NaNoWri2010, PetraO.
14 november 2010 - Aantal woorden: 50.238
De inburgeringcursus was
verplicht voor mensen die erop waren betrapt dat ze on-Hollandse gedachten hadden.
Sinds het kabinet Wilders regeerde, werd er korte metten gemaakt met
volksvreemd gedrag. Het was dan ook geheel te wijten aan Henk en Ingrid zelf
dat ze hier zaten. Henk was betrapt op het in het bezit hebben van een Koran. Die
had hij gekocht bij een illegale kraam op de markt van één van de
Vogelaarwijken. Gelukkig was de anti-IslamForce er op tijd achter gekomen.
Regelmatig patrouilleerden zij door de straten en ook de huizen van de mensen
waren hun werkgebied. Boekenkasten dienden zuiver te zijn. Eigenlijk was een
boekenkast sowieso verdacht. In boeken stonden verhalen die helemaal bij elkaar
gelogen waren, en daar konden mensen maar de weg van kwijt raken. Het was dan
ook een belangrijk speerpunt van het regeringsbeleid om alle boekenkasten uit de
huizen van de mensen te krijgen. In één keer ging dat niet. De mensen hadden
tenslotte betaald voor die boeken en beschouwden ze als bezit. Dus in fase1
werden alleen de echt verboden boeken verwijderd. De koran was daarvan het
belangrijkste. Henk had het boek uit
pure nieuwsgierigheid gekocht. Normaal gesproken las hij alleen de telegraaf en
een enkele keer voetbal international, maar nu er al jaren zoveel ophef was
gemaakt over dat boek, wilde hij het weleens lezen. Hij was er diezelfde dag
nog in begonnen, en hij moest toegeven dat hij er geen bal van snapte. Wat een
taal! Hoe moest een mens daar in godsnaam wijs uit worden? Die moslims waren
stapelgek, dat bewees dat boek maar weer eens. Hij was nog niet op
bladzijde twee, toen de anti-IslamForce binnenstormde. Op heterdaad betrapt, er
was niets tegen in te brengen. Tot overmaat van ramp had de anti-IslamForce ook
nog een hoofddoekje op de kapstok aangetroffen. Ingrid droeg dat soms als het
hard waaide. Alleen omdat zo haar haar niet door de war zou raken. Maar het was
genoeg. Met dit soort zaken was de overheid snel klaar. Henk en Ingrid werden
meteen naar het inburgeringskamp bij Venlo gebracht. Ze moesten alles zelf
betalen: de bungalowtent, het eten en drinken, de trainingen. Omdat ze hun werk
moesten verzuimen, verdienden ze niks en werd dat betalen erg moeilijk. Daaraan
had de overheid wel gedacht: tegen tien procent rente konden ze een lening
afsluiten. Henk nipte van zijn
koffie. “Er gaat niks boven een Hollands kop koffie,” sprak hij vergenoegd. “Het
is eigenlijk helemaal zo gek nog niet op zo’n camping.” Ingrid keek zwijgend
voor zich uit. Haar ogen waren roodbehuild en ze had die nacht geen oog dicht
gedaan. “Vind je niet, Ingrid?” drong Henk aan. “Heerlijk toch, zo even
helemaal uit de stress.” “Hou toch op met dat gezwatel, Henk!” bitste Ingrid.
“Ik zou net promotie maken bij de kapper. Eerste kapster zou ik worden. Ik heb
me helemaal te pletter gewerkt. En waarvoor? Voor helemaal niks, want als we
hier over een jaar uitkomen, kan ik weer helemaal opnieuw beginnen. Ik baal
ervan. En de hele dag zit je vol. Straks begint de Ritameditatie al, en zo gaat
het maar door. Verdomme, Henk, waarom moest je zonodig dat boek kopen? Jij hebt
toch nog nooit een boek gekocht? Gaat meneer meteen het meest verboden boek
kopen!” Henk sloeg de telegraaf
open en las hoe Annie van Fred af was gegaan, omdat Fred aan de lopende band
vreemd ging wat geen wonder was want Fred was een zeer mooie man en hij had het
maar voor het uitkiezen. De Ritameditatie was een
vast onderdeel van het inburgeringprogramma. Rosa van Ardenne haatte dat nog
het meest, ook al waren de overige onderdelen ook heel gruwelijk. Ze slofte
naar de zaal, waar de meditatie werd gehouden. Rita Verdonk, die zich nog
altijd Minister Rita liet noemen, leidde de meditaties zelf. Sinds ze uit de
kamer was verdwenen, had ze niets meer omhanden, dus toen ze door Geert werd
gevraagd om deze meditaties te leiden, greep ze die kans met beide handen aan. Het was een geweldige gelegenheid om haar volk
toch op het goede pad te houden. En wie weet, zat een ministerspost er toch nog
een keer in als ze Geert ter wille was. Rosa nam zo ver mogelijk
achter in de zaal plaats. Binnen vijf minuten stroomde de zaal vol met
campingbewoners. Te laat komen werd
gestraft met een extra meditatie na afloop van alle programma’s en dat wilde
niemand graag ondergaan. Om negen uur precies verscheen Minister Rita in haar
gebruikelijke rode kostuum. Kordaat liep ze naar de microfoon en gilde:
“Goedemorgen, afvalligen, we gaan ons weer concentreren op het ware
Nederlanderschap. Allemaal in de lotushouding en zeg me na: ‘hagelslag’.” Iedereen boog zich in de goede houding en
mompelde ‘hagelslag’. “Luider!” riep
Minister Rita. “Jullie moeten wel mee werken, anders moeten jullie terug naar
je eigen land.” Ze dacht even na. “Bij wijze van spreken dan. Voor de eenheid
van volk en vaderland is het van het grootste belang dat alle neuzen dezelfde
kant op staan. Dus ik zeg: Hagelslag!” Iets luider klonk nu de echo. Minister
Rita schudde het hoofd. “Jullie integreren niet, omdat jullie niet willen. Je
blijft maar in je eigen achterlijke cultuurtje, jullie blijven maar de politiek
correcte Ideeën van de Linkse kerk in je achterhoofd houden. En zolang die daar
niet verdwenen is, zijn jullie niet geschikt voor onze nieuwe samenleving. De
samenleving van orde en netheid. De samenleving van vrijheid voor al wie
gelooft in de Grote Geert.” Op dat moment lichtte het hoofd van de
minister-president meer dan tien maal levensgroot op het scherm. Soms, als hij
tijd had, sprak hij de aanwezigen zelf toe tijdens de Ritameditatie. Met een satellietverbinding
maakte de camping dan verbinding met het raadshuis in Venlo, waar sinds enige
tijd de regering gehuisvest was. “Wat hoor ik?” sprak
Geert Wilders. “Kunnen jullie het woord Hagelslag niet uit je mond krijgen? Ja,
jullie denken nu, dat is niet zo erg. Hagelslag, wie maakt zich daar druk om.
Maar let op, afvalligen! Daar begint het mee. Voordat je het weet, kan je wel
baklava zeggen, en voordat je het weet, loop je met zo’n kopvod op. Rita, laat
ze het dus uitschreeuwen, uitgillen!” Er
dwaalde een ongehoorde zucht door de zaal.
Op deze manier zou de meditatie uren gaan duren. Rosa klemde haar kaken
op elkaar. Eigenlijk hield ze wel van hagelslag, vooral op een volkoren
beschuitje met roomboter. Heerlijk gewoon. Maar op deze manier ging het haar
tegenstaan. Als ze ooit van deze camping kwam, zou ze meteen gaan emigreren.
Hagelslag, ze kon het niet meer zien. Ze staarde naar het geblondeerde hoofd
van Geert Wilders. Door alle chemische rotzooi die hij in zijn haar smeerde,
werd hij een beetje kaal op zijn kruin. Nog een paar jaar, en er hingen alleen
nog wat losse haren langs zijn kop. Welke kleur zou hij van zichzelf hebben?
Hij had vast zwart haar, dat moest wel. Misschien stamde hij niet af van de
Batavieren, ook al beweerde hij zelf van wel. Rosa zat al lang op de
camping. De anti-IslamForce had haar al tijdenlang in de gaten gehouden, maar
ze was overtuigd atheďst, dus het was moeilijk haar ergens van te beschuldigen.
Toen de koran werd verboden, kreeg de antislamForce meer bevoegdheden. Dat wil
zeggen dat ze zonder enig vermoeden van een misdrijf elk huis binnen konden
dringen wat ze wilden. Al snel na het van kracht worden van de wet hadden ze
dat gedaan. In haar huis stonden zes boekenkasten en al was er geen Koran, het
was duidelijk dat zij er een elitaire levenswijze op na hield. Waren het nou
boeken van Baantjer geweest die ze in haar kast had staan, dan was ze er nog
mee weggekomen. Maar het was veel erger: er stonden werken in van alle
Nederlandse schrijvers, en ook nog een heel stel buitenlandse. Zelfs Turkse. Ze
werd diezelfde dag nog naar de camping bij Venlo gebracht, waar ze een
eenpersoons koepeltentje kreeg toegewezen. Daar huisde ze nu al zes maanden. De
minimumduur van de cursus was een jaar, maar haar begeleider had haar al te
verstaan gegeven dat hij ervan uitging dat ze er zeker zes jaar zou moeten
verblijven. Het was treurig met haar gesteld, had hij gezegd. Ze was geheel
gehersenspoeld door de elitaire Linkse Kerk, had hij gezegd met een ernstig
gezicht. Ze haatte de begeleider, Rob van de Meer. Hij had een kaalgeschoren
hoofd en droeg altijd een keurig pak. In zijn werkkamer hing een groot portret
van Pim Fortuyn en op zijn bureau stond een digitale fotolijst met de diaserie Het leven van Geert. Elke dag had ze een
gesprek met hem. Vanochtend was ze om zes uur al bij hem geweest. “Zeg eens,
Rosa,” had hij gezegd. “Waarover heb je gedroomd vannacht.” “Ik heb niet
gedroomd.” sprak Rosa kortaf. Al zou hij haar ter plekke wurgen, wat zich
afspeelde in haar onderbewuste zou ze voor zichzelf houden. Dat was haar
laatste toevluchtsoord. “Het is niet goed, om die dingen voor jezelf te
houden,” zei Rob van de Meer. “Zo wordt het heel moeilijk om je te helpen,
Rosa. Dat wil trouwens maar niet tot je doordringen, dat we je willen helpen.
Je gedraagt je nog altijd alsof we je iets willen aandoen.” “Jullie doen me ook
iets aan,” siste Rosa. “Ik zit hier een half jaar opgesloten, zonder enige vorm
van proces hebben jullie dat gedaan, en ik heb geen zicht op wanneer ik er weer
uit kan.” “Waarom zouden we de moeite nemen om een proces te beginnen, terwijl
het zo duidelijk is als wat dat het helemaal mis is met jou? Dat zou
verspilling zijn. Daar gaan we ons goede geld niet meer aan uitgeven. Al die
onzin van de oude tijd, onschuldig tot je schuld bewezen is, recht op
verdediging, het zijn allemaal methoden van de Linkse Kerk om overal maar
onderuit te kunnen komen. Moet je eens kijken wat we bij je hebben
aangetroffen.” Hij smeet een boek van Maarten ’t Hart op tafel. “Dit is nog een
onschuldige. Maar de Nederlandse waarden worden hierin volkomen belachelijk
gemaakt. Wat die man schrijft over de oer-Hollandse gereformeerde kerk,
daarvoor zou hij eigenlijk de doodstraf moeten krijgen. Nederlanderschap
vereist het respecteren van de aloude waarden!” “Nou, noem dat maar aloude
waarden. Die reformatie was een protestbeweging tegen de bestaande orde. Is
Geert Wilders trouwens niet nog altijd katholiek?” Rob van de Meer zuchtte:
“Kijk nou wat je doet! Je blijft maar argumenten zoeken om de orde onderuit te
halen. Altijd een weerwoord, die linkse elite van de Linkse Kerk. Als het aan
mij lag, zouden we daar nog veel harder tegenop treden.” “Dan ben ik blij dat
het niet aan jou ligt, want dit is al erg genoeg.” Rosa keek op haar horloge.
“Ik geloof dat het tijd is voor de Ritameditatie, die zou ik natuurlijk niet
willen missen.” Ze stond op. Rob van de Meer zuchtte en schudde zijn hoofd. Geert Wilders zat in
zijn werkkamer in het vroegere gemeentehuis van Venlo. Over een kwartier zou
het kabinetsberaad beginnen. Hij zag daar altijd een beetje tegenop omdat het
hem verveelde. Het kabinet bestond behalve uit hemzelf uit Mark Rutte en Maxime Verhagen. Ze hadden tot taak
alle lopende zaken te bespreken, maar die waren week na week hetzelfde. Sinds
de oppositie was afgeschaft, was de politiek wat saai geworden. Hij durfde het
zichzelf bijna niet toe te geven, maar soms verlangde hij naar oude tijden,
toen hij nog weleens op een weerwoord kon rekenen van dat Groen Linkse
vrouwtje, Femke Halsema. Waar zou die trouwens gebleven zijn? Hij hoorde nooit
meer iets van haar. Geruchten gingen dat de hele linkse kliek over de grens was
gevlucht, maar dat kon hij zich niet voorstellen. Ze dachten natuurlijk
hetzelfde als hij, al durfden ze daar destijds niet voor uit te komen. Het was
een kwestie van tijd voordat zij zich achter hem zouden scharen, net zoals de
rest van het Nederlandse volk. Hij wierp een blik op Het leven van Geert die ook op zijn bureau dag en nacht draaide en
haalde een hand door zijn haar. Twintig jaar geleden was dat aanmerkelijk
voller geweest. Hij rechtte zijn rug en begaf zich naar de vergaderzaal. Mark zat er al. Toen hij
Geert Wilders in het oog kreeg, verscheen er een brede glimlach over zijn
gezicht. “Ha, die Geert!” zei hij. “Het wordt weer een prachtige dag, heerlijk
om zoveel besluiten te kunnen nemen.” Geert Wilders glimlachte hem toe. “Je ziet
er weer fris uit, Mark,” zei hij. Even later kwam Maxime Verhagen hijgend
binnen. “Sorry, kerels,” zei hij. “Ik ben even naar de mis geweest. Die is hier
in Venlo zo prachtig! Geweldig idee van je, Geert, om de regeringszetel hiernaartoe
te verhuizen.” “Venlo voor alles,” zei Geert, “Nou jongens, laten we beginnen.
De muur, hoe vordert die?” Maxime tuurde op een papiertje met notities erop,
dat hij had meegenomen. “Goed. Aan de Belgische kant is de muur bijna klaar.
Daar komt niemand meer door zonder dat we het weten.” Mark Rutte zei: “Ze
moeten er wel de vaart een beetje inhouden. Boze tongen beweren dat die muur
overbodig is omdat er geen mens op de wereld Nederland nog in wil. Ze willen er
alleen maar uit.” “Dat is allemaal
propaganda van de Linkse Kerk,” beweerde Geert Wilders. “Die hebben we nog steeds
niet afdoende de mond gesnoerd, maar dat komt nog wel. Er staan hele horden
voor onze grenzen. Allemaal moslims die hier van de staatsruif komen mee-eten.”
“Is dat niet een beetje moeilijk geworden, Geert, nu de uitkeringen allemaal
zijn afgeschaft?” “Welnee, leer mij de Moslims kennen, die weten overal van te
profiteren. Dat halen ze uit de Koran, daar staat het allemaal in.” Maxime
Verhagen knikte: “Het is een schadelijk boek. Een gevaarlijk boek. Het is maar
goed dat het verboden is. Nou wil ik even tussendoor een nieuw punt inbrengen.
Ik zat laatst eens in de Bijbel te kijken en daar staan toch ook wel dingen in
die verkeerd opgevat kunnen worden. Dat je de andere wang moet toekeren,
bijvoorbeeld. En dan dat softe gedoe met de Barmhartige Samaritaan. Zou het
niet goed zijn om de Bijbel alleen toe te staan voor priesters, die de juiste
uitleg kunnen geven?” Mark Rutte schudde heftig het hoofd. “Van de Schrift moet
je afblijven, Maxime. Met mijn eetclub lees ik elke dag uit de Bijbel, en dat
is een oer-Hollandse activiteit!” “Okay, okay,” bond Maxime Verhagen in. “Het
was maar een ideetje.” Hij ging verder. “De muur vordert dus, en die is vast
voor kerst klaar.” “Mooi!” sprak Geert Wilders. “Al die Polen enzo die hem
bouwen moeten met Kerstmis het land uit zijn. Ik wil een Hollandse Kerst. Heb
je al sneeuw besteld, Mark?” “Ja,” zei
Rutte. “Besteld wel, maar de leveranciers kunnen geen garantie bieden dat die
er ook echt komt. Ze zeggen dat de aarde is opgewarmd en dat er steeds minder
sneeuw zal vallen.” Geert Wilders wuifde de bezwaren weg. “Onzin! De aarde
warmt niet op. Zeker niet als die verhitte moslims uit het Zuiden hier de boel
niet meer vervuilen. Sneeuw met kerst, daar sta ik op, dat zal ons volk goed
doen. Boerenkool en chocolademelk, en lopend naar huis na de kerstmis.” “Zeker,
je hebt gelijk. Ik zal er alles aan doen om het voor elkaar te krijgen.” Geert
Wilders schudde zijn wijsvinger. “Je zult er niet alles aan doen, Mark, je zult
het gewoon voor elkaar krijgen, en dat is alles wat ik erover wil horen. Zo, nu
het volgende punt: het organenoverschot, hebben we daar al een oplossing voor?”
Sinds de maximumsnelheid door een
minimumsnelheid was vervangen, was het organentekort omgeslagen in een
overschot. Er stierven veel mensen op de snelwegen en binnen de bebouwde kom en
veel van hen waren hersendood na het ongeluk en ook nog eens van een gunstige
leeftijd. Iedereen die er voor in aanmerking kwam, kon dezelfde dag nog een
nieuw orgaan ontvangen. Het probleem was alleen dat de druk op de artsen die de
transplantaties moesten uitvoeren erg groot was, en dat er niet genoeg
patiënten meer waren. In andere landen heerste nog een tekort, en die wilden de
organen wel importeren, alleen waren de partijen het nog niet eens over de
voorwaarden. Op dit moment werden overtollige organen doorgedraaid. “Frankrijk
wil niet meer betalen dan tweeduizend euro,” zei Mark. “We missen een prins
Bernhard om onze belangen te behartigen in het buitenland. Het is toch van de
gekke, dat ze ons zo willen afzetten! Voor een dubbeltje op de eerste rang
willen ze. Het is maar goed dat we uit Europa gestapt zijn. ” Maxime Verhagen
en Geert Wilders knikten. Het was maar al te waar. Het buitenland bleef maar
meeliften op Nederlandse inspanningen, Europese Unie of niet. Ook al was
Nederland uit de unie en uit de Euro gestapt, Frankrijk, België en Duitsland
bleven maar aandringen op samenwerking. Om gek van te worden. Vooral omdat
samenwerking Nederland niets opleverde, maar alleen geld kostte. “Koningin
Beatrix heeft wat dat betreft niets van haar vader,” knikte Geert Wilders. “Wat
heet, die moet snel eens een toontje lager gaan zingen. Het liefst zou ik haar
ook naar het inburgeringskamp zien vertrekken. Misschien is dat een goed idee,
misschien moeten we haar arresteren.” “Don’t push your luck, Geert. Ze is nog
te populair bij het volk. Dat zou misschien in verzet komen, en dat kunnen we
niet hebben op dit moment.” “Dat is waar, “ beaamde Geert Wilders. “We laten
dat maar even zo. Als ze wijs is, stapt ze zelf op. Dat zou alles veel
gemakkelijker maken. Nou Mark, blijf dooronderhandelen. We kunnen wel wat extra
fondsen gebruiken want de belastinginkomsten lopen sterk terug.” “Tja,” begon
Maxime Verhagen terwijl hij zijn handen devoot vouwde. “Dat is ook wel een
beetje het gevolg van het egaliseren van de belastingen. Tien procent over de
hele linie is niet zoveel natuurlijk.” “Dat moet nog beklijven,” bracht Mark
Rutte daar tegenin. “De economie zal aantrekken omdat de druk is verlaagd, maar
dat heeft tijd nodig. Het komt wel goed met die inkomsten, vooral nu we steeds
minder uitgeven.” “Die camping kost ons
anders ook best veel,” weersprak Maxime Verhagen hem. “Dat is ook tijdelijk.
Die mensen moeten alles terugbetalen als ze weer vrij zijn. De kost gaat nu
eenmaal voor de baat uit. Over een jaar of tien zijn wij het welvarendste en
het meest ondernemende land van de
wereld, mark my words.” Geert Wilders wreef over
zijn voorhoofd. Het beraad begon hem te vervelen. Hij ging liever terug naar
zijn werkkamer. Bovendien moest hij zijn haar nog doen, want vanochtend had hij
de eerste zwarte uitgroei bij de wortels gezien. Hij nam de voorzittershamer in zijn hand en
sloeg hard op tafel. “Nou, dat was toch een
mooie bijeenkomst,” zei Henk, toen hij met Ingrid weer voor de tent zat. “Dat
we Minister Rita in het echt mochten zien, dat is al geweldig. Het kost een
paar duiten, maar dan heb je ook wat.” Ingrid sloeg een mug dood die zich op
haar kuit had genesteld en zei: “Nou, ik voor mij sta liever in de kapsalon.
Lul die je bent! Als jij niet zonodig die Koran had moeten kopen, hadden ze
mijn hoofddoekje nooit ontdekt.” “Maar
zie je dan niet in dat je op de verkeerde weg was, Ingrid? Het was zogenaamd
voor je haar, maar zo’n kopvod, zo dicht op je hersens, brengt allemaal
moslimideeën in je hoofd. Ik ga nu toch denken dat we op het laatste moment
gered zijn. Nog even en jij had drie passen achter mij gelopen.” “Wij lopen
nooit, sukkel, we doen alles met de auto.” “Bij wijze van spreken, natuurlijk!
Je moet niet zo obstinaat doen, Ingrid. Daar komen we geen stap verder mee. Ik
wil een goede, Hollandse burger worden. Ik voel me helemaal gelouterd door de
meditatie met Minister Rita.” “Hou toch op! Hagelslag! De VOC! De tienden, die
helemaal aan ons land ten goede komen en niet alleen aan Alva of aan de
Europese Unie. Heb jij de showpagina al uit?” Ingrid wierp hem de bijlage toe
en begon verbeten de aardappels te schillen. De pan moest om half drie worden
getoond: goede aardappels van eigen bodem, die straks moesten worden genuttigd
met een stukje vlees en groenten van het seizoen. Een
van de vele voordelen van het verhuizen van de regeringszetel naar Venlo was
dat Geert Wilders elke ochtend bij zijn moeder koffie kon gaan drinken. Zo ook
deze ochtend. Hij liep ontspannen van het voormalige gemeentehuis naar het huis
van zijn moeder, waar hij zelf geboren en getogen was. Hoe lang was het alweer
geleden dat hij hier, als kleine Geert, in de straten speelde. En hoe kort nog
maar dat hij niet zonder lijfwachten over straat kon, ja zelfs helemaal niet
naar zijn moeder kon, omdat er altijd een moordenaar in de buurt kon zijn. Ja,
de moslims lustten hem rauw, dat wist hij zeker. Niet dat hij ooit een
doodsdreiging had ontvangen, maar hij was toch minstens van het kaliber van Pim
Fortuyn en Theo van Gogh. Hij verdiende het als het ware om met de dood te
worden bedreigd. Hij miste die grote mannen om hem heen wel. Omdat hij altijd
in zo’n groepje liep, had hij meteen veel bekijks en er waren veel mensen die
hem groetten onderweg. Maar de tijden waren veranderd. Terwijl
hij door de stille, Venlose straten liep, bedacht hij dat de macht hem iets te
vroeg in de schoot was geworpen. Eigenlijk was het jammer dat hij nooit
veroordeeld was, ondanks alle rechtszaken die tegen hem waren aangespannen. Wat
zou het mooi geweest zijn als hij, gedetineerd in een vijfsterrenhotel, een
boek had kunnen schrijven over zijn strijd voor de waarheid. Mijn Strijd, zou
hij het genoemd hebben. Natuurlijk zou hij het echte schrijfwerk niet zelf ter
hand hebben genomen. Daar was hij niet zo goed in. Praten was wat gemakkelijker.
Bovendien zou hij beschikking hebben gehad over adjudanten in zijn gevangenis.
Helaas hadden Mark Rutte en Maxime Verhagen de handdoek iets te vroeg in de
ring gegooid. ‘Als jij het dan zo goed weet allemaal, doe je het zelf maar
voortaan,” had Mark gezegd, toen hij geprotesteerd had tegen de veel te zachte
maatregelen tegen de tsunami van migranten. Hij had hulpzoekend naar Maxime
gekeken, maar die had alleen maar geknikt. Toen had hij niet anders meer
gekund. Aldus
mijmerend was hij bij het huis van zijn moeder aangekomen. Voordat hij naar
binnen ging, keek hij naar de kamer op de eerste verdieping. Dat was zijn
jongenskamer geweest. Tot zijn dertigste had hij daar gewoond terwijl moeder
voor zijn natje en droogje zorgde. Zo kon hij uitgroeien tot de grootheid die
hij nu was. Hij
belde aan. Zijn moeder moest achter de deur gestaan hebben, want de deur ging
meteen open. Ze viel hem om de hals: “Dag mijn grote jongen,” zei ze. “Ik ben
blij dat je weer heelhuids hier bent.”
Zo kwetterde ze voort, totdat ze in de grote woonkeuken waren. De
buurvrouw, die ook elke morgen kwam koffiedrinken, zat al klaar. Zij was een
enorme vrouw, die ongeveer net zo breed was als ze lang was. Ze bakte dan ook
elke morgen zes vlaaien en een flink deel daarvan at ze zelf op. Dan krijg je
dat natuurlijk. Ze stond op en zei: “Geert, jongen, jij moet nog groeien, ik
zal een flink stuk voor je afsnijden.” Ze sneed vaardig met het taartmes door
de taart en legde een enorm stuk op een bordje. “Dank je wel, tante Maria,” zei
Geert. Hij nam een vorkje en begon te eten. Sinds hij in Venlo werkte, was hij
tien kilo aangekomen. Maar mannen van formaat moesten zwaar zijn, dus dat gaf
niet. Tante Maria keek vertederd naar hem: “Zie hem weer lekker smullen,
Antje,” sprak ze tegen de moeder van Geert Wilders. “Als je hem zo ziet, hier
en op televisie, dan zou je bijna vergeten dat het heel anders met hem had
kunnen aflopen.” Geert Wilders moeder knikte. “Dat is een heel ding, wat je
daar zegt, Maria. Het had best gekund dat we hem helemaal niet meer hadden
gehad.” Maria ging verzitten en legde haar armen naast haar bord, dat ze
zojuist voor de derde keer geledigd had. “Ik weet het nog als de dag van
gisteren,” zei ze. “Die processie in de stad. Wat was die prachtig. Het
Jezusbeeld leek wel levend, zo mooi was het, onze Heer aan het kruis. Geertje,
jij was nog zo klein. Een ondernemend ventje was je. Je kon gewoon niet
stilzitten. Steeds wees je met je vingertje in de richting van het Jezusbeeld.
Ik wil erbij, riep je maar. Je vader probeerde je uit te leggen dat dat niet
kon, maar je wilde niet luisteren. Natuurlijk niet, zo hoort het ook. Jongens
horen niet te luisteren, want anders worden het geen echte mannen. Maar op een
gegeven moment zat de kleine Geert naast de Here op de baar. Hij omklemde het
beeld alsof het zijn eigen moeder was. De pastoor verlikte zich in zijn eigen
speeksel toen hij dat zag, en toen hij uitgehoest was, rukte hij Geertje van de
baar. Duivelskind, schreeuwde hij hem toe. Satansgebroed, blijf van onze Here
Jezus af! Hij rukte aan zijn armpje, flink hard. En Geert viel. Ik weet nog dat
het helemaal stil werd in de stoet. Ik drong me naar voren, wat nog niet
gemakkelijk was, want iedereen stond in de weg. Oh, wat ik toen zag! Geertje
was op zijn achterhoofd terecht gekomen, en hij lag in een plas bloed. Een
moment lang dacht ik dat we hem waren verloren, maar toen gingen zijn oogjes
open. Hij zei niets, maar in zijn blik zag ik dat er iets veranderd was. Alsof
hem een wijsheid was geopenbaard, die anders alleen bekend wordt aan mensen van
tachtig en ouder. Sindsdien riep hij bij alles wat hij zei dat hij de waarheid
sprak. Nou, daar was ik het, als buurvrouw zijnde wier ruiten regelmatig door
de stoute Geertje werden ingegooid, niet altijd mee eens.” Moeder Wilders
vouwde haar handen om haar buik en lachte: “Ach, het was zo’n dondersteen, ons
Geertje, vooral nadat hij op zijn achterhoofd gevallen was. Ik weet nog goed
dat hij elke vrijdagavond op tafel ging staan en ons dan vertelde wat er
allemaal fout was in de straat. De melkboer ging niet met zijn tijd mee, want
die kwam nog langs de deuren en maakte dan een praatje. Die van nummer 73
deugden niet want die waren uit Holland en zo anders. Vooral de G. spraken ze
raar uit en ons Geertje vond dat dat niet kon. Zo had je elke week wel wat,
Geert.” Geert Wilders at een stuk van zijn vlaai. Niemand op de hele wereld kon
zulke lekkere vlaaien bakken als zijn moeder, dat was een ding wat zeker was.
Hij genoot van de verhalen van zijn moeder en de buurvrouw. Minstens één keer
per week hoorde hij het en in stilte sprak hij van geluk dat hij op zijn
achterhoofd was gevallen, want pas toen zag hij duidelijk goed en kwaad, wij en
zij, wat zuiver was en wat onzuiver. Hij herinnerde zich maar al te goed dat
hij zijn hele familie deelgenoot wilde maken van zijn inzichten. Het was alleen
moeilijk om meteen de goede woorden te vinden. Daar had hij lang op moeten
oefenen, maar gelukkig had hij al jong de weg naar de politiek gevonden. ‘Wil
je nog koffie, Geert?” vroeg zijn moeder. Hij knikte. Vandaag zou het niet zo
druk zijn met regeren. Het ging allemaal veel vlotter en veel minder moeizaam
nu het parlement was afgeschaft. Al die overbodige discussies terwijl de
waarheid toch allang duidelijk was, hij moest er niet aan denken dat die tijd ooit
nog terug kwam. Het voordeel was dat hij dat hele regeringswerk met de email af
kon. Ingewikkelde wetten waren nergens voor nodig. Al tijdens zijn studie had
hij zich afgevraagd waarom ze nou zo moeilijk deden als het ook gemakkelijk
kon. Vanmiddag moest hij nog even schrijven dat het vrijdag voortaan
boerenkooldag was. En dan moest hij de vorstin nog maar eens bellen. Die moest
inbinden, anders kon ze vertrekken. Misschien wilde Canada haar wel hebben, of
anders die Islamitische communist Obama wel. Als hij er goed over nadacht,
paste ze daar veel beter. Maar één ding tegelijk. Hij moest niet te snel gaan.
Dat was het nadeel van zijn genius, dat hij zoveel sneller ging dan het volk waar
hij het allemaal voor deed. Hij
veegde zijn handen af aan het grote servet, dat eerder de afmetingen van een
tafellaken had en stond op: “Nou, moeder, ik moet weer eens gaan regeren, je
snapt, de wereld staat niet stil.” “Ik vind het zo knap van je jongen, dat je
nou koning bent geworden. Wie had dat ooit kunnen denken? Vooral omdat je op
school niet zo goed mee kon, ik zeg nog tegen Agaath vanochtend, we waren
eigenlijk al blij als hij het tot bakker of slager zou schoppen. En daar sta je
nu, koning van Nederland.” “Ik ben geen
koning moeder, ik ben de Minister-president.” “Een naam is maar een naam, knul.
In ieder geval ben je de baas. Zeg, zou je kunnen regelen dat lijn 6 wat vaker
gaat? Ik sta zo vaak te wachten bij die bushalte, ik word gewoon helemaal
reumatisch van al dat in de kou staan.” “Komt voor elkaar, moeder. Dag tante
Maria, tot morgen.” “Tot morgen, Geert, en pas goed op jezelf. Achter de
grenzen loert een buitenland, onthoud dat goed.” Geert Wilders knikte. Buiten was het gaan miezeren.
Het was, zo midden op de dag, bijna schemerig. Hij trok zijn jas dicht en met
zijn handen in zijn zak liep hij naar het gemeentehuis. In
Huis Ten Bosch liep Hare Majesteit de Koningin rondjes om haar salontafel. Haar
hofdame Anaxia, de enige die gebleven was, zei: “Kalmeer toch, Hare, je hebt
toch al zoveel Minister-Presidenten ontvangen, dat is toch niks om je druk over
te maken?” Beatrix stond stil. Haar ogen
schoten vuur. “Noem dat maar niks!” viel ze uit. “Ja, ik heb er al ik weet niet
hoeveel gezien, maar nog nooit heb ik me moeten verpozen met zo’n prul, zo’n
proleet, zo’n stuk onverlaat. Weet je wat? Ik had nog liever dat je de eerste
de beste stratenveger van de straat sleepte en dat ik daarmee moest praten.
Veel en veel liever, want zo iemand doet tenminste nog eerlijk werk. Maar zo’n
charlatan, zo’n megalomane schizofreen, zo’n ontwikkelingsgebied waar niemand
haar handen aan wil branden.. Nee, daar zal ik nooit maar dan ook nooit aan
wennen.” “En toch zal je wel moeten. Hij is de enige die over is. En dat zal
voorlopig wel zo blijven.” “Ja, helaas wel. Ik heb mijn hele leven gegeven voor
dit land en kijk eens wat ze er van maken. Dat volk hier heeft natuurlijk niks
beters verdiend, maar toch gaat het me aan het hart. Donner kwam gisteren nog
buurten. Die vertelde dat hij het land uit gaat en dat hij lang de enige niet
is. Alles met hersens in zijn kop vertrekt.” “Dat heb ik ook gehoord. En
gezien. Ik zie veel mensen met nogal veel bagage op straat, allemaal lopen ze
in de richting van de grens. Dat die muur er komt, maakt mensen ook onrustig.”
“Ja, wat wil je! Straks, als die geblondeerde gek erachter komt dat iedereen
weg wil, wordt dat natuurlijk verboden. Misschien moest ik zelf ook maar
vertrekken. Alleen gun ik dat dat stuk ongeluk niet.” Anaxia keek uit het
venster. ‘Daar komt hij aan. Zet je majesteitsglimlach op. Sterk staan tot het
einde, Hare.” Als bij toverslag veranderde het woedende gelaat van de zo
geplaagde vorstin in een zee van glimlach en verdraagzaamheid. Even later werd Minister-president
Wilders aangekondigd door een lakei. Henk
legde de telegraaf op het tuintafeltje en ging de bungalowtent in. Hij opende
de plastic kledingkast en bekeek zijn kleren. Veel hadden ze niet kunnen
meenemen, want nadat hij door de anti-Islamforce was betrapt, werd hij meteen
veroordeeld tot detentie op de camping. Maar gelukkig had hij toch zijn
gifgroene trainingpak in zijn tas kunnen proppen. Vanavond was de verplichte
bowlingavond en daar verheugde hij zich op. Het was van groot belang om bij
elke gelegenheid juist gekleed te gaan. Tot zijn grote genoegen was hij daar
tot nu toe steeds in geslaagd. Zo had hij vandaag, bij de weerbaarheidtraining,
een kakhi-broek gedragen, die hij ooit eens in een dumpzaak had gekocht. Hij
trok zijn hemd en zijn short uit en hees zich in de groene broek. Die zat toch
al behoorlijk strak. Zijn buik was aan het groeien. Geen wonder, want als
hardwerkende Nederlander had hij zijn biertje ’s avonds verdiend. En ook wel
twee. Of drie. Trots klopte hij op de oer-Hollandse pens. Nog even en hij moest
een maatje groter. “Wat
sta je toch te treuzelen!” riep Ingrid. Ze zat nog buiten. De privé lag
ongeopend op haar schoot. Op de cover stond een foto van Geert Wilders. Dat was
tegenwoordig bijna elke week zo, want ook de Bekende Nederlanders gingen zich
erg vaderlands gedragen. Zij scheidden nauwelijks meer en zelfs hadden ze bijna
geen buitenechtelijke affaires meer. Privé had niet zo heel veel meer om over
te schrijven. “Nog even,” antwoordde Henk. “Ik ben me aan het verkleden.”
Ingrid stond op en ging naar binnen. “Hč, gedver! Je gaat toch zeker niet echt
in die pitbullsmoking! Heb je geen fatsoenlijke spijkerbroek?” “Ingrid, ik
geloof dat jij de verkeerde weg op gaat. Dit pak is precies goed voor vanavond,
op de mannenbowling. Ze dragen dat allemaal. Eigenlijk moet ik er één bij
kopen, want we hebben de komende tijd vaak bowlingavonden. En ook bij
wandelingen over het terrein zou zo’n trainingspak goed staan. Het geeft me
iets actiefs. Ik voel me jaren jonger.”
“Nou, je ziet er anders uit als een ouwe, uitgedijde zak. Jezus man, wat
word je toch vet. Je moet niet zoveel zuipen, daar komt het allemaal van. Dat
deed je thuis toch ook niet?” Henk zuchtte. Hij had het al zo vaak proberen uit
te leggen de afgelopen dagen. “Nee, maar thuis was ik helemaal op het verkeerde
pad. Dat weet jij ook heel goed. Als hardwerkende Nederlander had ik na het
werk op de bank moeten gaan zitten met een biertje, maar wat deed ik? Ik keek
naar Den Haag Vandaag. En uiteindelijk kwam ik tot mijn misstap. Alsof niet
allang duidelijk is dat de Islam een gevaarlijke en agressieve ideologie is,
alsof niet iedereen weet dat de Koran aanzet tot moord.” Ingrid liet zich op de
zitzak neer. “Wat een onzin. Je wordt met de dag stommer, Henk! Allemaal gelul.
Wij worden hier gehersenspoeld. Ik heb nooit wat van politiek moeten hebben,
maar de laatste tijd denk ik dat ik me er toch iets meer in moet verdiepen. Het
is niet goed wat hier gebeurt.” Henk
schudde het hoofd. “Ach, Ingrid toch. Vroeger was je zo’n verstandige meid. Je
deed je werk, je praatte wat met de buurvrouwen, je keek naar Boer zoekt vrouw
en nu haal je je al die ideeën in je hoofd over politiek. Daar snap jij toch
niks van, meisje? Dat is toch veel te moeilijk voor jou? Ik denk dat je maar
eens naar gedachtesessie moet. Emile heeft vanavond open spreekuur. Waarom ga
je vanavond niet meteen.” “Als ik daar naar toe ga, wil ik niet eerder weg dan
dat ik persoonlijk heb gezien hoe hij op zijn buik door hete kolen kruipt, dat
monster.” Ze draaide zich om en liep de tent uit. Rosa
van Antwerpen lag op haar rug in haar tentje. Ze probeerde na te denken, maar
dat lukte slecht. Allerlei beelden schoten door haar hoofd. Minister Rita
tijdens de meditatiesessie, het grote hoofd van Geert Wilders dat overal
verscheen. Big Brother is watching you. Nou, dat deed hij. Miljoenen ogen had
hij en veel van die ogen waren hier. Ze zinde op een manier om te ontsnappen, maar
haar hersens waren watten, dus ze zag niet hoe ze langs de bewaking kon
slippen. Een tunnel graven, dacht ze lusteloos. Ze zag het zichzelf niet doen.
Ze had al een hekel aan tuinieren, laat staan dat ze in het geniep een tunnel
zou willen graven die lang genoeg was om buiten de camping te komen. Misschien
moest ze gewoon meedoen, net als zoveel anderen hier. Een blij gezicht opzetten
als Geert Wilders tien keer levensgroot op het beeldscherm in de meditatiezaal
verscheen, fanatiek meedoen met bowlen, joelen als Nederland voetbalde. Ik
breng dat niet op, dacht ze. Ze hebben me te pakken, helemaal. Ineens
verscheen er een hoofd door haar tentopening. ‘Dag,” zei de vrouw. “Ik ben de
buurvrouw, en ik dacht, ik kom eens kennismaken. Dat is vast wel Hollands, denk
je niet? Ik ben trouwens Ingrid.” Rosa ging rechtop zitten. “Aangenaam kennis
te maken, Ingrid. Jij zit hier met je man, toch? Ik heb jullie wel eens
gezien.” Ingrid knikte. “Ja, vanwege de Koran.” “Dat is wel heel erg!” grapte
Rosa. “De Koran, hoe haal je het in je hoofd! Dat is nog erger dan wat ik
gedaan heb. Ik had werken van Elfrieda Jellinek in huis, en ook muziek van
Messiaen, nou, je snapt, zoiets kan niet getolereerd worden!” Ingrid giechelde.
