tijd gehad om me te verkleden voor ik op weg ging." "Geen tijd, ook vreemd. U stond te liften, kwam terecht in de Wilde Weelde, samen met mevrouw hier, dus kennelijk had u niets te doen."

"Leg toch niet op alle slakken zout, man!" riep Moeder uit. "Dat meisje heeft een zware tijd achter de rug, en er is niets mis met haar. Daar kan ik persoonlijk voor in staan." Weer negeerde de veiligheidsfunctionaris haar. Hij noteerde driftig in zijn schrijfmap. "Het is allemaal heel verdacht, mevrouw. Ik ben bang dat ik dit moet rapporteren, zolang u niet met een bevredigende verklaring komt." "Hoe bedoelt u, rapporteren.." vroeg Eleanor. "Daar kan ik geen mededelingen over doen, maar detentie behoort zeker tot de mogelijkheden." "Sluiten ze je tegenwoordig op voor liften?" gilde moeder. "Niet voor liften, wel om de maatschappij te beschermen tegen terroristische aanslagen, en het ziet ernaar uit dat mevrouw daar mogelijkerwijs bij is betrokken." "Ach man! Je bent gek!" zei Eleanor. De angst sloeg haar om het hart. Wat was er aan de hand? Straks werd iedereen vastgezet, want ze hadden allemaal wel eens iets gedaan wat verdacht moest zijn in de ogen van dit paranoïde overheidsapparaat. Angstig werd ze ook bij het idee dat ze Els misschien zou verliezen. Niet voorgoed, dat kon ze zich niet voorstellen, maar hoe lang zouden deze idioten mensen gaan vastzetten? Drie maanden zonder vorm van proces was al mogelijk, daar konden met gemak zes van worden gemaakt, of twaalf. De beveiligingsfunctionaris keek op van zijn aantekeningen. "Zo, dat staat er. Als mijn inschatting juist is, wordt u vanavond gehaald door de arrestatie-eenheid, het kan ook morgen worden want ze hebben het nogal druk. U heeft huisarrest vanaf dit moment, en probeer niet te vluchten, want het huis wordt bewaakt." Hij klapte zijn map dicht. "En nu zou ik wel een kopje koffie blieven," zei hij alsof hij een grote klus had geklaard waarvoor hij een schouderklopje had verdiend. "Een kopje koffie!" schreeuwde Moeder. "Vitriool kun je krijgen! Eruit, rat!" De beveiligingsfunctionaris keek haar verbaasd aan, alsof hij haar nu pas opmerkte en al haar vorige opmerkingen niet had gehoord. "Ik heb hier de reglementen," zei hij toen hij van zijn verbazing was bekomen. "En daarin staat dat beveiligingsfunctionarissen toegang moeten krijgen, ongehinderd." "Maar dat betekent hopelijk niet dat we ze van koek en sopie moeten voorzien, hoop ik." "U mag mij niet hinderen in mijn werkzaamheden. En mijn behoefte is nu een kopje koffie, dat hoort bij het werk, dus mag ik u verzoeken…"

Plotseling schoot Sabrina van de bank. Ze sprong met een enorme snelheid op de man af en zette haar nagels in zijn gezicht. Het bloed stroomde van zijn wangen en besmeurde zijn onberispelijk witte overhemd. Met kracht zette ze een knie in zijn kruis. Ze stootte een paar keer door. "Au! Help!" riep de man. "Ik word vermoord!" Dat had hij niet moeten zeggen, want nu nam Moeder haar tafelezel en beukte hem daarmee hard op het hoofd. Eleanor zag het met ontzetting aan. Dit zette een streep onder de kalme ochtenden, de verrukkelijke nachten en de lome namiddagen. Wat was geluk toch vluchtig. Inmiddels maakte de man geen geluid meer, maar Moeder en Sabrina bleven slaan, krabben en schoppen. Dat ging nog een hele tijd door. Eleanor overwoog in te grijpen, maar dat zou geen zin hebben. Zoveel furie die na zoveel jaren was ingesloten en samengeperst, spoot er nu uit dat een normaal mens die vloed niet meer kon stoppen. Eindelijk, was het na minuten of was het na  uren, hielden ze op. De beveiligingsfunctionaris viel slap van de bank en ademde niet meer. Els legde twee vingers tegen zijn halsslagader. "Dood," zei ze. "Bedankt meiden. Als dat loeder teruggegaan was naar zijn baas, was ik vanavond opgepakt."

"Tja," zei Eleanor. "Op de korte termijn is dit misschien wel een oplossing, maar wat moeten we met het lijk? We kunnen hem niet laten liggen. Het is geen gezicht en bovendien gaat het stinken."

"Ongebluste kalk?" opperde Moeder. "Heb ik niet in de voorraadkast staan, toevallig," zei Eleanor nadenkend. Ze keek neer op het lijk. Het was niet meer dan een homp vlees. Zo gaat dat met mensen die nauwelijks menselijk te noemen zijn, dacht ze. Dood zijn het voorwerpen geworden, levend waren ze al niet veel meer dan dat.

"Staan de politiejongens er nog?" vroeg ze. Els keek naar buiten en knikte. "Nog altijd, en mevrouw Van Damme staat er weer bij."

"De vraag die momenteel voor ligt," sprak Eleanor. "Is of die jongens buiten weten dat de doodgraver hier binnen was."

"Moet wel," zei Moeder. "Hij is tenslotte door de voordeur gekomen. Dus ze hebben hem gezien. Kan niet anders."

"Ja, inderdaad, maar weten ze ook wat hij kwam doen? Of is er iemand anders die weet dat hij op dit tijdstip hier zou zijn?"

"Tja, dat weet je natuurlijk niet, we kunnen moeilijk naar het ministerie bellen," zei Els.

"Nou, dat weet ik zo net nog niet. Kijk, het kreng moet verdwijnen, spoorloos verdwijnen, en wij weten nergens van, laat dat duidelijk zijn."

"Kunnen we niet gewoon zeggen dat hij een hartaanval heeft gehad," opperde Moeder. "Nou, daar ziet het niet echt naar uit, moet je toch eens kijken, zijn hele gezicht is aan gort en ik ben bang dat het niet anders is met de rest van zijn lichaam.." Eleanor staarde voor zich uit. De ene lastige situatie na de andere moest worden opgelost. Een mens kreeg nooit even rust. Zij in ieder geval niet. Die Nigel, en Papendal, was dat misschien de oplossing. Nigel kon hem begraven op Papendal. Helaas was Nigel geen marionet, en helaas was hij niet eens in de buurt. Hij wist zelfs niet dat Sabrina min of meer verhuisd was naar het buurhuis. Plotseling ging haar een licht op en ze verbaasde zich erover dat ze er niet meteen aan had gedacht.

"Harry!" riep ze uit. "Wat stom! Die kan hem fileren en vergruizen! Ik ga hem meteen opbellen dat hij zijn gereedschap meeneemt vanavond."

"De telefoons worden ongetwijfeld afgeluisterd," waarschuwde Els. "Als ze mij wilden oppakken, worden we nu afgeluisterd en op alle andere manieren in de gaten gehouden."

"Dan gaan we naar Harry toe om het hem te vertellen! Moeder, kom mee. Je bent doodziek en ik moet met je naar de Eerste Hulp!"

"Ik mankeer helemaal niets! Ik ben zo gezond als een vis! Ik pis geeneens meer in mijn broek! Daar werd ik in het verpleeghuis ook zo moe van, dat ze me altijd probeerden aan te praten dat ik wat had. Zat de verpleeghuisarts steeds aan me, dan weer dit voelen, dan weer dat. Volgens mij was het een geriatrofiel ofzo, die heb je ook, dat komt zelfs veel voor in verpleeghuizen, heb ik wel eens gehoord. Maar aan mijn lijf geen polonaise, hoor! Als ik dood ben, mag je me afleggen en daar blijft het bij!"

"We doen alleen alsof je ziek bent, Moeder. Om die jongens van de politie buiten te verleiden. We moeten er toch voor zorgen dat Harry vanavond met zijn spullen thuiskomt. Ik hoop dat hij vanmiddag al kan komen. Dat lijk gaat vast snel stinken met de verwarming op 25!"

"Ik heb het nou eenmaal snel koud en ik wil niet beknibbelen op de verwarming," zei Moeder. "Maar goed, als het voor een goed doel is, wil ik wel met je mee om mijn jongen te gaan halen."

 

Ze kleedden zich dik aan hoewel het niet zo erg koud was en stapten naar buiten. Eleanor ondersteunde Moeder wat werkelijk nodig was, want zo goed ging het lopen nou ook weer niet. Weliswaar ging ze nu zelfstandig naar de wc, maar dat betekende niet dat dat haar geen moeite kostte. Haar kreunen waren echter overdreven en nu ze eenmaal in haar rol zat, was ze niet meer te stuiten: "Oh, oh, oh, ik heb zo'n pijn, laat me alsjeblieft doodgaan! Breng me naar het ziekenhuis zodat ze me kunnen afmaken. Oh, oh, oh, wat ben ik blij dat mijn kinderen mijn lijden niet hoeven te zien." En zo ging het maar door. De agenten, die over hun mountainbikes geleund stonden te roken, keken bezorgd en maakten plaats zodat Eleanor en Moeder de kortste weg naar de auto konden nemen.

Eleanor reed hard in de richting van het ziekenhuis. Moeder kreunde nog steeds, terwijl ze smeekte om het verlossende spuitje. "U mag nu wel weer stoppen, hoor," zei Eleanor. "Wat weet jij er nou van! Jij weet toch helemaal niet hoeveel pijn ik heb? Het is dat ik niet graag klaag, maar anders zou je me voortdurend horen gillen en schreeuwen van ellende, over de grond kruipen zou ik omdat ik niet wist waar ik het zoeken moest, hele strippen pijnstillers zou ik leeg vreten en nog zou het niet genoeg zijn. Maar nee, zo ben ik niet. Ik hou vol, ik klaag niet!" "Is het heus?" vroeg Eleanor. "Daarnet zei u nog dat u zo gezond was als een vis, dat waren uw letterlijke woorden." "Hè, kind toch, verpest het toch niet! Zit ik net lekker in mijn rol en dan haal je me eruit. In het ziekenhuis zal ik toch ook moeten doen alsof. Anders is het verdacht." "Misschien, misschien," zei Els nadenkend.

Het gigantische ziekenhuiscomplex doemde op. Eleanor reed met grote vaart naar de ingang van de Eerste Hulp en parkeerde dubbel voor de ingang. Ze sleurde Moeder bijna uit de auto onderwijl roepend: "Maak plaats! Er is geen tijd te verliezen! Mijn moeder is doodziek!" De massa's weken uiteen en toen pas realiseerde Eleanor zich hoe vreemd het was, dat er zoveel mensen bij het ziekenhuis stonden. Was de ellende nog niet over? De regering had toch gezegd dat de dreiging was verdwenen? Of althans geluwd? De mensen zagen er moe en afgetobd uit, alsof ze daar al dagen stonden. Het meest schrok Eleanor van de hopeloze blikken. Alsof ze ergens op wachtten waarvan ze eigenlijk wel wisten dat het nooit zou komen.

Eleanor sleepte Moeder achter zich aan naar de koffiekamer van de afdeling chirurgie algemeen die in hetzelfde gebouw was gevestigd als de eerste hulp. Ook binnen stonden wachtende mensen. Agenten liepen door de massa heen, maakten notities en foto's.

Harry was gelukkig net aan het pauzeren tussen twee operaties in. En nog een gelukkige bijkomstigheid was, dat hij alleen in de koffiekamer was. Moeder en Eleanor legden de situatie zo goed mogelijk uit, maar het viel niet mee om duidelijk te maken dat er een lijk in zijn woonkamer lag, door omstandigheden, geheel aan het lijk te wijten toen hij nog niet dood was, dat hij het als het ware zelf had uitgelokt, dat kopje koffie, dat was de druppel die de emmer deed overlopen, een rat was het, een vuile, smerige rioolrat (Moeder), een vertegenwoordiger van het gezag, om het even welk gezag, een Eichmann in de dop (Eleanor), en ook dat Sabrina, die arme meid, zo was gekweld door dat gedoe met Nigel die ze nooit zag en die haar die vreselijke memmen had opgedrongen - daar moest Harry trouwens ook nog eens wat aan doen - nou ja, het was toch logisch dat die een keer ontplofte en eerlijk is eerlijk, die man deugde niet en die had een goed pak op zijn donder verdiend maar nu zaten ze dus met het lijk. Dat wel ja.

