
In de kroeg was het donker, hoewel het
mooi weer was. Het zonlicht drong niet door de gele vitrages, die de kleine
ramen bedekten. Er zweefde een sliert rook door de gelagkamer. Van de vorige
avond nog waarschijnlijk, want het was vroeg in de ochtend en er waren
verder maar twee gasten.
Aan een fruitautomaat hing een jonge man.
Hij staarde gefixeerd naar het rollende fruit en wierp onophoudelijk munten
in de machine. Hij was alleen op de wereld; geen geluid kon hem van de
machine afleiden. Hij leek ermee verkleefd, alsof geen kracht hem er vandaan
zou kunnen rukken. De barvrouw praatte met een bezoekster. Eerst te zacht
om te verstaan, maar in het vuur van het gesprek vergaten ze de wereld
om hen heen en werden hun stemmen luider. "Aal, wat ik je zeg, je moet
ermee ophouden." Aal, die kennelijk alleen van plan was geweest om even
snel een kop koffie te nemen, want ze hield haar plastic regenjas aan,
schudde traag haar hoofd. Haar permanent was behoorlijk uitgezakt; wellicht
had ze een afspraak met de kapper en wachtte ze tot het tijd was om daar
te verschijnen.
"Nee, Bep", haar stem klonk wat schril,
alsof ze gewend was om almaar te moeten schreeuwen om aan bod te komen.
"Ik kan niet stoppen, niet nu, niet zolang Timothy en Debora nog op school
zijn".
"Je gaat eraan kapot, Aal, dat zeg ik
je. Moet je eens kijken hoe je eruit ziet! Vel over been!" Aal was inderdaad
erg mager. Ze had ingevallen wangen, wallen onder haar ogen en de jas hing
als een vuilniszak om haar heen. Met trillende handen haalde ze een mentholsigaret
uit haar tas, die ze angstvallig tussen buik en bovenbenen geklemd had.
Bep gaf haar een vuurtje.
"De kinderen, de kinderen, hoe lang denk
je dat vol te houden? Deze week alweer geen geld om fatsoenlijk te vreten...
En voordat die jongens van jou de deur uit zijn, ben je kapot".
Aal nam een paar haastige trekken van
haar sigaret en dronk haar koffie met snelle teugen. Toen het kopje leeg
was, zette ze het met een klap op het schoteltje "Doe mij maar een neut,
ik ben er aan toe."
Bep nam het kopje weg en zei, terwijl
ze een jonge jenever inschonk, "Weet je het wel zeker?" Ze zette het glaasje
voor Aal neer zonder het antwoord af te wachten. Dat bleef dan ook uit.
Aal nipte genietend van haar borrel en het duurde niet lang voordat ze
het glaasje leeg had. "Nog één!"
Dit keer stelde Bep geen vragen, maar
schonk haar bij. "Je hebt daar tegenwoordig goede opvang voor, Aal, hele
goeie. Je kan in zo'n tehuis. Blijf-van-mijn-lijf, zo heet dat. Een nicht
van mij heeft daar ook een tijd gezeten en nou is ze mooi van die klerelijer
af.".
"Dat lijkt me niks, tussen al die jankende
wijven", sprak Aal, "Niks voor mij, ik moet een vent om me heen". "Ja,
ja, zo'n sekreet als die Bert van jou zeker..", zei Bep smalend. "Nou,
daar ben je lekker mee!" Aal haalde haar schouders op en leegde het tweede
glaasje. Bep vulde het nog eens. "Hij is best wel een goeie kerel, anders",
zei Aal. Bep knikte afwezig. "Hij heeft losse handen, dat wel, maar het
is een vént".
Ze keek Bep even aan, alsof ze verwachtte
dat deze dat zou bevestigen, maar Bep was ineens druk bezig met het afstoffen
van de bar. "En hij is handig", ging ze verder, "Vorig weekend nog, een
hele wand in de badkamer heeft hij betegeld, in een vloek en een zucht
was het gebeurd"
Het werd Bep kennelijk te machtig, "Hoeveel
ribben zei je ook weer dat je had gekneusd?"