Even later keek ze ernstig voor zich uit. “Mijn man gaat er helemaal in mee,”
zei ze somber. “Hij vindt het hier de tijd van zijn leven. Als ik niet oppas,
gaat hij zich aanmelden voor de campingbewaking.” Rosa ging rechtop zitten. “Dat is wel heel
erg, dat zo’n hersenspoeling hier nog lukt ook. Maar ach, dat gebeurt al een
jaar of tien in dit land. Zeg, Ingrid, zou jij hier wel weg willen? Denk je
daar wel eens over.” “Ja, natuurlijk. Ik verveel me te pletter hier. Maar ik
wil niet weg zonder Henk. Als ik alleen wegga, ben ik hem voorgoed kwijt.” “Daar
zit wat in. Hoewel, ik denk toch niet dat dit lang kan voortduren. Toch niet
eeuwig, hoop ik. Ooit komt iedereen wel tot inkeer, al kan dat lang duren
natuurlijk. Weet je wat, wij gaan vandaag iets heel on-Hollands doen, misschien
voel je je dan beter. We gaan Bach zingen! Een duet uit de Mattheuspassion!”
Ingrid schrok op. “Ben je gek, meid, ik kan helemaal niet zingen en al helemaal
niet klassiek!” “Maakt niet uit, we hebben de hele avond om dat te leren.” Ergens
in een niet nader te noemen pand op de Keizersgracht in Amsterdam kwam, in het
diepste geheim, de Raad van Wijze Oude Vrouwen bijeen. Het kabinet Wilders had
een broertje dood aan welk buitenland dan ook en had zo langzamerhand alle
betrekkingen verbroken. Andere landen stuurden nog wel eens rapporten en
noodkreten, maar die werden door het kabinet terzijde gelegd. Intussen wisten
de regeringsleiders, en andere belangrijke vertegenwoordigers met wie ze
werkelijk zaken moesten doen: met deze Raad. Als
Geert Wilders dood was geweest, had hij zich in zijn graf omgedraaid als hij
geweten had wie er in die raad zat. Wijs zou hij de dames niet genoemd hebben.
Maar hij wist van niks, hij wist zelfs niet van het bestaan van de raad. De
vrouwen zaten enige tijd zwijgend voor zich uit te staren. Voor hen op de
salontafel lag een rapport over het milieu. Ze hadden dat net gelezen en ze
moesten even bijkomen van wat er in stond. Uiteindelijk schraapte Hedy ‘d
Ancona haar keel. “Dit is heel erg,” zei ze. “Hoe lang hebben we eigenlijk nog?
Niet lang meer. Er zouden direct maatregelen moeten worden genomen.” De overige
vrouwen knikten. Beatrix van Oranje, die zich in dit gezelschap niet als
koningin opstelde, sprak: “Ik heb hem gisteren nog gezien. Het is een hopeloos
geval. Je kunt nog beter een chimpansee tot Minister-president noemen. Dat
rapport is ook naar die drie daar in Venlo gestuurd, maar jullie weten hoe het
gaat, ze lezen het niet eens.” “Ja,” zei
Femke Halsema. “En als ze het lezen, doen ze het af als linkse hobby.” “Maar
goed,” zei Hedy. “Waar we voor staan, nu, is een enorme CO2-uitstoot.
Erger dan waar dan ook. Erger dan in Bombay, of Peking, of Hong Kong. En Merkel
komt er morgen over praten, want de buren hebben er ook last van.” “We hebben
Merkel weinig te bieden op het ogenblik.” Beatrix deed een extra suikerklontje
in haar koffie en roerde. “We hebben geen enkele invloed. En onze secretaris
zit nu ook nog vast in Venlo.” “Dat is een ramp,” zei Hella Haasse. “Geen
ondersteuning van onze sluwe Rosa. Als iemand tot dat bolwerk daar in het
Zuiden had kunnen doordringen, was zij het wel geweest.” “Nog een geluk dat ze
haar niet martelen. Anders stond die ordedienst van hem binnen de kortste keren
voor onze neus.” De telefoon ging. Het was het toestel dat alleen gebruikt werd
voor hotlines van regeringsleiders. Hedy nam op. Ze luisterde even en ze
verbleekte. ‘Don’t! Please don’t!” riep ze naar de beller. “Godverdegodver!” ze
toen ze had opgehangen. En meteen daarna: “Sorry, voor de dames hier die nog
geloven in wat anders dan ze zien, maar het is ook wel heel erg. Barack Obama
was op weg hierheen, maar hij is tegengehouden bij de grens omdat hij een
moslimachtergrond heeft.” “Hebben ze hem opgesloten?” vroeg prinses Irene, die
zitting in de raad had genomen om haar zuster te steunen. “Nee, opgesloten
niet. Hij belde vanaf het parkeerterrein in Hazeldonk. Hij zei dat hij toch zou
komen, wat ze ook zeggen aan die grens. Desnoods graaft hij een tunnel, zei
hij. Hij is er gek genoeg voor, dus ik heb gezegd dat hij dat moest laten. In
ieder geval heeft hij iets te vertellen wat absoluut geheim moet blijven, en
wat hij ons daarom absoluut persoonlijk wil vertellen. We zullen moeten
afwachten.” “Ook dat nog,” zei Hella Haasse. “Dat kan niks goeds betekenen. Wat
het ook is, we hebben er een moeilijkheid bij, dames.” “Laten we dan nog maar
thee inschenken,” zei prinses Irene. Ze stond op en liep naar het tafeltje waar
de theepot stond. Bij
Hazeldonk was het erg druk. Aan de Nederlandse kant van de grens wachtten
duizenden mensen op een gebaar van de Wilders ordedienst om de grens over te
mogen steken. Het schoot niet erg op, omdat de ordedienst iedereen die wilde
oversteken uitgebreid interviewde. Daarnaast waren honderden arbeiders bezig
met het bouwen van een muur. Het werd een erg hoge muur, van een meter of
twintig. Hij was van gewapend beton en op de bovenrand werden scherpe stukken
ijzer en glas, zodat de onverlaat die er toch over wilde van boven tot onder
opengereten werd. Dat was dan hun eigen schuld. De
wachtenden hadden niet veel bij zich en ze waren te voet. Voor auto’s werden
uitvoerrechten geheven. Die regel was door Geert Wilders in allerijl ingesteld,
vooral om zijn idioot hoge begrotingstekort te dekken. Hij had namelijk nog
niet door hoeveel mensen er weg wilden
uit Nederland. Wilma
en Greet, beiden hoogbejaard en al vijftig jaar samen, stonden al zes uur te
wachten. Ze maakten zich zorgen of het wel zou lukken. Sommige mensen werden
gewoon teruggestuurd na het interview. Ze hadden geen idee wat de criteria
waren om het land te mogen verlaten, dus het scheen bijna onmogelijk om zich
erop voor te bereiden. “Ik
denk dat ze alle werkenden hier houden,” zei Wilma. “De mensen die ze
terugsturen zijn nog jong. In ieder geval een stuk jonger dan wij.” Greet, die
uitgeput op haar koffer zat, knikte. “Ik denk het ook, en het is maar te hopen.
Ik zie er zo naar uit om een nieuw leven te beginnen, in Antwerpen.” “Ik hoorde
dat Antwerpen ons niet meer wil hebben. Er zijn daar al zoveel
Nederlanders.” “Maar ik ben er zo vaak
geweest! En trouwens, mijn voorouders komen zelf uit Antwerpen, dus het zou
ergens onrechtvaardig zijn als ik niet werd toegelaten.” “Tja, met
rechtvaardigheid heeft dit allemaal niet zoveel meer te maken. Moet je die muur
zien. Om Nederland nota bene! Wat hopen ze daar nou mee te bereiken.” “Moslims
tegenhouden. Die komen bij bosjes de grens over bij Hazeldonk, denken ze. Die
komen all the way van Marokko aangelopen. Dat zal best. Misschien komen ze ook
wel uit Iran en Irak, je weet maar nooit hoe goed ze kunnen zwemmen.” Wilma
lachte. Af en toe kon ze zich nog wel vrolijk maken om de waanzin die haar land
getroffen had. Greet niet. Die werd kwaad bij elke poster van Geert Wilders die
ze zag. Plotseling
stootte Wilma Greet aan. “Moet je kijken wie daar nou staat, aan de andere
kant!” “Waar? Ik zie niks? Iemand die we kennen?” “Ja, iemand die wij wel
kennen maar hij ons niet. Barack Obama!” “Ga weg!” Greet rekte zich uit om het
beter te kunnen zien. Ze zette haar leesbril af. Ineens zag ze de Amerikaanse
president vlakbij de controlepost staan. “Je zou toch denken, dat hij via
Schiphol reist. Vreemd. Zou hij de kanaaltunnel genomen hebben? Dat biedt toch
nauwelijks soelaas vanuit de US. Of zou hij in Engeland geweest zijn? Dat hij
is wezen shoppen ofzo?” “Doe toch niet zo idioot, Greet! Zo’n man heeft toch
wel wat beters te doen? Dat jij vlak voor je vlucht nog even langs Maison de
Groot moet, om reiskleding aan te schaffen, wil nog niet zeggen dat iedereen
dat nodig vindt.” “Nou, je zult anders maar voor Antwerpen staan en niks hebben
om aan te trekken! Ik moet er niet aan denken om een nieuw leven te beginnen in
een oude spijkerbroek!” “Mens! Jij hebt helemaal geen oude spijkerbroeken! Hé,
kijk eens, hij wordt weggeduwd door zo’n onverlaat bij de controlepost.” “Dat
heet een grenswachter, zo’n onverlaat.” “Nou ja, wat dan ook. In ieder geval is
die jongeman erg onbeleefd. Ik ga er wat van zeggen. Zolang ik nog in dit land
ben, verdom ik om dit soort onbeschoftheden te laten passeren!” Greet stond op van haar koffer en beende naar
de controlepost. Ze
tikte de grenswachter die aan de Nederlandse kant van de grens stond op zijn
schouder. “Zeg eens, jongmens, ik zie daar de Amerikaanse president, en die
werd zojuist weggeduwd door jouw collega. Dat is toch niet netjes, vind je
wel?” De man, die een kaalgeschoren hoofd had en een bomberjack droeg, keek
haar fronsend aan. “Ja, de president! De Amerikaanse president! De man die als
eerste zwarte is gekozen in de US. Die ken je toch wel?” “Nee,” grauwde de man.
“Hoe zou ik die nou moeten kennen? Nooit gezien op Hart van Nederland. En ook
niet in de Week van Wilders! Hoe moet ik nou weten wie dat is?” Greet nam dit
even in haar op en zei: “Tja, misschien is het ook teveel gevraagd voor je. Ik
weet niet wat jongelui van tegenwoordig al dan niet weten. In ieder geval, ik
zag net dat hij een duw kreeg en dat lijkt mij bepaald ongepast. Hij wil ons
land bezoeken. Er zijn tijden geweest dat hij met ceremonie en eer
binnengelaten werd.” “Kan best zijn, maar de tijden zijn veranderd.
Tegenwoordig leven we in een moderne maatschappij, waar weer geluisterd wordt
naar het volk. En ik zeg: alles wat donker is, blijft buiten. Nederland is een
wit land. Als dat niet zo was, als het de bedoeling was geweest dat hier zwarte
mensen zaten, was er wel meer zon geweest.” “Zo had ik het nog niet bekeken,”
ging Greet verder, terwijl ze de neiging probeerde te onderdrukken om de jongen
een flinke schop te geven. “Maar in dit geval zou ik deze meneer toch maar wel
toelaten. De kans is groot dat hij de minister-president zelf wil bezoeken. En
wat zou de heer Wilders zeggen, denk je, als hij te horen krijgt dat je zijn
bezoek tegenhoudt aan de deur? Daar zou hij helemaal niet blij mee zijn, dat
kan ik je wel vertellen.” De grenswacht
keek onzeker om zich heen, maar er was geen meerdere in de buurt aan wie hij
kon vragen wat hij nu moest doen. Hij wenkte Obama dichterbij en vroeg: “Jij
wilt de minister-president bezoeken?”
Achter de rug van de grenswacht knikte Greet heftig van ja. “Ja,” sprak
Obama. “Ik wil de minister-president van Nederland bezoeken. Ik heb een
belangrijke boodschap.” “Zo,” zei de
grenswacht. “En wat houdt die boodschap dan wel niet in? Ik moet zeker weten
dat jij niet van plan bent om onze grote Wilders te vermoorden. Tenslotte ben
je zwart. Ben je soms ook moslim?” “Nee, ik niet, maar mijn vader wel!” “Zie je nou wel! Komt daar zo’n geitenneuker
ons land binnen met slinkse smoesjes. Zij daar,” en hij wees naar Greet.
“beweert dat jij president bent van Amerika. Hoe kan dat? Dat is toch zeker een
blank, christelijk land? Jij probeert de zaak te belazeren, anders kan ik het
niet zien.” Obama zuchtte diep en hij balde zijn vuist. Greet was bang dat het
op een handgemeen zou uitlopen en dat alles helemaal mis zou gaan. Ze greep de
grenswacht bij de arm. “Kom nou, jongen. Strijk je hand over je hart en laat
die man erdoor. Hij wil naar Geert. Dat kan toch wel?” De grenswacht aarzelde.
Weer keek hij om zich heen of hij ergens een meerdere zag, maar die was er niet.
Hij liep het wachthok in en nam de telefoon. Een tijdlang bleef hij in gesprek.
Greet en Obama wisselden blikken uit. Eindelijk kwam de jongen weer terug. Hij
streek over zijn kale hoofd. “Wel heb ik ooit,” zei hij. “van de secretaris van
Geert vernam ik dat deze man inderdaad president is. Dat had ik toch echt nooit
gedacht. Ik moet hem doorlaten en Geert verwacht hem tegen de avond in Venlo,
in het gemeentehuis. Helaas kan hij zijn auto niet sturen, want die heeft hij
vanmiddag zelf nodig. Hij moet met zijn moeder naar fysiotherapie.” “Nou, doe
dan maar gauw de poort open, jongen, dan breng ik meneer zelf wel naar
Venlo.” “Maar wilt u er niet uit dan?”
“Dat kan wachten. Kom, laat meneer Obama Nederland binnen. We hebben nu wel
lang gewacht, kan je wel stellen, of niet dan?” Even
later waren Greet, Wilma met Obama op weg naar Breda. Obama had een lange reis
vol frustraties en moeilijkheden achter de rug, dus hij lustte wel een hapje.
Gelukkig had Wilma de auto nog niet verkocht, zoals ze wel van plan was geweest.
Ze reden in de richting van MacDonald om de president een echt Amerikaanse
maaltijd te kunnen voorzetten. Wilma dacht dat hij dat wel zou weten te
waarderen. “Dat
u nou naar Venlo wilt, ik kan er eigenlijk niet goed bij met mijn hoofd,” zei
Wilma, terwijl ze zich zorgvuldig aan de minimumsnelheid van 120 km per uur
probeerde te houden. Het viel niet mee om alle obstakels te ontwijken, want al
vertrokken er dan veel mensen uit Nederland, files waren er nog altijd. “Natuurlijk ga ik niet naar Venlo,” sprak Obama. “Ik moet naar de Keizersgracht
in Amsterdam.” “Wat toevallig, daar wonen wij in de buurt,” zei Wilma
enthousiast, helemaal vergetend dat ze nog geen half uur geleden aan het
emigreren was. “Blijven we nou hier?” vroeg Greet, “Of hoe zit dat. Ik snap er
niks meer van. Ik voor mij zou dat niet zo erg vinden, alleen had ik me al
helemaal ingesteld op een Antwerps terras.” “Daar hebben we het later nog wel
over, Wilma, we zitten nu met de president van Amerika in de auto, laat dat
eerst maar eens goed tot je doordringen want dat gebeurt in je leven niet nog
een keer.” In
no-time was het drietal in Amsterdam. Bij Breda waren ze gestopt bij MacDonald.
Obama had gretig in zijn Big-Mac gehapt. “Ik heb dit nog nooit gegeten,” zei
hij achteraf. “En eigenlijk dacht ik ook niet dat ik het ooit zou doen.”
“Nooit?” vroeg Wilma. “Een Amerikaan die nog nooit bij MacDonald is geweest?
Wat eet u daar dan? Zo’n hamburger in zo’n diner zeker.” Obama schoot in de lach. “Om eerlijk te zijn,
ik hou niet zoveel van vlees. Wel meer mensen hebben dat hoor.” “Zie je nou
wel, Wilma,” zei Greet. “Jij met al je vooroordelen ook altijd. Neem het haar
maar niet kwalijk, meneer de president. Ze weet niet beter dan alles er zomaar
uit te flappen wat in haar hoofd op komt. Ik heb nou al zo vaak gezegd dat ze
eerst moet nadenken voor ze wat zegt, maar nee hoor, het is net een waterval.
Zodra ze wakker is, begint ze te praten en ze houdt niet meer op voordat ze
gaat slapen.” Wilma keek Greet kwaad aan. Om haar ongelijk te bewijzen, besloot
ze te zwijgen. In
Amsterdam, op de Keizersgracht, was het even zoeken naar een parkeerplaats.
Hoewel veel mensen hun auto hadden verkocht, nu de werkloosheid zo hoog was en
de uitkeringen niet meer bestonden, was het nog altijd druk in de hoofdstad.
Eindelijk lukte het om een plaatsje aan de Gracht te vinden. Obama keek om zich
heen. “Ik dank u zeer, dames. Nederland is wel erg klein, maar lopen vanaf die
grenspost was me toch iets te gortig geworden. Maar mag ik u verzoeken om bij
uw auto te blijven, laten we zeggen tien minuten en niet te kijken waar ik naar
toe ga? De locatie is geheim, helaas. Ik ben er zeker van dat u betrouwbaar
bent, maar zo zijn nu eenmaal de regels en ik moet het zekere voor het onzekere
nemen.” Wilma en Greet keken elkaar aan. Greet zei uiteindelijk “Natuurlijk,
meneer de president. Wij kijken niet en wij zullen zwijgen als het graf.” Op
de hervormingscamping bij Venlo had Minister Rita patrouilledienst. Die haatte
ze, want ze achtte dat ver beneden haar waardigheid. Zij, beoogd
minister-president als ze die Mark Rutte naar zijn natuurlijke plaats had weten
te wijzen, moest een bediendeklusje doen. En er was niets wat ze er tegen kon
doen. Geert had dit bewust zo geregeld, dat wist ze zeker. Hij kon het niet
nalaten haar te vernederen. Als ze niet mee deed, zou ze helemaal buiten worden
geplaatst en dat was meer dan ze kon verdragen. Ooit zou ze, met Geert als springplank,
aan de top raken, ze wist het zeker. Er school nu eenmaal een vrouw van formaat
in haar, en het was een kwestie van tijd voordat het hele volk dat zou inzien.
Tot die tijd had ze te doen wat haar gezegd was. Ze kuierde dus over de
laantjes, haar handen op de rug. Erg inspannend was dit baantje niet, dat was
dan weer een voordeel. Er gebeurde niet zo heel veel hier. De meeste
gedetineerden hielden zich koest, al vroeg ze zich af of er niet toch wat
broeide hier en daar. De arm van de Linkse Kerk was lang, en het zou best
kunnen dat die hier infiltranten had die een opstand aan het beramen waren. Ze
besloot iets fierder, iets steviger door te lopen zodat ze gezag uitstraalde.
Ineens hoorde ze gezang. Ze bleef stil staan en luisterde. Het kwam uit dat
kleine, groene tentje van het type dat werd toegewezen aan alleenstaanden. Het
was een mooi lied, viel haar op en voordat ze besefte wat ze deed, stond ze met
genoegen te luisteren. Plotseling drong tot haar door wat er eigenlijk gaande
was: het was Bach! De Aria Buss und Reu uit de Matthäus Passion! Ze wist het maar al te goed, want ze had dit
stuk vaak genoeg gehoord in de grote Kerk van Naarden. Ja, moest ze toegeven,
toen hoorde ze bij de Elite. Die naar dit soort muziek luisterde. En zich zo
afzette tegen het volk, voor wie dit natuurlijk veel te moeilijk was. Ze was
fout geweest, heel fout, en dat had ze op de trainerstrainingen ook echt wel
toegegeven, maar ze kon de golf van ontroering die door haar heen ging niet
onderdrukken. Wat werd dit stuk toch prachtig gezongen. Het kwaad woekerde
voort in haar. Daar moest ze wat aan doen, en ook aan deze vertoning, maar een
paar verrukkelijke seconden lang bleef ze nog luisteren. Toen ging ze de tent
binnen. Daar zaten twee vrouwen op een luchtbed te zingen. Toen ze haar binnen
zagen komen, stopten ze onmiddellijk. “Wat is dit hier?” vroeg Minister Rita
bars. “Jullie hebben allemaal het liederenboek van de Toppers uitgereikt
gekregen, me dunkt, dat is wel genoeg om je mee te amuseren. En wat doen
jullie? Jullie gaan zo’n onmogelijk stuk zingen. Over de hele camping is het te
horen! Voor jullie campinggenoten moet dit verschrikkelijk zijn! Maar het
ergste is, dat jullie je hervorming tegenwerken door zo elitair bezig te zijn.
Dit mag gewoonweg niet voorvallen in dit instituut. Jullie worden heropgevoed,
en de bedoeling is dat jullie daar een beetje aan mee werken. Voor deze ene
keer zie ik het door de vingers, en hoeven jullie niet naar macrameeën. Maar de
volgende keer laat ik dit echt zo gemakkelijk niet over mijn kant gaan, daar kunnen
jullie van verzekerd zijn!” Rosa keek
Ingrid aan. Beiden deden ze hun best hun lachen in te houden, hoe treurig het
ook was allemaal. “Goed, Minister Rita, we gaan wel iets uit die bundel zingen.
Misschien zijn onze campinggenoten daar gelukkiger mee. Ik voor mij kan me dat
niet voorstellen, maar je weet maar nooit.” “Henk vindt de toppers in ieder
geval goed,” zei Ingrid. “Hij is nog naar hun optreden geweest in de Arena. Ik
wilde niet mee, maar het schijnt geweldig geweest te zijn. Hij kwam met de
nachttrein terug en hij vertelde dat ze de hele reis uit volle borst die
liederen hebben meegezonden. Dat is nog een saamhorigheid, Minister Rita!”
Minister Rita knikte en gromde nog een keer dat ze dit niet nogmaals wilde
horen. Ze verliet de tent. Buiten kuierde ze bedrukt weer verder. Ergens had ze
het gevoel dat ze in de maling werd genomen. Geert
Wilders keek op zijn horloge en riep zijn secretaris, Hero Brinkman.
“Brinkman,” zei hij. “Obama is al uren
in Nederland, maar hij is nog steeds niet hier. Weet jij waar hij uithangt?
Heeft hij al gebeld?” “Nee, Geert, ik heb niks gehoord. De grenswacht zei dat
hij met twee oude vrouwen is meegereden in de richting van Breda.” “Zo, met de
auto, dan zou hij toch allang hier moeten zijn. Ik hou er niet van om die
communistische moslim hier te ontvangen, maar hij had wat belangrijks te
zeggen, zei hij. Iets wat de toekomst van ons land op het spel zou zetten. Een
grote bedreiging, of zoiets. Nou ja, die exotische types overdrijven natuurlijk
gauw. Het zal wel weer over de zoveelste economische crisis gaan. Of anders
gezeur over het klimaat. Ga jij nou maar gauw de laatste decreten uittikken,
dan kunnen die straks de deur nog uit.” Nadat
hij de deur achter zich had gesloten, zei Brinkman zachtjes voor zich uit: “De
laatste decreten uittikken! Ja, ja, hij kan me wat. Nu ja, ik zal het wel doen,
ik moet voorlopig wel, maar op een dag gaat hij heel vreemd opkijken! Heel
vreemd. Ik heb ook mijn partijtje nog mee te blazen. Die lul is groot geworden
door mij, maar dat vergeet hij voor het gemak even. Zonder mij is hij nergens,
helemaal nergens. Zonder mij was hij vlaaienbakker geworden. Of nee, dan was
hij in een Indisch restaurant gaan werken. Niks gehaktballen, gewoon nasi voor
zo’n nasivreter.” Hij staakte zijn gemopper omdat de telefoon ging. Het was
iemand van Geert-Informatie: “Zeg tegen je baas dat Obama gesignaleerd is op de
Keizersgracht,” zei de geheim agent. “Oh, en wat deed hij daar?” vroeg
Brinkman. “Dat weet ik niet en als ik het wel wist ging ik het jou niet aan je
neus hangen, sukkel,” was het antwoord. Een tuuttoon volgde. De agent had
opgehangen. Toen
hij zich ervan had vergewist dat er niemand keek, belde Obama aan op het adres
op de Keizersgracht. Xandra Schutte deed open. “Welkom, Barack,” sprak ze
opgetogen, “Ik ben blij dat je het toch gehaald hebt. Het is schandalig dat ze
jou probeerden tegen te houden.” Barack Obama stapte naar binnen. “Ach, Xandra,
ik ben onderhand wel wat gewend. Je zou eens moeten weten hoe ik thuis door de
leden van die tea partybeweging behandeld wordt. Ze smeren me nog net niet in
met pek en veren om me vervolgens op een boerenkar de woestijn in te sturen,
maar veel scheelt het niet.” In
de woonkamer was de voltallige raad van Wijze Oude Vrouwen aanwezig. Ze keken
Obama bezorgd aan. Maar een enkeling wist een zwak glimlachje te produceren.
Obama ging zitten en nadat hij een slok van zijn koffie had genomen, zei hij:
“Tja, dan zal ik maar beginnen. Het is heel ernstig wat ik u te vertellen heb,
maar dat had ik al laten weten. Ik heb een rapport gekregen van het
Internationale Aardbevingenbureau. Het blijkt dat er een grote breuklijn zit
ter hoogte van Engeland. Hoe die daar is gekomen, weet niemand. Die lijn is
heel diep en eronder zit een vulkaan die elk moment tot uitbarsting kan komen.
Wij verwachten dat het in november gebeurd. Alleen in die maand zal er door die
beving een Tsunami ontstaan die Nederland van de kaart wegvaagt. Het
merkwaardige is dat de overstroming zich precies aan de grenzen zal houden. Bij
België en Duitsland houdt het op, niemand heeft iets te duchten, daar. In ieder
geval is het van het grootste belang dat de bevolking voor die tijd geëvacueerd
wordt. Ik heb het rapport ook naar uw regering in Venlo gestuurd, maar ik
verwacht niet dat ze er daar wat mee doen. Daarom ben ik nu hier.” Even
viel er een diepe stilte in de kamer. Toen zei Beatrix: “We doen wat we moeten
doen. Alleen is het niet verstandig om rond te gaan bazuinen dat een Tsunami
het land zal wegvagen. We moeten de mensen laten emigreren zonder dat ze in de
gaten hebben dat ze eigenlijk aan het vluchten zijn.” Xandra Schutte knikte:
“Inderdaad, anders heb je paniek en dat alleen kan al veel doden veroorzaken.
Het is zaak dat we geruchten verspreiden en daarover moeten we, nu denk ik,
brainstormen: wat wil de gewone man absoluut niet. Dat wordt nog een hele
klus.” “Ik kan natuurlijk helpen,” zei Obama. “Ik kan een stel Geert
Wilders liep ziedend van woede door zijn werkkamer. “De onverlaat,” brieste
hij. “Hoe dúrft hij! En dan nog wel een Moslim! Hoe heeft hij het lef. Wacht
maar, tot mijn leger op orde is, en mijn Armada! Tijden van weleer zullen
herleven. De zeeën zullen wij bevaren! We zullen elk volk op hun knieën
dwingen. Ook Amerika wordt van ons. Let op mijn woorden!” Hij keek op zich
heen. Hij was alleen in de kamer. Er was niemand die zijn woorden kon horen.
Hij liep naar de deur en opende die: “Hero!” schreeuwde hij door de gang. “Onmiddellijk
hier komen!” Een paar seconden later verscheen Hero Brinkman in zijn kamer.
“Ja, Geert, wat kan ik voor je doen?” Wilders bekeek zijn secretaris. Hij kon
er de vinger niet op leggen, maar iets van respect ontbrak er. “Obama is niet
hier gekomen,” zei hij. “Ik wil dat je uitzoekt waarom dat is. Het is een
schandaal, een grof schandaal. De zoveelste schoffering uit die hoek! Ik
tolereer dit niet langer. Ik ben de machtigste man van heel Europa, wat zeg ik,
van de hele wereld! Niemand heeft zoveel te zeggen als ik. Die Obama moet nog
verantwoording afleggen aan het Huis van Afgevaardigden en aan de Senaat. Zie
je mij dat ooit doen? Verantwoording afleggen? Nee! Op dag twee heb ik het
parlement naar huis gestuurd. Overbodig is het, en ook nog een keer beledigend.”
“Hoe wil je dat ik erachter kom, waar hij gebleven is, Geert? Ons land is dan
wel klein maar toch niet zo klein dat je iemand zomaar kunt vinden. Vooral niet
als hij kennelijk niet gevonden wil worden.” “Moet ik je dan alles vertellen,
uilskuiken! Zoek het zelf eens uit. Ik verwacht over twee uur een rapport. En
dat kan maar beter goed zijn, want ik heb niet zo heel veel geduld met jou!”
Hero Brinkman dacht even na en zei toen: “Nee, dat lijkt er wel op. Je bent
veranderd, Geert, en niet perse in je voordeel!” “Maak dat je wegkomt! Ik wil
dit soort dingen niet horen van mijn personeel. Doe wat je gezegd wordt en
breng mij een degelijk rapport uit. Over twee uur exact.” Hero
Brinkman liep mopperend terug naar zijn werkkamer. Moet je horen, hoe dat
heertje het in zijn hoofd heeft gekregen. Ik weet me de tijd nog maar al te
goed te herinneren dat hij rilde als een blaadje in de herfst als hij een
toespraak moest houden in de kamer. Oh, wat had hij mijn steun toen hard nodig.
En wat heb ik hem geholpen. Hij kon nauwelijks uit zijn woorden komen, de
stumper. Maar hij ging al gauw denken dat hij de baas van alles was. En ik weet
niet meer waar hij precies uit de bocht is gevlogen, maar zeker is dat dat is
gebeurd. In
zijn werkkamer nam hij de telefoon en belde één van zijn vrienden bij de
geheime dienst. Met zo’n netwerk moest je eigenlijk zelf de baas zijn. Maar
goed, dat kwam nog wel. Hij kreeg zijn vriend meteen aan de lijn, want die had
ook wel door dat Brinkman een kort lijntje had naar de top van het land en je
wist maar nooit waar dat goed voor was. Hij stelde zijn vraag: zoek uit waar
Obama gebleven is. Zo’n man kan toch niet zomaar kwijt zijn, dat is te gek voor
woorden. Nadat hij de hoorn had neergelegd, ging hij verder met zijn kruiswoordpuzzel.
Dat was dan wel weer een voordeel van deze baan, dat hij daar veel tijd voor
had. Henk
slofte over de camping. Hij was moe, want hij had het erg druk gehad. De
bowlingavond, gezamenlijk toppersliederen zingen in de kantine, de
Rita-meditatiesessies. Soms was het allemaal teveel van het goede. Hij voelde
al wel dat hij weer dichter bij zichzelf was. Hij wist weer wat het betekende
om Nederlander te zijn: pal staan voor dat prachtige land dat door weer en wind
en moslims werd geteisterd. Had hij nou zonodig die Koran in moeten kijken? Nee
dat was totaal overbodig geweest, hij had niets te zoeken in dat boek. Het was
heel goed dat Geert het verboden had, want het bracht de mensen maar op
verkeerde ideeën. Alsof het toelaatbaar zou zijn om Moslim te zijn, alsof het
ging om een respectabele religie in plaats van een verderfelijke ideologie. Ze
wilden de wereld overnemen, zoveel was wel duidelijk. Hoe kon het toch bestaan
dat Geert zo lang de enige was geweest die dat had ingezien. En hoe kon hij het
zover laten komen: al zijn krediet als het ware in één keer verspeeld. Hij wist
zeker dat iemand als Geert trots op hem was: altijd hard werken en zomers een
paar welverdiende weken op de camping, soms zelfs in het buitenland. Altijd in
een fatsoenlijk buitenland, dat wel. Niks Turkije, om over Marokko of Egypte
maar te zwijgen. Als Ingrid en hij naar het buitenland gingen, gingen ze naar
Frankrijk of Zwitserland. Prachtig land was dat, Zwitserland. Alles was zo
schoon en zuiver, daar konden ze op de Grachtengordel nog een puntje aan
zuigen. En alles blank daar. Zij wisten wel hoe ze hun grenzen dicht moesten
houden. Gelukkig ging het in Nederland ook de goede kant op. Elke avond
vertelde de campingleider over de vorderingen van de muur. Het werd een
prachtexemplaar. Zelfs de muur in China was veel minder, want daar kon je zo
overheen klimmen. Als die muur er eenmaal was, kwam er niemand meer in of het
moest zwemmend over de Noordzee zijn. En daar zouden de Nederlanders de sloebers in wrakke bootjes wel opwachten. Gewoon
teruggooien in zee, die ellende. Ondanks
zijn opmonterende gedachte wrikte er iets in Henk. En dat iets heette Ingrid.
Ze wilde zich maar niet bij de situatie neerleggen. Steeds was ze chagrijnig en
de laatste dagen kwam het voor dat hij haar nauwelijks zag. Ze was nogal vaak
de hort op. Naar die rare buurvrouw, Rosa van Antwerpen. Hij mocht dat mens
niet. Ze keek hem zo kritisch aan. Die blik van mensen die denken dat ze beter
zijn, dat was het. Alsof hij te min was, alsof zij het voor het zeggen had. Het
was er natuurlijk één van de grachtengordel, dat kon niet missen. Zo’n
blaaskaak die boeken las en naar klassieke muziek luisterde. Ze ging vast ook
naar van die nichterige balletvoorstellingen. En zijn Ingrid trok steeds meer
met dat mens op. Hij had haar gisteren gevraagd wat ze toch deden samen. Ingrid
had smalend geglimlacht. “Zingen,” had ze gezegd. “En praten.” Ze had op haar
horloge gekeken en meteen was ze opgesprongen. “Oh jee, we gaan nog een lied
instuderen. Ik moet meteen gaan.” Zonder hem te groeten was ze weer vertrokken
om midden in de nacht luidruchtig en aangeschoten terug te komen. Als goede
Hollandse man had hij het voor het zeggen. Dat moest duidelijk zijn. De man was
de leider, tot zover kon hij de moslims wel volgen. Niet dat hij nou van Ingrid
zou verlangen dat ze zo’n hoofddoek droeg, integendeel, dat zou hij haar
verbieden. Maar hij wilde wel dat ze beter naar hem luisterde, dat ze erkende
dat haar levensdoel bij hem lag. Zij moest de voorwaarden scheppen waaronder
hij zich kon ontplooien. Zo was nou eenmaal de natuurlijke orde, en daar moest
ze zich niet tegen verzetten. Die vrouwenhoofden waren natuurlijk tientallen
jaren vergiftigd door die feministen van de Linkse Kerk. Die hadden lieve
meisjes als Ingrid wijsgemaakt dat ze voor zichzelf moesten opkomen, zelfs als
dat in ging tegen haar eigen echtgenoot. Hij zou Ingrid duidelijk moeten maken
dat ze haar houding drastisch moest wijzigen, dat ze hem eindelijk eens het respect
moest tonen dat hij verdiende. En als het niet goedschiks ging, dan moest het
maar kwaadschiks. Om te beginnen zou hij haar verbieden om naar die pot van een
Rosa te gaan. Ja, dat was een heel goed begin. Hij voelde zich al wat minder
moe. Zo zag je maar, al wat er nodig was om overeind te blijven was mannelijke
daadkracht. Na
het kopje soep, dat elke vergadering van de Raad van Wijze vrouwen besloot,
ging Obama op weg naar huis. Hannie van Leeuwen had een vriendin in IJmuiden
gebeld, die haar zeiljacht beschikbaar stelde om Obama naar Groot-Brittannië te
krijgen, zonder dat de officiële autoriteiten er lucht van zouden krijgen.
“Nou, daar zitten we dan mooi mee,” zei Xandra Schutte. “Waarschuwen zonder te
waarschuwen, hoe doen we dat in Godesvredesnaam?” “Gelukkig heb ik de oorlog
nog meegemaakt,” zei Hannie van Leeuwen. “Toen moesten we ook dingen doen die
aan het onmogelijke grensden. Het is zaak dat we het doel goed voor ogen
houden. Voor november moet iedereen het land uit zijn. Het doel is dus heel
duidelijk. Nu is het al zo dat mensen zich verdringen bij de grens om eruit te
kunnen, dus daar kunnen we bij aansluiten. Waarom vertrekken ze? Dat moeten we
helder zien te krijgen. Het heeft natuurlijk te maken met de bende uit Venlo,
maar wat drijft ze nu precies over de grens?” “Het verval van de democratie?”
opperde Beatrix. “Ik roep maar wat. Ik weet het ook niet precies.” Hedy d’
Ancona schudde het hoofd. “Nee, dat interesseert ze niet, de meeste niet,
tenminste. Ze gaan echt niet naar België omdat ze daar kunnen stemmen. Er is
maar één ding dat mensen verdrijft en dat is het idee dat ze aan de bedelstaf
zullen raken. De economie stort in. De mensen gaan dat voelen.” “Ja,” beaamde
Doeschka Meijsing. “Ik hoorde dat de ontslagen ambtenaren geen enkele kans
hebben op werk. Die zijn veroordeeld tot bedelen. De marktsector stort ook in,
nu de banden met het buitenland zo abrupt zijn doorgesneden.” “Dus,” vervolgde
Hannie van Leeuwen. “Wat staat ons te doen? Aansluiten bij dat gegeven, het
gerucht verspreiden dat het allemaal nog veel en veel erger wordt. En dat is
niet eens gelogen, want het wordt ook veel en veel erger. Eigenlijk is het maar
goed, dat dit land verdwijnt.” “Niet zo fatalistisch, Hannie,” zei de vorstin
die in dit gezelschap niet optrad als vorstin. “Nederland zal herrijzen. Dat
heb ik van mijn grootmoeder geleerd. Nederland komt altijd weer boven.” “Nou,
Trix, dat mag een paar eeuwen geleden zo zijn geweest, ik ben toch echt bang
dat dat nu niet op gaat. Maar er is werk aan de winkel. Kom op, dames, wij
kunnen dit niet alleen, wij hebben geruchtenverspreiders nodig, en een
verzetskrant. Het is dat het zo tragisch is allemaal, maar anders zou ik zeggen
dat ik weer helemaal in mijn element ben.” Hannie van Leeuwen stond op en
bracht de soepkommen naar de keuken. Hero
Brinkman wachtte even voordat hij aanklopte bij de werkkamer van Geert Wilders.
Het was niet leuk wat hij te vertellen had, maar toch verkneukelde hij zich.
Geert zou uit zijn vel springen. Geert werd op zijn nummer gezet en dat gunde
hij hem van harte. Eindelijk trad hij naar binnen. Geert Wilders zat gebogen
over een rapport. Het was in het Engels, dus het kostte hem moeite om te
begrijpen wat er stond. Toen Brinkman vlakbij zijn bureau stond, keek hij op.
“Ik hoop dat je goed nieuws hebt, Hero, ik hoop dat je eindelijk je geld eens
echt verdient.” Het prul, dacht
Brinkman, net alsof hij zelf ook maar iets opbracht, die terminator! Hij
probeerde zijn afkeer en minachting niet te laten blijken en zei: “Zeker,
Geert, ik heb iets ontdekt. Obama is op een adres op de Keizersgracht geweest
en hij heeft het land via IJmuiden verlaten.” Geert Wilders sprong op. “Het
land verlaten? Zonder zich hier te melden? Zonder langs de douane te gaan? Het
onbetrouwbare sujet, de minkukel! Zie je nou wel dat je die moslims niet kunt
vertrouwen? Oh ja, dan kunnen ze een respectabele positie hebben bereikt, dan
kunnen de president van de Verenigde Staten zijn, maar het blijven
woestijnratten.” “Obama is christen, Geert.” “Dat zeg hij, ja. Maar dat is natuurlijk niet
zo. Aan alles kun je merken dat hij in feite moslim is. Zo verlaat hij het land
stiekem via het Oosten…” “IJmuiden ligt
in het Westen, Geert.” “Onderbreek me toch niet steeds, wijsneus! Waar het om
gaat, is dat wij zijn geschoffeerd op een manier die zijn weerga niet kent in
de geschiedenis. En dat pik ik niet, dat pik ik echt niet. Wacht, ik zal hem
krijgen, bel de echte leider van Amerika, bel Sarah Palin! Ik wil dat ze hier
komt, dan gaan we korte metten maken met die slaven daar over de grote plas.”