De verbijstering op Harry's gezicht groeide. Toen hij er een woord tussen kon krijgen, zei hij: "Dus jullie hebben een beveiligingsfunctionaris vermoord? In deze toestand? Zomaar doodgeslagen?" Hij maakte een armgebaar alsof hij iets wilde laten zien. "Gisteren zijn er hier honderden, misschien wel duizenden mensen opgepakt. Al die mensen buiten wachten op bericht van familie, vrienden, geliefden. Het is een nachtmerrie. Ik zou niet geloven dat het waar was als iemand het me vertelde. Maar het is waar. Al die mensen, en niemand zegt waar ze zijn, of ze nog terugkomen." Hij verzonk in gepeins. Hoewel het hem aan te zien was, dat hij zich zorgen maakte, zag hij er gelukkiger uit dan een paar dagen geleden. De grauwe wanhoop was verdwenen. Bertrand? Of misschien vanwege de solidariteit die er nu ongetwijfeld moest heersen onder het ziekenhuispersoneel. De belegering was tenslotte nogal indringend aanwezig. "En nu vragen jullie mij dat lijk te fileren? Ja, gemakkelijk zat, natuurlijk, maar het maakt mij wel medeplichtig. Ik weet niet hoe het komt, maar ik krijg steeds meer het gevoel dat ik ergens word ingezogen waar ik niet wil zijn. Ik ben arts: ik red levens, ik vernietig ze niet. " "Er valt niks te vernietigen, jongen, want dat hebben wij al gedaan. En hou nou eens op met die clichés, die hebben we nu wel genoeg gehoord." zei moeder. "Je hoeft je niet schuldig te voelen, en als die rat medeplichtig is aan wat ze hier gisteren hebben gedaan, en misschien nog doen, dan mag je trots zijn op je Moeder, want dan is het een verzetsdaad."

"Ja, ja, een verzetsdaad," schamperde Harry. "Mooie verzetsdaad! Maar goed, ik zal jullie helpen. Het is in niemands belang dat jullie worden opgepakt, tenslotte. En al ben ik het niet helemaal met de oplossing eens, ik denk niet dat de wereld een groot verlies lijdt door de dood van die man."

"Ik wist wel dat je het zou doen," zei Moeder en zoende haar zoon op de wang.

Eleanor en Moeder wrongen zich door de menigte wachtenden naar buiten. Vorige week leefde ik nog in een sleur, dacht Eleanor, en werd ik wanhopig van het idee dat er nooit iets zou veranderen, dat ik leefde in een landje waarin alles wordt gespeeld maar nooit iets echt beleefd. En moet je nu zien: Argentinië onder de Junta, daar gaat het nog op lijken. Een sleur is het beslist niet meer, maar ik weet niet of ik deze wending wel helemaal bedoelde.

 

De stemming in het huis in Soestduinen was gespannen: allemaal wachtten ze de komst van Harry af, die hen van het lijk zou bevrijden. Dat lag daar op de grond, want geen van de vrouwen durfde het weg te slepen. Ze waren bang dat ze dan teveel sporen zouden achterlaten. De plas bloed die er nu omheen lag, was nog gemakkelijk op te ruimen. Hoe zou dat zijn als de hele kamer was besmeurd met bloed.

Eindelijk kwam Harry thuis. Voor zijn doen erg vroeg, het was pas drie uur, maar als je wacht, duurt elke minuut lang. De wacht voor de deur was gewisseld. Nu stonden er twee vrouwen met mountainbikes, wat natuurlijk een stuk ongunstiger was: die zouden veel sneller door hebben dat er wat aan de hand was. Ze moesten uiterste voorzichtigheid betrachten.

Harry had een grote dokterstas bij zich en de agentes hadden niet gevraagd om de inhoud te tonen. Veel wijzer zou ze dat trouwens niet gemaakt hebben, want wat is er gewoner dan een arts met een dokterstas. Toen hij het lijk zag, bracht hij uit:"Jezus Christus! Jullie hebben huisgehouden, zeg! Ik hoop maar dat hij echt de creep was die jullie van hem hebben gemaakt in je verhaal vanochtend, en dat hij dit heeft verdiend, anders heb ik medelijden met de arme man."

"Kind, de arme man is dood en lijdt niet meer, dus wat zeur je nou. Aan stukken ermee, weg met die rotzooi, en klaar ermee. Ik krijg het op mijn zenuwen met die meiden voor de deur. Straks komen ze nog kijken. Op televisie was net dat de politie zonder aankondiging en zonder huiszoekingsbevel bij iedereen moet worden binnengelaten en dat ze overal mogen kijken. Die baas van Eleanor zei dat, de minister dan, niet die Frederik natuurlijk. En die baas had het weer van zijn collegaatje, de minister van Justitie, dus vooruit met de geit!"

Harry pakte zijn tas uit. Diverse messen en zagen in allerlei maten kwamen tevoorschijn. Hij stalde ze zorgvuldig uit en vroeg Sabrina hem te assisteren. "Gut, wat leuk!" zei Sabrina verheugd. "Ik heb altijd al verpleegster willen worden maar vroeger mocht het niet van mijn ouders en nu mag het niet van Nigel. Zeg het maar, dokter, zal ik uw voorhoofd even betten?" Ze nam een zakdoek uit het pakje op tafel en wilde meteen beginnen. "Gewoon doen wat ik zeg," zei Harry kortaf.

Zorgvuldig begon hij te snijden en allerlei ledematen te verwijderen. Wat eraf was, gaf hij aan Sabrina met de opdracht de onderdelen op een daartoe uitgespreide deken te leggen. Na een tijdje was het echt nodig dat Sabrina zijn voorhoofd bette, want het was zwaar werk, vooral om door de botten te komen. Na drie uur lag er een verzameling vlees, weefsel en botten op de deken waarin de beveiligingsfunctionaris niet meer was te herkennen. Al die tijd hadden de overige drie vrouwen ademloos toegekeken. Het is gewoon kunst, dacht Eleanor. Een soort omgekeerde geboorte. Dushes to dushes. "Nu moeten de overblijfselen nog weg," zei Harry. "Dat is lastiger. Het lijkt me het beste als ik ze bij stukjes en beetjes mee naar het ziekenhuis neem. Daar kan het wel in de afvalcontainer voor het crematorium."

"Kunnen we geen busje huren?" vroeg Moeder. "Hoe eerder we eraf zijn hoe beter het is."

"Dat is verdacht!" zei Eleanor. "We kunnen toch niet op klaarlichte dag met de resten van een beveiligingsfunctionaris naar het ziekenhuis rijden waar alles en iedereen wordt verdacht?"

"Dat kan wel!" zei Moeder. "Want toevallig waren we van plan vandaag mijn spulletjes te halen bij het verpleeghuis, weet je nog wel? En toevallig moeten we dan ook even langs het ziekenhuis, om mijn postoel af te halen die ik daar heb besteld!"

"Moeder, u bent geniaal! Ik ben trots op u," zei Harry. "Ik ga meteen een busje halen."

 

Nog geen uur later kwam Harry met een busje voorrijden. De agentes sommeerden hem de deuren te openen. Ze gingen naar binnen en onderwierpen het busje aan een grondige inspectie. Er zal helemaal niets in en teleurgesteld posteerden ze zich weer bij de deur. Het viel niet mee, al dat wachthouden terwijl er niets gebeurde.

Eleanor nam Moeder bij de arm, terwijl ze in haar andere hand een grote tas droeg. Els en Sabrina hadden flinke gereedschapskisten bij zich. Gek genoeg hadden de agentes nu niet de aanvechting om een inspectie uit te voeren en dat was jammer voor ze, want in de diverse tassen en kisten zat een flink deel van de resten van de beveiligingsfunctionaris. De helft, om precies te zijn. De rest zouden ze later komen ophalen. Ze hadden de deken dichtgevouwen en bij de wasmachine gelegd. Daar zou niemand van opkijken, maar integendeel maken dat hij wegkwam. De lucht die er af kwam, wees namelijk op een ongelukje in de nacht, ofwel: Moeder had het weer eens verdomd om naar de wc te gaan.

 

In het verpleeghuis was het rustig alsof niet heel Nederland op zijn kop stond sinds de aanhouding van Rob Buitelaar. Mensen zaten in de recreatie-ruimte de suffen, verpleegkundigen en verzorgenden liepen af en aan met drankjes en eten en hier en daar was een familielid op bezoek, die zijn vader of moeder probeerde te voeren.

"Dag jongens," groette Moeder hartelijk. "Hebben jullie me gemist?" Een paar mensen keken op. Het was niet duidelijk of ze Moeder herkenden.

"Nou," mopperde Moeder. "Je zou niet denken dat ik hier jaren heb gewoond als je die reacties ziet. Moet je dat nou toch zien, ze gaan gewoon door met waar de mee bezig zijn. Ik kwam hier toch zeker eens in de week, hoor!"

Ze liepen door naar de vleugel waar Moeders appartement was. Als niet-zorgbehoeftige woonde ze ver van de gangen met kleine kamertjes voor vier personen. Als ze afgleed naar een staat van kindse hulpeloosheid kon ze altijd doorschuiven. Het appartement had drie kamers en uitzicht op het kanaal. Een armetierig kanaaltje was het, waar geen boot doorheen kon behalve misschien een rubberbootje voor kinderen, maar dan was het nog een kwestie van handig navigeren om de oevers niet te raken. Toch, het uitzicht op water was een ongekende luxe in deze betonnen kolos, waar de achterdeur van waaruit de bewoners het pand uiteindelijk verlieten in gestrekte vorm achter grote vuilniscontainers was verborgen. Natuurlijk gaf dit appartement geen uitzicht op die deur. Als je voor het raam stond in de recreatiezaal kon je het wel zien.

"Nou," zei Els. "Het lijkt me het beste als we dat dressoir meenemen, daar kunnen we de beveiligingsfunctionaris in vervoeren."

Ze sleepten het dressoir naar de lift, waarin ze ondertussen de gedeelten van de beveiligingsfunctionaris hadden gelegd. De lift stopte. Een oude man, die door zijn volle grijze haar toch iets jeugdigs had, of lag dat misschien aan zijn oorbellen, wie zal het zeggen, stapte uit.

"Mien! Waar ben je geweest! Weer op stap naar het casino zeker!" riep hij verheugd uit.

"Jos, hou je mond. Je hoeft niet meteen mijn hele privé op straat te gooien! Mag ik je trouwens voorstellen aan mijn zoon en zijn vrouw? Ik ga bij hem intrekken. De twee dames wonen ook bij ons."

Jos reikte hen de hand, wat lastig was want nu moesten ze het dressoir neerzetten en dat hadden ze net met veel moeite opgetild.

"Wat leuk u te ontmoeten," zei Jos. "Ik dolde wat met uw moeder toen ze hier nog woonde. Gewoon vriendschappelijk dollen, hoor. Niets wat niet hoort of wat ik niet aan mijn moeder zou durven vertellen. Wat fijn voor Mien dat ze bij u kan wonen. Dit is soms best een deprimerende omgeving. Trouwens, Mien, ik ben net bij de achterdeur geweest en er zijn er weer twee weg."

"Wie?" vroeg Moeder.

"Schuitema en Van Borstelen."

"Nu ja, dat is misschien maar goed ook. Daar was niet veel meer van over. Toch triest, je komt de hoofdingang binnen, en je gaat de achterdeur weer uit, en in de tussentijd is er helemaal niets gebeurd. Nou ja, ik heb dan het geluk dat ik de hoofdingang kan verlaten."

Jos liet het hoofd hangen. "Tja, dat zou ik ook zo graag willen, bij mijn kinderen wonen, maar ja, ik heb geen kinderen." "Als je je wel had, moest je ook maar afwachten of ze bij je in wilden trekken. Er heeft zich wel het een en ander afgespeeld voor het bij mij zo ver was. Daar vertel ik je nog wel over, als ik je eens op kom zoeken, of jij mij."

"Of laat hem meteen bij ons intrekken," zei Eleanor. Alles was nu toch al zo gek dat het niet gekker kon. Ze mocht de man wel. En hij zou prettig gezelschap zijn voor Moeder.

"Meen je dat?" vroeg Moeder. Ze bloosde van plezier. "Wat zou ik dat fijn vinden, Jos is de enige die ik zou missen als ik hier wegga."

Harry opende zijn mond om te protesteren maar bedacht zich. In plaats daarvan zei hij: "Als we zo doorgaan, kan ik nu ook wel stellen dat Bertrand bij ons in komt wonen. Ik vind het maar niks dat hij zo ver weg is en dat gedoe in hotels zijn we zat. Ik wil hem een normale, stabiele huiselijke omgeving bieden."

"Ach ja, waarom niet," zei Eleanor. Ze was niet in de positie om Harry dit te weigeren, maar dat wilde ze ook niet. Hoe meer zielen hoe meer vreugd. Ze had nooit gedacht dat ze dit zou denken. Het was eerder zo geweest dat ze niemand om zich heen wilde. Alle mensen deden een beroep op haar zorgzaamheid en haar aandacht en die had ze niet. Of wilde ze niet hebben, wat op hetzelfde neerkwam.

"Kan ik dan meteen meeverhuizen?" vroeg Jos. "Ik heb vanmiddag toevallig toch niets te doen."