"Drie", antwoordde Aal en ging verder
met een lofzang op haar man "En lief dattie is voor mijn moeder..Altijd
grappen met dat mens, altijd met haar uit wandelen. Ze is hartstikke dol
op hem, hartstikke!"
De deur zwaaide open. Een kolos van een
kerel bonkte naar binnen. Zijn enorme bierbuik hing strakgespannen over
zijn afzakkende spijkerbroek, zijn stierenkop was nat van het zweet. "Aal!",
riep hij "Waar was je nou. Ik ben de hele tijd al naar je op zoek. Je zei
dat je boodschappen ging doen!" Hij ging vlak naast Aal staan en leunde
tegen de bar, alsof zijn lichaam zonder steun niet lang rechtop kon blijven
staan.
"Een pils", gebood hij Bep. Deze tapte
zorgvuldig een bier. "Zo meissie, ik ben blij dat ik je gevonden heb."
Aal deinsde terug. Hij greep haar bij
de arm. Als een lam lichaamsdeel dat eigenlijk niet bij haar hoorde, liet
Aal de arm hangen. "Je moet rekening met me houden, wijffie."
"Je doet me zeer, Bert".
Hij liet haar los en keek even schichtig
naar Bep, maar die leek op te gaan in het poetsen van de glazen. Hij dronk
zijn bier, boerde en veegde het schuim van zijn snor. "Er is niks meer
in huis! Ik had niks te bikken! Kan je nagaan, een vent die niks te bikken
krijgt voordat hij naar zijn werk gaat!" Aal verloor hem geen moment uit
het oog. Elke beweging die hij maakte, volgde ze met argusogen. Zonder
te kijken haalde ze nog een sigaret uit haar tas en stak hem op.
"Dat is ongezond", zei Bert, "Ik heb je
gezegd dat je dat moet laten". Hij pakte haar de sigaret af en drukte hem
driftig uit in de asbak. "Nog een pils, Bep". Aal opende haar mond om wat
te zeggen, maar hij was haar voor. "Nee, jij hebt genoeg gehad. Het wordt
tijd dat je weer eens aan je werk gaat, in plaats van je tijd zo te zitten
verleuteren en het huishoudgeld op te zuipen." Als bevroren bleef Aal zitten
waar ze zat. Ze was nog bleker geworden dan ze al was. Ze zag eruit als
een klein diertje, dat door een veel groter, veel vervaarlijker wezen in
het nauw was gedreven.
"Zo kan die wel weer, Bert", riep Bep
van de andere kant van de tap. Ze klonk veel minder ferm dan toen ze tegen
Aal gesproken had.
"Dit is een zaak tussen man en vrouw",
sprak Bert op plechtige toon, "Daar heeft een ander zich niet mee te bemoeien"
"Het is anders wél mijn kroeg."
Bep kwakte haar vaatdoek neer en zette haar handen in haar zij.
Bert liet een minachtend "huh" horen en
wilde zich verder gaan wijden aan de heropvoeding van zijn vrouw. Een luid
gerinkel uit de richting van de fruitmachine leidde hem echter van zijn
plannen af. Met een brede grijns liep hij op de jonge man toe, die met
beide handen de munten probeerde op te vangen. Er vielen er heel wat op
de grond. Hij sloeg de man hard op de schouder. "Jij hebt mazzel, Gijs,
veel poen en geen wijf dat alles opmaakt!" Gijs leek hem niet te horen,
en raapte met één hand de gevallen munten op, terwijl hij
de rest met zijn andere hand tegen zijn borst drukte. "Daar nemen we er
één op, joh", ging Bert verder, "Dat moet gevierd worden."
Aal stond heel voorzichtig, als een kat
die stiekem op een schoot probeert te kruipen, op van haar stoel en glipte
de kroeg uit, meewarig nagekeken door Bep.

© Petra Oomen, juni 1999