Hero Brinkman knikte en verliet de kamer. Hij is echt helemaal gek geworden,
dacht hij. In
hun appartement aan de Keizersgracht zaten Greet en Wilma aan de koffie. “Dat
we dit nog mochten meemaken,” verzuchtte Greet. “Barack Obama naar zijn geheime
adres gebracht. Wat jammer dat we het niet verder kunnen vertellen.” “En jij
houdt dus echt je kop, Greet. Ik ken jou. Een geheim bij jou is zowat hetzelfde
als publieke wetenschap. Deze keer ga jij je dus heel anders gedragen!” “Ik
snap niet dat ik het al vijftig jaar met jou uithoud, wat ben je toch een
baasje en een betweter. Natuurlijk ga ik dit niet doorvertellen, my lips are
sealed, zoals ze dat in de US zo mooi weten uit te drukken. Maar het is toch
niet gek, dat ik me afvraag, wat hij hier komt doen?” “Het heeft te maken met
Venlo…” Wilma probeerde een veelbetekende blik op te zetten, maar haar
gezichtsspieren deden pijn. Ze had dat al te lang in de plooi moeten houden. Ze
schonk nog een kopje koffie in. “Maar wat doen we nu, Greet? Gaan we weer terug
naar de grens? Weer dat wachten bij die muur daar?” Greet haalde haar schouders
op. “Het heeft niet zoveel zin,” zei ze. “Ik bedoel, ik heb niet zo heel veel
zin. Het wachten, de onzekere toekomst. Een paar dagen geleden zag ik het nog
als een oplossing, maar inmiddels twijfel ik. Wat staat ons te wachten in
Antwerpen? Zijn we daar wel welkom? Ik heb al gehoord dat de Belgen de grenzen
voor ons willen sluiten. Ze zitten daar niet op ons te wachten. Eigenlijk
moeten we hier de toestand veranderen.” “Maar hoe? Dat lukt ons nooit. Wij
hebben als oude vrouwen geen vat op de toestand. Er is zo weinig wat we kunnen
doen. Het liefst zou ik die vlegel daar in Venlo door elkaar willen rammelen,
maar ik kom niet eens bij hem in de buurt. Het is afschuwelijk om te bedenken
dat we geen kant op kunnen. Ik had nooit gedacht dat het nog eens zo ver zou
kunnen komen.” Er
werd aangebeld. Greet en Wilma keken elkaar aan. Uiteindelijk stond Wilma op om
de deur open te doen. “Eerst goed kijken wie het is!” riep Greet haar na. Wilma
viel bijna flauw toen ze zag wie er voor de deur stond: Hare majesteit de
Koningin der Nederlanden. Ze vervrouwde zich en opende de deur. “Komt u binnen,
majesteit! Wat een eer dat u ons komt bezoeken, maar ik had niet op u gerekend.
We hebben niks bij de koffie omdat we aan de lijn zijn. U weet hoe dat gaat,
hoe ouder je bent, hoe meer vet er aan je blijft kleven en je kunt er niets
tegen doen. Maar wat babbel ik nou weer. Dat komt door de zenuwen. Er is nog
nooit een koningin bij ons op bezoek geweest.” Even
later, toen Beatrix een comfortabel plekje had gevonden op de hoekbank,
overwonnen Wilma en Greet hun schroom. Wilma vroeg: “Wat brengt u hierheen,
majesteit? U bent meer dan welkom en wij zijn zeer vereerd met uw bezoek, maar
u komt vast niet zomaar op de koffie.”
Beatrix knikte. “Inderdaad, ik heb wel een heel speciaal doel voor mijn
komst. Ik weet dat u betrouwbaar bent. U
heeft Barack Obama van Hazeldonk naar de Keizersgracht gebracht, en niemand op
de gracht weet dat hij hier is geweest. Hij had een speciale missie, en die kan
ik u niet precies uitleggen. Het komt er op neer dat ons land in groot gevaar
is en dat iedereen weg moet.” Greet en Wilma keken elkaar aan. “Wij waren al op
weg,” begon Wilma. “Het gaat zo niet langer hier. Elke dag opnieuw worden we
geschoffeerd door die clown daar in Venlo. Daar komt nog bij dat onze
pensioenen nu al voor de derde keer worden gehalveerd. En dat is wel een beetje
bezwaarlijk zo onderhand. Gelukkig is het appartement hypotheekvrij, anders
hadden we nu zwaar in de schulden gezeten. Wij willen ergens naar toe waar we
kunnen werken.” “Hoe oud bent u dan?” vroeg Beatrix. “Neemt u mij niet kwalijk
voor mijn botheid, maar u komt toch over als dames die echt wel aan hun
welverdiende pensioen toe zijn.” “Wij zijn drieëntachtig en vierentachtig,” antwoordde
Wilma. “Behoorlijk aan de datum, kun je wel zeggen, maar we zijn nog recht van
lijf en leden en we zijn nog steeds heel goed in staat om ons brood te
verdienen. Alleen komen we hier niet aan de bak.” Beatrix schudde meewarig haar
hoofd. “Het is ongehoord wat deze zogenaamde regering de mensen aandoet. Het is
gewoonweg crimineel. Maar troost u, het is slechts een kwestie van tijd en dan
zijn ze weg. En wat werk betreft: u kunt meteen beginnen. Ja, dat kan, want ik
kan een behoorlijke beloning stellen voor de inspanning die ik van u ga vragen.
Het is de bedoeling dat u de buurt in gaat, en zoveel mogelijk vertelt hoe
slecht het gaat in Nederland, en dat u uw koffers al gepakt hebt. Zoveel
mogelijk. Dus in de winkels, in de restaurants, op straat aan de mensen die hun
hond aan het uitlaten zijn.” “Nou, dat lijkt me niet zo moeilijk,” zei Wilma.
“Want er is geen woord van gelogen. In feite waren we er al mee bezig voordat
we besloten om naar Antwerpen te vertrekken. Alleen zijn de mensen erg
hardleers. Ze zijn zo honkvast. Niet dat wij dat niet zijn hoor, anders hadden
we het niet zolang hier uitgehouden, want zeg nou zelf, het was toch eigenlijk
geen doen meer met al die evenementen in Amsterdam. Steeds weer al die dronken
idioten hossend op de stoep. We hebben er weleens over gedacht om naar Drenthe
te verhuizen, maar uiteindelijk hebben we dat toch maar niet gedaan. Ziet u, we
gaan zo graag naar het concertgebouw, en ook naar de musea en dat heb je
allemaal niet in Drenthe.” Beatrix glimlachte. “Nu, ik stuur vandaag mijn
secretaresse om de zakelijke kant van onze overeenkomst te regelen. Helaas moet
ik nu weer gaan, want de plicht roept.”
Ze stond op en reikte haar hand, die gretig werd aanvaard door Wilma en
Greet. In
de raadszaal van het gemeentehuis van Venlo zat het voltallige kabinet bijeen.
Geert Wilders, die de overige twee leden van het kabinet een half uur had laten
wachten, stak van wal: “Heren! Er is iets ongehoords gebeurd in dit land! Ik
ben op een ontzettende manier gedemoniseerd en wel door een voormalig bevriend
staatshoofd van ons, de heer Barack Obama. Nu weten we allemaal hoe die de
kluit belazerd heeft. Hij is een moslim die er niet voor uit komt omdat dat hem
de gelegenheid geeft om de wereldheerschappij van de Islam te vestigen in
Nederland. Dat weten we allemaal en met onze land- en zeemacht zullen we ons
daar tegen te weer stellen. Wij zullen zegevieren, op zijn Hollands zullen wij
overwinnen! En we gaan hem terugpakken. Ik lust hem rauw! Dat zal hem leren om
stiekem dit land binnen te dringen en zich vervolgens niet te vertonen hier. In
de hele geschiedenis is nog nooit zoiets voorgekomen. Dat komt allemaal door de
linkse Kerk en die Beatrix, die zich in het hoofd heeft gehaald dat ze het hier
voor het zeggen heeft. Al die steken onder water in haar kersttoespraken, als
ik daar nog aan denk lopen de rillingen mij over de rug. Maar daar gaat het nu
even niet om. Ik krijg haar nog wel. Wat ik wil vertellen, is dat we de echte
leider van Amerika binnen een paar uur kunnen verwachten, namelijk Sarah Palin.
Welzeker, zij is in aantocht. Met een concorde, die nog ergens in een oude
schuur stond, wordt ze opgehaald. Ze wordt eerst rondgeleid door de
Oostvaarderplassen, waar haar een geweer ter beschikking wordt gesteld. Want
dit is een vrouw met daadkracht, mijne heren, een vrouw die haar mannetje staat.
Zij jaagt en ze zegt precies wat ze bedoelt!” Maxime Verhagen begon: “Maar
Geert, wat wil je daar toch mee bereiken? Sarah Palin is bij lange na nog geen
president.” “Dan benoem ik haar tot president.” Maxime Verhagen en Marc Rutte
keken elkaar veelbetekenend aan. Dat ontging Geert Wilders niet. “Toe maar! Tot
in mijn eigen kabinet wordt ik belachelijk gemaakt. Ach ja, dat gaat nu eenmaal
zo met grote geesten. Pas later zal worden ingezien met welk fenomeen jullie te
maken hebben. Maar het gaat gebeuren, zoals ik het wil. Ik benoem Sarah Palin
straks tot president van de Verenigde Staten! Ik zal persoonlijk die Obama
mailen, dat hij naar huis kan!” Maxime Verhagen schraapte zijn keel en zei:
“Maar denk je wel dat hij dat zomaar doet op jouw gezag, Geert? Is dat niet een
beetje wensdenken wat jij nu doet? Ik bedoel, in Nederland heb je het dan wel
voor het zeggen, maar voorlopig houdt het toch wel een beetje op bij de muur in
aanbouw.” Geerts gezicht werd knalrood.
“Et Tu Brutus!” schreeuwde hij. “Dit is gewoon ondermijnend, wat jij hier aan
het doen bent, Maxime. Natuurlijk doen ze wat ik zeg. Dat doet iedereen, omdat
ik de waarheid spreek. En niets anders dan de waarheid! Mooi, dan is dit
afgehandeld. Al beveel ik jullie je straks, als Sarah er is, coöperatief op te
stellen. Zij moet ons vertrouwen krijgen, want er wacht haar een zware taak. De
US is geďndoctrineerd door de Linkse Kerk, dat merk je aan alles. En dan gaan
we nu over tot de orde van de dag. Ik heb hier een rapport. Dat kreeg ik
toegestuurd van de een of andere dwaas, ook uit Amerika. Sarah zal hem de mond
wel snoeren. Het is een hysterisch verhaal over een breuklijn bij Engeland die
op uitbarsten staat. Er dreigt zelfs een Tsunami! Nou, ik weet als geen ander
waar Tsunami’s vandaan komen, die komen uit Turkije en Marokko en niet uit
Engeland. Dat is toch de wereld op zijn kop! Al die bangmakerij over het
klimaat, ik moet daar persoonlijk van kotsen zo langzamerhand. Dat rapport is
puur geschreven om onze daadkracht onderuit te halen. Er blijkt ook uit hoe
bang het buitenland voor ons is.” “Laat eens zien, dat rapport. Misschien is er
toch iets van waar,” zei Mark Rutte. “Ik hoor de laatste tijd wel vaker van
allerlei vreemde natuurrampen.” “Dat rapport is aan mij gestuurd en het zou schandalig
zijn als ik mijn correspondentie ter beschikking aan anderen zou stellen.
Zoiets kunnen we in de nieuwe orde echt niet maken. Ik weet waar het om gaat en
het gaat om onzin.” Geert Wilders nam zijn voorzittershamer en sloeg een paar
keer hard op tafel. “En nu koppen dicht, want er moet geregeerd worden.” Op dat
moment kwam Hero Brinkman de zaal binnen. “Mevrouw Palin is gearriveerd,
heren.” “Mooi, laat haar meteen binnen!” Even later verscheen, breed
glimlachend, Sarah Palin. Op haar blauwgrijze mantelpakje zaten grote
bloedvlekken en langs haar mond en kin waren tranen van opgedroogd bloed te
zien. “Ha die Geert!” riep ze enthousiast uit. “Wat een geweldig land is dit!
Ik heb urenlang gejaagd en ik heb een stuk koningspaard rauw verslonden!
Heerlijk, even helemaal terug naar de natuur.
Ik hoop dat jullie het niet te lang maken, want ik wil zo weer terug
naar dat prachtige jachtgebied.” “Maak je geen zorgen, Sarah. Lang praten is
voor de bureaucraten van de communistische samenzwering van de Islamitische
Linkse Kerk. Om een lang verhaal dus kort te maken: jij bent vanaf nu president
van Amerika.” Sarah Palin keek de kring
rond en veegde wat bloed van haar mond. “Dat hoort natuurlijk wel, maar kunnen
we dat zomaar vaststellen hier? Ik bedoel, ze zijn nogal op verkiezingen enzo
bij ons. Onzin natuurlijk, hier heb je die allang afgeschaft en moet je kijken
tot wat voor pracht dat leidt. Maar bij ons zijn nog veel conservatieve
krachten aan de macht, die koste wat het kost willen blijven waar ze zijn. Die
willen niets liever dan de hardwerkende Amerikaanse burger met huid en haar
overleveren aan de overheid. Weet je wat die Obama nou weer gedaan heeft?
Scholen opgezet voor kansarmen! Nou vraag ik je! Sinds wanneer moeten kansarmen
naar school? Laat ze maar goed hun best doen, dan komt het vanzelf allemaal
goed. Maar ik dwaal af. We moeten dat misschien iets subtieler aanpakken,
Geert. Ik als vrouw voel dat aan. Ik moet ze inpakken daar thuis, door gewoon
de waarheid te vertellen, net zoals jij dat doet. En dan zal ik gekozen worden.
Ondertussen kan ik wel aansturen op een impeachment procedure voor Obama. Dat
lijkt me de goede weg. Hij is vast weleens vreemd gegaan. Anders kan ik aan
laten tonen dat hij helemaal niet is geboren in de USA, maar ergens in Afrika.
In Kenia ofzo, daar komt zijn vader vandaan. Mijn kop eraf als hij niet echt in
Kenia is geboren. Zullen we het dan zo afspreken? Let goed op het nieuws uit
het mooiste land van de wereld. Voor nu is het genoeg. Ik ga snel terug naar de
natuur.” Ze nam haar geweer, gooide het behendig over haar schouder, en spoedde
de zaal uit. Minister
Rita had het moeilijk op de camping. Met de vastberadenheid die haar zo eigen
was, hield ze de Rita-meditatiesessies vol. Maar het ontging haar echt niet dat
een groot deel van de aanwezigen geestelijk afwezig was. Ze zaten daar maar
apathisch, met hun eigen gedachten bezig. Ze lieten het Geertschap helemaal
niet tot zich doordringen. Stiekem dacht ze dat het veel en veel beter zou gaan
als zij zich zouden bekennen tot het Ritaschap. Was zij, als vrouw, niet veel
beter in staat om de mensen de goede weg te wijzen? In het verleden was dat
vaak genoeg gebleken. Dat ze bij de laatste verkiezingen geen zetels had
gewonnen deed daar helemaal niets aan af. Dat kwam gewoon omdat de mensen
geďndoctrineerd werden door de Linkse Kerk. En ook wel door Geert Wilders, zei
een klein stemmetje in haar binnenste. Ze drong die gedachte naar de
achtergrond. Ze moest in Geert blijven geloven, of ze nou wilde of niet. Alleen
dan kon ze verder gaan. Ooit zou ze het stokje van hem overnemen, maar de tijd
was daar nu nog niet rijp voor. Ze
liep verder over het terrein. Wat was het toch merkwaardig stil. Het was de
bedoeling dat mensen actieve Nederlandse burgers werden, maar ze werden hier
alleen maar luier en luier. Soms dacht ze dat dat door de aanpak kwam, maar ook
die gedachte wuifde ze weg. Ze moest blijven geloven in waar ze hier mee bezig
waren. De heropvoeding van de afgedwaalden van dit volk moest stevig ter hand
worden genomen. Aldus peinzend kwam ze langs het tentje, waar ze een paar dagen
geleden de zingende vrouwen had aangetroffen. Ze bleef stilstaan en luisterde.
Er was niets te horen. Ergens was het jammer, ze had het stuk graag nog eens
willen horen. Zie je nou wel? Ook zijzelf moest zich blijven heropvoeden:
vanavond moest ze alle cd’s van de Toppers maar weer eens draaien, misschien
dat ze dan op het goede pad terechtkwam. Ze liep verder en kwam langs de
bungalowtent van Henk en Ingrid. Een paar dagen geleden had ze nog tevreden vastgesteld
dat dit hardwerkende echtpaar de goede weg op was. Henk had een trainingspak
aan en zat buiten de Voetbal International te lezen. Ingrid zag ze niet, maar
die zou wel binnen zijn. “Dag Henk,” zei ze. “Hoe gaat het ermee, jongen? Je
ziet inmiddels wel in wat je verkeerd hebt gedaan?” Henk knikte. “Oh Minister Rita! Ik ben hier
zo gelukkig! Alles wat mijn hartje begeert heb ik hier. Ik leer weer een echte
man te zijn, ik leer weer wat gemeenschapsgevoel is, en wat het betekent om
liefde voor je vaderland te hebben.” Hij pinkte een traan weg. “Dat is heel
mooi,” zei Minister Rita. “En het is heel terecht dat je ontroerd raakt, dat
zou ik ook hebben, wat zeg ik, dat heb ik ook heel vaak. Maar waar is Ingrid
eigenlijk? Ik heb haar een paar dagen geleden betrapt op het zingen van een
verderfelijk klassiek stuk, maar ik vertrouw erop dat ze begrepen heeft waar
het eigenlijk om gaat, en dat ze weer het goede pad bewandelt. De smalle weg,
zou ik zeggen als ik een christen was, maar dat ben ik niet.” Henk keek sip.
“Ik weet niet waar ze is. Ze trekt nogal veel op met dat mens van dat kleine
tentje. Ik wilde haar vanochtend tot de orde roepen maar ze lachte me recht in
het gezicht uit en weg was ze weer. Ik zie haar nauwelijks nog.” “Oej! Het
lijkt erop dat er aanvullende maatregelen nodig zijn! Ik zal zien wat ik kan
doen, Henk! Bedenk, dat je niet alleen bent. Je bent onder de hoede van een
formidabele vrouw.” Op
de keizersgracht was de Raad van Wijze Oude vrouwen weer samengekomen.
Tegenwoordig zagen de leden elkaar elke dag. De stemming was bedrukt, want de
vrouwen hadden het gevoel dat ze klem zaten. De opdracht die hun wachtte was zo
immens, dat ze bang waren dat ze deze keer zouden verliezen. “Ik ga een verhaal
vertellen,” zei Hella Haasse. “Soms doet de kracht van de fictie wonderen.” Ze
schraapte haar keel en ging van start: “Lang, lang geleden was er eens een
klein land. Dat land was zo klein dat het slechts zelden door anderen werd
opgemerkt. Scheepvaarders voeren er voorbij, omdat ze dachten dat het een
zandbak was waar niets te halen viel. Reizigers die over land kwamen, dachten
dat ze bij een ondoordringbaar woud waren aangekomen, en zij durfden er niet
door. Je wist tenslotte nooit welke wilde, vreemde beesten je er zou kunnen
aantreffen. En zo bleef het landje eeuwenlang alleen in de wereld. De mensen
die er woonden dachten dan ook dat ze de enige mensen op aarde waren. Ze waren
gelukkig. Ze leefden eenvoudig, van wat landbouw. Dieren hadden ze ook, maar ze
aten ze niet op, want ze waren vegetariër. Niet uit principe, maar omdat er in
het hele land niemand te vinden was die een dier durfde te slachten. Het enige
wat ze dronken, was brandnetelthee. Brandnetel hadden ze namelijk in overvloed,
in tegenstelling tot Earl Grey en dat soort thee. Ze wisten niet eens dat dat
bestond. Natuurlijk was er in die tijd geen televisie, en nieuws uit andere
landen kwam gewoonweg het land niet binnen. In
het land regeerde een koningin. Het Koninginneschap werd steeds van moeder op
dochter doorgegeven. In de meeste families werden ook wel zonen geboren, maar
in de Koninklijke familie nooit. De koningin trouwde altijd met iemand uit het
buitenland. Dat werd strikt geheim gehouden, want de koningin wilde nooit dat
de andere mensen erachter kwamen dat er een buitenland was. Zo ging dat
generatie op generatie door. Een leger was er niet in dat land, want met wie
hadden ze oorlog moeten voeren? Gevangenissen waren er ook niet, want niemand
pleegde ooit een misdaad. Moord was een onbekend verschijnsel. Niemand had ooit
een moord gepleegd. De mensen hadden niet eens geweten hoe dat moest. Aan
diefstal deden ze ook niet. Er was gewoonweg niets om te stelen. Ze hadden
alleen het eten dat ze die dag op konden en de kleren die ze droegen. Meestal
sliepen ze met zijn allen in een grote slaapzaal, dat was lekker warm. Af en
toe trokken mensen zich terug in kleinere hutten, en er was niemand die ze dat
kwalijk nam. Het was zoals het was, leek iedereen te denken. De
koningin maakte een dagelijkse ronde door haar koninkrijk. Ze wilde dicht bij
de mensen zijn en niet alleen op Koninginnedag. Trouwens, er was geen
Koninginnedag, of misschien was het meer zo dat het elke dag Koninginnedag was.
Want hoe vaak de mensen haar ook zagen, ze stonden altijd juichend aan de kant
als ze langs kwam. Op
een dag gebeurde er een vreselijk ongeluk, al kon niemand weten hoe vreselijk
het was op het moment dat dat gebeurde. Een jongen in het Zuiden van het land
maakte een wandeling door het bos en verdwaalde. Hij zocht en zocht maar hij
kon nergens het pad terug naar huis vinden. Hij liep dagen en dagen, voedde
zich met bessen, sliep af en toe licht en liep dan weer verder. Hij maakte zich
vreselijke zorgen om zijn moeder. Wat moest die wel niet denken? Ze zou in
angst zitten, ze zou heel bang zijn dat hem wat was overkomen. Hij moest en zou
dus de weg naar huis terugvinden. Na dagen en dagen kwam hij het bos uit. Eerst
was hij verschrikkelijk opgelucht, want hij dacht dat hij de weg terug naar
huis had gevonden. Maar alles zag er zo vreemd uit. De huizen waren veel
groter, de mensen waren er veel donkerder en er waren ook zo veel meer mensen.
Een grote huiver beving hem, want hij dacht dat hij in de hel terechtgekomen
was. Daar geloofde hij helemaal niet in, maar als zoiets je overvalt, weet je
zelf niet meer wat je gelooft. De mensen buiten het bos keken hem vreemd aan,
en wezen naar zijn lichtblonde haar. Overal waar hij kwam, lachten ze hem uit.
Hij was een bezienswaardigheid geworden. Het ergste was nog wel, dat ze hem
nergens verstonden. Hij volhardde in zijn vraag naar de weg terug, stelde hem
aan iedereen die hij tegenkwam, maar de mensen bleven hem begriploos aankijken.
Meer en meer voelde hij zich eenzaam, en hij begon al te vrezen dat hij zijn
moeder nooit weer zou zien, toen hij bij een huisje kwam, dat beduidend kleiner
was dan de anderen. Hij klopte aan, en was van plan zijn vraag te stellen, al
vreesde hij, dat dat ook deze keer voor niets was. Een heel oude vrouw deed
open. Haar gezicht was vol rimpels en om haar lijf had ze niets anders dan
versleten vodden. Hij keek zijn ogen uit en hij was met stomheid geslagen. De
hele oude vrouw vertelde hem dat ze de heks van het land was, en dat ze om het
even wat kon toveren. Hij geloofde haar niet. Als ze echt kon toveren, kon ze
toch zeker wel voor betere kleren zorgen. Maar ze drong aan. Ze zei dat ze het
hem wel zou laten zien. Na lang soebatten ging hij bij haar naar binnen. Aan de
lage zoldering hingen grote ketels, waar ze af en toe in roerde. Het stonk in
de bedompte ruimte en steeds struikelde hij bijna over een zwarte kat.
Tientallen moesten daar lopen. Om te bewijzen dat ik echt kan toveren, zei de
vrouw, zal ik zeggen wat jij het liefst wilt. Jij wilt terug naar je moeder, en
je moeder leeft in dat holle land in het westen. De jongen was nogmaals met
stomheid geslagen. Hoe kon ze dat weten? Hij vroeg waar hij nu dan was. In het
bolle land, zei de oude heks. Zijn er dan meer landen, vroeg de jongen, ik
dacht dat er maar één land was. Er zijn zeker meer landen, wel twintig, zei de
oude heks. Er is een leeg land, een smal land en een breed land. En zo nog een
stuk of wat. Veel ervan heb ik gezien. Maar nu zal ik je de weg wijzen naar
huis. Ze gaf hem een tak en vertelde hem dat hij die naar de grond moest laten
wijzen, dan zou hij vanzelf thuis komen. Hij geloofde er niets van, maar het
was altijd te proberen en hij wist ook niet wat hij anders moest doen. Hij
bedankte de oude heks en ging op pad, zijn hoofd vol met verwarrende gedachten.
Waarom had niemand hem ooit verteld dat er andere landen waren? En waarom
wisten ze dat in die andere landen wel? Hij werd kwaad. De werkelijkheid was
voor hem verborgen gehouden. Hij
liep en hij liep, weer dagenlang. Nog steeds at hij bessen, en hij had wel zin
in een broodje dus hij hoopte dat hij gauw thuis zou zijn. Op een dag stond hij
ineens aan het begin van zijn dorp. Hij rende naar het huis van zijn moeder,
die hem huilend van blijdschap in zijn armen nam. Jongen, zei ze, blijf nooit
meer zo lang weg, want ik weet me echt geen raad als je dat doet. Hij beloofde
dat hij altijd bij haar zou blijven, maar vertelde dat hij nog wel wat had te
doen en waar was de koningin. De moeder vertelde dat die op het plein zat aan
de brandnetelthee. De jongen bedacht zich geen twee keer en ging naar het
plein. Toen hij bij de koningin was aangekomen, zette hij zijn armen in zijn
zij en vroeg haar, waarom ze nooit had verteld dat er andere landen bestonden.
Daar was heel veel te halen, hij had het met eigen ogen gezien. Eigenlijk had
ze diefstal gepleegd. De koningin zweeg een moment verontwaardigd. Zoiets had
nog nooit iemand haar durven vertellen. Hoe weet je dat er andere landen zijn,
vroeg ze. Ik heb het met eigen ogen gezien, zei hij. Ik ben in het bolle land
geweest dat hier een paar dagreizen vandaan ligt. Ik weet nu dat de
prins-gemaal van het bolle land komt, want hij is ook donker, net als zij. De
koningin keek een moment naar beneden, als om na te denken. Toen ze daarmee
klaar was, zei ze: “Ik vraag je om dit voor je te houden. Het is voor niemand
goed om te weten dat er meer landen zijn en dat ze daar andere dingen hebben.
Ik ga het aan iedereen vertellen, sprak de jongen. Iedereen heeft recht op de
waarheid. En ze moeten zelf in dat land gaan kijken, in het bolle land. Ze
hebben daar dingen. Niemand wordt gelukkig van dingen, zei de koningin, kijk
maar naar de prins-gemaal, hoe ongelukkig die is. Dat was waar. De prins-gemaal
had altijd een somber gezicht, alleen als hij een paar dagen weg was geweest,
zag hij er wat vrolijker uit. En zo begreep de jongen dat het in het buitenland
leuker was. Het was leuk om meer dingen te hebben. Sinds die dag was hij niet
meer gelukkig en tevreden. Hij wilde eigenlijk naar het bolle land maar hij
wilde zijn moeder niet in de steek laten. Tenslotte had hij beloofd dat hij bij
haar zou blijven. Toch knaagde het aan hem, de wetenschap dat er een ander land
was, zelfs meer dan één, en dat hij veel meer kon hebben. Hij werd ouder en
raakte met de dag verbitterder. Als hij de koningin tegenkwam, groette hij de
haar niet meer. Dat deed haar heel veel pijn, want hij was de enige onderdaan
die haar negeerde, maar ze zij er niets van. Toen
zijn moeder was overleden, knapte er iets in hem. Hij was des duivels. Hij was
woedend. Hij begon te raaskallen, hij riep over het plein dat er een muur om
het land gezet moest worden, want anders zouden die uit het bolle land allemaal
naar hun kleine landje komen en al het brood op eten. Eerst geloofden de mensen
hem niet, want tenslotte wisten ze helemaal niet dat er een ander land was,
maar zo af en toe glipte een jongeling naar het bolle land en die kwam dan
terug met dezelfde verhalen. De mensen werden steeds kwader. Soms gooiden ze
zelfs kluiten modder naar de koningin, die niet wist hoe ze het had, want nog
nooit had iemand aan haar gezag getwijfeld. De prins-gemaal kon helemaal niet
meer buiten komen, want de mensen wilden hem wegjagen. En als hij weg zou gaan,
zou dat het hart van de koningin breken. Zo
ging het jarenlang door, totdat iedereen zo kwaad was, dat de mensen elkaar
niet langer verdroegen. Niemand groette nog een ander, de koningin werd
uitgescholden als ze geluk had, maar meestal werd ze bekogeld met modder en
andere viezigheid. Het verhaal gaat dat ze ook weleens met paardenvijgen is
bekogeld. Steeds meer mensen vertrokken naar het bolle land en dat ging net
zolang door tot er niemand meer over was. Zelfs de koningin was vertrokken. Het
hele kleine land werd al snel helemaal overwoekerd met bos en alras wist
niemand in de andere landen nog dat het landje ooit had bestaan. De jongen is
nooit meer gelukkig geworden. Hij trok van land tot land, en hij werd bozer en
bozer, totdat hij zich in zee stortte en verdronk.” Hella
Haasse zweeg en keek de kring rond. Beatrix knikte. “Zo zal het gaan,” zei ze.
“Zo zal het zeker gaan als we niet uitkijken.” Xandra Schutte stond op. “Kom,
ik ga de soep inschenken,” zei ze. “Daar zullen we van opknappen.” Bij
het eerste ochtendgloren werd ze wakker, zoals altijd. De wereld openbaarde
zich aan haar als groen en stil. Nu woonde ze al jaren in dit bos elke ochtend
was hetzelfde. Groen. Stil. Zo heel anders dan toen in de stad, in de flat,
waar altijd lawaai was, altijd stemmen, altijd geluid, overal. Ze
rekte zich uit. Even bijkomen. Ondanks alle jaren die ze hier had doorgebracht
hoorde ze nog altijd de stemmen als ze half sliep, in slaap aan het vallen was,
of juist net wakker werd. Die stemmen gingen tegen elkaar in. Soms verstond ze
wat ze zeiden, maar te begrijpen was het niet. We moeten drie kopieën hiervan
hebben, geen twee. Moeder zal het wel weten. Laten we kijken of we de noemer
kunnen vinden. Meer van hetzelfde, dat is niet goed. De stemmen spraken door
elkaar heen, in wisselende toonhoogte, deze zacht, de andere weer hard. Soms
verhinderden ze haar haar ogen open te doen, echt wakker te worden. Het was zo
moeilijk ze het zwijgen op te leggen. Al jaren was ze hier. Zoveel jaren, ze
was de tel kwijt geraakt. Ze
schudde de bladeren van zich af en kroop uit haar hol. Stilte bestond niet, had
ze ontdekt. Ze hoorde geritsel onder de bladeren, er was getik in de bomen, een
zacht geruis ging voortdurend door het bos heen. Maar het waren tenminste niet
de stemmen, die haar ’s nachts maar bleven kwellen. Wanneer zou ze die ooit
vergeten zijn? Ze
leefde van wat het bos haar bood. Wat bessen, sommige bladeren. Nooit de
dieren. Het was genoeg. Ze herinnerde zich maar al te goed dat niets ooit
genoeg was. De winkels. Het geld. Nooit genoeg. Altijd de spiegels. Nooit goed
genoeg. En hier wel, hier was heel weinig meer dan genoeg. Daar verwonderde ze
zich vaak over. Hoe kon dat? Dat was zo heel anders dan hoe ze het vroeger had
gevoeld, toen ze nog in de stad leefde. Ze at wat bessen en een paar bladeren
en ze leunde tegen de boom, waar ze woonde. Daar ging de eekhoorn, die hier ook
woonde. Ze wist zeker dat hij haar aankeek, tenminste, soms deed hij dat. Alsof
hij haar begreep. En het was niet nodig wat te zeggen. Plotseling kwam het gedreun
dichterbij. Het gedreun dat ze de laatste dagen al vaker had gehoord. Dat haar
verontrustte, dat hier niet hoorde. Ze stond op en liep in de richting van het
geluid. Nooit kon je je voor ze verschuilen, altijd kwamen ze je weer nader,
met hun stemmen, hun motoren, hun herrie. Ze liep door en het geluid werd
erger. Uiteindelijk kwam ze aan bij de rand van het bos, of in ieder geval leek
het de rand, want de bomen hielden op. Beneden lag een snelweg. Glanzend
asfalt. Hij was nieuw. Auto’s raasden er in een enorme vaart overheen. Zo hard
had ze nooit durven rijden. Ze kropen dichterbij. De stad kwam steeds
dichterbij. Er was geen ontkomen aan. Ze zouden haar alsnog opslokken. Hoe ze
ook vluchtte, niets was ooit genoeg. Wat moest ze doen? Even overviel haar een
enorme paniek, maar ze onderdrukte die. De wereld drong zich op. De wereld van
stemmen, luide stemmen, schreeuwende stemmen. De wereld riep haar. Ze moest
terug. Even keek ze langs haar lichaam. Ze was gekleed in vodden en bladeren.
De vodden nog van de dag dat ze het bos was ingestapt, met de bladeren had ze
zich later bedekt. Ja, ze moest terug. Er was iets gaande buiten het bos. Iets
wat niet moest gebeuren, wat niet hoorde gebeuren, maar wat desalniettemin toch
gebeurde. Niemand kon er wat tegen doen. Ze
liep terug naar de boom waar ze woonden. De dieren die ze tegenkwam, gingen
niet aan de kant. Ze kenden haar. Zij was geen bedreiging. Niet hier tenminste.
Misschien wel in de wereld waarnaar ze terug ging. Dokter
Anja Maas hing uitgeput op een stoel in de gang. Ze was al drie dagen
onafgebroken in touw, en dat was niet de eerste keer de laatste maanden.
Werken, werken en nog eens werken was het. Ergens had ze spijt dat ze zich ooit
had aangemeld voor het transplantatieteam. Het had zo mooi geleken: mensen die
bijna opgegeven waren omdat één van hun organen niet meer functioneerde een
nieuw leven bieden. En mensen die al wel waren opgegeven ook na hun dood nog
iets nuttigs laten doen. Ze herinnerde zich nog maar al te goed de tijd dat het
hele team bijkans manisch werd van opwinding, als er een donor kwam. Dat was
heel bijzonder, want er gingen veel te weinig mensen dood op de goede manier.
Dat was de laatste tijd wel anders. Het aantal verkeersdoden was gestegen van
zo’n achthonderd per jaar naar achtduizend. De een na de ander werd binnen
gereden en het kwam zelfs voor dat ze ze toch de eeuwigheid in moesten laten
gaan omdat er niet genoeg beademingsapparatuur was. Eeuwig zonde was dat.
Hoewel, het aanbod van donoren was nu zo groot, dat er niet genoeg zieken waren
om de organen te ontvangen. Eurotransplant deed zijn best: er werd veel naar
het buitenland gevlogen, en ook dokter Anja Maas hield daar een leuk zakcentje
aan over. Ze
zat nog geen tien minuten of er werd alweer een brancard binnengereden.
“Hersendood!” riep de broeder de zending begeleidde. “We hebben de testen al
gedaan in de ambulance. Snel, anders piept hij ervan tussen. Dokter Anja Maas
keek naar de bloederige lakens, waarin een jonge man was gewikkeld, waar niet
veel meer van over was. Zijn hoofd was aan gort, en met de rest zou het niet
heel anders zijn. Hij kreunde nog wel, en hij bewoog. “Die is niet hersendood,
dat zie je toch?” zei ze opgelucht. Deze kon meteen door naar de
trauma-afdeling. “Jawel,” zei de broeder. “Dat kreunen is gewoon een reflex,
dat betekent niks, hij is er van tussen.” “Ik weiger hier iets uit te snijden.
Volgens mij is hij nog te repareren.” “Zoek het dan maar uit!” zei de broeder
woedend. Hij gaf de brancard een duw en maakte zich uit de voeten. Dokter Anja
Maas was teveel arts om de patiënt aan zijn lot over te laten, ook al hoorde
hij duidelijk niet bij haar afdeling. Ze boog zich over hem en lichtte zijn
ooglid op. Dit waren ogen die nog zagen. Ze keek om zich heen. Niemand te zien.
Vanmiddag was er een voetbalwedstrijd op tv en iedereen die niet in een
operatiekamer stond, zat in de kantine te kijken. Zuchtend duwde ze de brancard
zelf naar de trauma-afdeling. De hoofdverpleegkundige daar kwam onwillig uit
haar werkkamer, waar ook een televisie aan stond. “Wat is dit?” vroeg ze. “Die
vent is klinisch dood, die hoort hier niet. Haal hem maar leeg, dat is jullie
taak.” Zonder de reactie van dokter Anja
Maas af te wachten ging ze terug naar haar stoel. Dokter Anja Maas stond in
dubio: als ze deze man ging behandelen, kon ze haar lunch wel vergeten. Aan de
andere kant was het haar plicht om hem te redden. Dat had ze gezworen. Ze duwde
de brancard in operatiekamer 1 en rende naar de kantine. “Peek, Jansen en De
Wit! Opschieten, spoedoperatie!” De jonge chirurgen keken verstoord op. “Kan
die operatie niet in de rust?” vroeg Jansen. “Ben je nou helemaal bedonderd!
Als ik zeg, hier komen, dan kom je ook hier, wat zullen we nu krijgen.”
Onwillig en traag volgde het drietal haar naar de operatiekamer. Daar werkten
ze een paar uur. De patiënt bleef in leven, zij het dat hij er wel iets aan
over zou houden. Zijn rechterbeen werd geamputeerd en zijn gezicht zou er
altijd uit blijven zien alsof hij zojuist uit de boksring kwam. Al met al kon
hij zijn handjes dichtknijpen. Dokter
Anja Maas was tevreden over zichzelf, omdat ze de juiste keuze had gemaakt.
Weliswaar stortte ze nu bijna in van uitputting, maar ze had zich goed
gedragen. Daarom kon ze zich nu wel wat permitteren. Ze had een beloning
verdiend. In haar kamer belde ze Eurotransplant: “Ik heb nog een paar nieren,”
zei ze. “Ze zijn nog goed, de specificaties staan erbij. Voor zestigduizend
zijn ze van jullie.” Ze sprak af dat de nieren binnen een uur werden opgehaald.
Om de wachttijd te bekorten, ging ze op internet alvast een leuke reis
uitzoeken. Mark
Rutte scheurde met een vaart van 160 kilometer per uur over de A2. Het was
helemaal niet druk. Als hij gewild had, had hij gewoon op de rechterstrook
kunnen blijven rijden, maar dat deed hij natuurlijk niet. De rechterstrook was
voor sukkels. Dat er niemand op de weg was, bewees weer eens zijn gelijk toen
hij had besloten de maximumsnelheid in de minimumsnelheid te veranderen.
Nergens meer oude sukkels die met een gangetje van 80 de hele boel ophielden.
Hij glimlachte breed. Dat niemand daar nou eerder opgekomen was. Bij Breukelen
ontweek hij drie auto’s die stil stonden ten gevolge van een kettingbotsing.