"Dat kan misschien moeilijk in het busje," zei Sabrina. "Dat is al vol, bijna." Ze knipoogde opvallend naar Eleanor, alsof die zich niet realiseerde dat er een homp vlees in het dressoir zat waarvan Jos nog maar niet op de hoogte moest worden gebracht. Binnen de kortste keren zou hij volledig op de hoogte zijn van alle gebeurtenissen rondom de bewoners van de Soestduinse villa, maar nu was dat nog te vroeg.

"We komen je straks halen," zei Eleanor. "Eerst even de spullen van Moeder verhuizen."

"Ik ga vast pakken!" Jos liep zijn kamer in.

Bij de hoofdingang kwamen ze een van de hoofdzusters tegen. "Ik heb gehoord dat u gaat verhuizen, mevrouw," zei ze tegen Moeder. "Wat heerlijk voor u dat u bij de kinderen gaat wonen. Vergeet niet dat u altijd op ons terug kunt vallen in geval van vragen en nood. Daar zijn we voor."

"Je bent een lieve meid, maar toch zie ik je liever niet dan wel," zei Moeder. Het gezicht van de vrouw verstrakte. Toch wist ze na luttele seconden een glimlach te forceren. "Hahaha, ja, mevrouw heeft altijd haar woordje klaar. We zullen u missen op de bingo-avond en het zal altijd wel een geheim blijven hoe u er toch altijd weer in slaagde om met de eerste prijs naar huis te gaan."

"Dat zal het zeker," zei Moeder. "Vooruit, jongens, we hebben niet de hele dag de tijd. En we moeten Jos straks nog halen."

 

Bij het ziekenhuis was het rustiger geworden. Over vrijlating van de gearresteerden was met geen woord gerept, maar over de arrestaties ook niet. Misschien waren ze toch vrijgelaten en deed iedereen vervolgens of er nooit zoiets was gebeurd. In de hal waren nog wel enkele wachtenden, maar geen drommen meer.

Alsof het hun dagelijks werk was, sleepten ze de tassen naar de containerruimte bij Chirurgie waar geamputeerde ledematen werden verzameld. Er was een klein crematorium bij, waar het afval dagelijks werd verbrand. Ze stopten de resten diep weg in de grote, blauwe zakken.

"Aan het eind van de middag gaan ze cremeren," zei Harry. "Dan kraait er geen haan meer naar."

Ze spoedden zich naar huis om de rest op te halen. Het dressoir sleepten ze alvast naar binnen. Dat zou het verhaal van de verhuizing geloofwaardiger maken en misschien voorkomen dat de agentes nog een speurtocht zouden houden.

In de wasruimte stond Aart over de deken gebogen. Dat was een zware tegenvaller. Niemand verwachtte hem thuis op dit uur.

"Wat is dit in godsnaam voor smeerboel!" zei hij. "Heeft oma weer in het rond liggen schijten?"

"Let wel op je taal, jongeman!" zei Moeder. "Jij wordt ook nog eens zo oud, eens kijken wat je dan allemaal mankeert!"

Eleanor bekwam van haar schrik. Ze was er niet zeker van dat Aart niet onmiddellijk naar de politie zou lopen als hij ontdekte wat er in de deken zat. Nu pas viel haar op dat hij er vreemd uitzag. Helemaal duiden kon ze het niet. Hij droeg een kostuum, maar dat droeg hij altijd. Alleen in het weekend wilde hij wel eens een spijkerbroek aantrekken. Er was iets met het kostuum. Het was blauw, donkerblauw, en het zat als gegoten. Het was zonder twijfel een maatkostuum, maar zelfs dat was niet vreemd. Ineens wist ze het: het kostuum had de uitstraling van een uniform.

"Opruimen, die rommel!" beval Aart.

"Pardon?" Het werd Eleanor koud om het hart. Zijn toon was koud, buitenmenselijk bijna.

"Je hebt me gehoord, opruimen! Ik ben aangewezen als gezinshoofd, dat hadden jullie toch kunnen weten. En ik heb de taak orde op zaken te stellen, en wel zo snel mogelijk"

"Wie heeft je dan ingesteld?" vroeg Moeder. "Dat zou me wat moois zijn, als mensen zomaar werden ingesteld terwijl verder niemand er wat vanaf weet. En ik heb je nog uit de moederschoot zien kruipen, hoe kan jij dan gezinshoofd zijn? Het is trouwens sowieso een slecht idee om mannen als gezinshoofd aan te stellen want die maken overal een puinhoop van. Maar dat is natuurlijk weer een ander verhaal. De loodgieter dacht ook altijd dat hij het voor het zeggen had, nou, wie het laatst lacht, lacht het best, zullen we maar zeggen over hem."

"Kijken jullie dan geen nieuws? Dat is verplicht gesteld, iedereen moet naar het nieuws luisteren om de laatste decreten te horen."

"Nou wordt-ie nog mooier. Een mens mag toch zeker zelf wel weten of hij naar het nieuws kijkt of niet? Het moet niet veel gekker worden," zei Moeder.

Aart zuchtte en begon te vertellen. Die morgen had de regering bepaalt dat voor elk gezin een gezinshoofd zou worden aangewezen. Dat hoefde niet persé het al fungerende gezinshoofd te zijn. Het plaatselijke politiebureau zou in de loop van de dag iemand aanwijzen die dan direct in functie zou treden. Het was een enorme logistieke operatie en de regering vroeg om begrip en medewerking. Het gezinshoofd zou rapporteren over alles wat in het gezin voorviel. Hij moest ook orde op zaken stellen zodra er iets vreemds aan de hand was. De regering zou heel spoedig duidelijke criteria opstellen voor wat als normaal gezinsleven werd beschouwd. De maatregelen konden worden opgevat als inbreuk op de privacy, maar dat moest men toch anders zien. Ze waren nodig om de bevolking te beschermen tegen het terrorisme, dat enorme vormen aannam. De regering nam maatregelen waarover geen mededelingen konden worden gedaan. Iedereen werd opgeroepen alle medewerking aan de autoriteiten te verlenen. En iedereen was verplicht om tussen 10.00 uur en 11.00 uur 's morgens naar de televisie te kijken om kennis te nemen van de laatste instructies.

"Mijn eerste taak is om al die plotselinge inwoners hier te verwijderen," zei Aart. "Oma mag blijven, maar de rest moet weg. Het overzicht is volledig zoek." Merkwaardig hoe de pruilende jongen van die ochtend zich in een dag tijd zo'n houding van autoriteit had aangemeten.

"We gaan eerst door met oma verhuizen," besloot Els. "En dan zullen we nog wel eens zien of we vertrekken."

"Huh?" deed Eleanor. Els knipoogde heimelijk. "Zullen we die rotzooi," ze wees op de deken, "dan maar meteen in de grote wasruimte van het verpleeghuis wassen?" Iedereen kon daarmee instemmen en met vereende kracht sleepten ze de deken met ongeveer de helft van de overblijfselen van de beveiligingsfunctionaris het busje in. De agentes sloegen hen nauwlettend gade, maar ze grepen niet in. Aart kwam naar buiten. "Ik ga nu een week in training," zei hij. "En als ik terugkom, verwacht ik dat alles is opgelost. Ik wijs Pa aan als vice-gezinshoofd en ik verwacht van julllie dat jullie allemaal naar hem luisteren. Het moet anders worden dan het de afgelopen week is geweest, dat iedereen maar wat doet en zijn plichten verzaakt. Ook anders dan de afgelopen jaren, want ma heeft weinig respect getoond voor Pa, die in feite het natuurlijke gezinshoofd was."

"Het is goed hoor, jongen," zei Eleanor.

"Ik eis dat iedereen hardop belooft zich te houden aan de voorschriften!" zei Aart. Hij werd verder genegeerd en even zag Eleanor een klein jongetje op de stoep staan, dat in huilen uit wilde barsten omdat hij niet mee mocht spelen. Maar degene die zich omdraaide, was een man die onderdeel was van een groter geheel, dat hen meer en meer leek te verstikken. Waar was het einde, hoe kon de ramp die zich over dit land voltrok nog gestopt worden.

 

Het dumpen van de laatste helft van de beveiligingsambtenaar verliep vlot en zonder problemen. De hoofdzuster had hen vriendelijk toegeknikt toen ze binnen kwamen, ze hadden het stereomeubel meegenomen en alvast wat tassen van Jos, die daar op aandrong. Ze beloofden hem later te komen halen, voordat de avondklok inging.  Ook in het ziekenhuis verliep alles naar wens. De crematoriummedewerker was al bezig met het cremeren van de resten van die dag en wat zij kwamen brengen, kon er nog wel bij. Het was een pak van hun hart, want hoe rechtvaardig ook, een moord bezwaart het menselijk hart. Tenminste, in eerste instantie. Het wordt gemakkelijker naarmate je het vaker doet, maar geen van de vrouwen, en zeker Harry niet, was van zins om nog eens iemand dood te slaan, hoe verleidelijk het ook mocht blijken in de toekomst. Het was een stressdag geweest, die ze niet graag nog eens over zouden doen.

Ze gingen naar de afhaalchinees. Thuis zaten ze stil uit de plastic bakjes te eten. Ieder met haar eigen gedachten, dacht Eleanor. De toestand ging haar meer en meer bedrukken. Ze wilde de rustige middagen in laat licht, waarbij iedereen zich loom koesterde in de warmte van de centrale verwarming. Ze wilde vrijen met Els, en niet bang zijn voor de volgende ramp die zich zou voltrekken. Ze wilde de kop van de minister niet op televisie en ze wilde niet verplicht worden om de televisie aan te zetten.

De telefoon ging. Frederik.

"Dag Eleanor, hoe gaat het met je?" vroeg hij.

"Goed, Frederik, goed. Waar bel je voor?"

"Ik sprak zojuist met Hans. Morgen is er een rechtszaak tegen Rob Buitelaar. En jij moet getuigen."

"Morgen al? En dat vertellen ze nu pas?"

"De regering wil het snel doen om te voorkomen dat bepaalde elementen worden aangetrokken die de boel gaan verstoren."

"Maar ik heb niets voorbereid. Ik ben niet eens benaderd door de officier van justitie!"

"Dat is ook helemaal niet nodig. Vertel wat je de AIVD hebt verteld, en hij wordt veroordeeld. Dit zeg ik je in vertrouwen."

"Mijn lijn wordt afgeluisterd, zoals je ongetwijfeld weet. Hoe kan je zeggen dat hij veroordeeld wordt voordat de rechtszaak is geweest?"

"Dat heeft Hans mij verteld. Alles wat nodig is, is dat jij herhaalt wat je aan de AIVD hebt verteld."

"Ik heb er eigenlijk niet zo'n zin in. Die hele zaak komt me de strot uit. Ik denk dat ik het maar niet doe."

"Je moet. Je hebt geen keuze. Je moet en als je niet komt opdagen word je gearresteerd. En je familie ook, want die wordt dan beschouwd als medeplichtig. Jullie zullen allemaal worden veroordeeld wegens obstructie van de rechtsgang."

"Nou, als de zaken zo liggen, dan zal ik wel moeten," zei Eleanor. "Jij bent er zeker ook bij?"

"Ja, ik moet ook getuigen."

"Getuigen? Maar je hebt niets gezien of gehoord?"

"Achteraf kan een mens ook wel eens tot bepaalde inzichten komen, Eleanor. Jannie heeft tijdens het breien bedacht dat haar toch ook bepaalde dingen zijn opgevallen aan Rob Buitelaar. Ze breidt nu aan een grote zware lap om neer te leggen op het Pim Fortuijnplein bij de stille tocht."

"Stille tocht? Die was toch al geweest?"

"Er komt er nog een. Een stille tocht tegen het dreigende terrorisme. De regering heeft mensen opgeroepen die er bij aanwezig moeten zijn en Jannie is aangewezen. Als enige van het instituut overigens."

"Mijn God, ze zijn daar echt helemaal gek geworden."

"Dat zou ik maar niet te vaak herhalen, Eleanor. Er zijn veel oren die open staan dezer dagen."

"Ik zal er zijn, morgen." Eleanor hing op. Ze had nog maar weinig tijd om haar houding te bepalen. Ze moest een keuze maken, waarvan heel veel kon afhangen. Ze zuchtte. Het lag nu in haar macht om alles te verpesten. Of om ervoor te zorgen dat alles weer normaal werd, dat de agenten van straat verdwenen, dat de wetten weer werden gerespecteerd, dat ministers nog maar eens per week op televisie waren, dat er geen beveiligingsfunctionarissen hoefden te worden vermoord en in stukken gesneden.