Dat hoorde er nou eenmaal bij. Mensen moesten niet bang zijn voor risico’s,
alleen dan kwam je vooruit. Lastig waren dit soort ongelukken wel, want geheid
dat er ambulances en politiewagens met gillende sirenes de weg op kwamen. Daar
moest hij ook eens iets aan doen. Dat die geen voorrang meer hadden. Het was
toch te gek voor woorden dat door de schuld van mensen die niet konden rijden
anderen gedwongen waren om opzij te gaan. Mensen hadden een eigen
verantwoordelijkheid en als die ze de kop kostte, was dat maar zo. Toen
hij weer rustig op de vijfde strook kon rijden, dacht hij na over de periode
dat hij Minister-president was geweest. Het had maar kort geduurd. Geert
Wilders had gedreigd met het intrekken van zijn gedoogsteun als hij niet de
premier mocht worden. Toen was er weinig keus meer geweest en had hij het
stokje moeten overdragen. Maar wat was het een mooie tijd geweest! Zonder
plichtplegingen op bezoek bij Hare Majesteit de koningin, altijd herkend worden
op straat en het helemaal voor het zeggen hebben. Nou ja, dat laatste was niet
helemaal waar. Al snel was duidelijk dat hij elk potentieel besluit moest
voorleggen aan Geert Wilders, want die bleef dreigen met het terugtrekken van
zijn steun. Dat was wel lastig. Gelukkig had hij dat gegeven buiten de pers weten
te houden. Het was verschrikkelijk, zoals die linkse journalisten te keer
gingen. Sommigen noemden zijn kabinet zelfs Bruin 1! Als het niet ging om een
constructief liberaalsociaal beleid maar om fascisme of dat soort dingen.
Belachelijk gewoon. Eindelijk
was hij bij de grens van Amsterdam. Wat zou oom Frits opkijken als hij voor de
deur stond. Wat zou oom Frits trots zijn, dat hij, Mark Rutte, de problemen van
dit land zo voortvarend had aangepakt. Wilma
nam de haar door de koningin opgelegde missie erg serieus. Het was vier uur in
de middag en al vanaf twaalf uur was ze bezig kroegen aan de grachtengordel te
bezoeken. Omdat ze niet al te erg wilde opvallen, had ze steeds een oude
jenever besteld en natuurlijk ook opgedronken. Als ze aan de koffie was gegaan,
zouden de kroegtijgers zich hebben afgevraagd wat ze eigenlijk kwam doen. Toen
ze de zesde kroeg in kwam, voelde ze zich dan ook een beetje wankel. Ze was nog
wel helder van geest, dat bleef ze altijd, maar haar lichaam luisterde niet
meer precies naar de opdrachten van haar heldere geest. Zoals steeds ging ze op
een barkruk zitten. Daar had je de meeste kans op informatie, dat wist
iedereen. De barvrouw of barman kreeg veel te horen. Mensen met een stuk in hun
kraag gingen nu eenmaal vaak praten. En als je die barmens wat vertelde, kon je
er zeker van zijn dat het werd doorverteld. “Dag
mevrouw,” zei de vrouw van middelbare leeftijd die achter de bar stond. “Wat
kan ik voor u doen.” “Doe mij nog maar zo’n lekkere oude,” zei Wilma. Ze hoorde
dat haar tong wat was opgezet en dat ze sliste. De barvrouw keek haar bezorgd
aan. “Zou u dat nu wel doen? Zo te zien is dit niet het eerste borreltje van
vandaag.” Shit! Ze moest haar plicht blijven doen. En als dat betekende dat ze
moest blijven innemen dan was dat maar zo.”Ik ben vandaag jarig,” zei ze
onnozel. “En dat vier ik, dus een borreltje meer dan anders mag!” “Ach, wat
treurig, zo heel alleen op je eigen verjaardag. Nou goed, ik strijk over mijn
hart, maar meer dan één krijgt u er niet.” Even later stond het glaasje voor
haar. Wilma nipte er van. Ze moest niet te snel drinken, want deze barvrouw
leek haar erg onverzettelijk. “Zeg eens,” vroeg ze, quasi langs haar neus weg.
“Vindt u ook niet dat het erg slecht gaat met Nederland? De werkloosheid neemt
toe en ik heb gehoord dat er nogal wat mensen emigreren. Het schijnt zelfs zo
te zijn dat er meer uitgaan dan er binnenkomen.” De barvrouw, die glazen aan
het poetsen was, antwoordde: “Ik merk dat niet zo. Het is hier nog altijd even
druk en de mensen drinken nog altijd even veel. Maar nu u het zegt, er zijn wel
oude klanten die ik al tijden niet heb gezien. En het drinken is bitterder dan
vroeger, verbetener. Het gaat zoals mensen drinken die iets willen vergeten.
Het stille drinken. Ja, dat is wel zo, nu ik er goed over nadenk.” Ze staarde
naar de goed gevulde flessen achter haar. “Ik zie elke dag wel mensen
vertrekken van de gracht,” ging Wilma door. “En zelf denk ik er ook over om weg
te gaan. Het is toch geen doen meer zo. Waar moeten we nog van leven? Mijn
pensioen is al twee keer gehalveerd en er blijft nauwelijks nog wat over.” De
barvrouw knikte. “Ik kan me dat wel voorstellen. Het is alleen, waar moet je
heen? Ik denk ook wel eens, het is allemaal tijdelijk zoals het nu gaat.
Tenslotte zijn alle ambtenaren ontslagen en het duurt even voordat er genoeg
werk is in de markt. Geert heeft dat gisteren nog gezegd op de tv. En hij weet
het toch het beste, Geert?” Even ging er een lichte vlaag van onzekerheid over
het gezicht van de vrouw. Wilma dacht nu doorpakken: “Dat weet ik zo net nog
niet, of hij het het beste weet. Af en toe heb ik toch het idee dat het
allemaal een beetje boven zijn hoofd groeit. Dat die economie iets is waar hij
geen vat op heeft. En het helpt natuurlijk ook niet echt mee dat al die ambtenaren
op straat lopen. Die daklozen die je overal ziet, je wordt er gewoon beroerd
van. Waar moeten ze heen, waar moet dat met ons land heen. Nee, ik voor mij zou
denken dat iedereen er heel verstandig aan doet om te maken dat hij
wegkomt!” De barvrouw haalde haar
schouders op. “Het zal wel. We zullen het wel zien allemaal. Ik blijf voorlopig
nog even. Het gaat op en neer zal ik maar zeggen en Geert zal toch wel weten
wat hij doet. Als hij het niet weet, wie moet het dan weten?” Wilma dronk haar
glaasje leeg en verliet het café. Hero
Brinkman zat met zijn schrijfmap bij Geert Wilders in diens werkkamer. “Het is
erg druk bij de grenzen,” vertelde hij.
“Ik heb hier een rapport van de hoofden Grenswacht. Zij maken zich zorgen.”
Geert Wilders wuifde zijn negatieve uitingen weg. “Die grenswachten moeten zich
geen zorgen maken, die grenswachten moeten al die moslims tegenhouden. Gelukkig
hebben we binnenkort een muur, dan wordt het allemaal wat gemakkelijker.” Hero
Brinkman schraapte zijn keel en zei: “Het is niet dat ze er in willen, het is
dat ze er met bosjes uit gaan.” “Mooi
zo, dat was precies de bedoeling. Laat ze maar oprotten naar hun eigen land.
Het zal tijd worden dat Nederland weer helemaal voor de Nederlanders is.” “Het
zijn geen moslims en zo, die vertrekken. Die zijn allang weg. Het zijn de
christelijke en de niet-christelijke oudkomende Nederlanders.” Geert Wilders
keek Brinkman verbijsterd aan. “Dat bestaat niet,” zei hij. “Het land is er
steeds beter op geworden. We zijn weer onder elkaar, nou, mooier kan het toch
niet. Die grenswachten liegen! Die zijn te lui om hun werk te doen, ik moest ze
maar eens ontslaan, zijn er geen particuliere beveiligingsbedrijven die hun
werk kunnen overnemen? Dat moet mogelijk zijn, ja, ik weet zeker dat dat een heel
goed idee is. Aan het werk, Hero! Ontsla die grenswachten en zet er
beveiligingsbedrijven neer.” “De beveiligingsbedrijven zijn weg, Geert.” “Hoezo
weg?” “Die hebben zich in het buitenland gevestigd, omdat hier geen droog brood
te verdienen is.” “Wat een onzin! Er is
juist veel meer werk nu de buitenlanders hun werk niet meer inpikken.” “Nou,
dat schijnt dus niet zo te zijn. Het consumentenvertrouwen is gedaald, het gaat
slecht met alle bedrijven.” “Hou toch op met je grachtengorderltaal, Hero!
Consumentenvertrouwen, wat is dat in godsnaam voor een woord. Heb je geen
fatsoenlijk Nederlands geleerd? Misschien moet jij ook maar eens een paar
maanden naar de camping. Ze verdommen het om te kopen en dat komt omdat ze
verpest zijn door al dat linkse gedoe. Normale mensen kopen en zo is het. Tik
een decreet uit om iedereen te vertellen dat ze voor zaterdag duizend gulden
moeten uitgeven.” “De meeste hebben geen duizend gulden meer, Geert.” “Wel heb
ik nou ooit! Ik vind jou de laatste tijd erg fatalistisch, Hero. Je werkt niet
echt mee, integendeel, je werkt mij tegen. En je weet dat ik daar niet van hou.
Vooruit, ga doen wat ik je zeg of er zwaait wat.” Hero Brinkman ging naar zijn
eigen kamer. Daar haalde hij zijn koffer tevoorschijn. Veel had hij niet. En in
om het even welk buitenland kon hij gewoon weer opnieuw beginnen. Ze
bereikte de stad na een dag. De lucht was haar uren daarvoor al tegemoet
gekomen. Een walm van warmte, van verrotting. Nu hoorde ze ook het geluid.
Gezoem, schreeuwen, claxons, sirenes. Er lag een deken van mist over de stad.
Ze keek langs haar lichaam: in dit bladerenkleed kon ze de stad niet
binnengaan. Langzaam sloop ze naar een tuin aan de rand van de stad. Ze keek of
ze iemand zag en toen dat niet het geval bleek te zijn, griste ze een broek en
een shirt van de waslijn. Achter een vervallen schuurtje kleedde ze zich om. De
kleren zaten veel te wijd, maar daar was nu niets aan te doen. Ze liep de
hoofdstraat in. Haar lange, grijze haar wapperde langs haar gezicht. Het moest
maanden, misschien wel jaren geleden zijn voordat ze het voor het laatst had geknipt.
Maar dat gaf niet. Hier viel ze niet op. In de goten snelden troepen ratten
voorbij. Het gaat gebeuren, dacht ze, de ratten vluchten het eerst, dat is
altijd zo. Even liep ze door en toen stopte ze bij een bankje. Daar ging ze
zitten. Mensen snelden voorbij, auto’s gingen met een vaart van 100 km per uur
door de smalle straten. Soms botsten ze op elkaar. Dan kwamen de bestuurders
scheldend uit hun voertuig gekropen. Als ze nog leefden tenminste. Ze wilde
hier niet zijn. Ze had nooit meer willen terugkomen, maar ze moest. Toen ze een
beetje was uitgerust, stond ze op en liep ze verder. De
drie Godinnen die al sinds Godinnenheugenis het heelal bestuurden, lagen lui op
een wolk. In hun ronde om het oneindige deden ze regelmatig de aarde aan, want
dat was zo’n grappig planeetje. “Kijk, daar loopt Mara!” riep Rigna uit. Ze
wees naar beneden. Haar collega’s keken. “Ach, wat ziet ze eruit. Je kunt wel
zien dat ze een tijdlang niet onder ons is geweest,” zei Nadine. “Wat wil je,
die zwaartekracht trekt je zo die planeet in. Dat heeft Mara destijds nog zelf
verzonnen, weten jullie nog wel?” “Ach, wat een experimenten heeft ze daar toch
uitgevoerd. Een zelfreinigend concept, zei ze nog. Alles wat er loopt, vloeit
weer terug de aarde in en dan de zeeën in. Een eeuwige kringloop.” “Ja, ja, die
Mara, die hield van spelen. Dat van die geslachtelijke voortplanting sloeg echt
alles. Dat was toch echt niet nodig geweest.” “Voor Mara geldt dat niet,” zei
Nadine, terwijl ze haar nagels vijlde. “Die wilde gewoon kijken wat er gebeurt,
als je dat invoert. Nou, dat hebben ze geweten, daar beneden.” “Jammer dat dat
planeetje zo’n obsessie is geworden voor Mara. Ze kijkt nergens anders meer
naar om. Ik kan me de tijd niet heugen dat ze in een ander zonnestelsel is
geweest.” “Dat kan toch eigenlijk niet. Ja, ik weet ook wel dat we het hier zo
vaak over hebben gehad, maar ook Mara heeft een plicht aan de eeuwigheid,” zei
Rigna. “Ach, wat, plicht,” sprak Nadine haar tegen. “Nou zijn wij toch altijd
Godinnen geweest. En we hebben al dat gedoe hier en overal zelf verzonnen, maar
kun je nou zeggen dat het ergens goed voor is? Ik zou zeggen van niet. Het is
omdat het is, en verder nergens om.” “Dat kan wel wezen, maar Mara ziet het in
ieder geval niet zo. Zij is van ons vieren altijd de ernstigste geweest en zie
waar het haar gebracht heeft. Zo’n loodzware tocht, ook nog in zo’n uithoek van
die planeet.” “Er zou eens wat leven in de brouwerij moeten worden gebracht
daar,” zei Rigna. “Alles verzandt op dat stukje. Al die mensen lopen er weg. De
andere dieren ook.” “Logisch, er is een tsunami in aantocht.” “Ja, maar dat
weten de mensen niet.” “Dat weten ze wel, alleen willen ze niet aan zichzelf
toegeven dat ze dat weten, dat is het lastige van dat volk.” “We hebben ze toch
geschapen naar ons evenbeeld.” “Nou, we hebben toen wel een paar steekjes laten
vallen…Misschien zou het een idee zijn om eens wat evenbeelden van andere
planeten daar naartoe te transporteren.” “Ja, leuk! Daar reageren ze altijd zo
grappig op. Gaan ze rennen enzo, zweven doen ze dan bijna, je zou bijna zeggen
dat er helemaal geen zwaartekracht meer was! Maar hoe gaan we dat aanpakken,
waar halen we de andere evenbeelden vandaan, en waar gaan we die neerzetten?” “Laten
we daar even rustig over nadenken,” zei Nadine. “We hebben alle tijd van de
eeuwigheid.” Ze draaide zich opzij en ze viel direct in slaap. Geert
Wilders was zijn bureau aan het opruimen. Hoewel er geen ambtenaren meer waren,
was er altijd nog veel te veel papier. Dat werd geproduceerd door zelfstandige
bureautjes die werden betaald om advies te geven aan de regering. Niet dat hij
veel had aan dat advies. Het was zelden bruikbaar, en altijd veel te
ingewikkeld. Dat moest toch allemaal sneller kunnen. Helaas hechtten Maxime
Verhagen en Mark Rutte nogal aan wat zij noemden ‘een onafhankelijk advies’. Ze
hingen nog veel te veel aan de oude politiek, die twee. Het werd tijd om ze
daarvan los te schudden maar dat zou nog moeilijk zijn. Soms bekroop hem het
verlangen om de rest van het kabinet naar huis te sturen. Hij kon het toch
zeker heel goed alleen af? Maar dat zou betekenen dat hij een dictator was en
daarvoor was hij teveel democraat. Zo mijmerde hij voort, terwijl hij ongelezen
rapporten door midden scheurde. Er werd geklopt en meteen daarna stapte Rita
Verdonk zijn kamer binnen. “Ha die Geert,” zei ze. “Ik dacht ik kom eens
buurten.” Geert Wilders voelde wrevel opkomen. Wat moest hij met dat mens. Hij
dacht dat hij haar afdoende had terugverwezen naar waar ze hoorde: als bewaker
in een gevangenenkamp. Nooit zou hij de heropvoedingscamping zo hardop noemen,
maar hij snapte zelf maar al te goed waar het eigenlijk om ging. De
volksvreemde elementen moesten uit de samenleving gehouden worden, anders zouden
ze de rest besmetten en voor je het wist had je weer een parlement met
eindeloos gesoebat over alles wat al lang duidelijk was. “Wat heb je te buurten,
Rita,” vroeg Geert. “Hoor jij niet op de camping te zijn? Daar is toch genoeg
te doen, lijkt me zo?” “Ik heb een middagje vrij, ik heb af en toe ook mijn
rust nodig al ben ik dan een formidabele vrouw van groot formaat. Maar ik dacht
zo, misschien kan ik je van dienst zijn bij het besturen. Je weet, dat ik een
enorme ervaring heb, ik ben tenslotte zelf Minister geweest in een helemaal
niet zo gemakkelijke tijd, want wat was de politieke correctheid toen nog alom
aanwezig. Je zou dus veel aan mij kunnen hebben. Om wat te doen aan de
uitstroom, om maar eens wat te noemen.” “De uitstroom? Het is de instroom die
we moeten indammen, dat weet je toch wel?” “Nee, dat is een probleem van het
verleden. Er zijn al miljoenen mensen vertrokken. Zie je de buitenlandse
journalen dan nooit? Met al die tentenkampen bij Brussel en Parijs? Ze weten
eenvoudigweg niet waar ze met al die mensen heen moeten.” “Ik kijk geen
buitenlandse journaals. Ik kijk alleen Wilders-tv. Je moet je hoofd niet
vermoeien met linkse speculaties en sabotages. Ik geloof er niks van, Rita.
Tentenkampen met Nederlanders, dat is toch zeker de omgekeerde wereld? Straks
probeer je me nog wijs te maken dat ze naar Turkije en Marokko gaan.” Rita
knikte. “Ik ben rechtdoorzee, dat weet je, dus ik beweer nooit iets wat niet
waar is. Dat zou ik niet eens kunnen. Maar het is inderdaad zo dat enkele
honderdduizenden naar Marokko en Turkije gegaan zijn. Daar doen ze nu
inburgeringsprogramma’s want ze zijn niet van plan ooit nog terug te komen.”
Geert Wilders’ mond viel open. “Je moet je hand voor je mond houden als je
gaapt,” zei Minister Rita. “Ik kijk zo naar die rotte kiezen van je. Je mag
trouwens wel eens langs de tandarts. Nou, daarom dacht ik dat je mijn hulp wel
zou kunnen gebruiken. Denk er maar eens over na. Ik ga weer terug naar de
camping. Daar wordt het ook steeds stiller trouwens, vooral sinds een flink
deel van de bewaking geëmigreerd is. Dag Geert, dat je maar tot de juiste
inzichten mag komen.” Minister Rita verliet de kamer en liet Geert Wilders in
verbijstering achter. Rigna,
Nadina en Rascha zweefden ontspannen door de ruimte. Ze hadden alle tijd, want
die was van hun. Ze huppelden van het ene naar het andere sterrenstelsel, waar
ze planeten hadden bevolkt met hun evenbeelden. Af en toe hielden ze ergens
halt om te genieten van hun schepping. Zo was er bij Galliope 371 een planeet,
waar allerlei vormen door elkaar leefden. Ze wisten nog maar al te goed hoe ze
die planeet hadden bevolkt. “Ach, kijk ze nou,” sprak Rigna vertederd. “Wat was
dat een leuke dag, toen we die deden.” “Zeker,” mijmerde Nadine. “Al was Mara
het helemaal niet met ons eens. Moet je nou kijken, hoe verschillend ze er uit zien.”
“Mara vond het frivool, die vond dat we ons met serieuzere zaken bezig moesten
houden. Maar ik vind dat we het hier helemaal niet slecht hebben gedaan. Ze
vechten nooit, bijvoorbeeld, en ze vreten elkaar ook niet op.” “Dat was een
subliem idee van jou, Rigna, om ze zo te maken dat ze niet hoefden te eten. Dat
scheelt een hoop kabaal.” Rigna knikte. “Zoiets hadden we op die aarde ook
moeten doen. Maar ja, je wilt toch weten hoe bepaalde dingen uitpakken en ik
moet zeggen, op aarde is het wel spannender. Wat zijn ze daar nou aan het
doen?” “Een soort zingen, volgens mij doen ze het daar de hele dag. Kijk, nu
nemen ze elkaar weer bij de hand. En ze kijken steeds naar boven. Zouden ze
weten dat we hier zitten?” “Dat zou best kunnen. Misschien hebben we onszelf
wel bekend gemaakt toen we ze geschapen hebben. We waren toen nog al
aangeschoten natuurlijk.” “Om niet te zeggen, straalbezopen! Moet je kijken! Ze
buigen, en nu vallen ze op hun knieën. Het moet niet gekker worden!” “Och, ik
voor mij houd wel van een beetje aanbidding,” zei Rascha. “Waarvoor ben je
anders Godin tenslotte.” “IJdeltuit!” zei Nadine. “Wat heb je daar aan. Ze gaan
maar dingen van je verwachten die je niet kunt waarmaken. En nu moeten we weer
wat voor ze doen, zodat ze weer een tijdlang tevreden over ons zijn. Ik heb
geen idee wat.” Rascha haalde haar schouders op. “Wat maakt dat nou uit? Als ze
maar een teken krijgen, dan zijn ze al blij.” “Zal ik het laten regenen?”
“Hebben ze daar behoefte aan dan? Alles is perfect daar, dat maakt het zo
moeilijk.” “Als we nou eens gewoon terugzwaaien,” opperde Rigna. “Dan hebben ze
toch wel weer genoeg, voorlopig?” De drie godinnen zwaaiden energiek naar de
bewoners van de planeet. De bevolking boog nog dieper, tot ze uiteindelijk, als
één groot levend wezen, de wave deden. “Prachtig,” zei Rascha. “Ik krijg er
gewoon tranen van in mijn ogen. Kom, meiden, laten we verder gaan.” Mark
Rutte en Maxime Verhagen maakten een wandeling door het Limburgse heuvelland.
“Wat is het hier heerlijk rustig,” zei Mark Rutte. “Je ziet geen mens. Dat komt
omdat het allemaal zoveel harder opschiet tegenwoordig. En bovendien is er
niemand meer werkloos, nu de markt alles overgenomen heeft.” “Ik weet het zo
net nog niet,” weersprak Maxime Verhagen hem. “Ik hoor ook van geruchten, dat de
mensen aan het vertrekken zijn. Juist omdat er geen werk meer is, en helemaal
niks meer.” “Ach kom, hoe zou dat nu mogelijk zijn. We hebben de bureaucratie
afgeschaft, de belasting is tot een absoluut minimum gedaald, op de snelwegen
wordt minstens 120 gereden en in de bebouwde kom minstens 50. Er is juist
sprake van een enorme economische opleving, dat kan niet anders.” “Waar haal je
dat vandaan, Mark?” “Van het Wetenschappelijk regeringsbureau.” “Dat viertal
van Geert? Die de hele dag bezig zijn met het formuleren van de waarheid?” “Ja,
nou en, wat is daar zo erg aan dan? Ze werken erg efficiënt en dat is te zien
aan de resultaten.” “Ik weet het zo net nog niet,” zei Maxime Verhagen weer.
“Ik hoor andere geluiden. Zelfs mijn vrouw wil gaan vertrekken. We hebben geld
zat, maar er is niks meer te krijgen, zegt ze.” “Nou, dan moet ze de
boodschappen maar een stukje verderop doen, daar zijn vrouwen voor, om te
zorgen dat er eten op tafel komt. Ze moet haar verantwoordelijkheid nemen.” “Ze
haalt het al van ver, ze haalt het namelijk van België. En ze zegt dat daar
tentenkampen zijn met vluchtende Nederlanders.” “Ik geloof daar helemaal niets
van. Sorry hoor, Maxime, maar ik vind je nogal Paarse uitspraken doen. Ik zou
bijna geloven dat je in de leer geweest bent bij die Kok of bij een van die
andere engerds van links.” “Kijk jij dan nooit televisie?” “Nee, daar heb ik
geen tijd voor. We zijn veel te druk met regeren.” Mark Rutte stopte. “Moet je
daar toch zien. Troepen ratten op een rijtje. Ze gaan naar het Oosten, het
lijkt wel of ze haast hebben. Ik dacht dat ratten van dit soort alleen in de
stad voorkwamen.” “Dat is normaal gesproken ook zo, maar dit zijn geen normale
tijden. Het is een vingerwijzing van boven.” “Je moet je hoofd niet zo op hol
laten brengen door wat mensen kletsen. Je hebt zeker weer te lang naar dat
Mariabeeld in die kerk van jou gekeken. Niet doen hoor, Maxime. We moeten flink
doorpakken!” Maxime Verhagen deed er het zwijgen toe. Hij voelde aan dat het op
dit moment niet zoveel zin had om zijn mond open te doen. De
drie Godinnen zweefden verder. Soms schoten ze om een planeet heen en lieten
daar een vulkaan uitbarsten of een orkaan woeden. Zoiets gaf overal wel leven
in de brouwerij, al reageerde de bevolking van de ene planeet weer heel anders
op zoiets als die van een andere. Uiteindelijk kwamen ergens in de achterhoek
van het heelal, RI666. “Ach,” sprak Nadine vertederd. “Weten jullie nog hoe
Mara hier haar best op heeft gedaan?” Rigna en Rascha knikten. “Ze was er zelfs
tevreden over,” zei Rascha. “En dat terwijl het nooit goed genoeg is bij haar.”
“Het is dan ook wel een vinding van formaat, die kortcyclische reproductie.”
“Ja, alles zo schoon en zo snel!” riep Nadine uit. “Soms wou ik dat ik er zelf
was opgekomen. Maar ja, er schuilt nu eenmaal geen wetenschapper in mij.” “In
geen van ons. Daarvoor zijn wij er niet.” “Waarvoor dan wel?” “Hoe vaak moet ik
je dat nog vertellen. Wij zijn er omdat we er zijn. En nergens anders voor.
Maar wat denken jullie, zou het een idee zijn om een paar van die dametjes van
RI666 naar de aarde te brengen?” “Ja, leuk! Alleen zien ze er wel heel anders
uit. Ze zijn wat dat betreft trouwens ook niet erg geslaagde evenbeelden. Ik
persoonlijk vind dat groene niet zo’n heel goede keus.” “Ze zijn ook wel erg
klein. Maar dat mag de pret niet drukken. Komop, Rigna, laat er daar eentje een
raket met warpsnelheid uitvinden en die non-stop naar Aarde sturen.” Rigna liet
een lange lach horen, die als onweer door de hemel van RI666 joeg. Ze
liep verder door het stadje. Het was er al stil, viel haar op. Normaal
gesproken zouden er op dit uur, twee uur in de middag, mensen door de
winkelstraten lopen. Die waren er ook wel, maar niet heel veel. Ze zag dat
sommige winkels gesloten waren, geen best teken op deze planeet. Als winkels
sloten, betekende dat dat de mensen het aan het opgeven waren. Ze had niet
verwacht dat dat zo snel zou gaan. Natuurlijk zou ze er niets aan doen. Ze was
hier niet om in te grijpen. Langzaam liep ze verder, tot ze bij een grote kerk
kwam. Daar was een mis aan de gang, hoorde ze aan het gezang. Ze ging naar
binnen en nam plaats op de achterste bank. Het gezang was prachtig en even
droomde ze weg. Al snel was haar volle aandacht weer bij wat ze zag. Voor in de
kerk stond een Mariabeeld. Daar keek ze altijd graag naar. Ergens hadden ze wel
door dat zij en haar collega’s er waren, alleen hadden ze het niet helemaal
gesnapt. Het was ondenkbaar dat zij, of Rigna, Nadine of Rascha zich zo
deemoedig zou opstellen als deze Maria, die de mensen tot moeder van hun God
hadden benoemd. Hier tenminste. Er waren genoeg andere godheden op aarde, ze
waren bijna niet te tellen. En allemaal dachten ze dat ze de enige ware waren.
Ze moesten eens weten. In het midden van het schip zat die blonde man, waarvan
ze overal posters en foto’s zag. Ze wist wel wie hij was, maar het was nog niet
zo vaak voorgekomen dat ze hem van zo dichtbij zag. Hij zag er in zichzelf
gekeerd uit. Hij zong niet mee, als het publiek aan de beurt was, nee, hij
staarde maar naar dat Mariabeeld. Misschien dacht hij wel dat ze zijn moeder
was. Hoewel,dat was ook weer onwaarschijnlijk, want naast hem zat een forse
vrouw die hem af en toe een pepermuntje voorhield. Aan de manier waarop ze hem
toelachte, zag Mara dat zij zijn moeder moest zijn. Dat had ze zo geregeld bij
de geslachtelijke voortplanting. Moeders van alle diersoorten behandelden hun
jongen alsof het godsgeschenken waren, stuk voor stuk. Het maakte deze dieren
alert en agressief en dat gold vooral voor de evenbeelden. Ja,
ze hield van de kerk. Het was bijna de enige plaats waar ze niet zoveel
praatten. Dat was een vergissing geweest bij de constructie, dat zij ze dat
vermogen had gegeven. Ze hielden maar niet op. Ze voelde sterk de verleiding om
voorgoed in zo’n bos te gaan zitten, maar daarmee zou zij zichzelf tekort doen.
Ze moest alles ondergaan, tot ze weer een stap verder kon in de eeuwigheid. Geert
Wilders had hoofdpijn. Er was ineens zoveel wat op hem af kwam. Gisteren had
hij Hero Brinkman betrapt op een vluchtpoging. De onverlaat was bezig geweest
zijn koffer te pakken, alsof hij er zomaar tussenuit kon knijpen. “Je plek is
hier,” had hij met stemverheffing en overtuiging gezegd, maar van binnen
twijfelde hij. Als zijn eigen volgelingen al gingen vertrekken, hoe moest het
dan met het deel van Nederland dat hij nog moest overtuigen? Hij wilde het niet
horen, maar toch zei de stem in zijn binnenste af en toe dat hij de dingen
misschien toch een beetje verkeerd zag. Toch weigerde hij te geloven dat er
werkelijk een enorme emigratiegolf aan de gang was. Hij hield het erop dat dat
linkse propaganda was van journalisten die hem al jaren probeerden dwars te
zitten. Eigenlijk moest hij ze allemaal naar de camping sturen, maar dat zou de
schijn van ondemocratisch handelen op hem werpen. Dat wilde hij niet. Nu nog
niet tenminste. Het parlement was hij al kwijt, de Koran had hij al verboden en
hij moest niet de hele hand willen, als hem slechts een hand werd aangeboden.
Niet nu, tenminste. Dat kwam later wel. Hij
wreef over zijn hoofd en tastte met zijn andere hand in zijn bureaula naar een
paracetemolletje. Er lag van alles: pennen, dropjes, paperclips, maar zo’n
pilletje kon hij nergens vinden. Die secretaris van hem dacht niet mee, dat was
wel een tekortkoming. Hij zou hem daarop aanspreken. Maar eerst moest die
koppijn weg. “blurp”, hoorde hij ineens uit de hoek van zijn kamer komen. Hij
keek op. Iets groens. Hij sloot zijn ogen, wreef nog eens over zijn hoofd, en
keek weer. Het groen was nog steeds en pas nu zag hij dat het een klein,
vrouwachtig wezen was. Hij keek om zich heen om te zien of Hero misschien in de
buurt was, of iemand anders die een grap met hem wilde uithalen, maar hij zag
niemand. ‘Blurp?” deed het ding weer. Hij schoof zijn stoel een eind achter uit
en dacht aan wat zijn moeder in dit geval zou doen. Zonder aarzelen zou ze de
koekenpan pakken en het ongedierte de keuken uitjagen. Alleen was hij zijn
moeder niet. Alleen was dit de keuken niet, maar de zetel van de
Minister-president, de machtigste man van Nederland. En die kon niet toestaan
dat er zomaar een groen vrouwtje in zijn kamer zat. Hij stond op: “Wilt u
weleens snel maken dat u weg komt! En waag het niet om nog een keer met die
boerka aan mijn binnen te komen. Zeker niet zonder afspraak. Als u die wilt
maken, gaat u maar langs de secretaris.” “BLURP!” zei het wezen nu heel luid.
En plotseling was er niet slechts één groen wezen, maar scholen er tien in de
hoek. De ene begon de eerste op te vreten, snel werd het dier naar binnen
gewerkt, en toen werd die weer opgegeten door een volgende. Zo ging het maar
door, totdat er weer maar één was. Dat was niet dezelfde als de eerste. Hoewel
ze allemaal op elkaar leken, kon hij dat toch duidelijk zien. Het wezen kwam
dichterbij en sprong op zijn bureau. Het griste de notitie van zijn werkblad en
het begon te lezen. Het kon heel snel lezen, veel sneller dan hij het ooit had
geleerd. Het beest keek hem aan en begon heel hard te lachen. Het hield niet
meer op. Het rolde op haar rug, hield de armpjes voor de buik en lachte maar
door. Zonder dat hij het door had, was Geert Wilders helemaal naar achteren
gedrongen, met zijn rug tegen het raam. Hij keek naar links, hij keek naar
rechts, en het ongedierte lag nog altijd op zijn bureau te lachen. Hij schatte
de afstand tot de deur. Plotseling nam hij een sprong en voordat hij er verder
over na kon denken, was hij zijn kamer uit. “Hero,” riep hij, al rennend naar
de kamer van zijn trouweloze secretaris. “Er zit een marsmannetje in mijn
kamer! Ik bedoel, een marsvrouwtje! Oh, het is verschrikkelijk! Eerst was het
er een, toen elf en nu is het er weer een.” Hero Brinkman, die de gang was
opgelopen om te horen waar al dat lawaai goed voor was, keek hem verbijsterd en
tegelijkertijd bezorgd aan. Het
spoedkabinetsberaad was een half uur na de vlucht van Geert Wilders uit zijn
eigen werkkamer begonnen. Geert Wilders zat met zijn hoofd in zijn handen. Hij
kronkelde bijna van ellende. Mark Rutte en Maxime Verhagen keken hem aan. “Vertel
op, Geert,” begon Maxime Verhagen. “Wat zit je zo dwars. Het lijkt wel of je de
duivel in eigen persoon hebt gezien. Zo erg kan het toch niet zijn allemaal.
Wij zijn hartstikke goed bezig, zo met zijn drietjes. Dat er hier en daar een
crisisje is, dat is niet meer dan normaal.” “Het eigen initiatief is terug bij
de mensen, Geert. De geluksmachine is uitgezet, en niemand eet meer uit de
staatsruif. Tel je zegeningen, dat doe ik ook altijd als ik het moeilijk heb.”
Geert Wilders keek op. Zijn ogen waren rood en zijn haar stond rechtop, alsof
het door statische elektriciteit omhoog getrokken werd. “Het was een groen vrouwtje,”
zei hij. Maxime Verhagen en Mark Rutte wisselden een snelle blik. “Een groen
vrouwtje,” zei Maxime Verhagen. “Nu komen we ergens. Wat voor groen vrouwtje,
Geert? Was het een moslima in een kleurige boerka?” “Geen moslima,” bracht
Wilders met moeite uit. “Een monster, een monster was het, een monster dat
zichzelf verduizendvoudigt en dan alles opvreet en dan weer alleen is.” “Ik
denk dat de stress je teveel is geworden, kerel,” sprak Rutte. Hij stond op,
liep naar Wilders en klopte hem op de schouder. “Misschien moet je er even
tussenuit. Lekker kamperen, of skieën in Oostenrijk. Even helemaal niks. Jij
hebt erg veel gedaan de laatste jaren, het is heel normaal dat een mens dat niet
altijd volhoudt. Niks om je voor te schamen.” “Ach, rot op! Dat is het allemaal
niet! Ik ben heel stabiel, de stabiele regering bijna in mijn eentje! Er zit
echt een groen vrouwtje in mijn kamer. En ze lacht me uit. Kom dan kijken als
je me niet gelooft.” Hij stond op en Maxime Verhagen en Mark Rutte volgden hem
naar zijn werkkamer. Het
duurde even voordat Wilders de deur durfde te openen, maar na een minuut had
hij genoeg moed verzameld om dat toch te doen. Hij keek naar zijn bureau. Dat
was leeg. Al het papier was weg. Hij stapte naar binnen en keek om zich heen.
Nergens een spoor van het groene vrouwtje. Ook Verhagen en Rutte zagen niets.
“Kijk dan! Al mijn papier is weg!” Wilders wees naar zijn bureau. “Vanmorgen
heb ik nog zitten werken aan mijn speech voor
de camping van Oudkomers! Weg, alles is weg! Dat bewijst toch genoeg!
Groene vrouwtjes komen mijn werk demoniseren. Ze maken mij belachelijk. Ik kan
dat niet over mijn kant laten gaan.” Eindelijk had Wilders zijn oude zelf
hervonden. “Dat moet stoppen! Deze vergroening door zichzelf vermenigvuldigende
vrouwtjes moet stoppen!” Verhagen gaf Rutte een teken en terwijl Rutte naar de
gang verdween, legde Verhagen een arm om de schouder van Wilders. “Kom toch,
Geert. Je maakt het echt te dol. Ik weet dat jouw kwellingen slopend waren,
maar je moet nu toch inzien dat er geen sprake is van groene vrouwtjes. Ik zie
ze niet, Mark ziet ze niet, dus ze zijn er niet.” “Als jullie niet voor mij
zijn, zijn jullie tegen mij! Ik zal strijden en zegevieren of ten onder gaan.
Maar ik laat me niet uitlachen door die kleine duiveltjes. Ik niet, Maxime, ik
niet!” Op dat moment kwamen er twee broeders met een ambulance binnen, op de
voet gevolgd door de bedrijfsarts. “Nee!” riep Geert Wilders uit. “Dat doen
jullie nou altijd! Als jullie een verschijnsel niet begrijpen, dan komen jullie
met een medische oplossing. Ik laat mij dit niet doen, echt niet. Help! Mama!
Help!” Dat was het laatste wat hij kon zeggen voordat hij onder zeil ging door
het kalmeringsmiddel dat de bedrijfsarts zo vaardig in hem spoot. Hij werd
stevig op de brancard vastgebonden en nog geen twee minuten later ging de
ambulance met gillende sirenes in de richting van de psychiatrische afdeling
van het algemene ziekenhuis. Mara
stond op de stoep toen ze de ambulance voorbij zag komen. Dat is die blonde,
wist ze. De evenbeelden hier waren weinig bestand tegen tegenslag. Dat was een
foutje geweest in de productie. Op andere planeten was dat stukken beter
gegaan. Ze was wel nieuwsgierig wat die blonde nou uiteindelijk geveld had,
want die leek toch wel een aardig incasseringsvermogen te hebben. Ze zette
koers naar de raadszaal van het gemeentehuis van Venlo. Onderweg zag ze wat
verloren groepjes mensen lopen, bepakt en bezakt met wat ze dragen konden.
Iedereen leek deze uithoek te verlaten en dat was heel verstandig van ze, al
konden ze nooit precies weten wat hun boven het hoofd hing. Toen
ze er na een minuut of tien was aangekomen, ging ze het gemeentehuis binnen.
Overal hingen grote portretten van de blonde. Hoe noemden ze hem ook alweer? Oh
ja, Geert Wilders, de naam stond er steeds bij, alsof ze elkaar er steeds aan
moesten herinneren. De man was belangrijk geworden en zoals het dan altijd
ging, stond het land inmiddels aan de rand van de afgrond. Vreemd, dat deze
evenbeelden nog nooit de wetmatigheid daarvan inzagen. Ze had verwacht dat er
mensen zouden zitten werken in dit gemeentehuis, maar het was leeg. Alle
bureaus achter de loketten waren onbezet en er lag een laag stof op. Ze liep
een gang in. Door niemand werd ze tegengehouden. Ze stapte de kamer in met het
naambordje erop van de belangrijke man. Op het bureau zag ze zo’n groen
exemplaar zitten van RI666. Even was ze verbaasd. Toen dacht ze aan haar drie
collega’s en ze werd woedend. “Ze verpesten mijn hele experiment!” riep ze uit.
Het evenbeeld van RI666 lachte haar vriendelijk toe. Ach, die kon er niets aan
doen, waarschijnlijk. Ze moest zo snel mogelijk Rigna, Nadine en Rascha tot de
orde roepen. De
camping bij Venlo was aan het leeglopen. Dat kwam voornamelijk doordat ook een
groot deel van de bewakers het land uit was gevlucht, zodat iedereen nu
vrijelijk in en uit kon lopen. En er liepen er meer uit dan in. Henk was er nog
wel. Hij dacht er niet aan om zijn eigen land, dat hij door hard werken had
opgebouwd, te verlaten. Hij zat aan zijn welverdiende biertje voor de
bungalowtent, en las de sportpagina van de Telegraaf. Feyenoord had weer eens
met 20-0 verloren, en dat kwam deze keer omdat vier van de elf spelers tijdens
de wedstrijd naar huis waren gegaan. Waar moest het naar toe met dit land. Hij
hoopte dat Geert flink zou optreden tegen deze labberkakkerij, want het was
schandalig wat er de laatste tijd gebeurde. Het was ongetwijfeld een
samenzwering van de Linkse Kerk al kon hij er de vinger niet op leggen. Ingrid
kwam om de hoek. Ze knikte Henk toe en wilde naar binnen gaan. “Wacht eens
even,” zei Henk. “Ik wil even met je praten, Ingrid. Er zijn een paar dingetjes
die moeten worden rechtgezet in ons huwelijk.” “Oh ja? En dat had jij zo
bedacht? Dat er iets rechtgezet moest worden?” “Niet zo smalend. Het valt me de
laatste tijd op dat jij mij niet meer genoeg respect toont. Dat kan zo niet
langer doorgaan. Ik kan dat niet langer tolereren.” “Zo, kan meneer dat niet
langer tolereren? Nou, daar heb ik toevallig helemaal schijt aan, meneer! En ik
kan je nog wat vertellen: ik ga je verlaten. Ik ga met Rosa naar Casablanca.
Geweldig mens is dat. Ze is als een moeder voor me.” Henk sprong op en ging
vlak voor Ingrid staan. “Daar ga ik niet mee akkoord!” riep hij uit. “Jij
blijft gewoon bij mij. Ik ben je man, je wettige echtgenoot, aan wie jij
gehoorzaamheid schuldig bent!” Ingrid deed een stap achteruit. “Je stinkt uit
je bek, daar moet je eens wat aan doen. En verder kan ik je vertellen dat ons
huwelijk is ontbonden.” “Wie zegt dat? Dat kan je niet zomaar doen?” “Oh ja
hoor, dat kan ik best zomaar doen en dat is ook precies wat ik ga doen. Ik heb
er helemaal genoeg van, want jij bent een lul van de bovenste plank. Dat had ik
jaren geleden al moeten inzien.” Ze ging naar binnen en stopte haar kleren in
een grote tas. Henk bleef voor de tent staan met zijn mond open. Zo trof
Minister Rita, die nog steeds patrouilles liep, hem aan. ‘Minister Rita…,”
bracht Henk met moeite uit. “Ingrid gaat mij verlaten. Ze gaat er gewoon
vandoor! Kan daar nu eens niet iets tegen gedaan worden? Het is toch te gek
voor woorden dat de overheid dit zomaar pikt?” “Tja,” begon Minister Rita. “Het
is jammer, Henk, maar ik vrees dat er weinig tegen te doen is. We hebben niet
genoeg mensen meer om de camping te bewaken en ik voor mij pas er voor om in
mijn eentje iedereen te gaan tegenhouden. Iedereen moet haar eigen leven maar
vorm geven. Als dat betekent, dat mensen zich volksvreemd gaan gedragen, zoals
blijkbaar aan de hand is met Ingrid, dan is dat maar zo. Leer er maar mee
leven, Henk. Het komt allemaal wel weer goed. Ik denk dat het tijd wordt dat ik
me ga bemoeien met het bestuur van dit land.” Henk sloeg verbijsterd zijn hand
voor de mond. “Ooooh, Minister Rita! Dat kunt u toch niet zomaar zeggen? En
Geert dan?” Minister Rita snoof vol
verachting. “Ach, die Geert. Die zit op de psychiatrische afdeling van een
algemeen ziekenhuis. Die ziet ze vliegen. Of niet precies vliegen, maar het
verhaal gaat dat hij groene vrouwtjes ziet, dan weer duizenden, dan weer maar
één. Er is geen touw aan vast te knopen, wat die man beweert. En ik kan je dat
nu wel in vertrouwen vertellen, Henk, maar ik heb nooit veel in de man gezien.
Hij ontbeert mijn rechtdoorzeeheid, om maar wat te noemen. En dat breekt het
land nu op.” Minister Rita legde haar
handen op haar rug en kuierde door. Ingrid kwam de tent uit. “Ga eens opzij,
lamlul, ik ga weg.” Henk was compleet sprakeloos. Op
wat comfortabele wolken, vlak boven Nederland, lagen de drie Godinnen op hun
gemak te genieten van wat ze aan het aanrichten waren. “Kijk, die blonde mutant
ligt aan de ketting, erg trouw zijn ze daar beneden niet,” zei Rigna. Nadine en
Rascha volgden haar blik. Daar, op de bovenste verdieping van ziekenhuis Venlo,
lag Geert Wilders aan een ketting in de isoleercel. Hij was slechts gekleed in
een sportbroekje en een hemd. Hij hield geen moment zijn mond, en raaskalde
maar door over groene vrouwtjes die het binnen de kortste keren voor het zeggen
zouden krijgen als er niet werd opgetreden. “Hij is grappig,” zei Rascha. “Heel
grappig. Hee, kijk nou toch, Mara loopt bij dat ziekenhuis.” “Wat beent ze daar
stevig, het lijkt wel of ze kwaad is.” “Waarom zou ze nou kwaad zijn? Ze moet
juist blij zijn dat wij voor wat vertier zorgen daar beneden. Het werd maar een
eentonige boel.” Mara
voelde dat ze vanaf de wolken in de gaten werd gehouden. Ze balde haar vuist en
schudde die naar de wolken. “Ik zal jullie krijgen!” riep ze. “Ik vergeef
jullie nooit dat je hier alles verpest voor mij! Hoe krijg ik die blonde daar
nou weer weg? En zijn jullie nu helemaal bedonderd om de evenbeelden van RI666
hiernaartoe te halen? Ik heb geen idee hoe dat gaat uitpakken en in ieder geval
verpest het alles wat ik van plan was.”
“Oei! Ze is echt boos,” zei Nadina. “Dat zeg ik toch, ze is altijd veel
te serieus. Ze moet echt eens wat meer lol maken, want anders komt ze de
eeuwigheid niet door.” “Ik ben benieuwd wat er dan zou moeten gebeuren met
RI666-wezens. Het is toch zo duidelijk als wat: ze leven drie dagen, splitsen
zich dan in tienen, en dan vreet de een de ander op, totdat er weer een over
is. Ik vind dat een heel mooi concept. Zo zorgen ze voor hun eigen voedsel en
ze leven niet lang genoeg om al teveel aan het leven te gaan hechten. In
tegenstelling tot die van aarde. Jezus, wat zijn die slecht in loslaten. Zelfs
als er niks meer is om voor te leven, blijven ze er nog aan hangen.” “Tja,
dat is wel zo, maar misschien moeten we voor de zekerheid toch maar onze
excuses aanbieden aan Mara. We hebben er natuurlijk niks aan als ze kwaad op
ons blijft.” “Ach, het waait wel weer over. Binnen de kortste keren vindt ze
die nieuwe wendingen daar heel interessant en dan hoor je haar niet meer over
ons kleine experimentje.” “Dat is waar,” zei Rigna. “We wachten af, we wachten
af.” De
moeder van Geert Wilders liep de lange gang van de psychiatrische afdeling
door. Ze droeg twee grote dozen en haar gezicht stond bezorgd. De verpleging
had haar eerst niet willen doorlaten, want contact met zijn verleden, zou zijn
herstelkansen verslechteren, maar dan kenden ze moeder Wilders nog niet. Ze had
net zo lang gesmeekt en gedreigd tot ze haar hadden laten gaan. Helemaal
aan het einde van de gang was een deur. Daar moest hij zijn. Ze opende de deur
en keek naar binnen. Er hing een ontzettende stank en in de hoek hing haar jongen,
in zijn sportbroekje en hemd met een keten om zijn hals. Hij zat vast aan de
muur. De ketting was zo’n drie meter lang en bood niet veel bewegingsvrijheid.
Ze schrok toen ze hem zag, maar het was zaak dat niet al te erg te laten
merken. Dat zou hem maar ontmoedigen. “Zo jongen,” sprak ze warm. “Ik heb twee
vlaaien voor je meegebracht, want ik dacht die kun je wel gebruiken. Vertel
eens, hoe gaat het nu? Ben je al een beetje opgeknapt.” Geert Wilders keek zijn
moeder wazig aan. “Nee,” zei hij. “Natuurlijk ben ik niet opgeknapt. Ze houden
mij hier wederrechtelijk vast. Het is een schandaal. Waar is de vrijheid van
meningsuiting gebleven? Ik zeg alleen de waarheid en de waarheid is dat er
enge, groene vrouwtjes in mijn werkkamer zitten. En daarvoor zetten ze me vast!
Doe wat moeder!” “Nou, jongen, ik denk toch dat ze het beste met je voor
hebben, hoor. Het is ook niet niks, groene vrouwtjes in je werkkamer. Dat is
toch nog een gevolg van die klap op je achterhoofd, van toen je nog klein was.
Als je goed doet wat de dokter zegt, knap je vanzelf weer op.” Geert Wilders
stoof naar voren, maar werd tegengehouden door de keten om zijn hals. “Doen wat
de dokter zegt? Ik zie hier helemaal geen dokter. Ik heb er al zes keer om
gevraagd, maar ze zeggen dat daar geen tijd voor is. Over anderhalve maand ben
ik aan de beurt. Ze werpen mijn vreten hier naar binnen en dat is dan dat. Het
is een grof schandaal dat mensen in dit land zo behandeld worden.” “Tja,” zei
zijn moeder. “Er werken hier ook niet zo heel veel mensen hoor, en ze hebben
het allemaal heel druk. Dat zei de portier daarstraks nog tegen mij. Wat werk
betreft kunnen ze nog wel een paar honderd mensen gebruiken, maar het geld is
er niet meer. Soms moet je je bij de dingen neerleggen, jongen. Het is nu eenmaal
niet anders. Straks zal ik wel even aan de portier vragen of ze nog een zacht
kussentje voor je hebben. Dan lig je wat lekkerder.” Wilders kreunde. Het
huilen stond hem nader dan het lachen. “Als mijn eigen moeder mij niet meer
gelooft, waar blijf ik dan?” vroeg hij. “Je eigen moeder weet maar al te goed
wat het beste voor je is, want zij kent je als geen ander. En als jij begint
over groene vrouwtjes die niet bestaan, vindt jouw eigenste moeder dat jij een
tijdje rust nodig hebt! Luister nou voor een keer eens, jongen. Vroeger was je
ook al zo slecht in luisteren. Nou, ik heb nog een hoop te doen vandaag, dus ik
moet weer gaan. Eet maar lekker die vlaaien op en geef ook een stukje aan je
vrienden hier. Het kan nooit kwaad om vriendschap te sluiten. Dag jongen, tot
volgende week.” Wilders’ moeder kuste hem op de wang en verliet de kamer. “Zo,”
zei Mark Rutte. “Dat is maar net goed afgelopen. Hij ging echt denken dat hij
het voor het zeggen had, is je dat opgevallen?” Maxime Verhagen knikte. “Ja,
doodeng gewoon. Nog even en wij waren helemaal niet meer aan bod gekomen. Ik
had gedacht dat we hem wel zouden kunnen neutraliseren door hem mee te laten
doen, maar nee hoor, meneer krijgt steeds wildere denkbeelden.” Rutte stond op en keek uit het raam. “Het is
zo vreemd stil buiten,” zei hij. “Heb jij enig idee hoe dat komt? Het lijkt wel
of de mensen allemaal binnen blijven.” “Volgens mij zijn de mensen er niet
meer,” zei Verhagen. “Dat hoor ik tenminste, dat ze vertrekken. Wilders zag dat
als linkse propaganda die erop uit is om hem uit het zadel te wippen, maar
kennelijk schuilt er toch een kern van waarheid in die geruchten.” Er werd
aangeklopt. Hero Brinkman kwam binnen. “Mevrouw Rita Verdonk meldt zich,
heren.” Rutte en Verhagen keken elkaar aan. “Heb jij een afspraak met haar?”
vroeg Rutte. “Nee, natuurlijk niet,” zei Verhagen. “Ik was net zo blij dat ik
van haar af was. Moet ze niet in dat kamp werken?” Op dat moment trad Minister Rita binnen. Ze
zette haar boodschappentas op de stoel van Geert Wilders en deed haar zuiver
scheerwollen mantel uit. “Dag jongens,” zei ze. “Ik kom jullie en het
Nederlandse volk uit de brand helpen. In mijn rechtdoorzeezijheid heb ik door
dat hier een vrouwenhand mist. Het land loopt leeg, de camping ook tussen twee
haakjes, want alle bewakers zijn geëmigreerd, en nu dacht ik zo dat ik het tij
maar eens moet komen keren. Mark, je speelkwartiertje is voorbij. Jij schrijft
voortaan maar netjes op wat ik te zeggen heb, zodat je je toch nog een beetje
nuttig kunt maken.” Een volle minuut lang wist Mark Rutte niet wat hij moest
zeggen. Zij hoofd werd knalrood en zijn ogen pikzwart. “Begin je weer, dikke
troel!” barstte hij toen uit. “Ik dacht dat we dit een paar jaar geleden wel
gehad hadden! Het VVD-congres heeft mij tot leider gekozen en niet jou!” “Dat
kan best zo zijn,” betoogde Minister Rita. “Maar ik had de meeste stemmen,
verreweg de meeste, dus het natuurlijk leiderschap kwam mij gewoon toe. Maar
als een jaloers kind heb je mij de partij uitgewerkt. Nou, ik kan je zeggen,
Mark, het heeft niet gewerkt, want hier ben ik weer.” “En je kunt weer gaan,
Rita!” gilde Mark Rutte. “Ik kan je niet luchten of zien. Ik moet niks van je
hebben. Je bent een vreselijke intrigant!” “Tuttut, ik zou maar een beetje
bedaren. Misschien moeten we nog eens verkiezingen uitschrijven, kijken wie er wint
nu Geert er niet meer is. Ja, laten we dat doen! Ik denk dat de zaken dan wel
duidelijk worden. Voor nu, heren, zal ik het voorzitterschap op me nemen. Als
ik straks officieel ben benoemd tot Minister-president, of wie weet, tot gewone
president, mag jij naar het secretariaat. Je bent een keurige jongen, maar een
domme jongen.” Maxime Verhagen, die zich tot dan afzijdig had gehouden, zoals
hij geleerd had van zijn leermeesters bij het CDA, sprak: “Dame, heer, zo komen
we niet verder. Ons land is in crisis en ik denk dat we er goed aan doen om ons
dat te realiseren. Ik stel voor dat ik, als vicepremier, naar de koningin ga om
een voorstel te doen voor de nieuwe regering.” Minister Rita en Mark Rutte
keken hem aan. Het ontging ze dat hij een klein, maar oh zo duivels glimlachje
om zijn mond had. Hare
Majesteit de koningin, Beatrix, dronk thee in haar werkpaleis. Ze was nog niet
zo lang terug van de Keizersgracht en het liefst was ze ook niet teruggekomen.
Ze had schoon genoeg van dit land, maar als goede vorstin hield ze dat voor
zich. Zojuist was het bezoek van Maxime Verhagen aangekondigd. Hij zat in de
hal te wachten. Nu, daar moest hij maar even blijven, ze had geen zin om zich
steeds te laten overvallen door die proleten uit Venlo. Ze moest zichzelf wel
bekennen dat ze opgelucht was dat Geert Wilders was ingesloten. Eigenlijk kon
ze die man niet zien zonder dat een vaag gevoel van misselijkheid haar
overviel. Ze wist maar al te goed hoe ze aan de constitutie was gebonden, maar
ze zou graag hebben gezegd dat ze hem niet wilde zien in haar domein. Maxime
Verhagen mocht ze ook niet, met dat achterbakse glimlachje om zijn mond, maar
daar kwam tenminste nog zo heel af en toe wat fatsoenlijks uit. “Laat hem maar
binnen,” zei ze tegen haar hofdame, Anaxia. “Hij heeft nu wel lang genoeg
gewacht. Ik zal dat gezever wel even aanhoren, het moet dan maar.” “Goed, Hare,
zet hem op,” zei Anaxia. Even
later kwam Maxime Verhagen glimlachend de kamer binnen. Hij reikte de majesteit
zijn hand, maar ze deed alsof ze het niet merkte. “Kopje thee?” vroeg ze.
“Graag, majesteit, een kopje thee zal mij verwarmen, het is erg frisjes buiten.”
Beatrix zette een kopje thee voor hem neer en vroeg: “Zo, en welke belangrijke
boodschap brengt u hier?” Verhagen nipte van zijn thee. Het was veel te sterk.
Hij had zijn thee het liefst met melk en suiker, maar dat durfde hij niet te
zeggen. “Zoals u weet, is de heer Wilders helaas opgenomen op de psychiatrische
afdeling van het ziekenhuis Venlo.” Beatrix knikte. “Ja, wat was het ook weer deze
keer? Groene vrouwtjes in zijn werkkamer dacht ik. Nou, je zal er maar mee
gezegend zijn, met zo’n hallucinatie.” “Het is inderdaad heel droevig,
Majesteit. Zo zie je maar, ook de groten onder ons kan van alles overkomen.
Gelukkig wordt hij nu goed behandeld. Het ziekenhuis Venlo staat goed bekend.
Maar daar kom ik niet voor. Ik ben vicepremier, zoals u uiteraard weet en ik
kom uw advies inwinnen over hoe we nu verder moeten. Het ziet ernaar uit dat
onze Minister-president langere tijd uit de running zal zijn, en we moeten
natuurlijk toch door op de ingeslagen weg.” “De ingeslagen weg?” vroeg Beatrix,
terwijl ze haar wenkbrauwen optrok. “De resultaten zijn niet echt om naar huis
te schrijven, is het niet? Werkloosheid, grootscheepse emigratie, noem maar op,
het mag wel een onsje minder zou ik zo denken.” Verhagen knikte. “Ja,
majesteit, ik kan me wel voorstellen dat u zo denkt. Aan de andere kant is het
natuurlijk zo, dat het allemaal zijn tijd nodig heeft. We hebben heel veel
omgevormd en het zal zeker beter gaan in dit land dan ooit het geval is
geweest, maar dat moet je de tijd geven.” “Nou, we zullen zien, ik voor mij had
graag een wat sneller resultaat gezien. Neem me niet kwalijk dat ik het zeg,
maar het lijkt erop dat er toch voornamelijk wordt afgebroken.” “Oh, maar dat
is beslist niet zo! De belastingdruk is enorm teruggebracht. Ook Oudkomers
worden ingeburgerd. De problemen met de moslims bestaan niet meer. Alleen, de
economie, ja, dat ligt wat lastiger, want daarvoor zijn we te zeer afhankelijk van
het buitenland.” “In het buitenland gaat het anders steeds beter.” “En het kan
niet anders, of dat slaat ook over naar hier. Maar wat ik wou zeggen: nu de
heer Wilders dus voorlopig niet terugkomt, wou ik het premierschap maar over
nemen. Ik offer mij graag op en ik denk dat dat de juiste manier is om toch een
behoorlijk bestuur te garanderen in dit land.” “Is dat zo? Nou, dat moeten we
dan nog maar eens zien. Zouden er zo langzamerhand niet eens verkiezingen
gehouden moeten worden?” “Nee, nee, dat vertraagt en compliceert de toestand
alleen maar. Het is bovendien ook nog zo dat de heer Rutte en mevrouw Verdonk
elkaar weer in de haren zitten. Mevrouw Verdonk vindt dat zij het voor het
zeggen heeft.” “Ja, dat schijnt iedereen daar in Venlo te denken. Voor het
moment ga ik maar akkoord met uw voorstel, want als ik het aan uw collega Rutte
overlaat, blijft hij bezig met interne partijconflicten. En dat in een partij
die niet eens meer bestaat, maar goed, ik kijk nergens meer van op natuurlijk.
Ik verwacht u over een maand weer terug. Dan zullen wij de resultaten bekijken.
Als die niet goed zijn, wil ik verkiezingen. En daarmee basta!” Maxime
Verhagen stond op en liep achteruit, buigend als een knipmes, de kamer uit.
“Dank u, majesteit,” prevelde hij. “Grote dank, grote dank.” “Goddank,
hij is weer weg,” zei Hare Majesteit de Koningin tegen haar hofdame Anaxia.
“Soms zou ik willen dat de tijden van voor de constitutionele monarchie weer
terug waren. Kon ik tenminste alles zelf doen in plaats van die stoethaspels te
moeten gaan aanhoren.” “Ach, Hare, dat wilt u niet echt,” zei Anaxia, die de
vorstin al van jongs af aan kende. “Net als bij uw moeder klopt in uw binnenste
een waar democratenhart.” Beatrix knikte. “En toch vraag ik me af of dat wel
werkt, die democratie. Maar goed, het is bijna gedaan met dit land, dus waar
maak ik me druk om. Het gaat er nu om dat iedereen op tijd het land uit komt.
Dat is zo gemakkelijk nog niet. De dames Greet en Wilma doen erg hun best, maar
ze lijken niet heel veel mensen tot vertrek te kunnen bewegen. Het is waar, het
land loopt leeg, alleen niet snel genoeg.” “Waar gaat u heen, Hare?” “Weet ik
nog niet. Ik voel wel wat voor Californië, want ik ben die regen hier ook meer
dan zat. Maar ik zal als laatste het schip verlaten. Zo ben ik dan ook wel
weer, al mag ik dan niks meer in te brengen hebben.” Beatrix nipte van haar
thee. Ineens kwam er iets groens in haar blikveld. Ze knipperde met haar ogen
en keek nog een keer in de hoek. Ja, het was waar. Daar zat een groen vrouwtje
te glimlachen. Zou het besmettelijk zijn? “Anaxia, kijk eens in die hoek daar,”
vroeg ze, terwijl ze haar kalmte probeerde te bewaren. Anaxia deed wat haar
werd opgedragen en een tel later was ze gillend op de salontafel gesprongen.
“Een beest! Een eng beest!” riep ze uit. “Anaxia, doe niet zo hysterisch,”
sprak de vorstin bedaard. “Het is een gast. Komt u eens hierheen, mevrouw.”
Sprak ze tot het groene wezen in de hoek. Het vrouwtje kwam dichterbij.
“Blurp?” deed ze vragend. “Kom nou, mevrouw,” vermaande Beatrix. “U komt
overduidelijk van buiten aarde, vast en zeker van een planeet waar de
wetenschap ver gevorderd is, veel verder dan onze planeet ooit zal geraken, dus
u maakt mij niet wijs dat u geen Nederlands spreekt.” Ondertussen was Anaxia
van de salontafel gesprongen. Zij had zich achter haar vorstin opgesteld. Het
vrouwtje zei: “Inderdaad, ik spreek Nederlands. Alle talen trouwens hier op
aarde. Zelf hebben wij er veel meer. Wij veranderen van taal zoals jullie van
kleding veranderen.” “Kijk,” reageerde Beatrix. “Dat is al een stuk beter.
Goed, waar komt u vandaan en wat komt u doen?” Het kleine vrouwtje kwam
dichterbij. Ze was echt knalgroen, en ze had een naakte huid. Niet dat dat
obsceen stond: op de een of andere manier was duidelijk dat het vrouwtje geen
kleding behoefte. Wat zou dat gemakkelijk zijn als wij dat ook niet hoefden,
dacht Beatrix. Ik krijg zo genoeg van voor elke gelegenheid weer die
klerenmaker over de vloer te hebben. “Ik kom van RI666, oh, Grote Godin!” zei
het vrouwtje. “Ik ben x136987, en na mij komt x136988, dat staat morgen te
gebeuren. Wij komen uw planeet onderzoeken. Het is iets wetenschappelijks, een
groot project waar heel RI666 achter staat.” “Ach, u bent wetenschapper..Die
draag ik een warm hart toe. U bent hier heel welkom, zeker in dit land, waar
het oog voor de wetenschap ernstig verblind is. Maar gaat u zitten en neem een
kop thee. Ik voor mij zou graag horen hoe het er op uw planeet aan toe gaat.”
X136987 van RI666 liet zich dat geen twee keer zeggen. Gretig nipte ze van haar
thee en ze stak van wal: “Onze planeet is oud, heel oud. Er wonen heel veel
iksen, zoveel dat de tel bijna niet is bij te houden. Het grappige is dat we
allemaal maar drie dagen leven. Kort, zou u zeggen, zeker als je dat vergelijkt
met die tachtig of negentig jaar dat uw soort hier rondloopt, maar het is
voldoende. Een groot voordeel voor ons is ook dat we niets hoeven te leren. We
hoeven niet op te groeien, want we maken allemaal gebruik van hetzelfde
collectieve bewustzijn. Dat is heel handig. Ik ben iedereen en iedereen is ik.
We houden veel van onderzoek. Al tijden waren we van plan om eens wat verder te
reizen dan onze manen, maar dat was erg ingewikkeld. Tot vorige week, toen
X7507 ineens het ei van Columbus vond en een raket ontwierp met warpsnelheid.
Maar goed, daar hebben we dus heel erg lang over gedaan. Het leven bij ons is
vredig. We worden geboren, splitsen ons, en we gaan weer dood. In de tussentijd
doen we niet veel meer dan nadenken en het resultaat daarvan toevoegen aan het
collectieve bewustzijn. Ik heb het de laatste dagen eens aangekeken hier, maar
het lijkt erop dat de bewoners nogal ontevreden zijn. Dat verbaast ons iksen.
Ze hebben zoveel te doen, daar kan je gemakkelijk tachtig jaar mee zoet
brengen. Je begrijpt ergens niet dat ze tijd overhouden voor problemen. Wij
hebben die ook niet. Zoals ik al zei, bij ons is er vrede. Anders dan hier
hebben we geen regeringen. Wij worden rechtstreeks bestuurd door de Godinnen.”
Hier onderbrak Beatrix X136987. “Wacht even, zegt u daar, Godinnen? Die kennen wij hier niet.
Ik voor mij geloof in Jezus Christus de Here God.” “Nou, jullie kunnen ze wel
niet kennen, maar ze zijn er echt, hoor. Waarschijnlijk liggen ze boven op een
wolk te kijken wat er nu gebeurt bij jullie. Zo zijn ze wel. Ze komen ons niet
heel vaak bezoeken. Dat is niet nodig, omdat zoveel hetzelfde blijft bij ons.
En dankzij ons collectieve bewustzijn hebben we nooit conflicten, dus er valt
niet veel op te lossen. Wij zijn wel heel nieuwsgierig. Wij willen het hele
heelal ontleden, kijken waarom het is zoals het is, dus we hopen dat we nog
veel meer planeten kunnen bezoeken.” Plotseling keek het vrouwtje bedroefd naar
haar handen, waar aan elke hand acht vingers zaten. “Nu is het wel zo, als ik
hier zo rondloop, wil ik eigenlijk langer leven. Dat is heel vreemd, want
eigenlijk besta ik niet, niet als, hoe noemen jullie dat hier, individu. Nee,
ik maak deel uit van een geheel, maar ergens voel ik me steeds meer een
afzonderlijk stukje. Heel vreemd. En dan wil je niet meer opgaan in de massa
van RI666. Een beetje wanhopig maakt me dat wel, want morgen ga ik
reproduceren, zoals ik al zei, en dan komt X136988 in mijn plaats.” “Het is nu
eenmaal zo, dat we allemaal worden beďnvloed door de omgeving waarin wij
verkeren,” sprak de onverzettelijke vorstin. “Ik ben natuurlijk ook een product
van mijn omgeving. Uw probleem is echter lastig op te lossen, vooral ook omdat
er zo weinig tijd is. Morgen zegt u. Dat is wel erg snel.” X136987 haalde haar
schouders op. “Weet ik ook wel,” zei ze zacht, “Maar dat is zo de droefenis die
je aan het eind van je leven kan overvallen, alsof alles voor niets is
geweest.” “Ja,” sprak Beatrix. “Ik ken dat maar al te goed. Het is de melancholie
die bij de oude dag hoort. Maar u moet uw laatste uren er niet door laten
verpesten. Ik kan niets beloven, maar ik ga toch proberen of ik iets aan uw
toestand kan doen. Je weet maar nooit.” Maxime
Verhagen ging de raadszaal in, waar Mark Rutte al zat te wachten. Hij keek de
zaal door en vroeg: “Is ze weg?” Mark Rutte knikte. “Maar niet voor lang, vrees
ik. Ze zei dat ze haar spullen ging halen op de camping. Dan trekt ze voorlopig
hier in, want ze zal het wel druk krijgen, tenminste dat zei ze.” De hele
middag had hij de pest al in. Nooit, nee nooit kwam hij van dat mens af. Toen
Geert Wilders haar een functie had gegeven bij de campingbewaking dacht hij dat
ze haar draai wel zou vinden en haar missie om het Nederlandse volk naar de
ware weg te leiden, wel zou opgeven. Maar nee hoor, ze begon gewoon weer over
die verkiezingsuitslag van jaren geleden. Ze vergat zeker dat ze bij de laatste
verkiezingen geen enkele zetel had gewonnen, met haar Trots op Rita. Alleen
omdat ze ooit wel stemmen had gekregen, met haar botte gebral in de media,
dacht ze dat ze voor eeuwig recht had op een machtspositie. Nou, hij zou haar
krijgen! Ze moest niet denken dat ze hem omver kon krijgen. De vorige keer had
hij haar lang haar gang laten gaan, dat zou hij nu zeer beslist niet doen. “Ben
je er nog, Mark? Je kijkt zo afwezig?” vroeg Maxime Verhagen. “Hč, oh ja, ik
was even in gedachten, sorry, Maxime. We moeten maar vaart maken met de
herstructurering van Nederland. Wie weet komt Geert weer terug en dan begint
alles weer van voor af aan.” Plotseling zette hij grote ogen op terwijl hij
naar de vensterbank keek. Daar zat een groen vrouwtje. Had die Geert Wilders
dan toch gelijk? Werd de aarde overspoeld door groene vrouwtjes? Maxime
Verhagen volgde zijn blik. “Zie jij wat ik zie?” vroeg Rutte. “Ja,” antwoordde
Verhagen. Hij kon zijn ogen niet van het wezen op de vensterbank afhouden.
“Hébben we dit officieel gezien?” “Nee, wij hebben dit helemaal nooit gezien.
Wilders ziet spoken en daar houden we het op.” Als één man stonden Verhagen en
Rutte op en maakten dat ze wegkwamen. In
een Vinex-wijk vlakbij Utrecht had niemand door wat er aan de hand was.
Natuurlijk, er kwamen ineens veel meer werklozen, de toevoer van voedsel werd
gestremd, ziekenhuizen werden gesloten zodat veel mensen overleden voordat ze
goed en wel behandeld werden. Maar toch ging het leven daar tot op zekere
hoogte zijn gewone gang. ’s Morgens kwamen mensen om een uur of acht naar
buiten om in hun auto te stappen. Weliswaar stapten ze steeds vaker op hun
fiets, want met de inkomsten ging het ook niet echt goed, maar ze bleven
vertrekken. Wat ze dan gingen doen, was onduidelijk. Heel soms gingen ze naar
hun werk, tenminste, de paar bewoners die nog werk hadden. De andere fietsten
waarschijnlijk maar wat rond in de wijk. Dat was nog een hele klus want die
wijk, waar alle woningen dicht op elkaar waren gebouwd zoals in alle
Vinexwijken, was je zo om gefietst. En je kon niet te vaak door je eigen straat
komen. Immers, je was aan het werk, het was van het grootste belang dat
iedereen dat bleef geloven. En iedereen geloofde het, ook al geloofden ze het
tegelijkertijd niet omdat ze zelf de kluit aan het belazeren waren. ’s
Avonds, na het eten van gehaktballen en karbonades, gingen ze televisie kijken.
Er was een keur aan zenders, hoewel de publieke omroep al tijden geleden was
afgeschaft. Maar wie zat er nu te wachten op dat halfzachte culturele gedoe.
Meestal keken ze wel even naar het Geert-nieuws en toen een paar dagen geleden
duidelijk was geworden, dat de zo geliefde Minister-president was opgenomen in
een inrichting, was er een schok van ontzetting door de wijk gegaan. Maar men
wende snel. Als er ergens mensen bestonden die zich heel snel aanpasten, dan
waren het wel de bewoners van de vinexwijken. Voor hun veranderde nooit iets,
ook al veranderde alles. Als er plotseling een vreemde, bloeddorstige
mogendheid de wijk was binnengevallen, hadden ze dat ook ingepast in hun
dagelijks leven. Ja, het zou zelfs zo zijn dat de vijandelijke soldaten binnen
de kortste keren Vinex-bewoners zouden worden. Want zo slokte het je op, het
Vinex-leven. Het was een zwart gat in het stadsleven, waar alle leven en vooral
alle creativiteit werd doodgeslagen of werd omgezet in een eeuwigdurende
verveling. Niemand vond dat erg. Integendeel, het was juist de zucht naar de
verveling die de mensen uit de binnenstad naar deze locatie had gedreven. Nooit
verandering. Altijd alles hetzelfde. Altijd alles heel keurig. De
huizen waren op het oog ruim, maar in feite waren het meer een soort
konijnenhokken dan plaatsen die geschikt waren voor mensen. De plafonds waren
laag, de trappen stonden midden in de huiskamer, de keuken was ook middenin de
kleine huiskamer. De slaapkamers, drie meestal, heel soms vier, kwamen uit op
een kleine overloop. Zo was niemand in zo’n huis ooit alleen. In de slaapkamers
moest je fluisteren om niet door de rest van de bewoners gehoord te worden, de
geur van het koken drong door het hele huis heen. En nergens, nergens was
plaats om even met rust te worden gelaten. Zelfs in het schuurtje niet. In de
huizen zelf was namelijk geen bergruimte, dus het schuurtje stond stampvol met
fietsen, de extra koelkast, de kasten met winterkleding als het zomer was en de
kasten met zomerkleding als het winter was. De vinexmensen wilden ook niet met
rust worden gelaten. Stel je voor dat ze hadden moeten luisteren naar de stilte
in hun hoofd, die allengs veranderen zou een schreeuw van protest en wanhoop
over zo een zinloos en uitzichtloos bestaan. Nee, dat wilden ze niet. Als ze de
hond uit gingen laten, vroegen ze of de buurman meeging, zodat ze onderweg gezellig
konden babbelen en ze gingen met de buren of met familie die ook in de wijk
woonde naar één van de sportzalen. Die waren er in overvloed. Er was geen
bibliotheek, geen boekwinkel en behalve de Chinees geen restaurant, maar er
waren wel sportzalen en sportvelden. Iedereen zat op een sport. En iedereen die
boven de veertig was, zat in het bestuur van een sportclub. Zo hadden de mensen
toch wat om handen en ze bewogen nog eens. Op de lokale tv waren er allerlei
medische programma’s die gingen over gezond leven: bewegen, niet roken, niet
teveel eten. Eigenlijk was het het gezondste om helemaal niet te leven, maar
dat ging de voorlichters waarschijnlijk te ver. De vinexmensen deden hun best,
al lukte het lang niet altijd. Er waren zoveel verleidingen. Zo waren er de
verjaardagen. Altijd als er iemand jarig was, kwamen familie en vrienden
bijeen. De hele avond zaten ze in een kring in een van de benauwde huiskamers,
die nog eens benauwder werden doordat altijd een paar mensen een sigaret op
staken. Zo’n verjaardag begon rustig, met het uitwisselen van de
vakantieplannen, en hoe het met de kinderen ging. Maar om een uur of negen kwam
de drank op tafel, ook zoiets wat ongezond was, zeker door de week, maar ach,
een mens mocht toch wel eens wat. Zo om een uur of elf, als de verjaarsgasten
wel wat veel hadden gemogen, werd het gezelschap luidruchtiger. In vroeger
jaren, voor de eenentwintigste eeuw toen alles nog veilig en duidelijk was,
ging de discussie meestal over voetbal. Of anders over dat er nooit wat op
televisie was. Maar sinds de jaren nul praatte men over politiek. Of over wat
ze onder politiek verstonden. In deze jaren kwam het gedachtegoed van Geert
Wilders vaak ter sprake, al was het niet zo heel duidelijk wat dat gedachtegoed
dan precies was. Over één ding waren de gasten, ondanks alle stemverheffing en
een enkele vuistslag, het altijd eens: alles moest blijven zoals het was en dat
kon bereikt worden door alles wat vreemd was buiten de grenzen van de vinexwijk
te houden. Niet
alleen op verjaardagen sloten ze wat dat betreft de rijen, ook in de winkels,
op de hoek tussen de beschuit en het brood, bevestigden ze op die manier hun
eensgezindheid. Daarom
was de maandag, waarop Mara de wijk binnen wandelde, een maandag die de
Vinexmensen nooit zouden vergeten. De mensen die aan de rand van de wijk
woonden, hadden haar al gezien toen ze langs de brede hoofdlaan liep. Ze hadden
het hoofd geschud om de vrouw met lang grijs haar en gekleed in een veel te
grote manchester broek en een denim spijkeroverhemd, dat ook niet echt paste.
De ochtenden, met alle haast om weg te komen uit de woninkjes, leenden zich
niet erg voor het alarmeren van hun buurtgenoten, maar de mensen merkten Mara
op en ze maakten in hun hoofd een aantekening dat hier beslist wat aan moest
worden gedaan. Mara
kwam al snel terecht in het winkelcentrum dat ook echt in het centrum van de
wijk lag. De architecten hadden hun best gedaan om het een ouderwets stedelijk
aanzien te geven. Er was een plein met in het midden een poeltje met een
fontein. Om het plein waren de winkels: Albert Heijn, C1000, drie kappers, de
Chinees, Brouwers mode en ook nog een hakkenbar, hoewel die laatste er nog niet
zo lang was en eigenlijk niet zo goed draaide. De banken, die om het fontein
stonden, waren bekrast door de jongeren, die zich hier ’s avonds verzamelden.
Soms was de bovenkant er af. De huizen en de winkels rondom het winkelcentrum
waren zo gebouwd dat de wind altijd door de kieren blies. Het was er altijd
guur, zelfs midden in de zomer. Maar
toen Mara kwam, was het geen zomer. Het was een gure herfstdag met koude
motregen. Alleen mensen die echt iets nodig hadden kwamen boodschappen doen.
Allemaal keken ze naar de vrouw met het witte haar. Niet voluit, maar steels,
met een snelle blik opzij en dan keken ze snel weer weg. Inmiddels was de
ochtend al gevorderd en de vinexmensen, die niet langs de rand van de wijk
fietsten of daadwerkelijk naar hun werk waren, kregen wel zin in een praatje.
Bij de kassa van Albert Heijn was daar gelegenheid genoeg voor, want door
personeelsgebrek stonden er altijd lange rijen, het maakte niet uit op welk
tijdstip van de dag je kwam. “Heb je die daar buiten gezien?” begon een gezette
vrouw die ondanks het weer nog steeds in een driekwartbroek gekleed was tegen haar
achterbuurman. “Jazeker!” zei hij. “Daar begint het mee. Eerst komt er een, dan
nog een en voor je het weet zitten ze overal in de straat. Heb je in je eigen
wijk niks meer te zeggen.” Een jonge vrouw, die voor de oudere vrouw stond,
draaide zich helemaal om: “Je kunt als vrouw zo onderhand niet eens meer over
straat. Het is een zigeunerin, dat zeg ik je. Of anders is het wel een Polin,
zo eentje die binnenkort met zijn dertigen in één huis gaat wonen.” “We moeten
hier iets tegen doen,” zei de man. “We moeten dit niet zomaar laten gebeuren.
Met zijn allen staan we sterk.” “Nou, ik weet nog zo net niet,” antwoordde de
dikke vrouw. “Dan steken ze als wraak je huis in brand. Dat zie je toch zo vaak
op televisie.” “Ze zijn niet te vertrouwen! Dat is een ding wat zeker is!” viel
de jonge vrouw haar bij. En
zo kabbelde het gesprek voort. Dat ze er iets tegen moesten doen. Dat het
jammer was dat Pim er niet meer was, want die had er wel raad mee geweten, dat
het ook jammer was dat Geert nooit de gelegenheid had gekregen om zijn klus af
te maken, want die zou het ook wel geweten hebben. Na het afrekenen gingen ze
naar huis. Mara
rustte uit op een bank bij de fontein. Ze zag wel hoe de mensen naar haar
keken, maar natuurlijk raakte haar dat niet. Ze was tenslotte een godin, die
deze soort zelf had uitgedacht. Dat ze haar zo bekeken, had ze dus verwacht. Zo waren deze wezens geschapen:
achterdochtig, wraakzuchtig, en moordlustig. In het hele heelal was geen
moordzuchtiger soort te vinden. Het waren nare wezentjes en ergens zou ze blij
zijn als de dag zou komen waarop die planeet zou exploderen. Voorlopig kon daar
echter geen sprake van zijn, want behalve dat zoiets haar tijd moest hebben,
was een onvoorzien probleem. De Iksen van RI666 liepen hier rond en ze had geen
idee hoe ze zouden gedijen in deze sfeer. Het was te hopen dat ze niet al te
veel mensen onder ogen kwamen, want dan had je de poppen helemaal aan het
dansen. De mensen zouden over elkaar struikelen om ze met eigen handen af te
maken en de Iksen waren daar weerloos tegen. Die waren geen aanvallen gewend.