 

Bij het gerechtsgebouw was het druk. Honderden ME-ers hadden zich opgesteld rondom het plein. Op het plein stonden cameramannen verslaggevers uit allerlei landen te filmen. Eleanor moest zich legitimeren om het gerechtsgebouw binnen te komen en hetzelfde gold voor Moeder, Harry, Els en Sabrina. Ze had geen moment getwijfeld aan het idee ze mee te nemen: dit was een dag voor de hele gemeenschap, allereerst haar kleine gemeenschap van het Soestduinse huis en waarschijnlijk voor heel Nederland. Op televisie had de minister die ochtend gezegd dat vandaag het recht zou zegevieren. Dat het recht de komende tijd voortdurend zou zegevieren. De overheid was op dit moment druk met het verhoren van mensen met terroristische gedachten en deze actie zou Nederland veel veiliger maken. De regering had een inhaalslag gemaakt en de laatste dagen acties laten uitvoeren door leger en politie. Een aanval met chemische wapens was op het nippertje verijdeld, in Utrecht was iemand aangetroffen met een schets op zak waarmee hij in staat zou zijn geweest atoomwapens te maken (het was natuurlijk een fluitje van een cent om aan uranium te komen met al die criminele elementen in het land die overal een slaatje uitsloegen, daar zou ook spoedig wat aan worden gedaan), en op straat liep iedereen maar wat rond zonder geldig identiteitsbewijs wat kon wijzen op de intentie de identiteit te verbergen en daarom werd ook daar hard tegenop getreden.

 

Eleanor werd naar de getuigenbank geleid waar ook Frederik en Jannie zaten. Jannie breide driftig aan haar zwarte doek en knikte Eleanor toe.

"Voor de stille tocht," zei ze zachtjes en hield de lap omhoog. Het zou een mooie omslagdoek zijn. Misschien was hij van wol, lekker warm om koele zomeravonden buiten en op barse winteravonden binnen. "Ik vind het allemaal zo vreselijk," fluisterde Jannie. "Al die tijd speelde het kwaad zich onder mijn ogen af en ik heb het niet gemerkt. Achteraf pas gingen de stukjes in elkaar passen. Dat beveiligingsrapport bevat alle aanwijzingen en we zagen het maar niet. Hoe kan dat toch." Ze schudde langzaam haar hoofd en richtte haar blik op de tafel waarachter de rechters straks zouden plaatsnemen. Het beveiligingsrapport? Eleanor ging in gedachten de inhoud nog eens na. Het sprak voor zichzelf dat ze nooit de moeite had genomen het hele rapport te lezen, maar wat ze eruit had kunnen opmaken, kon nauwelijks aanleiding zijn voor verdenkingen. Het stond bol van warrige taal, die geen ander doel had dan bladvulling. De grafiekjes waren allemaal gejat uit andere bronnen en waren evenmin erg veelzeggend. Kortom, het was rotzooi. Rotzooi waarmee Rob Buitelaar tot voor kort ruim in zijn onderhoud had kunnen voorzien en die hem nu de nek om zou doen. Hoewel, als ze erover nadacht, moest ze tot de conclusie komen dat het weinig uitmaakte wat er wel of niet in het rapport stond. Het zou toch wel tegen hem gebruikt worden.

Twee grote kerels verschenen met een kooi-constructie in hun midden. Ze zetten die in de open ruimte voor de rechterstafel en monteerden hem vast aan de vloer. Ze vertrokken en even later werd Rob Buitelaar binnengebracht door zes bewakers. Zijn armen waren met forse kettingen achter zijn rug gebonden. De kooi werd geopend door een van de bewakers en Rob Buitelaar werd naar binnen geduwd. De kettingen werden niet losgemaakt. Hij droeg een grijs kostuum. Eleanor vond dat het in de gegeven situatie passender geweest zou zijn als hij een gevangenispak had gedragen, een vale jute zak met broekspijpen en mouwen. In die paar dagen was hij vermagerd. Van zijn spiermassa, die hij zo zorgvuldig had opgekweekt op de sportschool, was niet veel meer over. Om zijn hoofd droeg hij een bloederig verband. In de kooi stond een bankje waarop hij plaats nam. Zijn hoofd was voortdurend gebogen, alsof hij zich schaamde en de wereld van zich af wilde laten glijden. Eleanor kreeg medelijden met hem en dat was een gevoel waarvan ze nooit had gedacht dat ze dat voor hem zou krijgen.

De rechters kwamen binnen. Het waren er vijf en de president van de rechtbank ging in het midden zitten. De bef op haar toga hing wat scheef, en de toga zelf was gekreukeld, alsof ze erin had geslapen. En misschien was dat ook wel zo, want voor deze zaak hadden ze vast lang moeten overleggen. De president nam een fles sherry uit haar tas en zette die voor zich.

"Zo, die zal ik nodig hebben," zei ze. "Laat de minister maar binnen, en zijn collegaatjes ook maar meteen, dan kunnen we beginnen. En doe die man zijn boeien af!"

"Maar president! Die man is gevaarlijk! Ik moet u dit afraden, want de gevolgen kunnen vreselijk zijn," zei een van de bewakers.

"Ik ben hier de rechter! Dus ik bepaal of die man gevaarlijk is of niet. Af, die boeien!" De bewaker gehoorzaamde haar en sloot na zijn verrichting snel de kooi alsof Rob Buitelaar hem midden in de rechtszaal zou aanvallen.

De deuren aan de andere kant van de zaal gingen open. Er verschenen mannen in blauwe pakken met oortelefoontjes in. Ze droegen automatische wapens. In hun midden liepen de ministers en ook de minister-president. Ze namen plaats op pluchen stoelen, die speciaal voor hen waren neergezet.

De president van de rechtbank nam een slok sherry uit de fles en veegde haar mond met de bovenkant van haar linkerhand.

"Zo, we beginnen maar. Officier, roep de eerste getuige maar op." Eleanor stond op want ze ging er vanuit dat zij de eerste zou zijn, maar Frederiks naam werd afgeroepen. Hij nam plaats in het getuigenbankje.

"Brandt maar los," maande de president de officier van justitie.

"Meneer Corst Wegener, u heeft geconstateerd dat er bepaalde elementen in het rapport van de verdachte waren, die aanleiding gaven tot zorgen. Kunt u vertellen welke dat waren?"

Frederik draaide in zijn stoel en vouwde zijn handen bedachtzaam onder zijn kin.

"Het was zo subtiel," zei hij. "Er is moeilijk de vinger op te leggen."

"Daar bent u voor, om de vinger op de zaak te leggen," zei de president, terwijl ze nog een slok nam. "Wat doet u hier als u dat niet kunt."

"Natuurlijk kan ik dat wel!" riep Frederik verbolgen. "Ik wil er alleen op letten dat ik het zorgvuldig formuleer. Het was de toonzetting. Alles leek op het eerste gezicht normaal in het rapport. Er was een inleiding, er waren aanbevelingen en conclusies en er zaten tabellen en grafieken in, maar bepaalde zaken wezen op een andere bedoeling!"

"Kunt u aangeven welke zaken dat waren?" vroeg de officier van justitie die enigszins schichtig in de richting van de president keek.

"Ik mag het hopen, dat hij dat kan," mompelde de president zo hard dat iedereen het kon horen. Ze ondersteunde haar hoofd met haar hand en bekeek de getuige.

"Zoals dat cijfer over de criminaliteit. Als je het druk hebt, en zo'n rapport vluchtig doorleest, valt het je niet zo op, maar het is duidelijk dat de stijging veel te laag was weergegeven, veel te laag."

"Nou, vooralsnog ben ik nog niet overtuigd, moet ik zeggen," zei de president. Ze werd aangestoten door haar collega die aan haar rechterzijde zat. "Blijf van me af!" bitste ze. "Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg, dat was het motto toch voor deze tijd." Tegen Frederik: "Kom op man, vooruit met de geit. Geef ons nou eens iets hards waaruit overduidelijk blijkt dat deze man een terroristische aanslag aan het voorbereiden was. Een terroristische aanslag op één persoon, namelijk de minister. Als daar sprake van was, dan was het toch voornemen tot moord, zou ik zeggen, maar goed, wie ben ik. Gaat u verder."

"Zijn kleding. Die beschouwde ik als een uiting van excentriciteit, maar later ging ik beseffen dat die felle kleuren een soort code vormden. Daarmee kon hij immers gezien worden vanaf de overkant en met allerlei lichaamsbewegingen kon hij zo seinen. Zijn lichaamsbewegingen waren vreemd: al die armgebaren. Ik dacht altijd dat die bedoeld waren om zijn betoog te ondersteunen, maar die waren een soort enigma."

"Dus iedereen in een felgekleurde broek is verdacht, moet ik dat uit uw betoog opmaken?" zei de president.

"Niet bij voorbaat, natuurlijk niet. Maar alle factoren bij elkaar, ja, die wijzen toch in een bepaalde richting."

"Mag ik daar wat over opmerken?" riep de minister.

"Nee, dat mag u niet," antwoordde de president. "We hebben hier nog altijd scheiding der machten al zal het niet lang meer duren voordat die worden opgeheven, maar voor het zover is, tolereer ik niet dat de wetgevende macht er zich tegenaan komt bemoeien."

"Maar ik ben wel een slachtoffer!" ging de minister verder. "Er is veel te weinig oog voor slachtoffers. Ik ben weliswaar minister maar in de eerste plaats vooral mens. En ik heb ook emoties!"

"Die bewaart u maar voor thuis. Hier kunnen we ze niet hebben," sprak de president. "Ik ben een getuige aan het horen, en tot zover zijn zijn getuigenissen niet erg indrukwekkend. Nou, ga verder. Wanneer merkte u het voor het eerst?"

"En ik ben hier de officier van justitie!" sprak de officier verontwaardigd. "Ik hoor die vraag te stellen."

"Vooruit dan, vraag hem wanneer hij het voor het eerst merkte."

De officier maakte een handgebaar ten teken dat Frederik moest antwoorden.

"Vlak na de arrestatie van Rob Buitelaar. Toen vielen de puzzelstukjes in elkaar. De schellen vielen van mijn ogen, om het zo maar eens uit te drukken."

"Mag ik hier toch even op inbreken," zei de minister, terwijl hij naar voren stapte. "De heer Corst Wegener kan niet worden verweten dat hij een en ander te laat opmerkte, want hij werd daarop te laat gewezen door zijn ex-medewerker, mevrouw Eleanor Buitenhorst, die hier ook aanwezig is. Zij is schromelijk in gebreke gebleven."

"In gebreke bij wat? Om door te geven dat er helemaal niets aan de hand was?"

"U trekt voorbarige conclusies!" zei de officier van justitie. "De rechtbank heeft nog niet eens alle getuigen gehoord!"

"Nou, als ze allemaal van het kaliber zijn als deze meneer hier, dan weet ik de uitkomst wel," smaalde de president. "Maar goed, wat je eenmaal bent begonnen, moet je afmaken. Nou, meneer Corst Wegener, heeft u nog iets toe te voegen? Anders gaan we verder." De president nam de fles aan haar mond en nam enkele flinke slokken. Ze wenkte de griffier en wees op de fles. De griffier verliet de rechtszaal.

"Ik heb niets meer toe te voegen," zei Frederik benepen. Hij werd terugverwezen naar zijn plaats.

Daar fluisterde hij: "Ik word gewoon niet serieus genomen. Ik ben benieuwd welke maatregel de minister gaat nemen tegen dit soort rechtsspraak, want dit kan echt niet langer door de beugel. Als we er niet met zijn allen voor waken, komt Rob Buitelaar nog vrij!"

Hij komt zeker vrij, dacht Eleanor. En zolang ze maar nooit meer iets met hem te maken hoefde te hebben, kon ze daarmee leven. Als ze het goed had begrepen, had de minister haar zojuist ontslag gegeven, dus ze hoefde niet te vrezen dat ze ooit nog een rapport van Rob Buitelaar moest doornemen. Die zou trouwens wel eieren voor zijn geld kiezen. Ze kon zich niet voorstellen dat hij in dit land zou blijven na alles wat hij had doorgemaakt de laatste week.

De griffier kwam binnen met een nieuwe fles sherry. De president opende die en nam een slok.

"Eens kijken, waar zijn we," zei ze terwijl ze in haar papieren bladerde. "Volgens het scenario moet ik de volgende getuige horen, maar die vond ik zo oninspirerend, dat ik bang ben dat ik in slaap val als ik nog eens zo'n verhaal moet aanhoren. Daarom de verdachte zelf maar. Ja, die wil ik wel eens horen. Kom, bevrijd die man uit die belachelijke kooi."

"Maar president!" riep de hoofdbewaker uit. "Dat kan toch zomaar niet? Deze man is gevaarlijk. Het is al onverantwoord dat zijn boeien zijn verwijderd, en dan nu ook nog de kooi uit!"

"Nou, hij zal vast geen zelfmoordaanslag plegen midden in de rechtszaal. Tenzij hijzelf explosief is, natuurlijk." De president lachte luid. "Vooruit, open met dat ding en zet de heer Buitelaar op een fatsoenlijke stoel."