Door hun kortcyclische reproductie hoefden ze zichzelf nooit te verdedigen.
Binnenkort zou ze even terug moeten naar aan wolk boven aarde, om haar
collega’s eens ongezouten de waarheid te zeggen. Niet dat het veel zou helpen:
ze waren gewoon veel te speels en dat ging nooit over. Ze stond op en liep
verder, steeds om zich heen kijkend of ze ergens een Iks ontwaarde. Het
voltallige kabinet zat in het appartement van Mark Rutte in Den Haag. Venlo
voelde niet veilig meer. Zonder iets te zeggen, hadden de heren na het zien van
het groene wezen de auto gepakt en waren ze in forse vaart naar Den Haag
gereden. Bijna was het nog misgegaan, want niet heel ver van Venlo af waren
twee auto’s frontaal op elkaar gebotst. De auto’s waren totaal geplet en de
inzittenden waarschijnlijk ook. Zelfs hun organen zouden niet meer bruikbaar
zijn. Dat was dan jammer, en verder kon Mark Rutte er niet mee zitten. De doden
hadden hun eigen verantwoordelijkheid genomen en het leven was nu eenmaal niet
zonder risico. Wat wel vervelend was, was dat ze niet meteen konden doorrijden.
Als Minister-president mocht Verhagen natuurlijk over de vluchtstrook, maar
daar stonden de hulpverleners in de weg. Verhagen moest flink lang claxonneren
voordat die eindelijk eens opzij gingen. Nu
waren ze eindelijk in de voormalige residentie. Een golf van weemoed voer door
Mark Rutte in. Wat was het toch knus geweest op dat Binnenhof. Altijd was er
wel iemand jarig in de fractie, wat werd gevierd met een gebakje en een
cadeautje. Weliswaar liepen er destijds veel mensen rond met wie hij het niet
eens had, maar de aanvaringen waren vriendschappelijk. En wat had hij graag in
het torentje gezeten. Hij riep zichzelf tot de orde: vooruit moest hij kijken,
niet achteruit. Plotseling viel de bedreiging van Rita Verdonk hem weer binnen.
Voor een moment was hij haar vergeten, maar nu was ze dan weer terug. Diep van
binnen moest hij zichzelf bekennen dat hij doodsbang was voor dat mens. Ze was
een soort stiefmoeder, die steeds zijn mooie speelgoed afpakte en kapot maakte,
die hem waar ze kon liet merken dat ze niet van hem hield. Nu, hij hield ook
niet van haar, integendeel, zou hij zeggen als het hem werd gevraagd. Maxime
Verhagen kwam terug uit de keuken met koffie. Hij wist precies de weg in het
appartement want wat hadden ze veel uren daar doorgebracht tijdens vorige
formaties. “Niet zo tobben, Mark,” zei hij. “Het komt vanzelf wel weer goed. We
vinden wel een manier om haar kwijt te raken. Dat is ons de vorige keer
tenslotte ook gelukt.” “Ja, ja, dat weet ik wel. We moeten gewoon fier blijven
en sterk staan. Ze blijft etteren natuurlijk, maar als we voet bij stuk houden,
krijgt ze geen poot aan de grond.” “Zo is het maar net. Maar even wat anders:
nu we gezien hebben wat we dus niet hebben gezien, weten we ook dat Wilders ten
onrechte is opgenomen in een psychiatrische inrichting. Kunnen we dat wel
maken?” “Normaal gesproken niet,” sprak Mark Rutte bedachtzaam. “Maar in dit
geval wel. Ik heb het de laatste tijd niet zo duidelijk durven zeggen, maar die
man komt mijn strot uit. Altijd die bek open, ongehinderd door enige kennis van
zaken, nee, dat niet nog een keer. Ik had gedacht dat hij wel zou inbinden als
we hem betrokken bij de regering, maar nee hoor, hij blijft maar dooremmeren
met zijn simple mind. Ik zou zeggen: het is in het staatsbelang dat hij blijft
zitten waar hij zit.” “Immoreel, maar we doen daarmee het beste voor het land,”
beaamde Verhagen. “Dat betekent dus dat ik voorlopig de Minister-president blijf.
Nou, dan kunnen we een beetje vaart maken met onze plannen. Vertel op, hoe
staat het met ons begrotingstekort.” “Dat weet ik niet, want er zijn geen
ambtenaren meer om dat uit te rekenen.” Verhagen zette grote ogen op. “Dat is
wel heel bizar! Kan de secretaris dat zelf niet dan?” “Nee, het schijnt toch
wel erg veel werk te zijn.” Maxime Verhagen, die toch altijd het hoogste woord
had, werd daar even helemaal stil van. De
vinexwijken waren niet de enige wijken die waren overgebleven. Zeker niet. Er
waren ook wijken aan de randen van de centra van de steden. Daar waren de
huizen ruimer en lichter, daar waren de huizen duurder. Opvallend was dat het
stiller was in die buurten. De mensen kwamen echt hun huis wel uit maar anders
dan de vinexmensen zochten zij hun vertier niet in de wijk zelf, maar togen zij
naar buiten. Naar het centrum van hun eigen stad of nog liever naar het centrum
van Amsterdam, waar de cultuur was. Waar de cultuur was zoals zij hem wensten. De
buitenmensen woonden, net als de vinexmensen, ook het liefst bij elkaar, zonder
inmenging van vreemden. Ze hadden niet graag dat er mensen met kleur, of
hoofddoek in hun buurt kwamen wonen. Ze hadden ook niet graag dat hun buren
zich anders gedroegen dan zij. Dat ze bijvoorbeeld bij de C1000 of de Jumbo
boodschappen gingen doen, dat ze hun kinderen tot ’s avonds laat buiten lieten
spelen, dat ze ’s morgens in alle vroegte opriepen tot een gebedssessie, dat ze
een oude auto voor de deur hadden staan, dat ze hun verjaardagen zomers in de
tuin vierden. Nee, dat wilden ze allemaal niet. Alleen zouden ze dat nooit
hardop zeggen. Dat lieten ze anderen voor zich doen. De buitenmensen waren
sowieso mensen die anderen lieten doen, waar zij zelf hun vingers niet aan
wilden branden. Want zij zagen zichzelf als speciaal, als tolerant, ze dachten
dat ze bewuste keuzes maakten en daarnaar leefden. Zo aten ze vaak biologisch
vlees. Dat was beter voor het dier. Of het dier in kwestie daar ook zo over
dacht, had ze het geweten voordat ze gekeeld werd, vroegen ze zich niet af. Als
een leverancier, de groenteman of de bakker of wie dan ook die zijn producten
in de buitenwijk kwam verkopen, een de buitenmensen onwelvallige opmerking
maakte, zwegen ze afkeurend. Niemand kon zo goed afkeurend zwijgen als de
buitenmensen. Iemand zei bijvoorbeeld dat alle Turken achterlijk waren of dat
de Islam moest worden bestreden. Een buitenmens die dat hoorde keek de andere
kant op en zweeg. Nooit zou hij zeggen wat hij vond, want dat zou misschien
leiden tot harde woorden of zelfs tot een handgemeen. En erger: eigenlijk zeiden de vinexmensen of
de centrummensen precies wat ze zelf ook vonden, en dat was nog het ergste. De
buitenmensen zouden nooit op Geert Wilders stemmen. Ze hadden ook niet langs de
kant van de weg gestaan bij de begrafenis van Pim Fortuijn. En ook op hem
hadden ze nooit gestemd. Nee, zoiets deden ze niet. Zij zorgden ervoor dat de
vinexmensen en de centrummensen op de Wildersen en de Fortuijns stemden.
Luidkeels, in hun tijdschriften en in hun tv-programma’s, betreurden zij de
opkomst van het populisme, maar ze vertelden erbij dat er wel begrip moest
komen voor de onderbuikgevoelens van de mensen in de achterstandswijken, dat
het ook wel begrijpelijk was dat die over de rooie gingen als er in hun wijken
zoveel veranderde, dat die vreemdelingen, om het even welke het waren,
inderdaad wel een heel andere cultuur hadden, en dat dat helaas botste met de
eigen cultuur. Dat zeiden ze wel. Niet rechtstreeks tegen de vinexmensen en de
centrummensen, maar via hun media. De
buitenmensen waren al eeuwen gewend om anderen te laten doen wat ze zelf gedaan
wilden krijgen. De mannelijke buitenmensen werkten nooit, al hadden ze wel een
baan. Ze gingen naar vergaderingen, bleven daar uren herhalen wat allang eerder
was gezegd en nog veel eerder was opgeschreven door een vrouw, vaak een
vinexvrouw of een centrumvrouw, maar een enkele keer ook wel door een
buitenvrouw. Ze werden erg geprezen om hun scherpzinnigheid, de buitenmannen.
Dat prijzen gebeurde voornamelijk door andere buitenmannen, die ook de hele dag
zaten te vergaderen. Want een ander kenmerk was, dat ze alles wat ze hoorden in
zo’n vergadering als compleet nieuw ervaarden. Zij onthielden niets. Alleen wat
ze zelf gezegd hadden, onthielden ze, en dat vonden ze zo belangrijk dat ze het
bleven herhalen, keer op keer, jaar na jaar. De
buitenvrouwen werkten ook wel, maar niet zo heel veel. Hooguit drie dagen per
week. Zij hadden een leuke baan, die meestal niet heel veel opbracht, in ieder
geval niet genoeg om zelfstandig van te leven. Zij vonden het zo volkomen
vanzelfsprekend om onderhouden te worden door hun buitenman, dat ze gerust een
baan namen om geen andere reden dan om ook eens van huis te zijn. Zij kozen dan
bewust, dachten ze. Zo konden ze voor man en kinderen zorgen, en ze hadden het
volste recht om dat te doen. Als zo’n buitenvrouw een vinexvrouw of een
centrumvrouw werd, wat vaak genoeg gebeurde want veel buitenmannen vonden een
jongere en aantrekkelijkere buitenvrouw, beklaagde ze zich omdat ze zo in de
steek werd gelaten. Langer werken deed ze ook dan niet, want ze moest immers
voor de kinderen zorgen, die de ontrouwe buitenman bij haar had achtergelaten.
Zolang zo’n buitenvrouw haar buitenman nog had, vond ze dat hij meer moest doen
in het huishouden. Hij was veel van huis, want de vergaderingen liepen tot ver
in de avond uit, maar toch vond ze dat hij moest stofzuigen en afdrogen als hij
thuiskwam. Dat deed hij meestal niet. En daar praatte zij dan over met haar
vriendinnen, ook allemaal buitenvrouwen, bij Yoga of bij tennis. Een
belangrijk gespreksonderwerp van de buitenvrouwen, en in iets mindere mate van
de buitenmannen, waren hun kinderen. Die waren steevast heel bijzonder. Als hun
zoon al op zijn achtste kon lezen, was hij vast hoogbegaafd. Als hij ronduit
onbeschoft was tegen zijn oma, door niet te reageren als ze binnenkwam of het
cadeautje in een hoek te smijten, dan scoorde hij ergens in het autistische
spectrum. Als hun dochter bij elke gelegenheid in huilen uitbarstte, was ze
hoogsensibel. Maar nooit, helemaal nooit was zo’n kind een gewoon kind met
nukken, mankementen en andere persoonlijke eigenschappen. De
buitenvrouwen huilden zelf trouwens graag, want de buitenmannen hielden
daarvan. Natuurlijk waren de buitenmannen het feminisme toegedaan. Gelijke
rechten voor man en vrouw, natuurlijk. Dat zeiden ze vaak genoeg in
vergaderingen. En ze waren echt niet zo als de vinexmannen, die hun vrouw een
klap, een corrigerend tikje, echt niet meer, gaven als het zo uit kwam. Heus,
ze praatten met hun echtgenotes. En met hun vrouwelijke collega’s op het werk.
Heel serieus, ze hadden het goede met ze voor. Alleen dachten ze wel dat alleen
zij wisten wat dat goede dan was. En een huilende vrouw, dat was het goede. De
buitenvrouwen huilden als een vakantiereisje niet doorging, als het erg lang
regende, als iemand op de tennisclub iets naars had gezegd. Er waren zoveel
redenen om te huilen. De buitenmannen troostten dan, vervloekten, in nette
bewoordingen natuurlijk, de mensen die hun vrouwen zoiets hadden aangedaan. En
dan voelde hij zich goed, dan voelde hij zich stijgen. Hij was de heerser over
alles, dat bleek maar weer. Hij was nodig, zo nodig en het was prachtig dat de
buitenvrouwen dat keer op keer bevestigden. Was de buitenman dan zo onzeker?
Beslist niet! De wereld was hem. Hij was de wereld. Na hem de zondvloed. Eén
ding was zeker: een vinexmens of een centrummens zou nooit, helemaal nooit,
iets denken of zeggen zonder dat de buitenman dat wilde. Dat dacht zij wel,
maar dat was niet zo. De buitenman bepaalde alles, en zou alles blijven bepalen
tot het einde der tijden. Nou,
die naderde met rasse schreden. Want Mara had doorgelopen nadat ze de Vinexwijk
had verlaten. Langs grachten kwam ze, waar weer eenden zwommen nu zoveel mensen
de benen hadden genomen. Langs wegen, die bedoeld waren om snel te rijden en
waar een enkeling nog reed, ver boven de minimumsnelheid, maar die toch vooral
heel stil waren geworden. En zo kwam ze in een buitenwijk. Ze keek om zich heen
en bewonderde het groen. Hier geen volgekalkte muren, hier geen
basketballveldje waar jongeren verveeld wat met een bal dribbelden. Hier was
orde, hier was rust. Bijna ging ze zichzelf op de borst slaan: deze schepping
was toch enigszins gelukt. Zo had ze het eigenlijk bedoeld toen ze de mens
schiep. Ze realiseerde zich echter al snel dat juist deze wijk, en haar
zusterwijken, de motor waren achter alles wat de mensheid deed. Ze begreep ook
dat zij een bijzonder sluwe soort had geschapen: een soort die zijn handen
waste in onschuld, en wat werd er gewassen, wat moest er steeds opnieuw, elke
dag weer, gewassen worden. Ook
in deze wijk werd Mara opgemerkt. Iemand keek uit het raam, en zag de grijze
vrouw in de veel te wijde kleding. Iemand belde een vriendin van
Neurolinguďstisch programmeren en vroeg of zij deze mensen ook zag, die
onverzorgden, wat was het, misschien zigeuners, want de vrouw had daar wel wat
van weg en wat moesten ze nu doen, wachten tot hun man thuis kwam, hij zou wel
raad weten. Die gebelde vriendin had andere vriendinnen en die belde ze en ze
vertelde wat haar vriendin had gezien. Ze drukte iedereen op het hart dat ze
goed moesten opletten. Zo
ging dat door en Mara wist van niets. Ze zat een tijdlang bij een vijver naar
de Kaapse loopeenden te kijken. Die waggelden langs de kant, hun jongen tot de
orde roepend. Zo simpel was die levensvorm. Ze vroeg zich af of ze het daarbij
had moeten laten en de mens niet had moeten uitvinden, maar aan de andere kant
wilden zij en haar collega’s overal evenbeelden. Gewoon om te kijken hoe die
zich zouden gedragen onder de diverse en vele beperkingen. Nu, wat de aarde
betreft, wist ze dat nu. Het werd tijd dat die Tsunami dit land van de
aardbodem zou vegen. Wilma
en Greet hadden erg hun best gedaan bij het motiveren van zoveel mogelijk
mensen om te vertrekken vanwege een ramp waarvan zij de aard en de omvang niet
kenden. Maar het was niet genoeg. In Amsterdam wemelde het nog altijd van de
mensen. Ze zaten uitgeput bijeen in hun appartement op de Keizersgracht. “Ik
denk niet dat dit gaat werken,” zei Wilma. “Ik zit elke dag tot diep in de
nacht in de kroeg, het is gewoon een aanslag op mijn lever, maar de mensen gaan
maar niet weg.” “Nee, ze steken de kop in het zand.” “We zouden ze moeten
kunnen vertellen wat er echt dreigt,” ging Wilma voort. “Nu bazelen we in feite
maar wat. Wat als Hare Majesteit de Koningin van Nederland het helemaal bij het
verkeerde eind heeft? Wat als er helemaal geen ramp komt? Ik wil er toch het
fijne van weten!” “Ja, maar hoe? We kunnen toch moeilijk naar Huize ten Bosch
om het haar te gaan vragen. Ze ziet ons al aankomen. Of beter gezegd, ze ziet
ons helemaal niet aankomen, want we komen helemaal niet in de buurt bij onze
vorstin.” Greet keek bedenkelijk. Zij was, heel haar leven al, erg praktisch
ingesteld, en ze begon liever niet aan avonturen als ze van tevoren de uitkomst
niet wist. Wilma daarentegen was een stuk ondernemender. “Ik zou niet weten
waarom we niet naar haar toe zouden gaan. En we hoeven niet helemaal naar den
Haag, want ze zit vaak genoeg hier op de Gracht. Ik zag haar gisteren nog.” “Ga
weg! Wat doet ze hier dan? En hoe komt het dat ik haar nooit heb gezien? Je
liegt! Onze vorstin loopt niet zomaar over de Keizersgracht in Amsterdam.” “Dat
het zomaar is, zou ik niet willen beweren, absoluut niet. Ze heeft hier iets
belangrijks te doen, zoveel is wel duidelijk. Wat dat is, weet ik alleen niet.
Dat gaat me ook niet aan, maar wat ik zeggen wil, is dat we alleen maar hoeven
te wachten tot ze hier weer komt, en dan schieten we naar dat pand. Het moet
wel heel gek gaan, willen ze ons niet binnenlaten.” Vanaf die dag ging Wilma
elke dag om een uur of tien naar buiten. Ze bezocht geen kroegen meer, maar
lette steeds op het pand waar de koningin naar binnen had zien gaan. En
eindelijk, na vijf dagen, was het zover. De
raad van wijze vrouwen zat met de handen in het haar. Ze waren machteloos en
monddood. De media waren in handen van het bevoegde gezag, al werd het met de
dag onduidelijker wie of wat dat was. Maxime Verhagen had op tv verteld dat hij
voorlopig de Minister-president was, en dat hij hoopte op een spoedig herstel
van Geert Wilders, maar dat was dan ook alles wat ze te horen kregen. Er
verschenen geen artikelen in de kranten en op tv waren alleen nog
amusementsprogramma’s. Geert Wilders had al wel eens gezegd dat al dat praten,
al die intellectuele nonsens op tv nergens goed voor was, het was alleen een
linkse hobby, en daar moest nu eindelijk eens een einde aan komen. Toen hij het
vertelde hadden Mark Rutte en Maxime Verhagen die naast hem stonden schaapachtig
geknikt. Boze tongen beweerden dat Rutte en Verhagen er niet helemaal achter
stonden, maar dat ze Wilders op sommige punten ook eens zijn zin moesten geven,
dan konden ze des te meer hun eigen zaakjes binnenhalen als het er echt op aan
kwam. Maar de heren lieten weinig van zich horen de laatste tijd. Misschien
kwam dat ook wel, omdat het hele ambtenarenapparaat nu nog bestond uit één
persoon, namelijk Hero Brinkman, de voormalige secretaris van Geert Wilders en
nu dan de uitvoerder van de besluiten van de overgebleven kabinetsleden. Het
was wel heel efficiënt, en het overheidsapparaat was absoluut geen waterhoofd
meer, maar hier en daar gingen toch stemmen op die zeiden dat de bezuinigingen
misschien wat al te rigoureus waren geweest. Maar
de Raad zat er maar mee, want ze waren verstoken van informatie. Ze moesten het
doen met wat ze zelf op straat hoorden en dat was bepaald geen objectieve
nieuwsgaring. Hare majesteit de Koningin Beatrix, die in dit gezelschap niet
optrad als staatshoofd, opende het woord: “De toestand is zeer kritiek. Ik
geloof niet dat ons land er op enig moment in de geschiedenis erger aan toe is
geweest. En we zijn totaal machteloos. Er is geen overheidsapparaat meer dat we
kunnen mobiliseren, en ook geen politiemacht, of een leger. Zelfs de mensen van
de anti-Islamforce zijn het land uit. Het is nog zeer de vraag of het ons lukt
om al die mensen op tijd het land uit te krijgen. Het is bijna november, we
hebben niet veel tijd meer. En alsof dat niet genoeg is, moet ik u iets zeer
belangrijks vertellen: onze planeet wordt op dit moment bezocht door
buitenaardse wezens. Ja, kijk nu maar niet zo verbouwereerd, wat de heer
Wilders beweerde over de groene vrouwtjes is wel degelijk waar. Ze zijn er. Ik
weet niet hoeveel het er zijn, maar dat zullen we binnenkort wel merken.
Natuurlijk heeft de heer Wilders zich ook over deze vreemdelingen weer
bijzonder negatief uitgelaten, maar laten we daar over ophouden, want dat is nu
eenmaal niet anders. De groene vrouwtjes leven maar drie dagen, en nu heb ik
gisteren een van hen gesproken die zegt dat ze eigenlijk wel wat langer zou
willen leven. Ik kan niets voor haar doen. Hoe zou ik dat nu moeten
bewerkstelligen. Zoals u allemaal weet, is de stand van de wetenschap op dit
moment ook allerbelabberst. We kunnen niets anders doen dan de vrouwtjes zien
sterven. Als we ze zien, want ze hebben nogal de neiging om zich te
verstoppen.” De overige leden van de Raad van Wijze Vrouwen keken de vorstin,
die nu geheel op eigen titel opereerde, met open mond aan. Even dachten ze dat
de hersenvliesontsteking, waaraan zij jaren geleden aan had geleden, onverwacht
weer de kop was opgestoken, maar dat leek toch niet het geval. De majesteit, hier meer collega en vriendin, zag
er bijzonder koel uit. Terwijl
ze wat ze gehoord hadden, probeerden te verwerken, ging de bel. Doeschka
Meijsing keek op en vroeg: “Verwachten we iemand.” De andere vrouwen schudden
hun hoofd. Het duurde even voordat Xandra Schutte op stond en naar de
buitendeur liep. “Wie is daar?” vroeg ze door de dichte deur. Het waren per
slot van rekening moeilijke tijden dus je kon van alles verwachten. “Wij zijn
het, Wilma en Greet, van nummer 78,” hoorde ze een oude vrouwenstem zeggen.
“Ja, dat is goed, maar wat komt u doen?” “Nou, wij zijn ingehuurd door de
koningin, om mee te helpen de mensen het land uit te krijgen, voordat de ramp
waarvan wij niet weten wat voor ramp dat is dan, ons treft, en nu schiet dat
niet zo op. Om meer te kunnen betekenen, zouden wij graag van Hare Majesteit de
Koningin willen horen wat voor ramp het precies is, die ons gaat treffen. Dat
maakt het misschien wat gemakkelijker. En nu zagen wij de formidabele vorstin
vanavond dit pand uitgaan en volgens ons is zij daar nog steeds. Tenzij ze
natuurlijk door de achtertuin is weggegaan. Je weet maar nooit. Dat zou heel
goed kunnen. Maar de vraag is of u ons alstublieft zou willen binnenlaten,
zodat wij met Hare Majesteit zelf kunnen spreken.” Xandra Schutte dacht dat ze
met volslagen idioten te maken had, maar dat was niks vreemds natuurlijk in
Nederland. Ze opende de deur op een kier en zag twee oude vrouwen op de stoep
staan. Die kunnen geen kwaad, dacht ze, en wie weet kunnen ze wat doen om de
impasse waar we momenteel in zitten te verbreken.” Ze opende de deur voluit en zei:
“Kom binnen, dames, dan zullen we uw punten met zijn allen bespreken.” Op
de camping was het behoorlijk rustig geworden. Dat kreeg je ervan als je zo
vlak bij de grens zat en als de bewaking ook al niet al te betrouwbaar was.
Minister Rita liep af en toe voor de vorm nog haar ronde, maar ze lette nergens
meer op. Ze was veel meer bezig met de vraag hoe ze de macht die haar toe kwam
in handen kon krijgen. Het was te verwachten geweest dat Mark Rutte niet zomaar
de boel zou overdragen. Dat had hij vroeger al niet gedaan. Toch was ze
teleurgesteld. Waarom moest alles altijd zo moeilijk zijn. Zij kon dat niet
meer bedenken en ze hoopte dat ze in het vervolg wat beter kon reageren op
alles wat er gebeurde. Ze kwam langs de bungalowtent, waar Henk zonder Ingrid
zat. Ingrid moest al ver weg zijn nu. Jammer voor Henk, maar ergens kon
Minister Rita dat wel begrijpen: het was ook een doodsaaie man, die Henk. Daar
zou zij het zelf ook niet heel lang bij uit hebben gehouden. Dat zij nog steeds
was getrouwd met haar man, was alleen te danken aan het feit dat ze nooit thuis
was. Zo zag ze hem niet zo vaak en zo duurde het langer voordat hij haar de
strot uitkwam. “Zo, Henk, hoe maak je het, jongen. Ben je al dichterbij de ware
volksaard?” Henk knikte. “Ik denk dat dat er bij mij altijd wel heeft
ingezeten, Minister Rita. Het was meer Ingrid die zo opstandig bleek. Dat
blijkt ook wel, nu zij mij heeft verlaten. Daar zou onze regering ook eens iets
tegen moeten doen, dat vrouwen klakkeloos hun man verlaten. Eigenlijk kan dat
toch helemaal niet. Waar gaat dat heen met onze hoeksteen, dat vraag ik me af.
En het is heus niet zo, dat ik gefrustreerd ben, helemaal niet, ik ben een man
met een open blik die iedereen haar eigen keuzes gunt. Maar dan moet het
natuurlijk niet zo ver gaan, dat vrouwen maar gewoon hun huis en haard verlaten
om met een vrouw mee te gaan. Een veel en veel oudere vrouw ook nog. Oh, zulke
vrouwen als die Rosa. Als ik toch eens in Geerts positie was, zou ik er wel
raad mee hebben geweten! Opsluiten tot ze hun leven beteren. Wist u dat dat
mens hartstikke links is? Ik ken haar nog uit de tijd dat ze rechter was.
Gelukkig heeft Geert die rechters allemaal de laan uitgestuurd, want die waren
er toch alleen maar op uit om de gewone man te pesten, nu vraag ik u. Boetes
voor te hard rijden, wat een onzin. Als er geen kip op straat is, mag ik toch
zeker wel even gassen? Nee hoor, moeilijk doen, meteen dokken, en anders
voorkomen. Weet u wat die rechter zei toen ik moest voorkomen? Dat ik kon
kiezen uit betalen of een week de bak in, dat kan toch niet? Dat gaat toch
zeker veel te ver? Ik heb natuurlijk betaald. En dan dat gedoe met sommige van
die buren van mij. Ik had zo’n oud wijf naast me wonen die iedere keer in de
weg liep met haar rollator. Doodziek werd ik ervan. Op een dag heb ik die
rollator opgepakt en op de weg gekwakt. Daar hoort zo’n ding. Ik rij toch ook
niet met mijn auto op de stoep. Dat wijf heb ik achter dat ding aangetrapt.
Krijg ik toch weer een boete aan mijn broek! En taakstraf ook nog. Ik moest
vreten gaan ronddelen in zo’n ouwe wijventehuis. Ik zeg u het ging helemaal de
verkeerde kant op in dit land. Onschuldige mensen zoals ik, die alleen maar van
hun omgeving vragen dat die zich netjes gedraagt, worden gestraft en de echte
criminelen gaan vrijuit. Kijk maar naar al die hoofddoekjes op straat. Zoiets
kan een land toch zeker niet toelaten? Opsluiten, zeg ik. Of dat ding van hun
kop, want zo’n hoofddoek dat is je reinste onderdrukking van de gewone man.
Trouwens, die Rosa weet ook van onderdrukken hoor. Breek me de bek niet open.
Ging ze naar klassieke muziek luisteren met mijn vrouw. Terwijl die eerst
alleen maar heavy Metal kon aanhoren. Dat is gewoonweg pure vergiftiging, daar
zou eens iets tegen gedaan moeten worden. Het is dood- en doodzonde dat Geert
zo overspannen is geraakt, want die zwakko’s die het van hem hebben
overgenomen, bakken er natuurlijk helemaal niets van. Alles blijft bij het
oude, let maar op mijn woorden. En u Minister Rita, kunt u dan geen
Minister-president worden. U had toch ook hele goede ideeën vroeger. Ja, dat
moet u doen. Gewoon dat zooitje zakkenvullers verjagen en zelf de boel gaan
regelen.” Minister Rita knikte. Ze
pinkte een traan van ontroering weg. Hier was hij dan, de gewone man op straat,
Henk en Ingrid, nou ja, zonder Ingrid dan, en hij riep haar. Dat moest ze
honoreren, daar kon ze niet aan voorbij gaan. “Ik zal mijn verantwoordelijkheid
nemen, Henk,” sprak ze met gebroken stem. “Neem maar van mij aan dat ik vanaf
dit moment de baas ben, wat de heren Mark Rutte en Maxime Verhagen ook zeggen.
Die zijn trouwens weer terug naar Den Haag, terwijl iedereen weet dat de
officiële regeringszetel in Venlo is. Vanaf nu ben je vrij, Henk. Jij bent
helemaal ingeburgerd, dat merk ik aan alles. Zou jij mijn adjudant willen
worden?” Henk zette grote ogen op en knikte gretig van ja. “Nou, kom op dan, op
naar de raadszaal!” Zo
vertrokken de laatste bewoners van het heropvoedingskamp. Fier liepen ze in
marstempo door de stille straten van Venlo. De juichende mensen langs de kant
ontbraken, maar Minister Rita dacht die er gewoon bij. Het leven is wat je
ervan maakt, zei ze bij zichzelf. Mensen zijn tot grootse dingen in staat, wat
voor loeders het ook kunnen zijn soms. Henk was sprakeloos geworden van gepaste
trots. Dit had hij dan maar mooi bereikt: adjudant van de belangrijkste vrouw
in het land. Wie had dat ooit kunnen denken. Als Ingrid hem zo eens zou zien,
dan zou zij zich vast haasten om terug te komen. Als
ze op RI666 adem hadden gehad, zouden ze het ingehouden hebben. Maar dat hadden
ze niet: de Iksen namen zuurstof op via hun groene huis, heel efficiënt. Hun
mond gebruikten ze maar één keer in hun leven, namelijk als ze werden geboren
en hun zusjes moesten opeten. Dan hadden ze voor de drie dagen, die hun leven
zou duren, genoeg. Aan de lucht hingen grote plasmaschermen die het leven op
aarde toonden, en vooral het leven van hun zusterIksen die de ruimtereis hadden
gemaakt. Iksen praatten niet onder elkaar. Met een collectief bewustzijn is het
niet nodig om te praten, want de gedachten van de een zijn de gedachten van
alle anderen. Ze konden wel praten, net zoals ze zoveel konden wat ze nooit
deden, maar de noodzaak was er eenvoudigweg nooit. De reden waarom ze deze keer
wel de behoefte hadden om iets te zeggen was hun verbijstering over de
levensvormen op die verre planeet. Op het scherm zagen ze het Raadshuis in
Venlo, waar een aantal Iksen nu alweer enige tijd verbleef. Ze hadden gezien
hoe bang dat ene wezen, met het lichte haar, werd bij de aanblik van toch een
hele gewone huis-, tuin- en keukeniks. Dat was onbegrijpelijk. Waarom zou zo’n
wezen nou bang worden. De Iks daar op aarde wilde toch niets anders dan gewoon
eens rond kijken hoe het daar aan toeging. Ze zagen hoe de bange man werd
weggevoerd en opgesloten en dat konden ze zich goed voorstellen, want
dergelijke gevoelens zijn besmettelijk. Voordat je het wist, waren al die
wezens daar in paniek, en dan zouden de Iksen niet meer veilig zijn. Angst was
het aller-gevaarlijkste in het heelal, dat wisten de Iksen maar al te goed al
waren ze zelf nooit ergens bang voor. “Waar zijn ze allemaal gebleven?” vroeg
X138987. “Ik zie de onzen nergens. Schakel eens even door.” De Iks die de
plasmaschermen bediende, dacht iets en er kwam een nieuw beeld, van de Iks in
het palies. “Nou, die woont daar wel lekker,” zei X897834. “Daar zou ik ook wel
een tijdje willen zitten. Want niets ten kwade van jullie, zusters, maar we
zitten hier wel erg op elkaar vind ik.” “Dat is waar,” beaamde een andere Iks.
“Planeet Aarde is veel groter. Misschien zouden we daar naartoe moeten
verhuizen als ze allemaal weg zijn daar. Ik wil niet tussen die wezens wonen
hoor. Die Iksen daar zijn heel erg moedig.” Dat werd bevestigd door een luid,
instemmend geknor dat opwelde vanuit de gemeenschap. De
Iksen waren niet veel gewend, dat moet worden gezegd. Hun leven was nogal
eentonig, zonder al te veel uitdagingen. Bij hun geboorte aten ze genoeg voor
hun hele leven, dus ze hoefden nooit moeite te doen om aan eten te komen. Dat
betekende dat ze eigenlijk helemaal niets hoefden te doen, want heeft niet alle
actie, waar dan ook in de Kosmos, slechts één doel, namelijk je kostje bij
elkaar proberen te krijgen? Verveling als zodanig kenden ze niet echt. Hun
stemming was gelijkmatig, zoals dat gaat bij wezens die nooit worden
uitgedaagd. Op het eerste gezicht lijkt zoiets prettig, maar weliswaar kenden
ze geen diepe dalen, daarentegen kenden ze ook geen hoge toppen. Nu
zagen ze dat het er op aarde anders aan toe ging. Ze verbaasden zich over de
woede, het verdriet en de vreugde, die elkaar daar in hoog tempo afwisselden.
“Zou het niet vermoeiend zijn, zo’n leven,” vroeg X590123 zich hardop af. “En
ze leven ook zo lang! Jaren! Tienduizenden dagen! En dan al die veranderingen.
Ik vraag mij af of wij daar ooit aan zouden kunnen wennen.” “Zie eens hoe ze aftakelen,” zei X90783. “Aan
het einde lopen ze helemaal gebogen. Het lijkt wel of ze al dood zijn, voordat
ze echt dood zijn, als iemand nog begrijpt wat ik bedoel.” “Het is mooi dat we het allemaal zo goed
kunnen zien op de schermen,” zei een Iks die tot nog toe wat in een hoekje had
gestaan. “Maar ik voor mij zou maar wat graag afreizen naar die planeet. Jammer
toch dat je daar vele levens en vele reproducties voor nodig hebt.” “Ach, wat
maakt dat nu uit. Een is toch iedereen, en iedereen is een. Voor mij zou het
niet hoeven.” Op dat moment splitsten alle Iksen zich in tienen en nam het
snelle schransen een aanvang. Het was een stil gebeuren, hoewel er door de
gretigheid wel wat gesmak te horen was. Echt bloederig was het niet, want het
bloed van hun opgegeten zusters dronken ze op en de grond om zich heen likten
ze schoon. Niet heel veel later was er een hele menigte nieuwe Iksen, die drie
dagen leven voor de boeg had. Mara
had de aarde tijdelijk verlaten en zweefde nu boven RI666. Daar wisten de Iksen
niets van, al zullen zij wel de aanwezigheid van iets hebben gevoeld. Dat er
iets was, maar ze wisten niet wat, alleen dat het goed was. Mara keek het zo
eens aan en maakte zich ongerust. Ze had een verandering in de anders zo
gelijkmatige Iksen opgemerkt. De wil om meer te doen dan alleen het leven te leven
wat hen was toebedeeld. Voor de duizendste keer vervloekte ze Rascha, Rigna en
Nadine, die zo onvoorzichtig en onnadenkend waren geweest toen ze de Iksen naar
planeet Aarde brachten. Het was nu te laat om alles terug te draaien, maar zeer
binnenkort zou ze een hartig woordje met ze spreken. Ze moesten niet denken dat
ze alles konden maken. Mara mocht dan wel niet de baas zijn, het was
overduidelijk dat ze de wijste was. Ze bleef nog even rond RI666 zweven. Het
was zo’n mooie, rustige planeet. Alles zou daar perfect zijn, eeuwig perfect,
als haar speelse zuster-godinnen zich maar nergens mee zouden bemoeien. Er
dreigde gevaar voor de Iksen, zoveel was zeker. En door de uitwisseling dreigde
er evenzeer gevaar voor de aardbewoners, maar daar kon Mara minder mee zitten.
Van de aardbewoners had ze meer dan genoeg en ze had spijt van de dag, waarop
ze had bedacht dat het interessant zou zijn om de evenbeelden daar te scheppen. Wilma
en Greet waren teruggekeerd naar hun appartement. “Nou Greet,” zei Wilma
terwijl ze op de bank plofte. “Ik denk dat het hoog tijd is voor een kopje
thee, want wat we nu gehoord hebben, moeten we wel even verwerken.” Greet
knikte en zette in de keuken de waterkoker aan. “Ik ben er helemaal stil van,”
zei ze, toen ze weer terug was. “Een Tsunami, in Nederland maar liefst, tjonge,
wie had dat ooit gedacht. Het bewijst maar weer eens te meer dat we moeten
maken dat we wegkomen.” “Ons vaderland rekent op ons, Greet,” zei Wilma. Ze
ging staan. “De vader des vaderlands, Willem van Oranje, de roemrijke voorvader
van onze zo moedige vorstin, gaf het ook niet op toen Nederland werd geknecht
door de Spanjaarden. We moeten pal staan voor ons land en ze naar de bevrijding
leiden.” “Nou, er valt anders niet zo heel veel meer te bevrijden, vind je ook
niet? De een na de ander gaat er van tussen, en straks bestaat dit land
helemaal niet meer. Niet echt iets om je voor dood te vechten. Willem van
Oranje had tenminste de gouden eeuw nog voor de boeg. Zoiets hebben wij niet.
Jezus Christus! Alles hier weg straks, dat gaat me toch wel aan het hart hoor.
Nooit meer Amsterdam, nooit meer Sarein of de Trut.” “Hou toch op, Wilma. Sinds
de jaren zestig zijn wij niet meer uit geweest in de scčne, dus dat kan je niet
missen. Wat zou je daar ook moeten als oud wijf. Wat ik zal missen, zijn de
vroege zondagochtenden in Amsterdam. Als alles nog stil is, als de toeristen in
hun hotels nog aan het ontbijt zitten, als de junks nog hun roes liggen uit te
slapen, als de winkelaars uit de provincie hun geld nog aan het tellen zijn. De
grachten met hun kabbelend water, waar de waterfietsen met joelende mensen erop
nog niet doorheen varen. Dat zal ik missen.” “Net of jij zo vaak uit wandelen
gaat, zo vroeg.” “Toen we Trix nog hadden wel.” Beide vrouwen keken naar de
foto van het kleine, bruine hondje op de schoorsteenmantel. Het beestje was zes
jaar geleden van ouderdom doodgegaan, maar ze misten hem nog elke dag. “Ach ja,
Trix,” zei Greet. “Ik zal hem nooit vergeten. Het leven was gemakkelijker op de
een of andere manier toen we Trix nog hadden.” “Dat lag niet aan Trix, dat ligt
aan al die idioten waar we tegenwoordig mee te maken hebben. En nu ophouden met
dat gesnotter. Het wordt tijd dat we een plan maken, want we moeten hier weg.”
“Wat was ze gewoon, hč? Beatrix. Net een vrouw zoals je ze vroeger wel
tegenkwam aan de vergadertafel. Zelfverzekerd en robuust, een vrouw op wie je
kunt bouwen.” “Niet zo zwijmelen. Daar verlies je je zelfstandig denkvermogen
maar van. Ik vond het ook een geweldig mens, hoor. En ze gaf me het vertrouwen
dat we heus wel levend uit dit land komen. Maar ze heeft het niet echt voor het
zeggen met zo’n natuurramp, natuurlijk.” “Azijnpisser. Ik snap eigenlijk niet
dat ik het al vijftig jaar met je uithoud. Maar goed, daar gaan we weer, op
naar België. Eens even kijken of we via ons US-account verbinding kunnen maken
met het Belgische nieuws op internet.” “Dat is verboden! Straks worden we
opgepakt en naar die camping bij Venlo gebracht!” “Ach mens, hou toch op, die camping bestaat
niet eens meer. En wat nou verbieden! Wie kan ons verbieden om ons eigen leven
te redden? Nou? Niemand toch zeker?”
Wilma had al snel verbinding met de website van de Belgische publieke
omroep. Ze klikte op het icoontje ‘Nieuwshoogtepunten’. Meteen verschenen er
beelden van het vluchtelingenkamp bij Antwerpen. Op een groot terrein stonden
houten huisjes, met daarvoor een klein tuintje. Hier en daar hadden de bewoners
al kabouters en andere beelden in hun tuintje geplaatst. De interviewer liep op
zo’n huisje af, waar een gezin van vier personen, vader, moeder twee zoons, in
huisde. “En,” vroeg hij. “Hoe bevalt het hier?” De vrouw des huizes keek sip.
“Het is afzien,” zei ze. “We houden ons staande, maar gemakkelijk is het niet.
We kunnen hier geen Nederland 1 en 2 ontvangen en woensdag is hier helemaal
geen gehaktdag. Wat moet ik nou koken op woensdag ? Ik weet het niet meer hoor,
echt niet, ik weet het niet meer.” Haar echtgenoot viel in: “Het leven is hier
heel moeilijk. Je bent toch weg van je wortels en dat valt niet mee. De
hulpverleners doen hun best om voor ons te zorgen maar het is toch niet zoals
thuis natuurlijk. Ik heb hier geen auto, en persoonlijk vind ik dat de overheid
hier daar wel eens iets aan zou kunnen doen. Een mens is geen echt mens zonder
auto. Ik wil me hier best aan de maximumsnelheid houden, want als vreemdeling
moet je je aanpassen tenslotte, maar helemaal geen auto, nee, dat is te
erg.” De zoons van de familie hingen verveeld
tegen de tuinbank. De interviewer liep op de grootste af. “En, hoe vind jij het
hier, heb je al vrienden gemaakt?” “Het is hier shit,” mompelde de jongen.
“Zwaar k.u.t. Geen joint te bekennen, en ik wil wel even lekker chillen, man.
We worden echt gepiepeld wat dat betreft. Af en toe moet je gewoon even lekker
weg, lekker stoned zijn, maar daar doen ze moeilijk over hier. Er zijn geen
coffeeshops en op de zwarte markt kost dat spul kapitalen. Dat kunnen wij niet
betalen. Wij krijgen hier net genoeg om te eten. Nee, ik voor mij wil zo snel
mogelijk terug. Liever vandaag nog dan morgen.” “Hij moest eens weten,” zei
Wilma tegen Greet. “Hij moest eens weten hoe snel het dan met hem gedaan is.”
Greet knikte. “Naar dat kamp gaan we dus niet,” zei ze gedecideerd. “Voor mijn
part slapen we op straat daar in Antwerpen, maar daar ga ik niet tussen
zitten.” De
geplaagde vorstin zat op de achterbank van de Saab. “Maak voort, Anaxia,”
spoorde ze haar hofdame aan. “Rechtvaardigheid kent geen uitstel, we moeten zo
spoedig mogelijk in Venlo zijn.” Anaxia gaf nog wat gas. Ze reed onder de
minimumsnelheid, maar anders dan een paar dagen geleden, of was het een paar
weken, kwamen er niet direct politiemensen achter haar aan. “Ik weet het zo net
niet, Hare,” zei ze terwijl ze in de achteruitkijkspiegel keek. “Ik zou denken
dat die Wilders goed zit waar hij zit. Hij is een gevaarlijk mens.” “Nee, en
nog eens neen!” sprak Hare Majesteit de Koningin Beatrix. “Onrechtvaardigheid
dient altijd bestreden te worden. De man ligt onschuldig aan de ketting. Je
weet maar al te goed hoeveel afkeer ik van hem heb, maar dat betekent niet dat
hij naakt aan de ketting moet blijven liggen. En bovendien: niet hij is
gevaarlijk, hij wordt gevaarlijk gemaakt door de onzichtbare krachten die hem
gedogen. Maakt voort!” Anaxia deed er
het zwijgen toe en reed over de A2 naar Limburg. Het
duurde niet heel lang voordat ze het Ziekenhuis Venlo bereikten. Anaxia
parkeerde de Saab op de bijna lege parkeerplaats en spoedde zich naar de
achterdeur van de auto om de deur voor haar superieur te openen. De majesteit,
die haar rug rechtte omdat ze er zo majesteitelijk mogelijk uit wilde zien,
schreed naar de receptie, die vlak achter de klapdeur gezeteld was.
“Goedemiddag, jongeman,” zei ze tegen de dienstdoende receptionist. “Ik wil
onmiddellijk naar de heer Wilders, want die moet worden vrijgelaten. Kunt u mij
zeggen waar ik hem kan vinden? Ik ben niet thuis in dit gebouw.” De jongen, die
in de struise vrouw die voor hem stond meteen het staatshoofd had herkend,
bloosde en zei hakkelend: “Geert Wilders mag geen bezoek, want hij zit in de
isoleer. Alleen zijn moeder mag hem bezoeken. Gisteren is ze nog geweest, met
twee vlaaien. Die kreeg hij niet op, Geert dan, en wij hebben ook nog een
stukje gehad.” “Met die regels heb ik natuurlijk niks te maken,” sprak Beatrix.
“Ik wil naar hem toe, want hij moet worden vrijgelaten. Hij is ten onrechte
krankzinnig verklaard. Die groene vrouwtjes zijn er wel degelijk en waren
beslist niet het resultaat van een hallucinatie. Integendeel, ik heb een van
hen gesproken en zij zijn gewoon degelijke buitenaardse wezens. Dus wees zo
goed mij de weg te wijzen, jongeman.” De receptionist slikte en keek om zich
heen alsof hij iemand zocht om hem te redden uit deze benarde situatie. Ineens
ging hem een licht op. “Ik bel zijn psychiater wel even, die zal wel raad
weten,” zei hij en voor dat de vorstin, die nu wel degelijk als vorstin en
staatshoofd optrad, daar iets tegenin kon brengen, had hij de hoorn al te
pakken en zelfs had hij binnen de kortste keren de psychiater aan de lijn. Het
duurde ook niet heel lang voordat de psychiater verscheen in de hal. De blonde,
grote vrouw kwam glimlachend en met haar hand uitgestoken op Beatrix af. “Ik
hoor dat u voor Geert Wilders komt,” merkte ze op. “Ik moet u afraden bij hem
in de buurt te komen want hij is gevaarlijk op dit moment. Hij is erg agressief
en hij zit nog zwaar in de ontkenningsfase.” “Hmmm,” begon de majesteit. “Dat
hij ontkent is zo vreemd nog niet, want wat hij gezien heeft, heeft hij wel
degelijk echt gezien. Anders dan hij ongetwijfeld zal beweren, gaat het om zeer
interessante buitenaarde wezens die niets kwaads in de zin hebben, maar alleen
nieuwsgierig zijn naar het reilen en zeilen op deze planeet. Ik heb zelf iemand
van hen gesproken en ik moet zeggen, dat was een heel aangenaam gesprek. U moet
de heer Wilders dus ook onmiddellijk ontslaan.” De psychiater keek de vorstin
bevreemd aan. Ze wist uit verhalen van haar moeder nog wel hoezeer de oude
koningin geloofde in allerlei merkwaardige en niet bewezen verschijnselen.
Misschien had deze dochter, die toch doorging voor de nuchterheid zelf, genetisch
gesproken ook een klap van de molen gehad. Maar dat durfde ze niet te zeggen.
“Goed,” zei ze daarom. “Ik stel voor dat u mee naar boven gaat, naar de kamer
waar de heer Wilders wordt verpleegd.” De majesteit volgde de psychiater. Het
was een heel eind naar boven met de lift. “Hij zit wel ver weg geborgen,”
merkte ze op. “Boven is nu eenmaal de psychiatrische afdeling,” zei de
psychiater. Eindelijk
waren ze aangekomen bij de isoleercel, waar Geert Wilders nu al een flinke tijd
aan de ketting lag. De psychiater opende de deur en de vorstin, die voor niets
terugdeinsde net zo min als haar voormoederen en voorvaderen dat hadden gedaan,
stapte naar binnen. Geert Wilders lag op de grond. Zijn eten had hij weer eens
tegen de muur gesmeten. De hutspot droop van de anders zo keurig witgekalkte
muren. “Goedemiddag, meneer Wilders,” sprak de koningin. “Wat een vervelende
omstandigheden om u weer terug te zien. U wordt hier wel goed verzorgd, hoop
ik?” Wilders keek haar aan, zijn ogen waren bloeddoorlopen. “Ik word hier
bijzonder slecht verzorgd!” zei hij met stemverheffing. “Het is een schande die
zijn weerga niet kent in de geschiedenis van Nederland. Ik word gedemoniseerd
door de Linkse Kerk. Iedereen weet dat de hele zorg zo links is als wat. Ik
word willens en wetens beperkt in mijn vrijheid van meningsuiting. Dit is een
politieke opsluiting. Net zoals ze dat in de voormalige Sovjet-Unie deden, daar
sloten ze het verzet ook op in de inrichting. Maar ik zal niet breken, oh nee,
ik niet! Ik heb echt Batavierenbloed en geen rivier is mij te wild, om het maar
eens poëtisch uit te drukken.” “Ach, het doet me toch enigszins deugd dat u uw
spraakzaamheid en uw retorische vaardigheden nog niet helemaal kwijt bent. Maar
ik kom met waarschijnlijk goed nieuws. Op mijn last wordt u vrijgelaten.
Ontslagen bedoel ik. Want er is natuurlijk op geen enkele manier sprake van
detentie. Er is ook op geen enkele manier sprake van hallucinaties of andere
symptomen van krankzinnigheid.” Hier pauzeerde de majesteit even: was dat
laatste nu wel waar? Ze vervolgde: “Mevrouw uw dokter hier is het met mij
eens,” en ze hief haar hand om het protest van de psychiater te stoppen voordat
het begon. “U kunt ontslagen worden.” Ze knipte met haar vingers. Snel nam de psychiater
de sleutel uit de zak van haar witte doktersjas en ze maakte de ketting los.
Geert Wilders kwam overeind en wreef langs zijn nek. “Zo! Dat voelt helemaal
niet gek, na al die tijd dat zware ijzer om mijn nek. Ik dank u wel, koningin.
U bent toch niet zo geschift als ik had gedacht. Ik moet zeggen, u hebt wat
krediet gewonnen bij mij. Daarom zal ik mijn besluit om u van uw taken te
ontheffen misschien wat opschorten.” “Nou, dat is erg fideel van u, maar ik
denk niet dat u nog iets te ontheffen heeft. Tegenwoordig hebben we diverse
regeringen, naar het schijnt. Hier in Venlo is Rita Verdonk neergestreken met
haar adjudant Henk, U weet wel, die van Ingrid, maar Ingrid is er vandoor
gegaan en de heren Rutte en Verhagen zijn terug naar Den Haag, alwaar zij ook
een soort kabinet vormen. Helaas voor hen bestaat het ambtelijk apparaat uit
nog maar één persoon, zodat het moeilijk is geworden om besluiten voor te
bereiden en uit te voeren. Het resultaat is totale anarchie, en ik zou er
wakker van liggen, als ik niet wist, dat een grote ramp dit land binnenkort
treft, een nog grotere ramp dan de bestuurlijke wanorde van de afgelopen jaren.
U bent daarvan door president Obama op de hoogte gesteld: er dreigt een Tsunami
die heel Nederland zal opslokken. Als u wijs bent, schaart u zich achter mij en
helpt u mee iedereen op tijd op het droge te krijgen. En sta me nu niet langer
aan te staren, maar trek een broek aan!” Geert Wilders nam de broek aan die hem
werd aangereikt door een toegesnelde verpleegkundige en terwijl hij dat deed,
zei hij: “Ach, die klimaatonzin! Er is helemaal niets aan de hand. Dat hele
klimaatgedoe is gewoon een trucje van de linkse kerk om echte ondernemers, de
mensen op wier schouders de welvaart rust, te frustreren. Het is je reinste
sabotage, ik zou ze allemaal naar die camping moeten sturen.” De vorstin
draaide zich om. “Het beste met u, heer Wilders, ik heb u verder niets meer te
zeggen.” Ze maakte aanstalten om naar beneden te gaan en ze liep al naar de
lift, toen ze opschrok van een vreselijk kabaal. De regen striemde keihard
tegen de ramen. Het leek alsof er iemand van boven gigantische emmers water
leeggooide, zo ging het eraan toe. “Anaxia!” riep ze. De trouwe hofdame, die in
een wachtkamer had gezeten, snelde direct toe. “Ik heb mijn rubberlaarzen niet
bij me. Alleen deze pumps en die zijn niet waterdicht! Wat nu!” “Een ogenblikje,
Hare, ik zal het even regelen. Wacht u hier.” Aarzelend ging de grote vrouw
zitten. Ze keek om zich heen en zag in haar ooghoek Geert Wilders naar haar
kijken. Er stond een duivels glimlachje om zijn mond. “Het mocht wat,” zei hij.
“U bent nog altijd het prinsesje! Wat zou dat nou, natte pumps. Dit is toch
Nederland, het waterland bij uitstek. Natte pumps, wie geeft daar nou om.” “Ach
man, hou toch je snavel! Als je niet gauw ophoudt, laat ik je weer aan de
ketting leggen!” sprak de koningin geďrriteerd. Daar schrok Geert Wilders toch
wel van. Hij spoedde zich naar de lift en verdween uit het zicht van Beatrix. Even
later kwam Anaxia terug met rubberlaarzen. “Kijk,” zei ze. “Deze gebruiken ze
in de operatiekamer als het erg bloederig wordt en dat schijnt nogal eens het
geval te zijn, heb ik me laten vertellen. In ieder geval: ze zijn schoon en zo
te zien ook uw maat. Zo komen we droog bij de auto.” Ze hief haar rechterbeen
omhoog om te tonen dat zij de OK-laarzen al droeg. Dat was een verstandige instelling:
zorg eerst voor jezelf anders kun je niet voor anderen zorgen. De vorstin en
haar hofdame liepen zo waardig als mogelijk was met die onelegante laarzen de
trap af. In de hal stonden mensen, die niks meer te zoeken hadden in het
ziekenhuis, te schuilen. Buiten kwam het water nog steeds met bakken uit de
hemel. “We moeten ook maar even wachten,” besloot de majesteit. “Zo is het geen
doen op de weg, vrees ik.” Anaxia knikte. Ze zou het niet bekennen, maar ze
durfde helemaal niet te rijden onder deze omstandigheden. Ze wist best hoe ze
een auto vooruit kon krijgen, maar het moest niet al te uitdagend worden. Het
duurde niet lang voordat het water als een rivier door de straten stroomde.
Auto’s werden weggevoerd als waren het bootjes. “Daar gaat de Saab!” riep
Anaxia uit toen ze de dienstauto voorbij zag drijven. “Dat wordt een taxi,” zei
Beatrix in een poging de spanning wat te breken. Ze wist helemaal niet hoe dat
werkte, zo’n taxi, maar ze had begrepen dat je die kon bellen en dan deden ze
wat je zei. Niet veel bijzonders dus. “Taxi’s rijden ook niet meer.” De
regen duurde en duurde. Het hele wagenpark van de buurt was al voorbij komen
drijven. De verpleging had broodjes en soep uitgedeeld, want niets maakt zo
hongerig als een natuurramp. Geert Wilders was ook in de hal gekomen. Hij keek
met open mond naar buiten. Ja, het onmogelijke was gebeurd: Geert Wilders was
met stomheid geslagen. Beatrix hoopte dat dat definitief was, maar ze wist dat
het leven waarschijnlijk zo genadig niet zou zijn. Hoewel de hal van het
ziekenhuis hoog was gelegen, sijpelde er nu ook water naar binnen. Beatrix en
Anaxia gingen op een bank staan. De rest van de aanwezigen volgden. Vaag
glimlachend keek de majesteit om zich heen. In tijden van nood was het gezag in
een mum van tijd hersteld, dat was altijd zo. Ze keek naar buiten en sloeg haar
hand voor haar mond van ontzetting: buiten zwom Minister Rita, terwijl ze
steeds maar help riep. In haar kielzog zwom, even paniekerig, Henk, nog altijd
zonder Ingrid. De
drie Godinnen, Nadine, Rigna en Rascha, hingen lui op een wolk boven Nederland.
“Kijk toch daar in Venlo,” lachte Rascha. “Dat wordt echt zwemmen daar. Ik ben
benieuwd hoe ze zich daaruit redden. Dat volkje daar beneden is heel goed met
water, maar deze keer heeft het ze toch te pakken, denk ik.” Op dat moment
stoof Mara de wolk op. Haar drie zustergodinnen deinsden achteruit, want haar
ogen waren zwart van woede. “Zijn jullie nou helemaal besodemieterd!” bracht
Mara uit. “Moet je kijken wat jullie aanrichten hier beneden. Dat was helemaal
niet afgesproken. Het had een klein beetje mogen regenen. Het was dus niet te
bedoeling dat jullie hele zeeën naar beneden gingen sodemieteren. En hoe
krijgen we ze nu op tijd weg? Hč? Nou hebben jullie zeker niks meer te zeggen?
Daar was ik al bang voor. Als het er op aan komt, geven de dames niet thuis.” “Maar
Mara,” begon Nadine. “We wilden gewoon een lolletje. Daar steekt toch niks
kwaads in? Jij zou dat ook eens vaker moeten doen. Met die ernst van jou heb je
een hele moeilijke eeuwigheid, dat kan ik je wel vertellen.” Mara stampvoette
op de wolk. “Ik ben hier in de Kosmos om de dingen te onderzoeken!” bracht ze
uit, hoewel het spreken haar moeilijk viel door haar verontwaardiging. Niemand
moet mij daarbij in de weg staan, en jullie al helemaal niet. En dan nog wat,
want die regen is nog niet eens het ergste wat jullie hebben gedaan! Het ergste
is het transporteren van de Iksen van RI666. Hoe hebben jullie dat nou kunnen
doen. Jullie weten toch wel dat het hartstikke gevaarlijk is om bewoners van de
ene planeet naar de andere te brengen? Het draait er altijd op uit dat het ene
volk het andere vernietigd, dat hebben we vaak genoeg gezien. Of moet ik jullie
de voorbeelden soms noemen? Wat dachten jullie bijvoorbeeld van die rare dinosaurussen,
die op een veel grotere planeet thuishoorden! Geen andere levensvorm kreeg daar
beneden nog een kans. En er was een meteoriet voor nodig om ze weg te jagen.
Kon ik weer helemaal opnieuw beginnen met mijn onderzoek! Ik wil dat de Iksen
teruggaan naar waar ze vandaan komen, voordat het te laat is. Ze beginnen er al
over dat ze langer willen leven dan drie dagen. Dacht je dat ze daar ooit op
waren gekomen als ze het leven op aarde niet hadden gezien? Nee dus!” Mara
pauzeerde even. Ze kon nog wel uren doorgaan met het afsteken van haar tirade,
maar het had geen zin. Haar zustergodinnen keken haar schuldbewust aan, maar
dat wilde nog niet zeggen dat zij zich in het vervolg beter zouden gaan
gedragen. Het zat er gewoon niet in. Dat wist Mara ook wel, maar dat betekende
nog niet dat ze over zich moest laten lopen. Ze keek naar beneden. “Moet je nou
toch zien,” zei ze terwijl er een klank van medelijden in haar stem was
gedrongen. Die Minister, die allang geen minister meer is maar zich nog wel zo
noemt, is aan het zwemmen! En ze kan daar gewoon staan, maar kennelijk weet ze
dat niet. En kijk nou die man achter haar. Hij zwemt of zijn leven er vanaf
hangt. Nou ja, dat is wel een beetje zo, natuurlijk.” Minister Rita zwom zo
hard ze kon en dat was niet heel erg hard, want ondertussen moest ze ook steeds
om hulp roepen. Die daagde echter niet op, zodat er niets anders op zat dan
door te zwemmen. Mara maakte het zich gemakkelijk: ze ging languit liggen nadat
ze een godinnengewaad had aangetrokken. De kleding die ze van de waslijn had
gepikt waren vuil en bovendien zaten ze niet lekker. De stof was te zwaar en te
ruw, het was helemaal niets voor een teer godinnenlijf als het hare. Nu ze zo
lag, merkte ze hoe moe ze was van die lange periode op aarde. Als ze bezig was,
had ze dat nooit door, maar zo ging het nu eenmaal: in rust voel je je
vermoeidheid. Dat was voor mensen zo, en evengoed voor Godinnen. “Ben je niet
meer kwaad, Mara?” vroeg Rigna bedeesd. “Natuurlijk wel, ik ben woedend en ik
ben nog bezig om iets te verzinnen om jullie zoveel mogelijk te laten goed
maken, maar ondertussen lig ik hier wel lekker. Straks ga ik terug naar aarde.
Ik moet het einde meemaken van dat landje beneden. Dat had allang moeten
onderlopen, ik moet zeggen dat de evenbeelden er het wat dat betreft niet heel slecht hebben
afgebracht. Maar eerst dus even rusten. Zou ik een kopje honingdrank kunnen
krijgen, Rascha?” Rascha zweefde naar de wolk waar ze hun keukentje hadden
ingericht en maakte het kopje honingdrank. Natuurlijk
waren de godinnen gestopt met het naar beneden kieperen van zoveel water. Ze
lieten het alleen nog maar een beetje motregenen, want als het ineens echt
helemaal droog werd, was het voor de
evenbeelden niet meer geloofwaardig. Dan gingen ze denken dat ze besodemieterd
werden en dat was niet de bedoeling. Minister Rita zwom nog steeds door. Af en
toe keek ze naar achteren: “Hou stand, Henk,” riep ze een keer. “Ik ben
rechtdoorzee en je ziet maar weer eens hoe dat van pas komt! Nog even en we
hebben ons doel bereikt!” “Het is wel moeilijk, Minister Rita, mijn armen
worden moe.” “Jij bent een kerel van stavast, Henk. Of tenminste dat zou je
behoren te zijn! Gedraag je als een man
en houd je kop. En laten we er even de vaart in zetten. We zijn al bijna bij
het drielandenpunt. Ik herken het, want ik ben hier, toen mijn kinderen nog
klein waren, een keer op vakantie geweest. Het was erg mooi. Met al dat water
is het wat minder natuurlijk, maar dankzij mijn standvastigheid zal ook dat
worden opgelost! Zodra het water is gezakt gaan we terug naar Venlo. Wij nemen
onze plicht ter hand, Henk en daar heb jij net zo goed een rol in als ik. Want
wie zou nou beter weten wat het volk wil dan jij? Jij bent het volk toch zeker?
Het wordt dus een kwestie van het combineren van mijn scherpzinnigheid met jouw
praktische ervaring. Let op, ik geloof dat we er zijn.” Ze voelde of ze al kon
staan, en dat was het geval. Het water kwam maar tot haar knieën terwijl ze nog
niet eens de grens over waren. Vertwijfeld keek ze achterom. Hadden ze nou echt
al die kilometers voor niks gezwommen? Dat kon toch zeker niet?” Ook Henk ging staan. De eerste tien minuten
kon hij niets uitbrengen, omdat hij uitgeput was. Rosa
en Ingrid zaten op een terras in Casablanca. Sinds enige tijd woonden ze daar
in zo’n prachtig wit huis met uitzicht op zee. Ze dronken muntthee. “Heerlijk,”
zei Ingrid. “Ik voel me zo Ingrid Bergman!” Rosa glimlachte en verschikte haar
hoofddoek wat. Je moest hier wel wat op je hoofd hebben, anders kreeg je binnen
de kortste keren een zonnesteek, zeker als je uit een land als Nederland kwam,
waar de zon maar af en toe scheen. “En nu nog een Rick,” reageerde ze op de opmerking van Ingrid.
“Hoewel zo iemand wel erg ongezond leeft. Al die sigaretten en al die whisky,
die maakt het niet lang, vrees ik.” “Het gaat niet om de kwantiteit maar om de
kwaliteit,” zei Ingrid. “Trouwens, ik heb al best wat potentiële Ricks zien
rondlopen hier. Wat een stukken, met die gloeiende bruine ogen.” “Grijp wat je
grijpen kan, kind,” zei Rosa. “Dat heb ik ook gedaan toen ik jonger was, en
daar kijk ik met genoegen op terug. Het zorgt er trouwens ook voor dat ik nu
rustig aan een kopje thee kan zitten en niet naar een Rika op zoek hoef.” “Jij
boft maar.” “Jij ook, je hebt nog
driekwart van je leven voor je.” Er kwam een man van een jaar of vijfendertig
naar hun tafeltje. Hij was slank en in zijn linker mondhoek bungelde een
sigaret. Boven zijn witte kostuum droeg hij een witte hoed. “Hallo dames,” zei
hij. “Mag ik bij u komen zitten?” Rosa
aarzelde. Ze had geen zin in gezelschap. Het beviel haar prima zo met Ingrid
alleen. Zo heerlijk ongecompliceerd rustig was het. Maar ze kon de jonge vrouw
natuurlijk niet dwarsbomen. Het was overduidelijk dat Ingrid een vervanger
zocht voor Henk. Nu was elke man al snel beter dan die Henk, maar als oudere
vond Rosa het toch haar verantwoordelijkheid dat Ingrid het beste van het beste
kreeg. “Ga uw gang,” zei ze. Ingrid bloosde een beetje, maar dat viel niet zo
op, want ze was roodverbrand door de zon. “Kan ik de dames wat aanbieden?”
vroeg de man. “Jazeker, doet u mij nog
maar zo’n muntthee,” zei Rosa. “Ik heb wel zin in een glaasje witte wijn,” zei
Ingrid. “Ik zal me even voorstellen, ik ben Ingrid de Bruin.” “Oh, wat slordig
van mij dat ik mijn naam niet heb genoemd! Ik ben Rick Wevers!” zei de man
terwijl hij opstond en zijn hand uitstak. Ingrid schudde die. Rosa keek het zo
eens aan. Zij was altijd iemand die wist wanneer ze teveel was. Dat was nu het
geval. Ze stond op en zei: “Ik herinner me dat ik nog wat schrijfwerk te doen
heb. Blijven jullie gerust zitten.” “Ik hoop niet dat ik u wegjaag…” vroeg de
man. “Welnee, natuurlijk niet. Geniet van de zon en de thee. Ik zie je straks
wel, Ingrid. Tot dan.” Rosa
zat in haar kamer in het riante appartement dat Ingrid en zij hadden gehuurd.
Ze logde in op internet. Wat was het toch handig dat je in een handomdraai de
hele wereld tot je beschikking had. Had de uitvinder van internet nou eigenlijk
de Nobelprijs gekregen? Het zou wel niet. Ze opende een nieuwspagina. Er was
een filmpje over Nederland. Dat land was veel in het nieuws de laatste tijd. Nu
was er een overstroming in Limburg en het scheen dat Venlo al bijna van de
kaart was geveegd. Voor de buitenlandse reporters was het onduidelijk of er
slachtoffers waren en hoeveel dat er dan waren. Uit een helikopter die laag
over Limburg vloog, was een vluchteling gefilmd. Nee, het waren er twee. Rosa
boog haar hoofd naar het scherm om het beter te kunnen zien. Verdomd! Het was
Minister Rita die daar zwom voor haar leven! Rosa barstte ineens in lachen uit.
“Ik hoop dat ze asiel krijgt!” zei ze hardop voor zich uit. Toen viel ze stil.
Zou ze ooit nog wel terug kunnen naar Nederland? Ze begreep dat heel veel
mensen al waren vertrokken. Het vluchtelingenkamp bij Antwerpen was overvol aan
het raken en niemand die er aan dacht om terug te keren. Ze hadden het
opgegeven, die Nederlanders. Ze zapte door. De reporters in de helikopter
hadden sporen gevonden van de camping bij Venlo. Er stonden nog tenten, die
voor het grootste deel kapot gescheurd waren door wind en regen. Mensen waren
er niet meer. Het leek wel of het land nooit bewoond was geweest, zo leeg was
het er. Maar toen verscheen er ineens een beeld van het gemeentehuis van Venlo.
Daar waren nog wel mensen. Ze zag de koningin fier op het bordes lopen. Hoe
kwam die daar nou ineens? Hoorde die niet in Den Haag? Nou ja, het koninklijk
huis kwam natuurlijk altijd kijken bij rampen. Om het volk een hart onder de
riem te steken. En wie zag ze daar. Ze kneep haar ogen samen, want ze geloofde
niet wat ze zag: Geert Wilders, vlak achter de majesteit. Hij had zijn hoofd
gebogen als een schuldig schooljongetje. Het was wel duidelijk wie daar de baas
was op het ogenblik. Niet Geert Wilders, maar die nazaat van de grote Willem
van Oranje. Was het tijd om terug te gaan naar Nederland? Nee, dat zou ze nooit
meer doen. Ze had er genoeg van, en bovendien stond het klimaat hier in
Casablanca haar veel beter aan. Het was voorgoed voorbij, haar verblijf in dat
moeras. Op
RI666 was er onrust ontstaan. De Iksen hadden nu weken het wel en wee van hun
zusters op aarde gevolgd en nu waren er heel veel die ook naar aarde wilden. Ze
wilden langer dan drie dagen leven, want ze hadden het idee gekregen dat ze
meer waren dan alleen een onderdeel van een geheel. “Ik ben een individu, en zo
zit dat,” had X23786 gezegd. “En ik wil mijn eigen individualiteit beleven.
Hier kan dat niet. Op aarde kan dat wel. En daarom wil ik naar aarde. Laten we
meer raketten gaan bouwen, dan gaan we allemaal.” De anderen stemden in en ze
gingen hard aan het werk om de raketten voor de volgende reproductie af te
hebben. Het
zou tot rampen hebben kunnen komen, als Mara er niet was geweest om haar collega’s
ertoe aan te sporen een stokje te steken voor deze grootscheepse emigratie.
Rascha en Rigna zweefden om RI666. “Het loopt uit de hand,” zei Rascha bezorgd.
“Als we nu maar niet te laat zijn, want dan komt het nooit meer goed met Mara.”
“Nou, kijk hoe snel ze het doen, die raketten in elkaar zetten. Ze hebben er al
tien af. Nog even en ze gaan ze lanceren. Aan het werk, Rascha!” Op RI666, waar
niet alleen het leven maar ook het weer gelijkmoedig was, begon het plotseling
vreselijk te stormen. Sommige Iksen werden weggeblazen, maar ze raakten niet
gewond. Dat hadden zij niet in zich. De raketten werden vernietigd, er bleef
geen snipper van heel. Een aantal Iksen begon als een gek opnieuw te bouwen,
maar steeds pakte een windvlaag het bouwsel en smeet het kapot op de grond.
Rascha en Rigna waren uren bezig, voordat de Iksen eindelijk doorkregen dat het
geen zin had en dat ze RI666 niet konden verlaten. En zoals zulke dingen dan
gaan, legden ze zich hierbij neer. Rascha
en Rigna zweefden snel terug naar aarde. Mara wachtte al op ze. Ze stond op een
wolk met haar armen over elkaar. “Zo, en nu als de sodemieter die Iksen
oproepen die hier beneden nog rondhangen!” zei ze streng. Ze hoefde het geen
twee keer te zeggen. Vermomd als vluchtelingen daalden Rascha en Rigna af naar
beneden, op de plek op de flevopolder waar de raketbasis was. Het land was nog
wijds daar, zodat zo’n buitenaards object niet zo snel opviel. “We zijn vroeg,”
zei Rigna. “We kunnen best nog een kijkje gaan nemen bij de
Oostvaarderplassen.” “Mara maakt ons af!” “Dat zou ze kunnen doen als wij niet
onsterfelijk waren maar dat zijn we wel. Kom op, ik wil het weleens zien daar.”
In hun warme truien, die ze in lagen over elkaar hadden aangetrokken, wandelden
ze het natuurgebied in. Er waren geen mensen te bekennen. Normaal gesproken
werden die ook niet toegelaten, want de evenbeelden hadden bedacht dat ze de
natuur helemaal hun gang moesten laten gaan. Toen ze iets verder liepen, kwamen
ze een vrouw tegen in een lichtgrijs mantelpak vol met bloedvlekken. Het was
Sarah Palin, die al weken aan het jagen was. Ze had al heel veel dieren gedood
en omdat ze het zo druk had met jagen, at ze het vlees rauw van een net gedood
beest. Er droop bloed langs haar kin. “Dag mevrouw Palin,” zei Rigna. “Ik
bewonder u erg, maar wordt het niet eens tijd om naar huis te gaan? De
Amerikanen hebben u nodig!” Sarah Palin zette haar geweer neer. “Het is hier
net zo leuk,” zei ze. “Ik wil wel steeds terug maar dan zie ik al die beesten
en dan wint de verleiding weer het beste van mij.” “Ja, dat is heel goed
voorstelbaar, maar nu moet u toch echt uw plicht weer gaan doen. Er staat vast
wel een militair vliegtuig klaar op vliegveld Lelystad.” Het gezicht van Sara
Palin veranderde in één grote, verheugde glimlach. “Echt waar? Zou het Airforce
One zijn die voor mij klaar staat? Ze hebben mij beloofd dat ik president zou
worden, maar ik weet niet zeker of ik dat al ben. Door de drukte heb ik niet
veel met thuis kunnen bellen.” “Wie weet is het Airforce One,” zei Rascha. “Ik
zou maar gauw gaan kijken, want dat vliegtuig staat nooit heel lang op één
plek.” “Nou, dan maak ik dat ik wegkom, misschien kan ik in de kerstvakantie
weer komen jagen. Een geweldig jachtgebied is er hier. Al mijn Amerikaanse
waarden borrelen bij mij naar boven. Dag dames, bedankt dat u mij de weg hebt
gewezen.” Sarah Palin gooide haar geweer over haar schouder en rende in de
richting van het vliegveld. “Het wordt nu toch echt tijd om naar die raket van
RI666 te gaan,” zei Rigna. Toen
ze daar aankwamen, stonden er al enkele Iksen omheen. “Dat is mooi,” zei
Rascha. “Jullie moeten vertrekken, het liefst nog voor de volgende reproductie.”
Een van de Iksen trad naar voren. “Oh, grote godinnen, wat een eer dat u ons
komt opzoeken! Wij zijn teleurgesteld. Wij dachten dat we ons hier konden gaan
vestigen en dat we zo oud konden worden als de wezens hier, die mensen. Maar we
krijgen nog steeds te maken met de ene na de andere reproductie. Het lukt
gewoon niet om in leven te blijven.” “Nee, daar zijn jullie ook niet voor
gemaakt, dat is nu eenmaal zo. Ga nu snel terug naar RI666, daar hebben jullie
er geen last meer van, dan worden jullie gewoon zoals het hoort weer opgenomen
in het collectieve bewustzijn.” “Ja,” sprak een andere Iks. “Misschien is dat
al met al dan toch het beste.” De Iks keek om zich heen. “Is iedereen er?”
vroeg Rigna. De iksen knikten. “Ja, we zijn er allemaal en we zijn met net
zoveel als we gekomen zijn.” “Nou, voortmaken dan maar.” Een voor een stapten
de Iksen de raket in. Rigna en Rascha keken ze opgelucht na. “We moeten maar
eens iets leuks voor ze doen,” zei Rascha. “Als alles hier achter de rug is
bedoel ik. Ze hebben wel veel te lijden gehad.” “Tja, maar ze zijn zo
gelijkmoedig, dat leuk iets is wat ze niet kennen,” antwoordde Rigna. “We
moeten het maar laten zoals het is.” Samen zweefden ze langzaam terug naar de
wolk, waar Mara samen met Nadine op ze wachtte. Greet
en Wilma kwamen terug uit Castricum, waar ze een wandeling hadden gemaakt.
Zoals zo vaak waren ze verdwaald in het bos. De tomtom hadden ze wel
meegenomen, maar het ding kon geen contact meer maken met de satellieten. Het
kabinet Wilders had schermen opgericht om contact met dat soort media tegen te
gaan. Al die informatie maakte het Nederlandse volk maar in de war, zo was de
redenering. “Zo,” zei Wilma. “Dat was dan dat. Onze laatste wandeling in
Nederland. Aardig van die vrouw en haar kleine nichtjes om ons de weg te
wijzen.” Greet knikte. “Zonder hun zaten we nu nog steeds in het bos. Misschien
wel tot de Tsunami ons te pakken had, je moet daar toch niet aan denken. Maar
nu moeten we de koffers in de auto zetten, want het is de hoogste tijd om er
vandoor te gaan. Wij kunnen hier niets meer redden, Wilma. Zet het uit je
hoofd.” Wilma keek sip. Ze wilde zich hier eigenlijk niet zomaar bij
neerleggen. Het was toch ondenkbaar dat ze al die mensen die nog in Nederland
waren aan hun lot overliet? “Echt waar,” drong Greet aan. “We kunnen hier niets
meer doen. Kom op.” Wilma zuchtte en volgde Greet naar de gang van het pand op
de Keizersgracht, waar de koffers al klaar stonden. Terwijl ze zo bezig waren,
kwam Xandra Schutte naar ze toe. “Dag dames,” begon die. “Gaan jullie
vertrekken?” Greet en Wilma knikten. “Ja,” zei Wilma. “Het moet er nu maar van
komen. Er is geen redden meer aan, vrees ik.” “Dat is zeker het geval, maar ik
wil jullie toch nog één gunst vragen?” Wilma klaarde op. Nu kon ze misschien
toch nog wat doen voor mens of dier. “Vertel, Xandra, wat kunnen we voor je
doen?” “Beatrix zit in Venlo, vast op het gemeentehuis.” “Oh jee, wat heeft ze
gedaan? Is ze ingesloten door dolle Rita?” vroeg Greet bezorgd. “Hou nou toch
eens je mond, Greet,” zei Wilma geďrriteerd. “En laat Xandra uitpraten. Stoor
je niet aan haar, Xandra. Het mens heeft de wildste fantasieën, altijd al
gehad, vertel mij wat, ik hoor dat nu al meer dan vijftig jaar aan.” Xandra
glimlachte. “Nee, dolle Rita is weg, Geert Wilders is daar wel, maar die
schijnt zich koest te houden. Dat verblijf op de isoleer heeft hem toch goedgedaan.
Maar we zitten nog wel met het gegeven dat nog lang niet iedereen is
vertrokken, en dat moet zo onderhand wel, want we naderen het einde. Zouden
jullie mee willen gaan naar Venlo, en twee van ons willen meenemen in je auto?
Doe maar Doeschka en mij. We gaan iedereen evacueren. Beatrix heeft een
geweldig plan, dat gaat zeker werken. Als we haar toch niet hadden..” “Natuurlijk kunnen jullie mee en natuurlijk
helpen we mee,” zei Wilma enthousiast. “Prop die koffers maar flink bij elkaar,
Greet. Zoveel hebben we niet nodig. We kunnen er ook een paar hier laten. Het
wordt tijd om los te laten.” “Maar mijn boekentas wil ik wel meenemen,”
verdedigde Greet zich. “Ik wil wel loslaten maar alles met mate. Natuurlijk is
het goed dat Xandra en Doeschka meerijden en natuurlijk zullen wij ook te Venlo
onze plicht doen. Maar mijn boeken gaan mee. Het is maar dat je het weet.” “Ja,
ja,” zei Wilma ongeduldig. “Schiet nou maar op. Ik zeg toch niet dat je die
boeken thuis moet laten?” Een
klein uurtje later waren ze gevieren onderweg. De toestand op de snelwegen was
wel steeds erger geworden. Overal stonden uitgebrande autowrakken. Greet moest
goed opletten dat ze niks raakte. Andere automobilisten waren er niet, dus
ondanks de chaos schoten ze toch wel een beetje op. Wilma probeerde een zender
te zoeken op de autoradio, maar ze konden niets ontvangen. Het leek wel of het
land de planeet had verlaten en vrij door de kosmos zweefde. Ze hoopte maar dat
dat niet zo zou zijn. Ze had het niet met zoveel woorden gezegd tegen Wilma,
maar ze was hard toe aan een periode van rust. Ze had prachtige boeken in haar
koffer die ze graag wilde lezen. Het maakte haar helemaal niet zoveel uit waar
ze naar toe gingen, als ze maar met rust werd gelaten. “Wat ben je stil,
Greet,” vroeg Wilma. “Is er wat?” “Ik ben een beetje moe,” zei Greet. “We
hebben zoveel meegemaakt de laatste tijd.” “Ja, dat is misschien wel zo, maar
het was anders toch behoorlijk spannend, of niet dan.” Xandra en Doeschka waren
ook stil. Hun gezichten stonden zorgelijk. Bij Utrecht hadden ze verteld dat de
Raad van Wijze vrouwen ontbonden was, want ze konden niets meer doen. Ze waren
bezorgd over de afloop, want ze waren bang dat er ondanks alle dreiging heel
veel mensen niet weg wilden gaan. Eindelijk
waren ze in Venlo. De auto reed moeizaam door het laagje water, dat nog altijd
in de straten stond, maar ze bereikten het gemeentehuis zonder dat de motor
afsloeg. Greet zette de auto zomaar ergens neer. Het deed er niet meer toe en
de vier vrouwen stapten uit. Het water stond nu tot halverwege hun kuiten.