"Ik protesteer hier met kracht tegen," riep de minister-president.

"Wil de wetgevende macht nu even zwijgen, ja? U heeft het altijd over eigen verantwoordelijkheid nemen, nu, die neem ik nu."

"Ik kom hier op terug," zei de minister-president. Hij verdween weer achter zijn lijfwachten.

Rob Buitelaar zat inmiddels buiten de kooi. Hij had nog steeds het hoofd gebogen. De president keek hem aan. Haar blik fonkelde. Met kracht zette ze de fles op tafel.

"Zo, meneer Buitelaar, nu wil ik uw kant van het verhaal wel eens horen. Eens kijken wat ik hier heb. U bent de aanstichter van terroristische aanslagen. Jawel, hier staat het. In meervoud! Tot nog toe heb ik begrepen dat het alleen om een voorgenomen aanslag op de minister ging maar u ziet het: de aanklachten nemen met de minuut toe. De aanslag op de minister is verijdeld omdat een medewerker van het instituut de zaak heeft ontdekt en daarom de AIVD tijdig tot aanhouding kon overgaan. Nou, nou, nou, het is me wat. Wat een geluk, zou je zeggen, dat alles net op tijd is ontdekt want stel je voor dat die moord was doorgegaan. Dan hadden we hier toch heel anders gezeten vandaag."

De minister stapte naar voren: "Maar ik ben wel getraumatiseerd hierdoor! Het is heel moeilijk om mijn werk als minister te blijven doen onder deze omstandigheden. Deze president maakt een lachertje van de zaak."

"Kop dicht!" schreeuwde de president. "Ik ben aan het woord, de regering is al genoeg aan het woord geweest de laatste dagen, meer dan genoeg. "Goed," vervolgde ze op kalmere toon. "Meneer Buitelaar, hier staat dat u een moslimfundamentalist bent, die in korte tijd ernstig is geradicaliseerd. Voorts maakt u deel uit van een netwerk. Al Kaida, de Hofstadgroep, van welke precies daar is men niet geheel uitgekomen. Vertel eens, is dat allemaal waar."

Rob Buitelaar rechtte zijn rug en ging staan. Plotseling was het geslagene uit zijn houding verdwenen en had het plaats gemaakt voor strijdbaarheid. Geen wonder, zijn kop zat bij wijze van spreken al in de strop.

"Nee, edelachtbare, daar is helemaal niets van waar. Tijdens een training van het instituut van afgelopen weekend ben ik opgepakt, terwijl ik geen flauw idee had van de beschuldiging. Ik werd in de boeien geslagen, in een arrestantenwagen geduwd waar tien politie-agenten zaten, gewapend en wel, die mij aankeken alsof ik een gevaarlijk beest was. Natuurlijk vroeg ik waarom ik was gearresteerd, maar ze deden alsof ze me niet hoorden. Ze bekeken me alsof ik het laagste van het laagste was, een drol, of nog erger. In ieder geval iets wat stonk, wat vernietigd moest worden. Ik werd naar een politiebureau gebracht, naar een verhoorkamer. Daar waren mannen in hemdsmouwen. Eentje had een bungelende sigaret in zijn mond. De andere speelde met een elastiekje. Ze vroegen waar ik de vorige dag was geweest. Ik haalde mijn schouders op, waarmee ik wilde zeggen dat zo'n vraag futiel is. Wat ging het ze aan, waar ik de vorige dag was geweest. Ik wilde het niet zeggen. Ik had toen nog het belachelijk gebleken idee dat ik iets had van een privé-leven dat beschermd zou worden. Dat ik rechten had. Maar al spoedig bleek dat die rechten er niet waren. Verdwenen waren. Of misschien waren ze er nooit geweest. De man met het elastiekje, Donkers heette hij, zo begreep ik later, gaf me een klap in het gezicht. "Nu wil je misschien praten," zei hij. "Waar was je gisteren?" Ik hou er niet van om geslagen te worden, zeker niet door zo'n proleet als die Donkers, dus ik werd furieus. "Dat ga ik u niet aan de neus hangen!" zei ik. "Want het gaat u helemaal niets aan. Het is belachelijk dat ik hier ben, het is een schande, en als ik hier weg ben, zal ik alles op alles zetten om u te laten veroordelen." Hij gaf me een harde stomp in de maag. Ik klapte dubbel en die stomp benam me de adem. Die met de bungelende sigaret, Kleunders, zei tegen Donkers: "Rustig aan, hij moet wel het hele verhaal kunnen vertellen, als je hem tot moes slaat, hebben we niets meer aan hem." En ik had nog steeds geen flauw idee waar ik van werd beschuldigd. Je reinste Kafka was het, niets meer. "Okay," zei Donkers, "Dan gooien we het over een andere boeg, dan gaan we wat directer te werk, de details komen later wel." Hij keek me doordringend aan met zijn domme oogjes, die zwommen in het traanvocht van teveel drank die zoals u weet mensen overmatig sentimenteel maakt, en vroeg: "Wanneer kwam je op het idee om de minister te vermoorden, vuile flikker!" Kleunders greep in: "Ho ho," zei hij. "Dat laatste heeft er niets mee te maken." "Maar het is een vuile flikker," protesteerde Donkers, "Dat zie je zo. Moet je kijken, wat voor raar pakje hij aan heeft. Nou, vooruit, wanneer kwam je op het idee." Ik was sprakeloos en dat ben ik niet vaak. De minister vermoorden! Het idee alleen al. Waarom zou ik zoiets willen doen. Ik ben heel vredelievend, ik ben totaal a-politiek, ik weet nauwelijks wie de minister is. Ik werd voor mezelf, heb een adviesbureau en ik schrijf beleidsrapporten en geef trainingen."

"Bent u Moslim?" vroeg de president. "Want dat was het hele idee achter de beschuldiging."

"Nee! Helemaal niet! Ik ben atheïst!"

"Dan is hij een atheïstische fundamentalist!" riep de minister. "Dat kan namelijk ook. We moeten het niet altijd bij de moslims zoeken. Terroristische dreiging is er overal."

"Zwijg! Als de wetgevende macht nog een keer ongevraagd zijn mond opendoet, laat ik hem verwijderen. En aanklagen wegens belediging van het hof." De minister deed morrend een stap naar achteren.

"Ga verder," zei de president. "We zijn benieuwd naar de rest van uw verhaal."

"Kleunders en Donkers vroegen uren door. Tussen de regels door begreep ik dus dat ik werd verdacht van terroristische activiteiten, in het bijzonder van het plannen van een moord op de minister. Daar was ik al maanden mee bezig geweest, misschien zelfs al jaren. Op slinkse wijze had ik me weten binnen te dringen bij het ministerie, niemand had kunnen verhinderen dat ik ongestoord mijn gang kon gaan. De aanslag zou zeer binnenkort plaatsvinden. Het was een groot geluk dat hij net was verijdeld door de ontdekking, de aanwijzingen in het beveiligingsrapport door een van de ambtenaren van het instituut. Ik bleef ontkennen. Natuurlijk bleef ik ontkennen, want ik was onschuldig. Donkers en Kleunders bleven echter doorhameren: wat had ik de vorige dag gedaan, wat was ik van plan na de trainingssessie van vrijdagavond, hoe wist ik dat de minister de volgende dag zou gaan golven in Wassenaar met de rest van het kabinet, wie waren mijn handlangers, bij welke groep was ik betrokken, hoe was het zo gekomen dat ik moslim was geworden.  Zo ging het maar door, uren en uren. Ik werd moe, murw door al die herhalingen en tegen de zaterdagochtend wist ik niet meer waar ik was, of wie ik was. Ik wist alleen dat ik nooit zou toegeven, nooit. Kleunders en Donkers waren kennelijk ook moe, want ze stopten met ondervragen en lieten mij naar een cel brengen. Daar viel ik in slaap, hoewel ik erg gespannen was. Er hing iets boven mijn hoofd wat ik niet kon duiden, en waar ik niets tegen kon doen. Toen ik wakker werd, was het licht. Nog steeds of alweer, ik was het besef van tijd al helemaal kwijt. Ik kreeg wat te eten, een paar boterhammen met plastic kaas, niet te vreten en ik liet het dan ook staan. Omdat ik had geslapen, voelde ik me wat rustiger en zo kon ik me afvragen waar de beschuldiging vandaan kwam. Van een ambtenaar van het instituut. Daar werd ik hogelijk gewaardeerd, moet ik er bij zeggen. Het afdelingshoofd, de heer Corst Wegener, hier ook aanwezig, schakelde mij vaak in als er een beleidsnotitie moest worden geschreven. Hij nam mijn opvattingen hoogst serieus en meer en meer voelde ik me een collega van de ambtenaren van het instituut. Alleen was er een met wie ik het aan de stok had, namelijk Eleanor Buitenzorg. Daar had ik diezelfde week nog een conflict mee gehad. Ik wist wel dat zij zich niet coöperatief opstelde. Zij was zo iemand die niets uitvoerde, niets constructiefs teweeg bracht, en dus jaloers was op mijn prestaties, die zoveel aanzienlijker waren. En u weet misschien, edelachtbare, waar een jaloers mens toe in staat is. Zij heeft mij aangegeven bij de AIVD, dat weet ik bijna zeker, al zal ze het nooit toegeven."

De president onderbrak hem.

"Mevrouw Buitenzorg heeft u inderdaad aangegeven. Dat is algemeen bekend. We gaan haar straks nog ondervragen en dan komen vast en zeker haar overwegingen aan bod."

Eleanor kreeg het warm. Al die tijd die ze in de rechtszaal doorbracht was ze bang geweest om door de mand te vallen, maar ze had niet verwacht dat Rob Buitelaar haar door had. Toch een slimme jongen, die Rob.

Moeder trad naar voren.

"Ik pik het niet dat mijn schoondochter vals wordt beschuldigd!" zei ze. "Eleanor is de eerlijkheid zelve. Ze heeft mij pas in huis genomen, puur uit de goedheid van haar hart! Vind maar eens zo'n schoondochter in deze barre tijden. En ze is even lief voor Sabrina hier, die door haar man gedwongen is grote borsten te laten inplanten, en die daar vanaf moet worden geholpen door mijn zoon Harry. Harry is een goede chirurg, moet u weten. Ik ben zo trots op die jongen, al is hij wel erg eigenwijs en brengt hij niet altijd het juiste respect op voor zijn oude moeder die gesappeld heeft en de loodgieter veel te lang heeft verdragen om hem en zijn broers te kunnen laten studeren. Als u mijn knieën eens kon zien, edelachtbare. Die zijn helemaal stuk en vereelt door het boenen van ziekenhuisvloeren, dag in, dag uit, maar het was allemaal voor de jongens. En dan kan ik het niet aanzien dat zo'n schat van een vrouw wordt beschuldigd van valse aangiftes. Ze zal vast wel gedacht hebben dat er iets echt gevaarlijks in die rapporten stond. Ik vind het trouwens knap dat iemand die rapporten kan lezen. Ik heb er wel eens een ingekeken die ze mee naar huis had genomen, en ik moet zeggen, ik werd er geen wijs uit, hoor!"

"Dit is geheel buiten de orde!" riep de officier van justitie. "Roep haar tot de orde, edelachtbare!"

"Nou wordt-ie mooi!" zei de president van de rechtbank, die zojuist de derde fles sherry had laten aanrukken. "Wie is hier de president, zo vraag ik me af. Het verhaal van deze dame geeft weer een ander licht op deze zaak en bovendien is het een stuk boeiender dan het verhaal van de eerste getuige. Dank u wel, mevrouw, ik wil straks meer horen van uw visie op het geheel. Nu kan de heer Buitelaar weer verder gaan. Wat gebeurde er verder in de dagen dat u was ingesloten, meneer Buitelaar."

Rob Buitelaar schraapte zijn keel en vervolgde: "Ik bracht in dat ik vals was beschuldigd, en ik uitte mijn vermoeden over de persoon die dat gedaan had. Maar ze lachten me vierkant uit. Donkers gaf me weer een klap en deze keer zei Keunders er niets van. Integendeel, hij gaf me een schop tegen de schenen. Ze gingen het hard spelen, dat voelde ik wel aankomen. Ik besloot te blijven ontkennen, al sloegen ze me dood. Het vragen begon opnieuw. Ze hadden wapens in mijn huis aangetroffen. Ik was stomverbaasd, want ik heb geen wapens. Ik vroeg welke wapens, en waar ze die hadden gevonden. Een serie keukenmessen, zeiden ze. Hele scherpe vleesmessen zaten erbij. Was het niet verdacht, dat ze die hadden gevonden in het huis van een alleenstaande man? Die kookten toch niet? Die gingen toch altijd buitenshuis eten? De messen waren overduidelijk gebruikt, hetgeen erop wees dat ik mijn plannen zorgvuldig had voorbereid. Waarschijnlijk had ik de messen gekocht op een rommelmarkt om de verdenking af te wenden dat ik ze speciaal voor het doel van de moord op de minister had aangeschaft. Maar zij lieten zich niet bedotten. "Geef nou maar toe, dat je hem overhoop wilde steken op de golfbaan," zei Donkers. "Dat maakt het allemaal veel gemakkelijker. We hebben nog andere methoden om die bekentenis uit je te krijgen, maar ik zou het er maar niet op aan laten komen. Dat wordt namelijk erg onaangenaam voor jou. Voor ons niet, hoor. Ons zou je een groot plezier doen. Ik zou wel eens willen zien hoe een vieze flikker als jij kermt en smeekt om genade als wij zijn mooie gezichtje onder handen nemen, om nog maar te zwijgen over zijn edele delen, hoewel daar niets edels aan is, vuile viezerik, wat jij daarmee allemaal hebt uitgevreten, daar lusten de honden geen brood van." Ik moet toegeven dat ik bang werd. Die Donkers was zo'n gefrustreerde proleet, die zou er inderdaad niet voor terugdeinzen om mij van alles aan te doen. Ik zweeg. Ik deed alsof ik hem aankeek, maar in feite deed ik mijn best om hem niet te zien. Ik besloot te blijven zwijgen en dat hield ik uren vol. Uren waarin Donkers en Keunders almaar herhaalde dat ik een moordenaar was, die de strop had verdiend, dat het jammer was dat de doodstraf niet bestond in dit land, dat die maar snel moest worden ingevoerd, als het aan hun lag, was dat al gebeurd. Dat ik kon zwijgen wat ik wilde, maar dat de bewijzen helemaal rond waren, en mijn bekentenis een kwestie van formaliteit was. Na hele lange tijd werd ik weer in de cel gegooid. Deze keer kreeg ik niets te eten. En hoewel ik moe was, was ik zo geagiteerd dat ik niet kon slapen. Ik begon te malen. Ik begon na te gaan of ik echt niet van plan was geweest om de minister te vermoorden en dat misschien was vergeten. Maar ik wist mezelf duidelijk te maken dat dat onzin was, dat ik altijd a-politiek was geweest, en nooit een groepsmens ben geweest. Zo ver ging het dus, ze kunnen je van alles wijsmaken, desnoods dat je met de koningin naar bed bent geweest, als ze maar lang genoeg aandringen, dan ga je het geloven."

"Majesteitsschennis!" riep de minister-president. "Dit is nou typisch een voorbeeld van het gebrek aan respect waar ik zo vaak op gewezen heb. Het gezag wordt besmeurd en bespot en niemand die er iets tegen doet. Eigen verantwoordelijkheid en respect, voor de naasten en vooral voor het gezag, dat moet terugkomen, dat blijf ik herhalen."

"Stil!" zei de president van de rechtbank. "Ik wil jullie niet meer horen voordat je wat wordt gevraagd. Er zijn de laatste dagen veel mensen over de schreef gegaan, en ik krijg meer en meer het gevoel dat dat niet de verdachte is geweest. Gaat u verder, meneer Buitelaar. Ik wil het beeld compleet krijgen."

"Ik hield voet bij stuk. Inmiddels kon ik de dagen niet meer van elkaar onderscheiden, wist ik niet meer of het dag of nacht was. Keunders en Donkers bleven slaan en vragen en ik bleef zwijgen. Op den duur hoorde ik niet meer wat ze zeiden, en de pijn van een enkele stomp ging op in een algemene, steeds aanwezige pijn. Ik voelde mijn lichaam verdwijnen, steeds een stukje, ik werd van binnenuit opgevreten, ik werd ter plekke vernietigd. Vanochtend hebben ze me door de verhoorkamer gesmeten. Ze riepen dat het mijn laatste kans was, dat ik terecht zou komen tussen allemaal zware criminelen in de gevangenis die wel raad wisten met types zoals ik in een gevangenis. Als ik zou bekennen, kreeg ik ook levenslang, maar zou ik beschermd worden, kreeg ik een cel alleen en dan mocht ik van geluk spreken dat ik zo weg kwam, vuile terrorist die ik was, in Libië of zo'n soort langs zouden ze wel raad weten met mij, daar hadden ze me allang aan de hoogste boom gehangen. Maar ik bekende niet. Ik had niets gedaan, hield ik mezelf voor, en bekentenis kon alleen maar slecht uitpakken. Ik had eigenlijk elke hoop verloren, zag mezelf al levenslang opgesloten, en ik vreesde natuurlijk die criminelen al zitten daar heus aardige jongens bij, maar dit terzijde, maar ik was vastbesloten voet bij stuk te houden. Toen ik bleef zwijgen, pakte Donkers me beet en smeet me tegen de radiotor. Ik heb een gat in mijn hoofd. De politiearts heeft het snel gehecht, vlak voordat ik hiernaartoe werd gebracht. Maar ik heb volgehouden, en ik zal blijven volhouden, wat hierna ook gebeurt."

De president van de rechtbank nam een slok sherry voordat ze het woord nam:

"Niet erg fraai allemaal. Ik kan vast zeggen dat ik vandaag tot veroordeling zal overgaan, maar de veroordeling zal niet de heer Buitelaar treffen. Die is onschuldig."

Een geluid van protest doemde op vanaf de bank van de regering. De officier van justitie trad naar voren: "Hoe kunt u dat nu zeggen? U heeft nog niet eens de belangrijkste getuige gehoord!"

"Die zal ik zo horen. Eerst gaan we schorsen want ik moet pissen als een paard. Bovendien heb ik het een en ander te verwerken. En mijn uitspraak is natuurlijk officieus. Straks zal keurig netjes de officiële uitspraak volgen, u hoeft niet bang te zijn dat ik dat zal vergeten. En," ze wendde zich tot de bewakers. "Heb het lef niet om de verdachte de boeien en weer in die kooi op te sluiten. Weghalen dat ding. Geef die man wat te eten en te drinken. We schorsen de zaak een uur, daarna gaan we verder."

Ze liet de  hamer hard neerkomen op tafel. Nadat de vijf rechters de zaal hadden verlaten, stond iedereen op om de benen te gaan strekken in de koffieruimte buiten de zaal.

Daar voegde Eleanor zich bij haar uitgebreide familie. Moeder zei: "Ik geloof niet dat die jongen iets heeft gedaan, maar dat hij jou vals beschuldigt, dat kan ik ook weer niet hebben." Eleanor aarzelde. Na alles wat ze gehoord had, had ze spijt van wat ze Rob Buitelaar had aangedaan. Wat een takkewijf was ze eigenlijk geweest. Was ze jaloers geweest? Nee, dat had hij fout begrepen. Ze had alleen niet kunnen uitstaan dat hij rapport na rapport bleef produceren, dat hij door Frederik op handen werd gedragen, en dat ze een paar keer per week zijn lijzige inleidingen moest aanhoren. Ze had verwacht dat hij meteen of vrij snel na zijn aanhouding zo zijn vrijgelaten, want er was tenslotte geen greintje bewijs te vinden. Frederik zou dan de banden met hem hebben verbroken, want zo was hij wel. Rob Buitelaar zou van nijd de haren uit zijn kop hebben getrokken, en daar zou ze graag getuige van zijn geweest. Maar ze had er niet op gerekend dat de regering uitgerekend in deze dagen een verdachte nodig had om aan de schandpaal te nagelen. Betekende dat dat zij verantwoordelijk was voor alle maatregelen die de afgelopen dagen waren genomen? Ze voelde zich schuldig. Maar ze vertelde zichzelf dat ze daaraan niet schuldig was, en dat ze er ook niet voor hoefde te boeten.

"Misschien heb ik het niet helemaal goed gezien," zei Eleanor. "Misschien heb ik tekenen van onraad gezien waar ze niet waren. Je hoort zoveel over terroristische aanslagen de laatste tijd. Je wordt er voortdurend op gewezen dat je alert moet zijn, overal op moet letten. Nou, dat maakt dat je wel eens overkookt. Ja, ik denk dat ik me heb vergist." "Dat is alleen maar menselijk, kindje," zei Moeder. "Mijn grootste vergissing was om het met de loodgieter aan te leggen. Dat heb ik moeten bezuren, en het heeft me heel wat jaren gekost voor ik deze kwestie kon oplossen. Nou, ik zou het maar eerlijk aan de rechter vertellen. Die arme jongen moet maar vrij worden gelaten. Kan hij ook niet bij ons komen wonen? Dan kunnen we hem opknappen."

"Nee!" zei Eleanor beslist. Ze voelde zich misschien wel schuldig, maar boetedoening in die orde van grootte was nu ook weer niet nodig.

In de ruimte stonden diverse groepjes met elkaar te praten. Bij de buitendeuren werd de pers tegengehouden, die zich daar verdrong. De ministers waren niet te bekennen, die waren ongetwijfeld naar een zwaar beveiligde ruimte geleid, evenals de rechters en de officier van justitie. Langs de muren hadden zich zwaar bewapende bewakers opgesteld, die spiedend in het rond keken. Misschien verwachtten ze ter plekke een terroristische aanslag. Misschien was hun opgedragen meteen met scherp te schieten als ze onraad bespeurden. In het huidige tijdsgewricht kon je alles verwachten.

Een van de deuren zwaaide open en de president van de rechtbank wankelde naar binnen. Ze liep op Eleanor af en leidde haar mee in een hoek van de ruimte.

"Jij hebt nooit iets verdachts aangetroffen, is het niet?" zei ze op zachte toon.

Eleanor knikte beschaamd. "Maar ik had toch de indruk dat er iets verdachts in dat rapport was, en in zijn e-mails enzo."

"Nee, die indruk had je helemaal niet. Geef dat nou maar toe, want ik heb wel door hoe de vork in de steel zit. Wat jij hebt geflikt is niet erg fraai, en daar zou ik je zeker een jaar voor in de bak kunnen krijgen, maar dat ga ik niet doen. Nou? Ik vraag je het nog een keer: heb je ooit echt iets verdachts aangetroffen of niet?"

Eleanor schudde het hoofd.

"Precies, grote meid, dat je het toegeeft. Ik laat je er niet voor hangen, omdat ik vind dat je niet verantwoordelijk bent voor hoe dat gespuis van het kabinet de zaak heeft opgepikt. En dan mag je verder je handjes dichtknijpen. Dus jij gaat straks vertellen dat je je hebt vergist, dat bij nadere beschouwing zaken, die misschien in eerste instantie verdacht overkwamen, niets voorstelden. Dat je meteen de volgende dag hebt geprobeerd terug te komen op je aanvankelijke beschuldiging, maar dat je geen gehoor vond."

"Maar dat is helemaal niet zo," zei Eleanor.

"Dondert niet, zo ga je het zeggen, en dan ga ik een streep zetten onder al dat gedoe."

Eleanor knikte. De rechter verdween uit de ruimte en Eleanor voegde zich weer bij haar familie. Moeder was bezig met een verhaal over Jos en haar in het verpleeghuis, hoe gezellig het altijd was, en hoe zij de enige twee daar waren die niet van plan waren door de achterdeur te verdwijnen en dat dat nu nog gelukt was ook. Eleanor kon zich er niet op concentreren. Ze keek uit naar het einde van deze rechtzaak en ze hoopte dat ze dan haar nieuwe leven onbekommerd zou kunnen gaan beginnen. Els sloeg een arm om haar heen en kuste haar. "Jaap heeft gebeld. Hij heeft het huis verkocht. Zes ton! Dus ik ben voorlopig uit de brand." "Mooi," zei Eleanor. Ze kon zich er nu nog niet over verheugen. Misschien straks, als alles achter de rug was.

De gong ten teken dat de rechters weer wilden beginnen ging. De mensen in de koffieruimte begaven zich druk keuvelend naar de rechtszaal.

Daar zaten de vier rechters al klaar. De president van de rechtbank kwam pas opdagen toen iedereen al zat. Ze zwaaide iedereen hartelijk toe voordat ze plaatsnam. Toen ze eenmaal zat, gaf ze een flinke dreun met de  hamer op tafel en riep: "Nou, de kroongetuige dan maar! Dat is mevrouw Buitenzorg, lees ik hier!"

"Ik protesteer!" riep de officier van justitie. "De president heeft met de kroongetuige gesproken tijdens de schorsing. Dat is tegen alle regels!"

"Ik bepaal hier de regels. Als ik nog wat nadere informatie wil, dan mag ik ervoor zorgen dat ik die krijg. Ga zitten, meneer de officier, ik wil snel verder."

Eleanor zat inmiddels in de getuigenbank. Besmuikt sloeg ze Rob Buitelaar gade, die niet op of om keek. Zijn hoofd hield hij weer recht: kennelijk had hij zijn houding weer weten te vinden na de vernederingen die hij had ondergaan in de gevangenis.