Natte voeten, dacht Greet, wat heb ik toch een hekel aan natte voeten. Toen ze
bij de deur kwamen, stond daar een struise vrouw met zwart haar te wachten. Ze
droeg vijf grote taartdozen. “Wat ben ik blij dat ik iemand zie!” riep ze uit
toen ze het viertal zag. “Er doet niemand open. En mijn zoon Geert is binnen.
Die kent u toch wel? Mijn zoon Geert? Nou, die heeft het helemaal niet
gemakkelijk gehad de laatste tijd en nu wil ik hem gaan troosten met een paar
lekkere vlaaien!” Xandra belde het mobieltje van hare majesteit de koningin, de
redster van de lage landen. Even later verscheen de vorstin, nu wel degelijk in
de hoedanigheid van staatshoofd, meer zelfs dan ooit want de rest van de
regering was nergens te bekennen. “Kijk nou!” sprak de moeder van Geert Wilders
uit. “De koningin is er ook! Zo is mijn zoon tegenwoordig, die gaat met de
hoogste kringen om! Nou, majesteit, u mag het eerst kiezen welk stukje u
wilt!” Met zijn vijven gingen ze snel naar binnen, want het motregende
nog steeds. Mark
Rutte en Maxime Verhagen liepen door het verlaten binnenhof. Verhagen had de
handen op de rug. “Het lijkt alsof er niemand meer is, Mark,” zei hij. “En ik
moet zeggen, één ambtenaar is toch wel een erg klein overheidsapparaat. Hero
kan het allemaal niet aan. Hij ziet helemaal bleek, volgens mij slaapt hij niet
meer.” “Ach,” wuifde Mark Rutte. “Die vent is gewoon hartstikke lui, die weet
niet van aanpakken. Hij komt van de politie en dat zegt genoeg! Blijkbaar is
daar nooit stevig doorgewerkt, anders zou hij die simpele klusjes wel klaren.
We moeten de salarissen van de ambtenaren korten.” “Nou, nu het er nog maar één
is, lijkt me dat niet zo heel relevant.” Het tweetal wandelde verder. Nog niet
zo lang geleden hadden hier altijd mensen gestaan die hoopten een glimp van de
belangrijke mannen op te vangen. Mark Rutte miste ze. Hij vond het ook erg
spijtig dat hij maar zo kort van zijn roem had mogen genieten. Hij vroeg zich
af waar het verkeerd was gegaan. Hij had beter voet bij stuk moeten houden en
Geert zijn zin niet moeten geven. Daar was alle ellende mee begonnen. Met
schaamte herinnerde hij zich zijn bezoek aan Frits Bolkestein, nog niet zo heel
lang geleden. Hij had gedacht, laat ik ome Frits eens opzoeken en hij had het
zichzelf niet durven bekennen, maar hij wilde gewoon een aai over zijn bol.
Toen hij nog bij de VVD jongerenclub zat, had Frits Bolkestein hem niet zien
staan. Nu moest hij wel erg trots op hem zijn. Had hij gedacht. Maar het pakte
heel anders uit. De oude politicus had de deur met een zwaai opengedaan, toen
hij over de galerij van het dure appartementengebouw in Amsterdam liep had ome
Frits hem kennelijk al gezien en hij was uitgevallen: “Wat ben jij een
levensgrote sukkel! Allereerst al om in zee te gaan met zo’n worm als Geert
Wilders. Hoe is die gek trouwens ooit de kamer binnengekomen? Dat was onder
mijn leiding echt niet gebeurd. En dan breng je het tot premier, alleen omdat
er niks beters was tussen twee haakjes, en dan laat je je positie ook zo weer
afpakken. Alweer door die straatterrorist! Waar is je liberale gedachtegoed,
jongeman! Ik ben blij dat ik nog niet dood ben, want dan zou ik me omdraaien in
mijn graf.” “Maar ome Frits..,’ begon Mark Rutte. “Ome Frits? Ome Frits?” viel
Frits Bolkestein furieus uit. “Voor jou is het meneer Bolkestein en voor jou
zal het meneer Bolkestein blijven! Sukkel! Nitwit! Maak dat je wegkomt! Uit
mijn ogen!” Met de staart tussen de benen was Mark Rutte vertrokken. Onderweg
terug naar Venlo had hij 200 km per uur gereden, maar dat kon zijn
ontgoocheling niet doen verdwijnen. “Moeten
we niet eens verkiezingen uitschrijven?” stelde Maxime Verhagen voor. “Ik denk
dat de PVV wel wat stemmen verliest op het ogenblik. Het zou een mooi moment
zijn. Jij wint wat en ik win wat. Misschien krijgen we zelfs een meerderheid.
Dan kunnen we doorpakken.” Mark Rutte keek verbaasd opzij. “Verkiezingen? Die
hebben we toch afgeschaft? En trouwens, waar haal jij het idee vandaan dat we
zouden winnen, als we nu verkiezingen zouden hebben? Ik heb al tijden geen
peilingen gezien, dus ik heb geen idee waar we staan.” “Maar Wilders ligt aan
de ketting, en dat van die groene vrouwtjes pikken de mensen echt niet. Zelfs
de Nederlanders wordt dat te gortig.” “Ja, dat zal best, maar ondertussen
bestaan die groene vrouwtjes. Al ben ik wel blij dat we ze niet meer hebben
gezien. En als de mensen daar achter komen, is Wilders weer hun man, let op
mijn woorden. Zoiets krijg je niet weg. We hebben een duvel uit een doosje
gelaten, dat is wat ik je vertel.” Maxime Verhagen zei: “Niet zo somber, Mark.
De politiek is altijd al iets geweest van ups en downs. We moeten een gebaar
maken naar het volk. Kunnen we de belastingen niet verlagen?” “Er worden geen
belastingen meer geďnd want Hero komt er niet aan toe. En als hij er eindelijk
wel aan toe komt, gaan ze weigeren te betalen. Let op mijn woorden.” Ineens
bleven Rutte en Verhagen aan de grond genageld staan. Voor hen stond een vrouw
met lang grijs haar in een wit gewaad. Zodra ze naar haar keken begon ze te
spreken. “Maak dat u wegkomt, regering van Nederland. Het land wordt binnen een
paar dagen verzwolgen. Er is niets meer te redden, er zal niets van het land
over blijven! Neem uw auto en rijd meteen naar België. Alleen dan overleeft u.”
“Zo’n milieu-idioot,” siste Mark Rutte naar Maxime Verhagen. Hij glimlachte
naar de vrouw zoals alleen hij het kon en zei: “U moet zich niet zo van de wijs
laten brengen, mevrouw. Het lot van de Nederlanders is bij ons in goede handen.
Er is veel bangmakerij op het ogenblik, maar neemt u maar van mij aan dat dat
bewust gebeurt door mensen die daar garen bij spinnen. Er is helemaal niets aan
de hand. Niets dat wij niet kunnen oplossen. Stem VVD, mevrouw, bij de volgende
verkiezingen.” “Ik stem niet, ik ben Mara!” zei de vrouw. “Ontsnapt uit het
hospitaal,” siste Mark Rutte weer. Hardop zei hij. “U kunt nu maar beter
teruggaan naar de plaats waar u zo goed wordt verzorgd. Zal ik u brengen?” Hij
nam de vrouw voorzichtig bij de arm. Mara rukte zich los. En toen zagen Mark
Rutte en Maxime Verhagen iets wat ze nooit zouden vergeten: de vrouw zweefde de
hemel in, alsof ze nooit iets anders had gedaan. Voorbij
de Belgische grens stapte Minister Rita uit het water. Ze keek om zich heen:
hier was het helemaal droog en het was toch hetzelfde gebied. Henk stond naast
haar, nog steeds uitgeput. “Henk, godzijdank, we zijn er uit. Laten we verder
lopen, naar die boerderij daar. Misschien willen ze ons daar helpen.” Henk keek
bedenkelijk. “Maar dit is wel het buitenland, Minister Rita. Is het hier niet
erg gevaarlijk? Nou weet ik wel, die Belgen zijn ook christenmensen, maar toch,
wij komen toch als vreemdeling aan de deur kloppen. Zou er worden opengedaan?” “Henk,
denk nou eens na. Hebben we een keuze? Nee dus! We moeten wel. Onze kleren zijn
zeiknat, we kunnen niet terug en we zijn wel toe aan een hapje, zou ik zo denken.”
Kordaat liep Minister Rita naar de boerderij, waar een aangenaam licht brandde.
Ze stelde zich voor hoe ze zou worden onthaald op bruine boterhammen met een
gebakken ei en spek. Het water liep haar door de mond. Henk liep zorgelijk
achter haar aan. Toen
ze op het erf kwamen, begon de erfhond te blaffen. Het was een Jack Russel,
niet echt het type waakhond, zo op het eerste gezicht, maar het beest was
moedig genoeg. Al menig postbode had hij in de enkels gebeten. Minister Rita
aaide het beestje. “Braaf, Bello,” zei ze. “Wij zijn goed volk. We zoeken
droogte en warmte en verder niets.” Het beestje geloofde het blijkbaar want hij
hield op met blaffen. “Toch moet u uitkijken met dat soort beesten, Minister
Rita,” sprak Henk. “Wie weet is hij
hondsdol en dan crepeer je voor je het weet. Het is natuurlijk wel het
buitenland hier. Daar zijn ze lang niet zo ordelijk als bij ons.” “Ach houd
toch je snater, Henk. Wat een angstig mannetje ben je toch eigenlijk. Moeten we
daar ons Nederland op bouwen?” Ze klopte aan bij de deur, de hofhond snuffelend
in haar kielzog. Een oude vrouw deed open en bekeek het druipnatte tweetal. “U
bent Nederlanders,” stelde ze vast nadat ze ze goed bekeken had. “Daar is het
nat, in Nederland. Daar gaat het helemaal niet goed. Komt u binnen, dan krijgt
u een kop soep. Wel de schoenen uit doen.” Minister Rita en Henk wrongen hun
doorweekte schoenen van hun voeten en volgden de vrouw. Bij een open haard, die
gezellig met echte houtblokken werd gestookt, namen ze plaats op comfortabele
stoelen. “Heerlijk,” zei Minister Rita. “Na zo’n stuk zwemmen. Daar krijg je
het altijd zo koud van, vooral als het al tegen
november loopt.” In de kamer waren nog meer mensen. Die waren allemaal
jonger dan de vrouw die had opengedaan. Ze kwamen zich voorstellen. Een pronte
vrouw van in de veertig zei: “Hallo, ik ben Odile. Ik ben zo blij dat ik wat
kan doen voor de Nederlanders, want wat hebben die het moeilijk. Dan zeggen ze
dat er bij ons wat is met die taalstrijd enzo, nou ik persoonlijk, mij maakt
het niks uit of iemand Nederlands of Frans spreekt, ze zeggen toch allemaal
hetzelfde, maar wat ik wil zeggen, bij jullie is het allemaal een stukske
erger. Wij zien dat elke dag op het nieuws.” Ook de andere familieleden kwamen
zich voorstellen. Er was Toine, de zoon van de oude vrouw, en er waren de
kinderen van Toine en Odile, Frans en Jeannet. Minister Rita voelde zich echt
thuis. Ze vroeg zich af hoe dat kwam, in zo’n buitenland. Was ze niet door en
door Nederlands? Was ze niet van het volk van Stavast, het volk van de VOC? Ze
dacht na. En ineens viel haar binnen dat ze onderweg de weg was kwijtgeraakt.
Vroeger was ze een eenvoudige directeur van een gevangenis. Waarom had ze nou
zo nodig de politiek in moeten gaan? Voor die tijd was ze tevreden geweest en
in de gevangenis had ze met allerlei mensen te maken gehad. Die waren allemaal
hetzelfde. Hoe kwam het dat ze was beginnen te denken dat dat niet zo was? Dat
er mensen waren die weliswaar gelijk waren, maar toch meer gelijk dan anderen?
“Ik met mijn gelul,” zei ze hardop zonder dat ze het door had. “Ik laat me in
het vervolg geen Minister meer noemen, wat zeg ik, ik noem mezelf geen Minister
meer.” Ze nam een slok van de sterke koffie met cognac die Odile haar gebracht
had. Die verwarmde haar. Toen pas zag ze dat Henk verbaasd naar haar keek. “Wat
is er, Henk?” vroeg ze. “Het lijkt wel alsof je water ziet branden.” “Nou, dat
doe ik bijna ook,” zei Henk. “Maar hoezo geen Minister meer? Op wie moet ik dan
bouwen? Wie moet ik dan volgen? U was een lichtend voorbeeld, Minister Rita!”
“Toe, noem me geen Minister meer, van nu af aan is het Rita.” “Nou, Rita,” zei
Henk onwennig. “Dat wordt allemaal wel heel lastig. Wie moet ik nu volgen?”
Rita bekeek hem. Wat was hij toch een kwetsbaar jongetje, zoals hij daar zat
bij de kachel in die te krappe trui en die joggingbroek. “Je volgt jezelf,
Henk,” zei ze. “Dat is altijd het beste. Gewoon jezelf volgen.” Op het voorhoofd van Henk ontstond een frons.
Jezelf volgen, gemakkelijker gezegd dan gedaan, want wie was hij eigenlijk? Het
was zoveel gemakkelijker om een groot voorbeeld te hebben, om het even wie het
was, Minister Rita of een ander. Geert Wilders, dat was ook een goeie in zijn
goede tijd. Mensen die zeiden wat jij dacht zonder dat je zelf hoefde te
bedenken wat je eigenlijk zei. Hij kwam er niet uit. Odile kwam naar de haard.
“Zo, geef die soepkommen maar hier,” zei ze. “Ik ga afwassen. Nee, jullie
hoeven niet te helpen. Niet na wat jullie achter de rug hebben. Ga maar lekker
naar boven, ik heb de kruiken al in bed gelegd. Gewoon een nacht goed slapen
dan ziet de wereld er weer heel anders uit.” Rita en Henk volgden Odile naar
boven. Daar stond voor beiden een riant bed klaar met daarop een flanellen
pyjama. Het
landje Nederland, dat nog niet zo lang geleden zo vol was geweest, was bijna
helemaal leeg. Maar niet helemaal. Diep verscholen op de Veluwe was nog een
dorp, waar de mensen zich niet weg wilden laten sturen. Daar hadden ze de Here.
En de Here had niet gezegd dat ze weg moesten wezen. Uit de Bijbel wisten ze
dat de Here altijd heel duidelijk was in wat hij wilden. Was het uitverkoren
volk niet op zijn last door de Sinaď getrokken? Een gemakkelijke tocht was dat
niet geweest, want het had veertig jaar geduurd. Nu hoorde ze van alles.
Sommige dorpbewoners vingen wel eens signalen op uit andere landen. Daar zeiden
de mensen dat het bijna was gedaan met het prachtige Nederland, nog even, en er
was niets meer van over. Reddingsoperaties hadden geen zin, het was beter om de
mensen te overtuigen van het feit dat ze weg moesten. Maar
dit dorp wilde niet. Van de kansel werd hel en verdoemenis gepreekt. Iedereen
was zondig, iedereen was schuldig, misschien waren er wel uitverkorenen onder
de dorpsbevolking, maar de dominee zei dat hij dacht van niet, zo zondig als de
mensen hier waren, daaruit bleek eigenlijk al dat ze allemaal verdoemd waren.
De dorpbewoners dachten vaak stiekem dat het dan ook niet zoveel meer uitmaakte
wat ze deden of lieten. Nooit zouden ze dat hardop zeggen. Ze
hoorden wel van de vluchtelingen, Ze hoorden ook van de Tsunami die het land bedreigde.
Maar ze geloofden dat niet. De Here moest een teken geven, anders konden ze
alles wat werd gezegd rustig opvatten als een teken van de Duivel. Die was zo
vaak bezig, daar trapten ze niet in. Het
leek dan ook dat het gewone leven gewoon doorging in het dorp. De mensen gingen
naar hun werk, op het land, in de winkels en in de paar zorginstellingen die er
waren. Betaald werden ze meestal niet, maar daar maakten ze zich niet druk om.
Ze moesten hun brood verdienen en als ze dat brood niet kregen, hadden ze het
kennelijk niet verdiend. Onderling spraken ze weleens stiekem over wat er
gezegd werd in de media. Was er misschien toch iets van waar? Waren ze niet te
ver van de wereld gekeerd? Had de dominee wel gelijk met zijn preken over hel
en verdoemenis? Maar als ze zulke dingen zeiden, fluisterden ze alleen. Daarom
keken ze op toen Aartje op een zondagochtend na de preek opstond en door de
Kerk galmde: “Mensen, we moeten een Ark bouwen. De Here wijst ons de weg, net
zoals hij dat Noach gedaan heeft. Het moet een grote Ark zijn, want anders dan
de vorige keer moet iedereen erin en niet alleen twee van elke soort.”
“Godlasteraar!” schuimbekte de dominee van de kansel. “Hoe durf je het te
zeggen. Als we al omkomen dan is dat Gods wil en God heeft niet tegen jou
gesproken. God spreekt niet tegen vrouwen. Die spreekt tegen mij alleen!” Nu
keerde de kerkgemeenschap zich tegen de dominee. “Vuile paap!” riep een meisje.
“Wat nou alleen tegen jou. De Here heeft ons via Aartje een aanwijzing
gegeven!” De dominee keek het meisje verbijsterd aan. Nog nooit was het
voorgekomen dat hij werd tegengesproken. “Maar je weet toch wel tegen wie je
spreekt?” begon hij. “Ik ben de dominee!” “Ja, dat weet ze wel,” zei Aartje.
“Maar het teken van de Here is duidelijk, wij moeten een Ark gaan bouwen. Een
hele grote!” De dominee liep langzaam en verslagen de trap van de kansel af.
“Kom mannen en vrouwen,” zei Aartje. “We hebben geen tijd te verliezen. We
moeten meteen gaan bouwen.” Iedereen volgde haar naar buiten. Het was een dorp waar
oude ambachten in ere waren gehouden. Tegen alles in gebruikte men hout in
plaats van plastic en zo kwam het ook dat iedereen heel praktisch was
ingesteld. Er was geen vrouw of man te vinden in het dorp die niet iets zelf
kon maken. Een ark, zeker als die zo groot moest zijn, was nog wel een hele
klus. Begrijpelijkerwijs hadden de mensen daar geen ervaring mee. Aartje liet
zich echter niet uit het veld slaan. Ze deelde iedereen in in ploegen en ze
gingen aan de slag. Aartje had een duidelijk idee van hoe de Ark eruit moest
zien. Er moesten veel kamers zijn, zodat iedereen zich kon terugtrekken. Ze had
geen idee hoe lang de reis zou gaan duren. Het gerucht ging dat alleen
Nederland zou worden vernietigd, maar zoiets wist je nooit zeker. Misschien had
de Here dat alleen laten uitlekken omdat hij de mensen op de proef wilde
stellen. Misschien zou de hele wereld onderlopen en zouden ze pas na jaren weer
vaste grond aan de voeten krijgen. Dan moest je er toch niet aan denken, dat je
al die tijd opgesloten zou zijn met altijd maar die mensen om je heen. In de
Ark kwam een grote eetzaal. Gezamenlijk eten was erg belangrijk, want ze waren
immers gezamenlijk onderweg naar hun redding. Dan moesten ze alles samen delen
en dan was het beter als de anderen zagen dat niet de een beetje meer kreeg dan
de ander. Verder moesten er genoeg badkamers zijn. Aartje had een bloedhekel
aan stinkende mensen, dus het was belangrijk dat iedereen zich elke dag kon
wassen. Voor de kinderen moest er voldoende vertier zijn. Ze moesten spelletjes
en speelgoed meenemen, anders ging het fout. En een school, of meerdere
scholen, die moesten er ook zijn. De kinderen moesten onderwijs krijgen. In de
nieuwe wereld waar ze naar toe gingen, zou dat erg belangrijk zijn. Deze
kinderen waren de generatie die een nieuw bestaan moest opbouwen in de nieuwe
wereld. Ze moesten alles leren wat er geleerd kon worden. Snel tekende ze het
ontwerp uit. Ze liet het meisje, dat was opgestaan in de kerk, kopieën maken
bij de Bruna van haar tekening. Haar mededorpsbewoners stonden al te wachten op
de instructies. Enkele van hen waren bezig met het aandragen van het benodigde
hout. Bossen genoeg op de Veluwe. In
het gemeentehuis van Venlo was het druk, vooral in de hal. Iedereen die in de
buurt was, was er naartoe gekomen, en ook de mensen die van iets verder kwamen,
waren er inmiddels gearriveerd. Hare Majesteit de Koningin had van een stel
tafels een podium gebouwd en sprak de menigte toe: “Dames en heren, aanstonds
gaan wij ons zo geliefde Nederland verlaten. Nederland zal van de aarde worden
weggespoeld en er is niets wat wij daartegen kunnen doen. Wij kunnen geen
dijken verhogen, want de tsunami die ons te wachten staat, spoelt daar met veel
gemak overheen. Wij kunnen geen polders vrij geven voor het water, want die
zijn gewoonweg niet genoeg om alles op te vangen. Aan ons Nederland komt een
einde. Dat doet ons heel veel verdriet. Mijn eigen voormoederen en voorvaderen
hebben hard voor dit land gevochten. Niets was hun teveel. Soms gaven ze zelf
hun leven. Ze hebben successen geboekt. Het Spaanse Juk hebben ze van zich af
weten te werpen en in recenter geschiedenis slaagde onze vorstin, mijn eigen
grootmama, Wilhelmina erin om Nederland door de bezetting de loodsen. Maar
niets is eeuwig. Wij denken dat wel, maar op een dag als vandaag blijkt maar
weer hoezeer wij ongelijk hebben. Wij staan voor een einde. Laten wij dat als
Nederlanders ervaren en er het beste van maken. De moeilijkheid is dat veel
mensen in Nederland nog ver van de grenzen zijn. Zij willen niet vertrekken, al
moeten ook zij zo langzamerhand beseffen dat het nodig is, dat er niets anders
op zit. Nu heb ik bedacht dat het met behulp van paarden moet lukken. U
herinnert zich vast nog wel de aandoenlijke aanblik van een paar jaar geleden
waarin een paar dames uit Friesland een kudde paarden redde uit een
ondergelopen gebied. Onbevreesd reden zij op hun trouwe viervoeters door het
water en leidden zij de kudde naar de kant. Zoiets zal ik aanstonds ook gaan
doen. Zo dadelijk wordt een aantal paarden hier naartoe gebracht. Ik zal de
leiding nemen, en mijn volk naar de grens leiden. Ik vertrouw erop dat u mij
allemaal volgt. En, hoe stoutmoedig ook, ik vertrouw er ook op dat de rest van
de mensen die hier nog zijn dat doen. De tijd is krap. Elk moment kan ons land
worden weggevaagd. Het is aan ons om te bepalen hoe ons volk zich daar doorheen
sleept.” De vorstin stapte het podium af en veegde haar bezwete voorhoofd af.
Anaxia snelde op haar toe. “Gaat het wel, Hare? Het is ook niet niks wat u te wachten staat. Denkt u dat het gaat
werken?” “Ach, mijn beste Anaxia, ik moet dat wel denken, want wat moet ik
anders beginnen. Waar blijven de paarden toch? Als ik iets doe verdwijnt de
spanning wel, dat zal je zien. Een vrouw moet handelen als het er op aankomt,
dat is altijd het beste.” Anaxia greep haar superieur bij de arm. “Maar u moet
het ook weer niet te gek maken, Hare. Die meiden in Friesland waren twintigers
en u bent nu dik in de tachtig. Ik bedoel, dat is toch een heel ander verhaal,
denkt u niet?” “Dat kan best zijn, mijn beste Anaxia, maar het is duidelijk dat
dit volk roept om zijn vorstin en wie ben ik dan om daar geen gehoor aan te
geven? Wij leven niet voor onszelf, Anaxia, dat is mij van jongs af aan duidelijk
gemaakt, ook door mijn moeder, jazeker, mijn grootmoeder hamerde daar meer op zoals
je wel kunt begrijpen, maar mijn moeder was het op dat punt wel met haar eens.
Ik moet dit doen en ik moet slagen. Koste wat het kost. Ook al is het het
laatste wat ik doe in mijn leven.” “Wordt het geen tijd dat uw zoon de boel
overneemt? Ik bedoel maar, zou dit geen mooi moment zijn?” “Ach nee, Anaxia,
natuurlijk niet. De monarchie verdwijnt met mij en ik wil hem verder niet
opzadelen met zoiets onmogelijks. Op het oog onmogelijk, bedoel ik, niet dat
het echt onmogelijk is natuurlijk. Nee, mijn wil geschiede, nu.” Vastberaden
stapte de vorstin naar buiten om te kijken waar de paarden bleven.” Geert
Wilders zat een kopje koffie te drinken. Hij was nogal stilletjes voor zijn
doen. Zijn haar was uitgegroeid tot een aarzelend soort zwart. Hij maalde er
niet meer om. Vroeger zou hij in alle staten zijn geweest: een Hollandse man
moest blond zijn, en geen zwarte lokken hebben. Zo langzamerhand zag hij eruit
als een echte Indo, en ook dat vond hij niet meer erg. De laatste uren was hij
over zichzelf gaan nadenken. Het was pijnlijk om toe te geven, maar hij had op
een totaal verkeerd spoor gezeten. Wat was hij haatdragend geweest. Nu hij hier
zo zat, in dit gemeentehuis waar hij nog niet zo lang geleden de baas was
geweest, kon hij niet meer begrijpen waarom hij zo gedacht had. En wat was de
vorstin grootmoedig, want ze nam hem niks kwalijk. Hij was nog jong, in de
veertig nog maar, en hij kon zijn leven nog beteren. Misschien moest hij zich
maar weer eens inschrijven voor een cursus aan de Open Universiteit. Zijn
rechtenstudie daar had hij wel afgemaakt, maar er was toch meer op de wereld. Misschien
kon hij sociologie gaan doen. Of psychologie. In ieder geval iets waardoor hij
de mensen om zich heen beter kon gaan begrijpen, want hij had het gevoel dat hij
daar nog weleens in tekort schoot. Hij trok de deken die hij om zich heen had,
wat dichter om zich heen: hij voelde zich al wat beter. Ja, hij had fouten
gemaakt, grove fouten, maar het was nooit te laat om je leven te beteren. “Daar
komen de paarden,” riep de hofdame naar binnen. Alle aanwezigen in het
gemeentehuis liepen naar buiten. Daar zou je het hebben. De grootscheepse
reddingsoperatie. Het laatste wat gedaan kon worden voor het Nederlandse volk. Beatrix
was helemaal in haar element. Zij hield heel veel van paardrijden. Weliswaar
hadden haar ritten zich tot nog toe beperkt tot rustige ritjes aan het strand,
maar ze voelde gewoon dat ze ook in staat was tot een serieuzer opdracht. Ze
steeg op het eerste paard, een robuuste schimmel, en riep naar de mensen die
achter haar waren. “Volg mij! Wij gaan Nederland verlaten!” De aanwezigen
sprongen op het paard dat het dichts bij hun in de buurt was en volgden de
heroďsche vorstin. De
tocht ging niet rechtstreeks naar de grens. Dat zou wat al te gemakkelijk
geweest zijn. Neen, zij zette koers in Noordelijke richting. Bij alle dorpen en
steden waar nog mensen waren, hield de stoet halt. Verwarde mensen, verdwaasde
mensen, mensen die eigenlijk niet weg wilden, allemaal sloten zij zich aan.
Lang niet iedereen had een paard. Sommige volgden de stoet in hun auto, anderen
op de fiets, en soms zat er iemand op een koe, die evengoed trouw meesjokte. Zo
ging het voort, met de majesteit aan het hoofd. Anaxia reed naast haar. “Hare,
ik denk toch dat dit een succes wordt.” Beatrix knikte. “Ja,” zei ze. “Dit is
het laatste wat ik doe voor dit land, en daarna ga ik rentenieren. Je mag het
tegen niemand zeggen maar in België staat Barack Obama al klaar met zijn Air
Force One. Ik ga lekker naar een warm gebied in de US. Florida lijkt me wel
wat. Of anders California hoewel je daar weer zit met zo’n breukvlak en dat ken
ik nu wel. Maar ik ben dankbaar, Anaxia, heel dankbaar, dat ik dit nog mag
doen. Dat is maar weinig vorsten gegeven, dat weet je.” “Zeker Hare, vertel mij
wat. Ik weet maar al te goed wat voor grootheid u bent. Maar, nu het toch even
ter sprake komt, daar in de US heeft u toch ook een hofdame nodig, en wat zou u
ervan vinden als ik met u meeging. Ik kan me daar vast ook heel nuttig maken.
Alstublieft, Hare, mijn hele leven heb ik aan u gegeven, laat mij dat
allerlaatste restje toch ook nog bij u.” “Natuurlijk, Anaxia. Wij blijven
samen. Ik zou niet weten wat ik zonder jou zou moeten beginnen. Ik ben te zeer
gehecht aan je gezelschap om je nu nog te missen. Er is ons nog weinig tijd
gegeven, vrees ik, maar laat ons daar toch het beste van maken.” Anaxia wipte
van blijdschap op haar zadel omhoog. De hele rit naar het Noorden was ze bang
geweest dat ze haar laatste dagen in eenzaamheid moest slijten. Ergens ver weg,
in een land dat ze niet kende. Ze was er bijna depressief van geworden. Maar nu
had Hare het verlossende woord gesproken. Ze ging mee naar Amerika, en dan nog
wel in Airforce One! Na
een lange rit, waarbij de stoet steeds groter was geworden, kwamen ze aan bij
het dorp op de Veluwe, waar de mensen druk bezig waren met het bouwen van de
Ark. Beatrix hief haar hand op om de stoet te doen stoppen. Ze richtte zich tot
de vrouw die duidelijk de opzichter was van dit werk. “Waar bent u mee bezig,
oh vrouwe,” vroeg ze. Nu ze zo onconstutioneel bezig was, wilde ze wel eens
vervallen tot middeleeuws taalgebruik of wat ze dacht dat daarvoor doorging. Aartje
keek op naar de vorstin die hoog op het grote paard was gezeten. “Wij bouwen
een Ark, Majesteit,” zei ze. “Er komt een zondvloed, zoveel hebben wij wel
weten op te maken uit alle verwarrende berichten die de laatste tijd op ons
zijn afgekomen. Dus wij weten wat ons te doen staat. Wij varen op de Ark tot
wij een vogel zien met een olijftak.” Hier pauzeerde Aartje. Ze dacht diep na. “Of
een bessentakje dan, want olijftakken zijn hier lastig te vinden. Voor u is er
natuurlijk plaats, maar ik ben bang dat de Ark te klein is voor al uw
volgelingen.” “En denkt u dat die Ark u zal redden? Kunt u mij niet beter
volgen?” Aartje schudde het hoofd. “Nee, zo moeten wij het doen. Dat hebben wij
doorgekregen van de Here. En zie eens hoe hard iedereen werkt. Ik weet zeker
dat de Ark op tijd klaar zal zijn. En het hele dorp kan er in, zelfs de dominee
met zijn gezin met twaalf kinderen. Ja, ik heb al eens tegen zijn vrouw gezegd,
ga toch aan de pil en vertel hem niks, maar nee hoor, daar wou ze niks van
weten. Het is Gods wil, al die kinderen, zei ze dan, en dan ging ze gebukt
onder de zoveelste zwangerschap. Het arme mens is totaal uitgewoond. Ik snap
niet hoe ze het uithoudt met die man, maar ja, hij is nu eenmaal de dominee.
Hij zingt nu wel een toontje lager, maar had je hem een paar dagen geleden
moeten horen. Hel en verdoemenis en de vrouw is er om de man te dienen, nou,
aan mijn hoela, zoals dat weleens oneerbiedig wordt uitgedrukt. Ik dien niemand
meer, en zeker de dominee niet. Misschien komt hij nu tot inkeer, en worden die
twaalf kinderen er geen twintig. Maar Majesteit, ik dwaal af, dat heb ik wel
vaker als ik me laat meeslepen. Wij gaan niet mee. Ik wens u een behouden
aankomst in het opvangland.” De vorstin
zei: “En ik wens u een behouden vaart. Zet koers naar de grenzen, daar buiten
zal alles gemakkelijker gaan, dat beloof ik u.” De stoet paarden, auto’s,
fietsen en koeien vervolgde haar weg. Het was nog een tijd reizen naar Friesland
en daar kwam bij dat ze niet de hoofdweg konden nemen, want ze moesten al die
steden en dorpen langs. Bijna iedereen wilde mee, een enkele zonderling
uitgezonderd. Maar die heb je altijd natuurlijk, daar kan je geen rekening mee
houden. Rita
Verdonk was samen met Henk aangekomen bij het vluchtelingenkamp bij Antwerpen.
Ze waren helemaal bijgekomen door de liefdevolle zorg bij de boeren in de
Ardennen. In het kamp konden ze hun intrek nemen in een houten huisje aan de
rand van het kamp. Groot was het niet, maar het was afdoende. Er was een open
haard, een kleine keuken en twee slaapkamers. Van de boeren hadden ze wat
kleren meegekregen. Rita zei: “Ik ga me even omkleden, Henk, wat wij hebben
beleefd moeten we uitdragen naar de andere mensen hier. De buitenlanders zijn
helemaal niet eng. Ons hart moet groot blijven en blijven openstaan voor
iedereen. En dat gaan wij ze vertellen.” “Ik weet nog zo net niet of ik het
daar wel mee eens ben,’ zei Henk. “Het is zo totaal anders. Die mensen waren
wel vriendelijk maar waren zij niet eerder een soort uitzondering? Ik heb
verhalen gehoord van dat ze geen van allen betrouwbaar zijn. Zodra je de grens
over gaat word je genaaid en zo is dat.” “Foei toch Henk. Soms verwondert het
mij niet dat Ingrid er vandoor is gegaan. Je bent erg star in je hoofd. Daar
moet je nodig wat aan doen, vooral omdat je de rest van je leven alleen nog
maar te maken hebt met buitenlanders, om het zo maar eens uit te drukken. Dit
kamp kan niet blijven bestaan. Ik hoorde vanochtend van de kampleiding dat ze
van plan zijn om ons te verdelen over de rest van Europa. Nou hoop ik zo dat ik
naar Italië ga! Ik voel me al helemaal Italiaanse. Ik ben eigenlijk best wel zo’n
Verdi Operafiguur vind je ook niet?” Henk keek haar even aan en liep de deur
uit. Rita Verdonk haalde haar schouders op, kleedde zich uit en stapte onder de
douche. De
stoet van Beatrix had de ronde door Nederland gemaakt. Iedereen die dat wilde,
was gered, dat wil zeggen, die zou gered zijn als de stoet de grens op tijd
wist te bereiken. “Voorwaarts!” riep de vorstin. “Wij moeten haast maken, want
het onheil treft ons aanstonds!” De paarden konden echter niet versnellen en zo
gingen ze in dezelfde vaart voort. Het was stil in de stoet. Het anders zo
praatgrage volkje had nu genoeg aan zijn eigen gedachten. Wat zou het worden in
dat andere land, zou het lijken op thuis of zou het heel anders zijn. Wat
moesten ze er gaan doen en was iedereen die ze liefhadden wel meegekomen. De
mensen keken om zich heen: het was de laatste keer dat ze een blik konden
werpen op het eentonige maar oh zo herkenbare landschap van weilanden en
snelwegen. Ondanks hun aanstaande redding voelden de meeste mensen toch een
soort droefenis van binnen. Eindelijk
bereikten ze de Belgische grens. De muur bij Hazeldonk was nooit afgemaakt,
want de Poolse arbeiders waren allang vertrokken. Her en der staken stukken
beton uit de grond. Het was geen gezicht, maar wie kon daar nu nog om geven.
Grenswachten waren er ook niet meer. Die keken wel lekker uit. Zij zaten allang
anoniem in het vluchtelingenkamp bij Antwerpen, waar geen bewaking nodig was.
De stoet kon dus zonder problemen de grens oversteken en koers zetten in de
richting van Antwerpen. Paard voor paard, auto voor auto, fiets voor fiets
gingen ze de grens over. Nederland was verloren maar de inwoners waren gered. De
vier Godinnen zagen het allemaal aan vanaf een wolk die nu boven de grens hing.
“Dit is prachtig,” zei Rigna met een brok in de keel. “Al die mensen die
allemaal het enige juiste doen, die saamhorigheid, wie had ooit gedacht. Het
zijn toch zulke ruziezoekers daar.” Mara knikte. “Ik moet zeggen, ergens had ik
het wel verwacht, maar toch verbaast het me wel. Die koningin van hun doet het
goed. Ik had niet gedacht dat ze het voor elkaar zou krijgen. Zo zie je maar,
dan schep je ze zelf en dan gaan ze compleet hun eigen gang. Maar let op, ik
denk toch wel dat het nu onderhand gaat gebeuren.” En ze was nog niet
uitgepraat of er zette een enorm gedonder en geraas op. Dat was de scheur in de
aardbodem in de zee bij Engeland. Even werd het heel stil in Nederland. Zo stil
dat het angstwekkend was. Toen nam een nieuw geluid een aanvang: het was
gebulder, dat in geluid toenam, steeds meer, steeds feller, tegelijk diep en
schel, een geluid dat niemand in dat land ooit gehoord had. De stoet, die op
weg was naar het vluchtelingenkamp bij Antwerpen, hoorde het ook. Ze wisten wel
wat dat betekende: op het nippertje was hun leven gered. Alle Nederlanders, die
voor de zoveelste keer een Oranje volgden, juichten en het gejuich overstemde
bijna het gebulder. Toen kwam het water. Water zoals niemand ooit gezien had,
met golven, zo hoog als huizen. Nee, veel hoger, zo hoog als de hoogste bergen
die mensen hadden gezien op wintersport. Het bulderende, grommende water
spoelde alles weg. Geen steen bleef op de andere staan en ook alle bomen, alle
bossen werden platgewalst. In een oogwenk was Nederland, het landje dat al
eeuwen tegen de wil van de natuur bestond, veranderd in een deel van de
Noordzee. De
bewoners van het Veluwse dorp hadden dag en nacht doorgewerkt aan hun ark en
net op tijd waren ze allemaal ingestapt. Dankzij de vooruitziende blik van
Aartje vonden ze allemaal een comfortabel onderkomen in de hutten en de zalen.
Ze voeren in de richting van Den Haag. Niet dat ze daar een reden voor hadden,
maar dat gebeurde gewoon. Toen ze in de buurt kwamen van de inmiddels
verdronken stad, zag Aartje, die de kapitein van de Ark was, twee figuurtjes in
het water. Ze zette een sloep uit en even later kwam die terug met Mark Rutte
en Maxime Verhagen. Ze waren tot op het bot verkleumd. Rillend zaten ze even
later in de grote eetzaal, met een kop warme bouillon. “Ik had niet gedacht dat
het waar was, van die Tsunami,” zei Mark Rutte. Maxime Verhagen knikte. “Wie
had dat kunnen denken. En waar waren we gebleven als er geen Ark geweest was.
Het is de voorzienigheid die ons heeft gered.” “Zo is het maar net,” zei
Aartje. “en nu denk ik dat de voorzienigheid jullie je vertelt dat je je
voortaan gedeisd moet houden, want het is helemaal niet mooi wat jullie ervan
hebben gemaakt.” De heren Rutte en Verhagen knikten alleen maar en nipten van
hun bouillon. Op
de wolk boven Nederland zei Mara “Nou, dat hebben we dan ook weer gehad. Ik ben
blij dat het goed gekomen is, want ik had er een hard hoofd in. Kom zusters,
wij hebben hier niets meer te zoeken.” Ze streek haar godinnengewaad glad en
zweefde elegant naar boven. Haar zustergodinnen volgden haar.
|