"Mevrouw Buitenzorg," begon de president van de rechtbank. "U bent de kroongetuige, welja. En u treedt hier zo maar op in het openbaar, terwijl u een verdachte van een terroristische aanslag heeft ontmaskerd." Haar lach bulderde de zaal door. Op de regeringsbank werd ongemakkelijk geschuifeld, maar niemand zei iets.

"Vertel eens, wat heeft u aangetroffen op kantoor dat u zo heeft verontrust," vervolgde de president.

"Want dat moet nogal wat zijn geweest!"

"Er vielen me allerlei dingen op in het beveiligingsrapport," zei Eleanor. De spottende blik van de president ontging haar niet. "Hetzelfde als wat de heer Corst Wegener heeft aangetroffen, zij het dat ik het al voor de aanhouding zag." Ze keek in Frederiks richting, die met een koude blik terugkeek. Het was duidelijk: ze was haar baan kwijt. Dat had haar manoeuvre in ieder geval opgeleverd. "Vooruit, ga door," moedigde de president aan. "Van die tabellen met cijfers over criminaliteit, en dat dat niet klopte enzo bedoelt u?"

"Protest! De rechter legt de getuige woorden in de mond!" riep de officier van justitie.

"Nou en?" antwoordde de president. "Ik leid de boel hier en ik dien me een juist beeld te vormen van de situatie. Nou is dat beeld vanochtend al aardig helder geworden moet ik zeggen. Maar ik moet toch minstens de kroongetuige horen, vindt u niet?" Ze werd aangestoten door haar collega ten teken dat ze zich in moest houden. Zonder hem aan te kijken, schudde ze hem van zich af. Terwijl hij naar zijn collega aan zijn andere zijde keek, haalde hij zijn schouders op.

"Gaat u verder," zei de president.

"Het is inderdaad zoals u zegt," zei Eleanor. "Die rare cijfers die niet klopten." Van vreemde cijfers was werkelijk sprake geweest, maar dat kwam ongetwijfeld doordat Rob Buitelaar te beroerd was geweest om zijn rapporten goed na te kijken. Waarschijnlijk had hij op het allerlaatste moment een tabel uit het verkeerde jaar van internet geplukt en in zijn rapport geplakt. Eleanor schraapte haar keel. Nu kwam het moeilijkste gedeelte.

"Maar meer en meer zag ik in dat ik me heb vergist," zei Eleanor. "Achteraf geloof ik niet dat hij iets met die cijfers heeft bedoeld. Het was een beroerd rapport, dat wel, maar al zijn rapporten waren beroerd. Dat deed er verder niet toe: ze kwamen toch nooit de afdeling af. Maar dat had ik dus eigenlijk meteen moeten bedenken."

Een zucht van verbijstering klonk door de zaal. Moeder stond op van haar plaats en riep: "Ziet u nou dat het meisje een hart van goud heeft? Ze geeft haar fouten eerlijk toe. Zodra ze zich dat realiseert."

"De verdachte is gemanipuleerd door het netwerk van Roberto B.," riep de minister. "Ze is bedreigd, anders zou ze zoiets niet zeggen!"

"Hmmm," zei de president. "Ik denk niet dat dat het geval is. Sterker nog, ik weet wel zeker dat dat niet zo is. De heer Buitelaar is onschuldig. Ik stel hem in onmiddellijke vrijheid. U kunt gaan, meneer Buitelaar, maar u mag ook nog even blijven zitten om te kijken hoe ik afreken met dit zooitje. Mevrouw Buitenzorg mag weer naar haar plaats. Bedankt mevrouw, u weet wel waarvoor."

Eleanor ging opgelucht zitten. Dat was achter de rug. Rob Buitelaar, die voor haar zat, keek achterom en stak zijn middelvinger omhoog. Zijn lippen vormden het woord "bitch".

"Goed, de uitspraak is gedaan. Dan roep ik nu wat mensen naar voren die ik helaas niet kan veroordelen maar wiens kop evengoed zal gaan rollen. Het kabinet! En dan in het bijzonder de minister, de minister-president en de minister van justitie."

"U heeft het recht niet!" klonk verontwaardigd van de regeringsbank.

"Alsof ik dat niet weet," zei de president. "Maar het gelukkige toeval wil dat de pers aanwezig is, en dat elk woord wat u zegt op een goudschaaltje gewogen wordt. Dus kom op, naar voren jullie."

Als betrapte jongens, die zich toch niet goed realiseerden wat ze fout hadden gedaan, trad het drietal naar voren. De minister was klein, zag Eleanor. Dat was haar nooit eerder opgevallen, hoewel hij enkele malen het instituut had bezocht en zij zelfs wel eens aan hem was voorgesteld. Zijn status had hem kennelijk doen groeien in haar ogen. Hij had een cynische glimlach die op zijn gezicht gebrand leek. Als ze hem niet gekend had, had ze hem voor vertegenwoordiger in het een of andere obscure product gehouden: met een eeuwige glimlach zijn bonus proberen te halen en overnachten in goedkope hotels om nog iets van zijn onkostenvergoeding over te houden.

"Wat u de laatste dagen met zijn drieën hebt gedaan, tart elke verbeelding," zei de rechter. "De samenleving is volledig ontwricht, in een paar dagen tijd heeft u een politiestaat weten te maken die in niets onder doet voor Argentinië en Chili tijdens de perioden dat de militaire junta's daar heersten. U heeft iemand voor het gerecht gesleept tegen wie nooit enige verdenking had mogen bestaan. De man had een uur na zijn arrestatie al vrij gelaten moeten worden, u heeft er alles aan gedaan om hem een bekentenis te ontlokken, kortom, heren, u heeft als het ware een staatsgreep gepleegd. Nou leven we nog altijd in een fatsoenlijk land, al had het maar een haartje gescheeld of er was niets meer over geweest van het fatsoen. Ik kon mijn oren niet geloven de laatste dagen als ik de televisie aan had: avondklok, arrestaties bij het academisch ziekenhuis waar mensen ervan werden verdacht dat ze de medicijnkasten wilden plunderen om chemische wapens te maken." De zweeg abrupt. "Waar zijn die mensen trouwens?" De minister haalde zijn schouders op. "In Galgenwaard, denk ik, daar zitten ze vast tot de rechterlijke uitspraak." "Ze moeten onmiddellijk in vrijheid worden gesteld!" riep de president uit. "Wat denkt u eigenlijk wel! Bah, wat een zooitje ongeregeld daar in Den Haag. Een junta in wording, ja, ja, we mogen nog van geluk spreken dat de heer Buitelaar voor het gerecht is gedaagd, wie weet hoe ver het anders was gegaan. Nou, wat aarzel je, man, je bent nu nog in functie, bel de juiste personen op om te zeggen dat ze die mensen vrijlaten." "Ik vind dat het kabinet zich daarover eerst moet beraden," zei de minister-president. "Dit is een uitvoeringszaak van de regering!" "Om de dooie dood niet! Die mensen moeten vrij, en wel nu! Minister, bellen!" De minister nam met een driftig gebaar zijn mobiele telefoon uit zijn zak en belde iemand. Hij mompelde wat toen hij contact kreeg.

"Hier hoort u meer van," voegde hij de president toe.

"Vast wel," zei de president. "Dames en heren van de pers, hebben jullie het allemaal goed opgeschreven? De regering heeft uit tactische overwegingen, namelijk om wat meer macht naar zich toe te trekken, iemand vastgezet die overduidelijk onschuldig was, en vervolgens een chaos ontketent door allerlei wilde verhalen het land in te sturen over voornemens voor terroristische aanslagen. Ik vertrouw erop dat de oppositie zo verstandig is dit kabinet onmiddellijk naar huis te sturen. Of misschien is bij wijze van uitzondering het kabinet een keer verstandig en stappen ze zelf op." Ze sloeg drie keer met de hamer op tafel en stond op. Ze moest zich vastgrijpen om te voorkomen dat ze omviel. Eleanor was de tel kwijtgeraakt, maar ze schatte in dat er minstens vijf flessen sherry door waren gegaan tijdens de rechtszaak. Hoe was het mogelijk dat de president van het hof überhaupt nog kon staan, vroeg ze zich af. De rechters verdwenen, mensen van de pers begonnen driftig te bellen of renden naar buiten om zich naar de camera's te begeven. Eleanor draaide zich naar haar familie, die haar hartelijk toewuifde. Alleen Harry keek een beetje bedenkelijk. Kennelijk was hij minder overtuigd van de juistheid van haar handelen. Maar wat maakte het uit? Ze zou van hem scheiden, al was ze dan een nieuw soort band met hem aangegaan. Plotseling stond Rob Buitelaar voor haar: "Wat jij mij hebt geflikt, zal ik mijn leven niet vergeten," siste hij. "Ik weet heus wel hoe het gegaan is, jaloerse teef. Natuurlijk heb jij niks gevonden in mijn rapporten, want die las je nooit. Wat ik je zal terugdoen, weet ik nog niet, maar het zal vreselijk zijn. Oog om oog, tand om tand." "Het doet me deugd, Rob, dat je helemaal jezelf bent gebleven, ondanks al je ontberingen en kwellingen. Nu ik zo voor je sta vind ik het eigenlijk jammer dat je niet bent veroordeeld. Met een andere rechter was dat zo gebeurd, die had je levenslang vastgezet en dat weet je. Dat had je ook weer niet verdiend, vond ik, maar daar begin ik nu aan te twijfelen. Je bent en blijft een valse nicht." "En jij een vies, vet oud wijf die nergens goed voor is. Gadverdamme, wat een labbekak ben jij. Jij was de ergste van het hele zooitje daar bij het instituut. Alleen Frederik, die heeft me altijd naar waarde geschat." "Logisch, die is net zo'n lege blaasgalg als jij, jullie hebben het goed met elkaar getroffen," zei Eleanor. Ze verkneukelde zich. Het was bijna ouderwets, deze aanvaring. "Je ziet er trouwens belazerd uit, Rob. Niet goed geslapen de laatste tijd? Je moet eens wat minder naar de sauna, joh. Daar ben je trouwens toch te oud voor. Wat moet je bij al die mooie jongens met dat oude lijf van je waar alles in vellen aan hangt."

Frederik naderde. Hij sloeg Rob Buitelaar op de schouder. "Kerel, ik ben blij voor je dat alles goed is afgelopen. Het was anders wel een rechtszaak, hè? Ik vond de president van de rechtbank erg scherp, al had ze wel een toontje lager mogen zingen tegen de regering. Die doet tenslotte haar werk en heeft ons maar te beschermen tegen allerlei dreigingen. Niet dat ik ooit echt gedacht heb dat jij een dreiging was, Rob, ik heb altijd gedacht dat er een vergissing in het spel moest zijn. Maar ik moest nu eenmaal afgaan op de woorden van mijn ambtenaar. Vandaar mijn getuigenis, je weet hoe dat werkt in onze wereld, toch, Rob." Rob glimlachte kruiperig. "Natuurlijk Frederik. Jou treft geen blaam, dat begrijp ik maar al te goed. Het is Eleanor die erachter zat, dat is een jaloers kreng, dat durf ik nu gerust openlijk te zeggen. Ik begin volgende week weer aan het rapport, eerst even een paar dagen uitblazen." Frederik keek naar zijn schoenen en haalde een hand over zijn kin. Hij had zich de hele dag nog niet geschoren. Van zijn beoogde macho-uitstraling was echter niets over. Hij zag er eerder uit als een verlopen kroegbezoeker met die volledagsbaard. Altijd vergat hij weer wat het juiste tijdstip was om zich te scheren. "Dat zal helaas niet gaan," zei Frederik. "Na alles wat er gebeurd is, kan ik het niet meer maken om jou toe te laten op het instituut. Dat moet je kunnen begrijpen, Rob. Het zou ons verdacht maken. We moeten zo snel mogelijk weer naar een stabiele situatie en jouw betrokkenheid bij het instituut zou dat in de weg kunnen staan." "Wel heb ik ooit!" bracht Rob uit. "Word ik zomaar aan de dijk gezet omdat die trut hier mij vals heeft beschuldigd! Daar kan ik toch niets aan doen? Moet ik daar dan maar het slachtoffer van worden?" "Ik vind het ook niet zo leuk voor Rob," begon Jannie, die zich bij het gezelschap had gevoegd. "Hij heeft zich toch altijd ingezet, en dat hij nu het slachtoffer is geweest van een vergissing, dat kan hem toch niet aangerekend worden. Ik voor mij vond zijn rapporten altijd nogal ontoegankelijk, maar wel heel degelijk. En dat is toch ook wat waard?" Frederik schudde het hoofd. "Nee," zei hij. "We weten niet wie er morgen minister is en hoe die over de zaak denkt, maar we kunnen niet voorzichtig genoeg zijn. Rob moet eruit, zoveel staat vast." Rob Buitelaar draaide zich bruusk om en verliet de rechtszaal.

 

Toen ze thuiskwamen, waren de agenten met hun mountainbikes verdwenen. Harry belde met het ziekenhuis: alles was rustig. De duizenden arrestanten waren vrijgelaten uit Galgenwaard, waardoor het verkeer vast was komen te zitten rondom het stadion, maar dat gebeurde wel vaker. De wachtenden hadden zich naar het stadion gespoed zodra het bericht van de vrijlating op televisie bekend werd gemaakt.

Binnen zat Jos klaar met de thee.

"Goedendag," zei hij. "Ik ben maar met de taxi gekomen, want jullie waren vergeten om me op te halen, gisteren. Ik verheugde me er zo op om bij jullie te komen wonen, dat ik niet kon afwachten. Ik heb al wel thee gezet. Het schijnt dat die rare toestand in een klap voorbij is. Jullie zoon is ook teruggekomen. Wat een bedeesde jongen is dat, die moet toch echt iets brutaler worden, hoor, anders redt hij het niet in deze samenleving."

"Ach, Jos!" zei Moeder. "Wat ben ik blij dat je er bent. Mijn vrienden hier zijn heel aardig voor me, hoor, maar af en toe wil je toch met een leeftijdgenoot praten. Je spulletjes laten we wel brengen door een verhuisbedrijf, wees daar maar niet bang voor."

"Ik ga eerst Bertrand halen," zei Harry en hij verliet het huis.

Er werd aangebeld. Eleanor deed open. Nigel stond voor de deur. "Ik zag op televisie dat mijn vrouw met jullie uit het gerechtsgebouw naar buiten kwam," zei hij. "En ik wil weten hoe het zit. Ik ben vanuit Papendal hiernaartoe gereden, terwijl ik eigenlijk niet weg kon. Midden in de training voor het WK, u kent dat wel." "Kom binnen," zei Eleanor. "Dan kan Sabrina je het zelf vragen."

"Wat doe jij hier?" vroeg hij aan Sabrina. "Ik heb je gebeld maar je nam niet op. Ik heb me vreselijk ongerust gemaakt."

"Ja, ja, in de armen van die sloerie van je zeker," zei Sabrina. "Maar wees niet bang, hoor, jongen, jij mag daar best blijven, want ik ga van je af."

"Van me af? Hoe bedoel je dat? We houden van elkaar, en we hebben het goed samen. Wat moet er trouwens gebeuren met ons kind." Sabrina fronste. "Van je kind heb je je tot nog toe niet veel aangetrokken," zei ze. "Die zit in de ontwenningskliniek en als hij daaruit is, begint hij weer aan de drugs. Zo gaan die dingen nou eenmaal. Maar ik heb me erbij neergelegd. Ik snap niet dat ik er in getuind ben, in die wekenlange trainingen op papendal van jou, terwijl je al die tijd bij je sloerie zat."

"Sloerie, hoezo sloerie? Er is helemaal niemand. Ik hou alleen van jou, Sabrina. Geef ik je niet alles wat ik heb? Kijk nou eens naar die mooie voorgevel van je. Dat is toch iets om trots om te zijn. Nou, dat moet wel allemaal verdiend worden. En dat verdien ik in Papendal. Dat is hard werken, om de gehandicaptensport geaccepteerd te krijgen, of dacht je soms dat het vanzelf ging. Jij zit hier maar in huis, niet dat ik daar iets tegen heb, want het houdt je mooi als je je niet zo hoeft in te spannen, maar jij bent niet in de positie om mij de les te lezen, als je dat maar goed begrijpt. En nu kom je mee naar huis, want je ondergaat hier slechte invloeden, dat begreep ik meteen toen ik je op televisie zag." Hij wilde Sabrina bij de arm grijpen, maar Moeder sprong tussen ze in en verhinderde dat. "Moet jij eens goed naar me luisteren, jongeman. Jij bent nooit thuis, laat je vrouw alleen zitten met de zorgen om haar kind, praat haar aan dat ze die borsten moet nemen en nu gaat dat kind gebukt onder de rugpijn - mijn Harry gaat hier wat aan doen maar dit terzijde - en dan kom je verhaal halen. Ik vind dat nogal brutaal. Een beetje nederigheid zou je wel sieren."

"Waar bemoeit u zich mee?" vroeg Nigel en weer greep hij naar de arm van Sabrina. Moeder gaf hem een tik op zijn hand. Hij sloeg niet terug.

"Waar ik me heb mee te bemoeien. Op mijn leeftijd mag ik me overal mee bemoeien. Verder ben ik de oudste van het huis, zodat ik recht van spreken heb." Ze draaide zich om naar Jos. "Jos, dat was toch zo? Jij bent toch een maand jonger dan ik?" "Zeker," zei Jos, "Daarom is het nooit wat tussen ons geworden, vanwege dat leeftijdsverschil." "Zo zie je maar," ging Moeder verder. "Ik heb gelijk, en dat komt steeds vaker voor de laatste tijd. De minister-president zei het nog zo mooi vandaag, respect, daar gaat het om. En eigen verantwoordelijkheid. Maar om een lang verhaal kort te maken: hoe zit dat nou met Papendal. Jij hebt een verhouding buitenshuis, natuurlijk heb je dat, want je bent een mooie jongen, oud als ik ben heb ik daar heus nog wel oog voor. Beken het nou maar aan Moeder, dan kunnen we de rest van de zaak regelen." Nigel stond een ogenblik met open mond, wilde iets zeggen, bedacht zich weer, en zei toen toch wat.

"Het kwam door de druk met onze jongen, Sabrina. Op Papendal kwam ik een zwemcoach tegen, en daar raakte ik eens mee aan de babbel. Zij heeft zelf ook een kind dat niet deugen wil, en van het een kwam het ander. Dat begrijp je wel."

"Nou, ik begrijp er eerlijk gezegd niets van," zei Sabrina.

"Niet zo halsstarrig, kindje, wat hij zegt is helemaal niet vreemd. Die dingen gebeuren nu eenmaal. De vraag is alleen: hoe lossen we dit op. Nigel mag best bij zijn zwemcoach blijven, maar daar hangt natuurlijk wel een prijskaartje aan."

"Hoe bedoelt u," vroeg Nigel, enigszins angstig geworden. "Een prijskaartje, wat voor prijskaartje dan?"

"Ik geef het woord aan Sabrina," zei Moeder.

"Moeder heeft gelijk," zei Sabrina. "Ik wil hier blijven. Want zwemcoach of niet, Nigel, ik ben je eigenlijk zat. Dat realiseerde ik me pas toen ik bij deze lieve mensen werd opgenomen. Maar ik ben natuurlijk wel een leven van een bepaalde standing gewend. En ik heb mijn eigen carrière opgeofferd voor de jouwe."

"Jouw carrière? Je was caissière toen we elkaar ontmoetten!"

"Dat bedoel ik nou. Als ik jou toen niet had ontmoet, en als ik niet constant met je mee had moeten reizen om je weer op te peppen voor deze of gene wedstrijd, was ik nu filiaalchef geweest, of regiomanager. Dus dat is toch een aardige som die ik ben misgelopen, en die ik nu alsnog wil innen."

"Regiochef mijn neus!" riep Nigel uit. "Jij bent te stom om tot tien te tellen. Jouw chef wilde toen nog ontslaan omdat je altijd zoveel fouten maakte."

"Ik heb nu eenmaal meer oog voor de grote lijn dan voor details," ging Sabrina onverstoorbaar verder. "En ik hoop dat je snel tot inkeer komt, anders zijn de gevolgen erg vervelend. Ik heb nog altijd contact met die journalist van privé, die nog eens zo'n mooi artikel over ons heeft geschreven."

"Ik ken je bijna niet meer terug!" zei Nigel verbouwereerd. "Je was altijd zo, zo vrouwelijk, ondersteunend en zo, niet zo berekenend!"

"Tja," zei Moeder. "Dat was een forse misrekening dan. Nou, jongen, ga nou maar terug naar je zwemcoach en denk er over na." Nigel tikte tegen zijn voorhoofd, maar het was geen overtuigde tik. Het ging te aarzelend, alsof hij niet meer helemaal in zichzelf geloofde.

Els zette de televisie aan. "Even kijken of ze al afgetreden zijn," zei ze. "Ik geloof dat het de bedoeling was dat ze er haast mee maakten."

De koningin kwam in beeld. Ze droeg een stemmige jurk, die toch niet somber was door de kobaltblauwe accenten die waren aangebracht. Haar hoed was eenvoudig en liet het grootste gedeelte van haar gezicht vrij. Zo waren de vermoeide groeven op haar gezicht goed te zien. Eleanor had haar twee weken geleden nog live gezien bij de opening van een regeringsgebouw en toen zag ze er een stuk fitter uit.

"Leden van de Staten Generaal!" begon ze. Ze zweeg verdwaasd en rommelde wat in de stapel papieren die voor haar lag. "Excuses, foute tekst," zei ze. "Het is wat veel wat ik op mijn bord krijg, de laatste dagen. Goed, ik begin opnieuw. Landgenoten, zojuist heeft het hele kabinet zijn ontslag aangeboden en ik heb dat aanvaard." Ze liet haar papieren zakken en keek de camera in met een blik alsof ze al haar landgenoten werkelijk in de ogen kon kijken. "En ik heb het met liefde aanvaard, mag ik wel zeggen. Ik heb nog nooit zo'n stelletje amateurs meegemaakt. Misschien ga ik nu buiten mijn boekje maar voor deze keer kan me dat niets schelen. Wat heb ik het de laatste dagen betreurd dat mijn koningschap constitutioneel is en dat ik niets mag zeggen, anders had ik zeker het leger op ze afgestuurd. Terroristische aanslagen! Het zou wat! Als elke moord hier voortaan als terroristische aanslag wordt gekenmerkt, kunnen we nog wat beleven. Nu, ze hebben hun boeltje gepakt. Eens kijken, op dit papier staat dat ze het vertrouwen van de Kamer niet meer hadden. Daar zijn ze dus ook wakker geworden. U weet verder hoe het gaat: het kabinet is demissionair, tenminste, normaal gesproken zou dat zo zijn, maar ik zal van mijn invloed achter de schermen gebruik maken en er op aandringen dat ze meteen vertrekken. Dan doen we het tot de verkiezingen wel met een noodkabinet. Nou, ik hoop maar dat iedereen het hoofd koel houdt, in deze moeilijke tijden, moeilijke tijden, ja, dat staat hier. Vrij vertaald betekent dat dat u geen hysterische stille tochten meer organiseert of bijwoont en het oplossen van een moord aan de politie overlaat en er niet zo'n heisa van maakt. U gaat allemaal gewoon weer aan het werk, en 's avonds kijkt u gezellig met zijn allen naar quizzen of u pakt eens een boek, ook goed voor de verandering. Ik hoop dat u zich allemaal weer gewoon Hollands gaat gedragen, dus met de nodige nuchterheid en koelbloedigheid. Dit is een saai, ongepassioneerd land en dat moet vooral zo blijven. Ik groet u!" De vorstin verdween uit beeld en Maartje van Weegen verscheen. "De blauwe jurk van de koningin wees op een zekere koelheid," begon ze. Els drukte de televisie uit.

"Dat was dan dat," zei Eleanor. "De koningin heeft goed gesproken. Ik denk dat het nu tijd is voor een kopje thee. Schenk eens in, Jos."  Jos stond op en schonk iedereen een kopje thee in. Aanvankelijk zaten ze een beetje onwennig bij elkaar, alsof ze na een lange strijd eindelijk de gelegenheid kregen om uit te rusten en weer opnieuw aan elkaar moesten wennen. Maar na een kwartiertje keerde het gevoel van welbehagen dat ze eerder die week hadden mogen beleven terug. Sabrina strekte zich uit op de bank en Moeder haalde haar schildersspullen tevoorschijn. "Poseren, Jos, ik heb je altijd al eens willen nemen." "Ik hoop dat je het niet zo bedoelt als het klinkt," zei Jos. "Hoe wil je me hebben. Stoer en mannelijk, zeker." "Doe normaal, ouwe gek," zei Moeder. "Gewoon gaan zitten, dan ga ik die slappe kop van je erop zetten."

Harry kwam binnen met een stel tassen in zijn handen. Achter hem volgde een jonge man van onbeschrijflijke schoonheid die Bertrand moest zijn. Hij had smaak, haar Harry, dat moest Eleanor toegeven. Bertrand gaf iedereen een hand en stelde zich netjes voor. Toen hij bij Eleanor was aangekomen, zei hij: "Ik ben zo blij dat ik hier mag komen, mevrouw, dat alles nu in het openlijke is, zal ik maar zeggen." "Het is goed, jongen," zei ze. Verdomme, ik begin op Moeder te lijken. Ze glimlachte bij het idee en keek om zich heen. Ze had die morgen nog niet kunnen denken dat het zo zou lopen, maar alles was compleet en zoals ze het zich wenste. " "